Menu

vrijdag 12 september 2014

De klokkenmaker – Mitch Albom


Met “De klokkenmaker” schreef Mitch Albom (1958, Michigan - VS), die de meeste lezers waarschijnlijk zullen kennen van zijn wereldberoemde doorbraak "Mijn dinsdagen met Morrie" - waarin Albom vertelt over de inspirerende gesprekken die hij voerde met een oude man die niet lang meer te leven heeft - een sprookjesachtige roman over ‘tijd’:
“… Denk eens na over het woord ‘tijd’. We gebruiken het in ontzettend veel uitdrukkingen. De tijd verdrijven. Tijd verspillen. De tijd doden. Geen tijd verliezen. In goede en slechte tijden. Dat werd tijd. Neem de tijd. Tijd besparen. Een lange tijd. Precies op tijd. Geen tijd meer hebben. Denk aan de tijd. Wees op tijd. Bespaar je de tijd. De tijd bijhouden. Tijdrekken…”.


Vader(tje) Tijd
In zijn boek voert Albom ‘Vader Tijd’op (Nederlanders hebben het trouwens meestal over ‘VaderTJE Tijd’). We denken vaak dat Vader Tijd heel oud is, maar onder zijn warrige baard en lange haar is zijn lichaam jong gebleven. Voor Vader Tijd staat de tijd namelijk stil, want hij heeft God boos gemaakt.
Heel lang geleden, aan het begin van de wereld, was Vader Tijd een jongetje dat Dor heette, die samen met zijn vriendinnetje Alli en vriendje Nim op een heuvel woonde. Terwijl hij groter en ouder werd, werd Alli mooier en zachter: “… hij voelde zich helemaal slap worden als ze haar ogen opsloeg om hem aan te kijken. Hij had het gevoel dat hij omver werd geduwd…”. Dor trouwde met Alli en stichtte een gezin. Nim werd een trotse koning die de goden wilde verslaan en het hoogste bouwwerk tot stand bracht dat de mens ooit heeft gemaakt: de toren van Babel. Omdat Dor weigerde Nim als slaaf te dienen, werden Alli en Dor met hun kinderen uit de stad verbannen. Vervelend natuurlijk, maar Dor zat er niet écht mee. Hij werd opgezogen door een andere obsessie: het meten van de tijd. Hij vergat God en leerde tellen en instrumenten maken die de tijd aangaven. Hij vond de kalender uit. Dit alles verwijderde de mensen van het eenvoudige licht van het bestaan. Voordat Dor ter wereld kwam bestond de tijd niet eens…
Toen Alli ernstig ziek werd en op sterven lag, rende Dor ten einde raad de toren van Babel op, om de goden uit te dagen en de tijd stil te zetten. De toren stortte in, de mensen gingen in allerlei vreemde talen spreken, en als straf belandde Dor in een tijdloze grot waar hij hete tranen huilde, die een plas vormden waaruit een eindeloze hoeveelheid stemmen opsteeg, waarnaar hij verplicht moest luisteren. Bijna allemaal bedelden ze om ‘meer tijd’.

Eén die te veel en één die te weinig tijd wil
Daar bleef het niet bij. Na zesduizend jaar wordt Dor terug gestuurd naar onze wereld, met de opdracht twee mensen te zoeken: één die te veel en één die te weinig tijd wil. Hij moet hen leren wat hij zelf heeft geleerd. Hij krijgt een magische zandloper mee. Hij kan er de tijd mee versnellen of vertragen, en daardoor pakken wat voor handen is, maar ach, voor iemand voor wie alles voor het oprapen ligt is bijna niets de moeite waard.
Prachtig wordt verteld hoe hij leert zichzelf in de moderne wereld te handhaven. Hij vindt werk in een klokkenwinkel - hoe kan het anders?! Daar ontmoet hij de mensen waar het om begonnen is: Victor, een steenrijke tachtiger die dood zal gaan aan kanker, maar zich wil laten invriezen zodat hij ontdooid kan worden als er een middel tegen zijn ziekte is gevonden ; en Sarah, een hoogbegaafde, te dikke tiener, die afgewezen wordt door zowel haar klas als de jongen waar ze stapelverliefd op is, en alleen nog maar dood wil. Victor koopt een antiek horloge die hij stil wil zetten op het moment dat hij ingevroren wordt, en Sarah koopt een prachtig driehoekig horloge als kerstkadootje voor degene die ze - schrijnend genoeg - bestempelt als ‘de man van haar leven’: “… Als ze haar verstand had gebruikt, zou Sarah bij Ethan uit de buurt zijn gebleven. Maar voor het verstand is bij een eerste liefde geen plaats, dat is altijd zo geweest…”.
Om hun levens te begrijpen achtervolgt en observeert Dor zijn klanten dagenlang. Hij verbaast zich grenzeloos over de snelheid van hun bestaan; die nog eens extra gestimuleerd wordt door de moderne communicatiemiddelen. Hij is verdrietig omdat de medische machines waarmee tegenwoordig levens gerekt kunnen worden nog niet bestonden toen Alli overleed.

Alles heeft zijn tijd
Als Victor en Sarah op oudejaarsavond allebei uit het leven willen stappen, grijpt Dor in, en zet de tijd stil: “… En wat er toen gebeurde… Van Los Angeles tot Tripoli kwamen krullende golven voor de kust tot stilstand. Wolken bewogen niet meer. Het weer bleef zoals het was. In Mexico hingen regendruppels in de lucht, en een zandstorm in Tunesië veranderde in een permanente zee van zandkorrels. Er klonk geen enkel geluid op aarde. Vliegtuigen hingen geluidloos boven landingsbanen. Sigarettenrook bleef roerloos om de rokers hangen. Telefoonlijnen waren dood. Schermen waren leeg. Niemand zei iets. Niemand haalde adem. Zonlicht en duister verdeelden de planeet en het oudejaarsvuurwerk bleef in de donkere luchten hangen, in een regen van paars en groen, alsof kinderen het firmament hadden gekleurd en vervolgens waren weggerend. Er werd niemand geboren. Er ging niemand dood. Niets kwam dichterbij. Niets verdween…”.
Als in een bijna-dood-ervaring krijgen Victor en Sarah de kans om de gevolgen te zien van hun besluit. Victor blijkt honderden jaren in de toekomst een verschrompeld wezen te zijn wiens hersenen worden aangesloten op een monitor. Niet helemaal meer menselijke mensen kijken met open mond naar de projectie van zijn gevoelens op een beeldscherm; want zelf zijn ze geëvolueerd tot lege hulzen die geen emoties kennen. Zo leuk is dat dus allemaal niet.
Sarah, die dacht dat haar ex-vriendje wel erg geschokt en zeer veel spijt zou hebben van zijn gedrag als hij zou horen over haar vroegtijdige dood, ziet dat hij haar af doet als een gestoorde freak terwijl hij vrolijk verder gaat met zijn leven. Juist de mensen waar ze nooit een gedachte aan heeft gewijd, blijken het meest om haar te geven.
Sprookjes lopen goed af. Weer terug in het hier en nu geeft Victor een van te voren afgesproken teken aan zijn begeleider waardoor het invriezingsproces wordt gecanceld; en ook Sarah wordt op het nippertje gered. Victor wijzigt in de tijd die hem rest zijn testament. Met zijn geld kan de slimme Sarah aan een prestigieuze medische opleiding beginnen, en vindt zij op den duur een middel uit tegen de meest gevreesde ziekte van onze tijd. Het zal miljoenen mensen het leven redden. Dor heeft aan zijn opdracht voldaan en kan eindelijk sterven. Hij leefde lang maar ongelukkig. Victor leeft nog kort, maar gelukkig. En Sarah leeft nog lang én gelukkig.
‘Alles heeft zijn tijd’
; Prediker 3 : 1 – 15.

Vakmanschap is meesterschap
“De klokkenmaker” is wonderlijk mooi geschreven. Zelf zegt Mitch Albom in het dankwoord dat het ene boek ‘lastiger’ is dan het andere. Ik heb nog eens een stukje uit "Mijn dinsdagen met Morrie" gelezen: het verschil is inderdaad fenomenaal. Zo vloeibaar als het laatste uit zijn pen lijkt te zijn gerold, zo moeizaam lijkt het eerste tot stand te zijn gekomen. Zelfs in de vertaling – van Ralph van der Aa – staat ieder woord op zijn plaats: alsof er ik-weet-niet-hoelang over is nagedacht. Dat bedoel ik niet als kritiek. Integendeel. Het resultaat nadert de perfectie: vakmanschap is meesterschap. Zelden heb ik een verhaal gelezen dat zo in balans is. Schitterend!

Uitgave: De Barbaar – 2014, 240 blz., ISBN 978 905 999 904 6, €17,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 5 september 2014

Hoe duur was de suiker? – Cynthia Mc Leod


Het nieuwe leeskring-seizoen zijn we gestart met “Hoe duur was de suiker?”, een historische roman die speelt in Suriname, tweede helft van de 18de eeuw, zo’n beetje de periode die bij ons bekend staat als ‘de pruikentijd’, dus. Decor van het verhaal: het slavernijverleden.
Cynthia Mc Load (1936, Paramaribo, dochter van een onderwijzer die het bracht tot eerste president van Suriname: Johan Ferrier – na de Bouterse-coup verliet hij het land) schreef het boek in 1987. Vorig jaar werd het verfilmd in het kader van de viering van 150 jaar afschaffing van de slavernij (waaraan ik aandacht heb besteed door “Het negerboek” van Lawrence Hill te bespreken). Van de winter zond de Vara het uit als vierdelige tv- serie.
We hebben er maar gelijk een heel project van gemaakt. Zaterdag gaat een gids ons langs de plekken die te maken hebben met slavernij in Middelburg loodsen: de geschiedenis ligt op straat!


Melodrama
“Hoe duur was de suiker?” evolueerde tot de populairste roman binnen de Nederlands-Surinaamse literatuur: één op de vijftig Surinamers schafte het aan. En dat terwijl ik het toch een vrij ouderwets, ontiegelijk melodramatisch verhaal vind, met zowel letterlijk als figuurlijk erg zwart-wit neergezette karakters. Zo zie je maar weer: een boek hoeft echt geen literair hoogtepunt te zijn om lekker weg te lezen.
In de roman volgen we het wel en wee van twee dochters uit een joodse plantersfamilie: de halfzusjes Sarith en Elza (nooit geweten, maar voordat Suriname in 1667 een Nederlandse kolonie werd, woonden er al meer dan honderd jaar blanke joden, die om geloofsredenen Portugal hadden moeten verlaten en via Brazilië in Suriname terecht kwamen, waar ze het dorp Joden-Savanna stichtten: een nieuw Jeruzalem aan de rivier).
Sarith is een waanzinnig mooi, maar uiterst geraffineerd, verwend nest, die alle mannen het hoofd op hol brengt. Elza is heel gewoontjes en de goedheid zelve. Toch is Sarith op haar twintigste nog steeds een ‘oude vrijster’ (!) terwijl Elza getrouwd is met de in alle opzichten deugdzame Amsterdamse assistent-administrateur Rutger le Chasseur. Hij vindt het allemaal maar niets: de onmenselijke werksituaties die hij tegenkomt, de leegloperij van de hoge heren, de wrede straffen die de slaven te verduren krijgen, de verkrachtingen die doorlopend en overal plaatsvinden.
“… Hij had al gemerkt, dat de voornaamste bezigheden van de kolonisten , bij de mannen, bestonden uit drinken, eten, kaart- en hazardspelen, bij verschillende vrouwen slapen en zogenaamd zwaarwichtige gesprekken voeren, die altijd gingen over geld, de gouverneur, aanvallen van de bosnegers en hun eigen kleine kringetje. Bij de vrouwen was het niet anders, babbelen, roddelen, klagen over luiheid van slavinnen, over gedrag van echtgenoten, snoepen en nog eens roddelen. En verder werd er gepronkt, gefeest, geprobeerd elkaar te overtroeven in het tentoonstellen van weelde en pracht…”.
Rutger weet dat de meeste suikerplantages teren op krediet dat nooit terug betaald kan worden (wat de beurskrach van de Amsterdamse banken in 1773 tot gevolg heeft). De dubbele moraal van de blanken die bijna allemaal een mulattin als bijzit of concubine hebben, maar de verwekte kinderen niet erkennen, zit hem dwars. Hij ergert zich groen en geel aan de manier waarop mijnheer en mevrouw zondags ter kerke gaan: op z’n minst vergezeld door twee lijfslaven, één om een parasol omhoog te houden en één met het kerkboek op de hand (‘God heeft in Zijn onmetelijke wijsheid de zwarten geschapen om voor de blanken te werken’). Rutger vindt dat de marrons, de weggelopen slaven, die onder leiding van ene Boni voortdurend aanslagen plegen op de plantages (de z.g. Boni-oorlogen), niet opgejaagd moeten worden, maar de vrijheid gegeven. Dan zul je geen last meer van ze hebben: ze redden zich immers prima in de rimboe. Natuurlijk is bijna niemand het met hem eens.

Liefde is oorlog

Diezelfde Rutger vraagt aan Elza echter, nog vóór ze getrouwd zijn, of ze niet jaloers zal zijn als hij onverhoopt een avontuurtje met een ander zou hebben - je weet maar nooit waar je tegen aan loopt, wel? (Meid, dacht ik, waar begin je aan…)
Goed. Die Rutger kan dan een hart van goud hebben; ik vind hem maar een lapzwans. Hij laat zich als een willoos slachtoffer door Sarith verleiden, in zijn eigen huis, terwijl Elza - zwanger en wel - met lede ogen toekijkt. Uiteindelijk lukt het hem toch zichzelf te bevrijden uit Sarith’s tentakels, en wordt zijn huwelijk meer dan gelukkig. Sarith wil ook getrouwd zijn, en huwt na diverse affaires een ouwe vent, waar ze niets om geeft. Achter zijn rug om papt ze aan met een knappe legerofficier. Als dat uitkomt, krijst ze alles aan elkaar over dat mannen wel vreemd mogen gaan en vrouwen niet, en daarin heeft ze natuurlijk volkomen gelijk - vind ik. Ondertussen wordt Sarith’s ega stapelgek op haar lijfslavin: Mini-mini. Sarith probeert haar nog te verkopen, maar manlief is haar te vlug af.
Enfin; zijn alle onderlinge verhoudingen nog een beetje te volgen in mijn verhaaltje? Over de vele kinderen die het resultaat zijn van het e.e.a. zwijg ik maar bij voorbaat!
In ieder geval is één ding duidelijk: liefde is oorlog…

Bepaald niet kinderachtig

Toch schrijft Cynthia Mc Load buiten de liefde om – “… Die lieve vingers die over zijn rug gingen, die lieve stem die daar zo zacht en melodieus vertelde en zong, heerlijk was het. Die Mini-mini toch, wat was ze lief. Nadat de massage voorbij was, moest hij de hele verdere avond denken aan hoe lief die vingers over zijn rug gegaan waren en hoe lief haar stem had geklonken…” (toe maar) – bepaald niet kinderachtig. Zonder er al te veel woorden aan vuil te maken vertelt ze over een zekere Basdow, die van een slaaf één voor één de vingers laat afhakken om hem vervolgens te dwingen, voor hij hem verbrandt, diezelfde vingers op te eten. Als het hout niet vlug genoeg vlam vat, begraaft hij hem levend. Ene Susanna Dupleiss laat een kind verdrinken voor de ogen van haar moeder. De plantage-eigenaar Daniël Jeremiah slaat een slavenopstand neer, en steekt het hoofd van de doodgeschoten aanvoerder op een stok die hij als afschrikmiddel midden in een slavengemeenschap plaatst. Sarith laat een oude huisslavin, die het gewaagd heeft commentaar te leveren op haar losbandige gedrag, dood ranselen.
“… Kwasiba vertelde: ‘Soldaten hebben onze kinderen in een vijzel gestampt zoals je bananen stampt, tot ze dood waren’…”. En dit zijn nog niet eens de ergste verhalen.
Honderden ‘onschuldige’ Europese huursoldaten, die worden ingezet om gevluchte bosnegers te vangen, vinden de dood in het Surinaamse oerwoud. Ze sterven voornamelijk aan ziekten (waaronder de beruchte, en zeer besmettelijke ‘gele koorts’), honger en uitputting. Ze hebben geen idee waar ze aan beginnen. Een verhaallijn gaat over ‘Jan’ die inscheept naar Suriname en daar ook nog eens goud hoopt te vinden. Hij blijft zijn ruwe collega’s zoveel mogelijk uit de buurt: “… Eén van de soldaten die met een mes gestoken had tijdens een vechtpartij met een matroos, werd hiermee aan de grote mast gespijkerd. Hij moest er blijven tot hij zichzelf had bevrijd, daarna werden beiden gekielhaald en verloren zes maanden soldij en gage. Twee matrozen die men betrapt had op homoseksuele praktijken had men gewoon overboord gegooid…”. Hij overleeft scheurbuik en buikloop, om zich in het oerwoud over te leveren aan muskieten, grasluizen, giftige slangen en de regentijd. Binnen de kortste keren zit hij vanwege het krabben onder de geïnfecteerde zweren. De marrons lokken de soldaten het moeras in. Graven valkuilen waarin ze speren steken met een dot haren aan de punt die dodelijke ontstekingen veroorzaken. “… Ving men een stel negers, dan moesten die direct doodgeschoten worden; hand afkappen om als bewijs mee te brengen naar de stad. Voor elke hand kreeg de soldaat een premie. Mocht men een hoofdman vangen, dan moest men het hoofd afhakken om in de stad te tonen…”. Mc Leod: “… In april 1778 verliet Fourgeod met het overschot van zijn troepen het land. Van de ongeveer vijftienhonderd man waren er nog slechts honderd over…”.
We vinden het geweld van ISIS onvoorstelbaar, maar een paar eeuwen geleden gedroegen sommige vertegenwoordigers van onze o zo christelijke natie zich geen haar beter. De suiker heeft ontelbare mensenlevens gekost.

Afhankelijk
Toch bestonden er ook goede relaties tussen zwarten en blanken. In het boek zijn de blanken volledig afhankelijk van hun slaven (de volwassen Sarith kan zich niet eens zelf aankleden of haar eigen haar opsteken). De slaven weten hoe ze met hun handen moeten werken, bestieren de huishoudens, tikken alle spullen die nodig zijn op de kop, koken en voeden de kinderen op; de blanken kunnen niks. Wie zijn er eigenlijk zieliger: de zwaar mishandelde, maar sterke en stoere zwarten of de blanken met hun gefrustreerde, lege, onbevredigende levens?
Waar ik me nog het meest over heb verbaasd is het feit dat de joden, die zelf zo ontzettend hebben geleden onder antisemitisme, zonder met hun ogen te knipperen hun zwarte slaven ook weer discrimineren.
Een verhaal gaat over de satirische dichter Hendrik Schouten, die het vreselijk vindt dat zijn gekleurde vrouw niet wordt geaccepteerd in de voorname kringen van Paramaribo, maar die wel weer een schouwburg begint waar joden niet welkom zijn (waarop de joden een jaar later trouwens een eigen schouwburg uit de grond stampen).
Maar ja; ik kijk natuurlijk met 21ste eeuwse ogen. De ongelijkheid lijkt zo in de kolonistencultuur ingebakken, dat het niemand meer opvalt. Sterker; de Surinaamse slaven lachen zich een stuip als ze horen dat in Holland blanken stoepjes schrobben en ramen lappen. Misschien is ongelijkheid wel nooit helemaal uit te bannen: kijk alleen maar eens naar onze tv-reclames over verzekeringen en datingsites 'alleen voor hogeropgeleiden'.
Wel leuk: in mei kwam bij Walburg Pers "Reize naar Surinamen" uit, een verslag van een avontuurlijke beroepsmilitair in Suriname. Dus, als je uit de eerste hand wil weten hoe het er destijds aan toeging…

Uitgave: Conserve – 2013 (filmeditie), 304 blz., ISBN 978 905 429 348 4, €12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 22 augustus 2014

Augustus – John Williams

Subtitel:

Een tijdloos verhaal over vriendschap, loyaliteit en de mechanismen van de macht


Na “Stoner” en “Butcher’s Crossing” – waarvan er samen alleen al in Nederland meer dan 300.000 exemplaren over de toonbank gingen – kwam deze maand “Augustus” uit, de derde vertaalde roman van de wereldwijd herontdekte Amerikaanse auteur John Williams (1922-1994). Als hoofdpersoon figureert de eerste keizer van het Romeinse Rijk, die de meesten vooral zullen kennen uit het begin van het kerstevangelie: “… En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden…”, Lukas 2:1. Die dus. De dag waarop ik aan deze blog begon, dinsdag 19 augustus 2014, was het precies 2000 jaar geleden dat ‘Caesar Augustus’ overleed: de Latijnse eretitel die imperator Gaius Julius Caesar Octavianus (63 voor Chr. – 14 na Chr.) zichzelf aanmat, en waarnaar de zesde maand, voorheen ‘sextilis’, werd genoemd. Augustus betekent zoveel als ‘gezegend, geheiligd, verheven’. Niet dat Augustus zich als een god liet vereren: daar was hij veels te nuchter voor. Zijn opvolgers dachten daar anders over.


Roddelpers
“Augustus”, waarmee John Willliams in 1973 de National Book Award won, is weer een heel ander en veel moeilijker boek dan “Stoner” en “Butcher’s Crossing”. Het is geen historische roman waarin netjes wordt verteld hoe het allemaal precies zit met de keizer. Enige voorkennis is wel handig. De ene keer wordt hij bijvoorbeeld Augustus en de andere keer Octavius genoemd, dus is het belangrijk dat je weet dat het om één en dezelfde persoon gaat. Ik heb veel gehad aan de special over Augustus van ‘EO Door de Week’ die de avond voor zijn sterfdag te horen was op Radio 5. Hierdoor kon ik het verhaal veel beter in zijn context plaatsen. Wat Williams namelijk heeft gedaan is via allerlei gefingeerde brieven, dagboekaantekeningen, memoires en reisverslagen van verzonnen en historische figuren rond de keizer – inclusief natuurlijk ook die van Augustus zelf – een beeld van hem scheppen. Boven elk fragment staat wie aan wie schrijft en wanneer: “… Brief: Julius Caesar aan Atia (45 v. Chr.)…”, “… Quintes Salvidienus Rufus: Aantekeningen voor een dagboek, in Apollonia (maart, 44 v. Chr.)…”, “… Een pamflet: Verspreid onder de Macedonische legioenen, in Brindisi (44 v. Chr.)…”, enzovoort. Ik moest mijn kop er echt goed bij houden, want er kwamen zoveel namen voorbij - Cicero, Maecenas, Agrippa, Cleopatra, Marcus Antonius, Horatius, Herodus, ik noem er maar een paar - dat ik in het begin steeds dacht: ‘wie is dát nou weer’. Maar toen ik er eenmaal aan was gewend, werkte het zo verslavend, dat ik absoluut wilde weten hoe het iedereen verging. Alsof ik de plaatselijke roddelpers van 2000 jaar terug zat te lezen! Die van Rome, welteverstaan…

Wie denkt dat ventje wel niet dat hij is
“Augustus” bestaat uit drie delen, waarvan het eerste gaat over de opkomst van Octavius; de tengere, ziekelijke, bedeesde, soms radeloos verlegen neef van Julius Caesar, die zulke indringende blauwe ogen heeft dat mensen voor hem terugdeinzen. Als Caesar op 15 maart van het jaar 44 v. Chr. wordt vermoord wijst zijn testament hem aan als geadopteerde zoon en wettige erfgenaam. De dan negentienjarige Octavius vertrekt met zijn drie beste vrienden naar Rome, om zijn rechten op te eisen en zijn oom te wreken. De senaat, die voor het grootste deel op de hand is van de ‘tirannenmoordenaars’, lacht hem bij voorbaat uit. De machtigste consul, Marcus Antonius, ontvangt hem met de hoogst mogelijke minachting. Wie denkt dat ventje wel niet dat hij is?! Maar dat ventje weet wel het vertrouwen van het volk en de soldaten te winnen; zich een weg te banen door de corrupte, losbandige, wetteloze, van eigenbelang en onderlinge rivaliteit vergeven politieke chaos in Rome; alle macht naar zich toe te trekken; en een einde te maken aan een eeuw van, in wreedheid absoluut niet voor onze tijd onderdoende, burgeroorlogen. Het lijkt wel of je één of ander gruwelijk verslag over ISIS zit te lezen: “… Brief: Gaius Cilnius Meacenas aan Titus Livius (13 v. Chr.) … De huizen van de rijken en armen waren zonder onderscheid en reden in brand gestoken; honderden onschuldige inwoners van de stad, die niets anders hadden misdaan dan dat ze de pech hadden dat hun stad door de legioenen van Pompeius waren bezet – oude mannen, vrouwen en zelfs kinderen -, waren door de soldaten gemarteld en afgeslacht. Agrippa vertelde dat, toen hij en onze keizer laat op de ochtend na het bloedbad de stad in reden, ze het gekreun en gehuil van de gewonden en stervenden als één geluid uit de stad hoorden opstijgen…”. Over de dood van de beroemde filosoof Cicero: “… De geschiedenis van Rome. Titus Livius: Fragment (13 n. Chr.) … ‘Laat me sterven,’ zei hij, ‘in mijn eigen land, dat ik vaak heb gered.’ Bekend is dat zijn slaven bereid waren moedig en loyaal voor hem te vechten: maar hij gaf hun de opdracht de draagstoel neer te zetten en de harde noodzaak van het lot rustig te ondergaan. Terwijl hij uit de draagstoel naar buiten leunde en zijn nek stilhield, werd zijn hoofd eraf gehakt. Maar daarmee was de bruutheid van de soldaten nog niet afgelopen: ze hakten ook zijn handen af, die ze vervloekten omdat ze tegen Antonius hadden geschreven. Aldus werd het hoofd naar Antonius gebracht en op zijn bevel tussen de twee handen geplaatst op de rostra waar hij als consul en consularis te horen was geweest, waar zijn welsprekende smaadredes tegen Antonius in datzelfde jaar ongekende bewondering hadden gewekt. Volwassen mannen waren nauwelijks in staat om met hun betraande ogen een blik te werpen op de verminkte overblijfselen van hun landgenoot…”. En: “… De memoires van Marcus Agrippa: Fragmenten (13 v. Chr.) … Ik was bij hem in Actium, toen de zwaarden de vonken van het metaal lieten spatten, het bloed van de soldaten over het dek stroomde en de blauwe Ionische Zee rood kleurde, de speren door de lucht suisden, de brandende scheepsrompen op het water sisten, en het gekrijs klonk van mannen van wie het vlees verschroeide in het harnas dat ze niet konden afwerpen…”.

Pax Augusta

Gaat het eerste deel over oorlog; het tweede deel gaat over vrede. Want daar is Augustus beroemd mee geworden: de Pax Augusta. Onder heerschappij van Augustus vangt een langdurige tijd - bijna twee eeuwen (!) - van Romeinse vrede aan. Natuurlijk is er politiek genoeg gedraai en gekonkel om boeken te vullen. Augustus weet nooit wie zijn vrienden of vijanden zijn. Het pad van de macht is glibberig. Hij eist van iedereen om hem heen dat hij of zij zijn of haar bestaan opoffert voor de welvaart van Rome: je went vanzelf wel aan je rotleven. Degene die daar het ergste slachtoffer van wordt, is degene die hem het meest aan het hart gaat: Julia, zijn enige dochter, zijn meest-geliefde. Hij dwingt haar drie keer te trouwen met mannen waar ze niet van houdt: “… In de wereld waaruit ik kwam, was alles macht en deed alles ertoe. Men bedreef er zelfs de liefde voor macht, en het doel van de liefde werd niet het eigen genot, maar de talloze geneugten van de macht…”. Als haar laatste echtgenoot in het buitenland zit, zet Julia in Rome de bloemetjes buiten, terwijl haar vader de andere kant opkijkt. Maar de kerels waar ze mee aanpapt blijken een samenzwering op touw te zetten tegen de keizer. Om zijn dochter van executie wegens hoogverraad te vrijwaren kan Augustus niet anders dan haar zogenaamd beschuldigen van overtreding van de strenge Romeinse huwelijkswetten (die hij jaren daarvoor afvaardigde omdat er meer getrouwden scheidden dan bij elkaar bleven; waar vervolgens niemand zich aan hield, laat staan hijzelf – er is echt niets nieuws onder de zon), en wordt ze verbannen naar een afgelegen eiland. Hij ziet haar nooit meer. Waarschijnlijk heeft ze zichzelf doodgehongerd.
In een interview achterin het boek vertelt Williams hoe een historicus hem op het spoor zette van deze Julia, die min of meer uit de geschiedenisverhalen is weggeschreven. Hij ging zich steeds meer voor haar interesseren, las alles wat hij te pakken kon krijgen over de Romeinse wereld, en kende die tegen de tijd dat hij aan zijn roman begon door en door.

Macht, liefde en het absolute

In het derde deel kijkt de oud geworden keizer terug op zijn leven. Is het allemaal de moeite waard geweest?
Wat mij betreft stijgt John Williams hier ver boven zichzelf uit. Dit is zo onvoorstelbaar mooi geschreven, dat je jezelf bijna tekort doet, als je het niet leest. Ik zou zelfs willen aanraden om, als je geen tijd hebt voor het hele boek, alleen dit laatste (en kortste) gedeelte te lezen.
Hoe Augustus mijmert over zijn gespletenheid: “… En toch waren ze mijn vrienden, die het meest voor me betekenden juist op het moment dat ik ze in mijn hart opgaf. Wat is een mens toch een tegenstrijdig wezen, dat het meest waardeert wat hij afwijst of verlaat!...”. Hij zegt dat als je oud wordt de dood van je vijanden even erg is als de dood van je vrienden. Hij heeft het over zijn “… sterfelijke ziel…” die zich tijdens het leven “… niet kon afscheiden van het dier dat zijn gast was…”.
Hij zegt dat hij meer het gevoel heeft dat hij werd overheerst, dan dat hij zelf een heerser was. Dat het veroveren van de wereld niets voorstelde. En die wereld regeren al helemáál niets: “… Rome is niet eeuwig; dat doet er niet toe. Rome zal ten onder gaan; dat doet er niet toe. De barbaar zal het veroveren; dat doet er niet toe…”. Heeft Williams de Bijbel gelezen? “… Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid…”, (Brief aan de
Romeinen, 8:20).
Hij denkt vaker en vaker dat de Romeinse deugden – van stand, prestige, eer, plicht en trouw – “… de mensen eenvoudigweg van hun menselijkheid hebben beroofd…”.
Hij heeft het over macht en liefde: “… Horatius vertelde me ooit dat wetten niets in te brengen hadden tegen de passies van het menselijk hart, en dat alleen degene die er geen macht over heeft, zoals de dichter of de filosoof, de menselijke geest tot deugdzaamheid kan aanzetten… ”. Hij zegt dat hij nooit zo dom is geweest om te denken dat zijn onderdanen zich aan zijn wetten zouden houden, maar dat ze ook niet zozeer bedoeld waren om zich er aan te onderwerpen, maar om zich er door te laten leiden:
“… Ik dacht dat het zonder het idee van deugdzaamheid niet mogelijk was deugdzaam te zijn, en er geen idee van deugdzaamheid kon zijn zonder het in de wet vast te leggen. Ik had het natuurlijk mis, de wereld is geen gedicht, en de wetten brachten niet tot stand waarvoor ze bestemd waren…”. Een conclusie die ook in de Bijbel wordt getrokken.
Volgens Augustus maken de goden zich beslist niet druk om het arme schepsel dat met veel inspanning zijn lot tegemoet gaat, “… en ze spreken hem zo zijdelings toe, dat hij ten slotte zelf moet uitmaken wat ze bedoelen…”. Vandaar al die verschillende kerken en eindeloze preken? Toch zegt hij dat hij in zijn leven heeft overwogen “… of het mogelijk is een theologisch systeem te maken, of zelfs een godsdienst, rond het idee van liefde…”, wat m.i. heel dicht in de buurt komt van het christendom, waarin de liefde verpersoonlijkt wordt in Christus Jezus, die in plaats van de wet is gekomen. Prachtig schrijft Augustus over de liefde als “… ontsnapping aan jezelf…”, en dat hij tot de conclusie is gekomen dat er “… een soort liefde bestaat die sterker en duurzamer is dan de verbintenis met die ander die ons met dat sensuele genot verleidt, en sterker en duurzamer dan de platonische variant…”. Dat is de liefde voor de idee. Daarmee krijgen de filosofen en de dichters macht over het hart van hun toehoorders. Dat nadert het absolute (en als het absolute ‘God’ is, dan ben ik alwéér terug bij het christendom).
Ik las op Nu.nl dat uitgeverij Lebowski de rechten heeft gekocht van de biografie over John Williams, die geschreven gaat worden door Charles Shields. Ik kijk daar reikhalzend naar uit, want ik snap niet dat Williams niet knettergek is geworden van die keizer Augustus, waar je toch met huid en haar door opgeslokt moet zijn, wil je een boek als dit afleveren. Hij is hem bijna gewórden. Je zou verdorie bijna niet meer weten wie je zélf bent…!

Uitgave: Lebowski – 2014, vertaling Edzard Krol, 448 blz,. ISBN 978 904 882 060 3, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier