Menu

dinsdag 25 augustus 2015

Zes maanden in de Siberische wouden – Sylvain Tesson


Iemand die zo niet zijn ziel, dan toch tenminste zichzelf zocht, is de Franse filosoof en reisschrijver Sylvain Tesson (26 april 1972). Voor zijn veertigste wilde hij een tijdje als kluizenaar in een bos wonen. Het werd niet zomaar een bos. Hij trok zich zes maanden terug in een Siberische blokhut aan de oever van het Bajkalmeer: “… Het eerste dorp op honderdtwintig kilometer afstand, geen buren, geen toegangswegen, sporadisch bezoek. ’s Winters - 30ᴼC, s’ zomers beren in de buurt. Kortom, het paradijs. Ik had boeken (een stuk of zestig: om de leegte in te vullen mocht zijn innerlijk leven weinig voorstellen), sigaren en wodka meegenomen. De rest – ruimte, stilte en eenzaamheid – was daar al…”. En even verder: “… Diep in de taiga ben ik een ander mens geworden…”. Met dank aan degene die mij wees op dit prachtige boek.

De landingsplaats van mijn leven

Zijn dagboek “Zes maanden in de Siberische wouden” noemt Tesson ‘een commandoactie tegen het absurde’. De start: “… Die neiging om rechtsomkeert te maken wanneer je bijna krijgt wat je hebben wil. Sommige mensen doen dat: op cruciale momenten haken ze plotseling af. Ik ben bang dat ik ook zo ben…”. Niet zo gek. Hij begint aan iets dat totaal niet strookt met zijn aard, lijkt mij. Tesson haalde het nieuws door onder andere de Eiffeltoren en de Notre Dame te beklimmen. In 2014 lag hij tien dagen in coma na een val van de gevel van een huis van zijn vriend, las ik op internet. Een beklimming ter ere van de voltooiing van een boek. Zo’n iemand als representant van slowlife?!
De eerste dag rijdt hij vijf uur met een chauffeur die niets zegt - “… Ik bewonder zwijgzame mensen, ik vul hun gedachten in…” - in een vrachtwagen over de verijsde steppe en dan tuffen ze gewoon het ijs op: “… Onder de wielen is het een kilometer diep. Als we in een spleet rijden, zal de auto in de duisternis verdwijnen. Onze lichamen zullen geruisloos vallen. Drenkelingen die als sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Het meer is de ideale grafkelder voor wie bang is te verrotten. James Dean wilde na zijn dood een ‘mooi kadaver’ achterlaten. Er zijn hier kreeftjes, de Epischura baikalensis, die de lichamen binnen vierentwintig uur schoonmaken en alleen witte botten op de bodem van het meer achterlaten…”. Min 32 graden. Een reis van drie dagen: “… Over een meer rijden is een soort heiligschennis. Alleen goden en spinnen wandelen over het water. Ik heb drie keer in mijn leven het gevoel gehad dat ik een taboe doorbrak. De eerste keer toen ik de bodem aanschouwde van het door de mensen drooggelegde Aralmeer. De tweede keer toen ik het dagboek van een vrouw las. En nu de derde keer terwijl ik over het water van het Bajkalmeer rijd. Telkens het gevoel alsof ik een sluier wegtrek. Met mijn oog door het sleutelgat tuur. Dat zeg ik tegen Misjna. Hij geeft geen antwoord…”.
Over de mensen waar hij op stuit als hij midden in de rimboe overnacht in een wetenschappelijk station: “… Sasja en Joera, Sibirische vissers die twee dostojevskiaanse types belichamen. Sasja is sanguinisch, blozend, vitaal. Zijn Mongoolse ogen hebben een norse blik. Joera is een duistere figuur, een soort Raspoetin die alleen maar slijkvis eet. Hij heeft de vale huid van de bewoners van Mordor uit de boeken van Tolkien. De eerste is een man van sterke staaltjes, de ander van samenzweringen. Joera is al vijftien jaar niet meer in de stad geweest…”.
Tesson strijkt neer in het onderkomen van een boswachter die met zijn zieke vrouw terug moet naar de stad voor een behandeling. Het eerste wat hij doet is onder de verbijsterde ogen van de man het linoleum, het wasdoek, de polyester dekzeilen, het plastic behang en de kartonnen betimmering uit het interieur verwijderen: “… Zeventig jaar historisch materialisme hebben ieder gevoel voor esthetiek bij de Russen vernietigd. Waar komt die slechte smaak vandaan? Waarom ligt er linoleum in plaats van gewoon niets? Hoe heeft kitsch de wereld kunnen veroveren? De algehele voorliefde voor lelijkheid was het voornaamste verschijnsel van de globalisering. Om dat te beseffen hoef je alleen maar door een Chinese stad te lopen, te kijken naar de nieuwe huisstijl van de Franse posterijen of naar de outfit van toeristen. Slechte smaak is de gemene deler van de mensheid…”. De boswachter ziet gewoon niet dat het kale, amberkleurige hout veel mooier is. Vervolgens is Tesson nog eens tien uur bezig om alle rotzooi in de omgeving van de hut op te ruimen: “… Veel Russen leven op plaatsen die het midden houden tussen een bouwput en een autosloop…”. Als ze hem alleen achter laten: “… Ik heb de landingsplaats van mijn leven bereikt. Eindelijk zal ik weten of ik een innerlijk leven heb…”.

Plantaardige trekjes
De tijd verandert. De schoonheid van de natuur overweldigt. De vreemdste gedachten spoken door zijn kop: “… Zoals elke ochtend ga ik, terwijl de kachel warm wordt, naar het watergat dat ik op dertig meter van de oever in het ijs heb uitgehakt. s’ Nachts komt er een nieuwe ijslaag op, die ik kapot moet prikken om water te kunnen putten. Ik blijf even staan om naar de taiga te kijken. Dan duikt er uit het gat een witte hand op (dit water heeft zoveel drenkelingen verzwolgen) die mijn enkel wil grijpen. De illusie is zo sterk dat ik een stap naar achteren doe en mijn ijspriem laat vallen. Mijn hart bonst. Stilstaand water is niet pluis…”.
Als hij bij zijn buurman, 15 kilometer verderop, de jachtopziener Valodja op bezoek wil gaan, is hij twintig minuten bezig om zich aan te kleden: Canadian Goose-jas die op -40ᴼC is berekend, neopreen gezichtsmasker, skibril, poolexpeditiewanten. Er mag geen centimeter van de huid aan de buitenlucht worden bloot gesteld: “… Ik sla mijn stijgijzers in de ijsvloer. Als ik die niet aan zou hebben, zou ik door de wind het meer op worden geblazen…”. De rukwinden die van de bergen komen denderen bereiken snelheden van honderdtwintig kilometer per uur, vertelt Valodja later. Boeiende gesprekken met bekvechtende vissers die hij bij zijn buurman aantreft en er niet tegen kunnen op elkaars lip te zitten: “… waarin naar voren komt dat de Joden de wereld beheersen (maar in Frankrijk zijn dat de Arabieren), dat Stalin een echte leider was, dat de Russen onoverwinnelijk zijn (die dwerg van een Hitler heeft zijn tanden erop stuk gebeten), dat het communisme een uitstekend systeem was, dat de aardbeving in Haïti door de schokgolf van een Amerikaanse bom is veroorzaakt, dat Nostradamus gelijk had, dat de yankees zelf achter 11 september zitten, dat de historici die over de goelag hebben geschreven anti-Russisch zijn, en alle Franse homo’s. Ik denk dat ik de frequentie van mijn bezoekjes ga terug brengen…” wisselen af met introverte bespiegelingen over het kluizenaarsleven – waar ik eerlijk gezegd nou niet direct van achterover sla. “… De consumptiemaatschappij biedt ons de keus of we ons eraan willen conformeren. In de welvaartssamenleving staat het iedereen vrij om als een papzak te leven of te doen als de monniken en je in soberheid tussen ritselende boeken op te houden…”.
Hij leest nogal wat, en levert daar vervolgens commentaar op. Hout hakken, vuur maken, thee zetten, alles gaat langzaam en wordt terug gebracht tot zijn essentie: “… Het sneeuwt nog steeds. Ik blijf zitten waar ik zit. Voorheen ging ik steeds op pad, als een pijl uit de boog. Nu ben ik een paal in de grond. Ik krijg trouwens plantaardige trekjes. Mijn wezen begint te wortelen. Mijn gebaren worden trager, ik drink veel thee, ik word overgevoelig voor lichtschakeringen, ik eet geen vlees meer. Mijn hut is een kas…”. Over de solitaire mens: “… De blokhut vervult de moederrol. Het gevaar bestaat dat hij zich zo prettig voelt in zijn hol dat hij er in een soort winterslaap gaat vegeteren. Veel Siberiërs hebben die neiging en dan komen ze hun blokhut niet meer uit. Ze keren terug tot de embryonale staat en vervangen het vruchtwater door wodka…”.

Schoonheid omzetten in woorden
Met Russen die aan komen lopen slaat hij liters alcohol achterover, waardoor je af en toe de indruk krijgt dat hij permanent bezopen is. Ook een manier om het uit te houden. Terwijl ze vissen praten ze over de subtiele verschillen tussen het Russische nihilisme, de boeddhistische aanvaarding en de stoïcijnse zielsrust. Hij kampeert boven de boomgrens op een berg bij temperaturen tussen de min twintig en min vijfentwintig graden. “… Ik loop door de taart van een poolgod…”. Rond zijn tent sporen van hazen, vossen, marters, een veelvraat en een lynx.
De eerste lentedag, -2ᴼC: “… Bedwelmd door de warmte fladderen de meesjes in het rond…”. De natuur ontwaakt, het water begint te smelten, dieren komen bij uit hun winterslaap. Verhalen over wolven. Een boswachter die klaagt dat hij in zijn theepot moet pissen, omdat er een beer rond zijn hut sluipt. “… Bij een weerstation op een eiland in de Laptevzee zijn de viltlaarzen van een meteoroloog teruggevonden, waaruit men heeft afgeleid dat ijsberen wol niet verteren…”. Het alomtegenwoordig ongedierte:
“… De lucht zit vol insecten. Bij het eerste ochtendgloren stijgt er een gegons op dat pas s’ nachts weer verstomt. Mestkevers beklimmen de balken van mijn hut, boktorren bevolken mijn boekenplanken. Dazen met griezelige ogen werken mijn honden (Tesson heeft twee puppies van iemand gekregen) op de zenuwen. Als die insecten vijf of tien kilo zouden wegen, zouden de mensen een toontje lager zingen…”. Hij vertelt wat het meisje dat hem op het eind van het boek via een satelliettelefoon de bons geeft - ook dat nog - ooit zei: “… ‘Ik hou van muggen. Ze steken, maar we hebben ze nodig. Dankzij hen heeft de mens gebieden die door muggen geteisterd worden, ongemoeid gelaten, waardoor andere dieren er ongestoord konden leven.’…”. Tesson: “… Ik heb de mooiste momenten van mijn leven beleefd, totdat ik een bepaald bericht kreeg, en daarna de verdrietigste. Ik heb de aarde doordrenkt met mijn tranen. Ik heb me afgevraagd of je de Russische nationaliteit niet op grond van bloedbanden, maar vanwege de hoeveelheid vergoten tranen zou kunnen krijgen. Ik heb mijn wangen drooggewreven aan het mos…”.
Bij Tesson moet je het niet zozeer van de psychologische diepgang hebben. Maar hij heeft wel een ongekend vermogen om schoonheid om te zetten in woorden. Niet voor niets won dit boek in 2011 de Prix Médicis.

Uitgave: Singel Uitgeverijen – 2014 (eerste uitgave 2012), vertaling Eef Gratema, 256 blz., ISBN 978 902 958 913 0, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 19 augustus 2015

Essays over de ziel – Robert Lemm


Verder over de ziel. Een lezer wees mij op “Essays over de ziel” van Robert Lemm - waarvoor dank! Een boek waar ik het in mijn vorige blog al even over had, in verband met het voorwoord daarin van Willem Jan Otten. Robert Lemm (Rotterdam, 7 mei 1945) is hispanist en historicus. In 1979 kreeg hij de Martinus Nijhoff-prijs voor zijn vertalingen van Latijns-Amerikaanse literatuur, waaronder Octavio Paz (Het labyrinth der eenzaamheid), Pablo Neruda (Ik beken ik heb geleefd), José Donoso (Obscene nachtvogel) en in het bijzonder voor de vertaling van "Concierto Barroco" van Alejo Carpentier. Later vertaalde hij werk van Jorge Luis Borges, fray Luis de León, San Juan de la Cruz, Miguel de Unamuno, Juan Donoso Cortés, Joseph de Maistre, Léon Bloy, Leopoldo Marechal, Giovanni Papini en René Girard. Zelf schreef hij onder andere "De Jezuieten. Hun opkomst en ondergang", "De Spaanse Inquisitie: tussen geschiedenis en mythe", "Miguel de Unamuno. De ziel van Spanje, kerngedachten en uitspraken", "De athentieke reactionair. Handorakel van Nicolas Gomez Davila", "Bloedjas. Portretten van Latijns Amerikaanse heerszucht", "De literator als filosoof. Een innerlijke biografie van Jorge Luis Borges", "Een Rembrandt voor vijfentwintig mensenlevens", "De teloorgang van het geweten. Kanttekeningen bij de geest van de tijd", "Eldorado", "De vrouwe van alle volkeren", "De kruisgang van het christendom", "Een grote paus. Het pontificaat van Johannes Paulus II in historisch perspectief", "Maria. Haar geheime evangelie" en dan heb ik het nog maar niet over alle titels waar hij met andere schrijvers aan heeft gewerkt. De lijst is eindeloos.

Sporen van God

Wat heeft een aartsconservatieve en traditioneel rooms-katholieke intellectueel te zeggen over de ziel? En over het bewijs voor het bestaan van God?
Er is een diepere of hogere werkelijkheid die niet met de zintuigen kan worden waargenomen, stelt Lemm. Gelovigen maken zich niet druk om onvoldoende bewijs - er is zoveel in de Natuur en de Kosmos dat niet kan worden waargenomen - maar filosofen wel, en al heel lang: “… Ze bedoelen wetenschappelijk bewijs, wat proefondervindelijk kan worden vastgesteld en door iedereen met gezond verstand kan worden beaamd…”. God laat zich echter niet zomaar vinden. Maar wie Hem zoekt zal steeds meer sporen ontdekken die naar Hem verwijzen: “… Abstracte, logische redeneringen brengen ons niet bij het bestaan van God. Maar enkel ervaring evenmin. Rede is nodig, anders krijg je lichtgelovigheid, bijgeloof…”.

De Homo Oeconomicus
De filosofie van Lemm: “… Met de ‘dood van God’ begint de opmars van het nihilisme en de aanbidding van het Gouden Kalf, de Homo Oeconomicus. De bankwereld, een product van de Revolutie van 1789, evolueerde tot roversbende. Beurzen creëerden met hun speculeren en aandelen, hun spelen en schuiven met kapitalen de mystiek van het materialisme. Wat ooit was bedoeld voor het lichamelijke onderhoud van mensen, ontaardt in zakelijke transacties, en zo wordt eigendom diefstal. Het productieproces en de distributie zijn niet meer op elkaar afgestemd en dienen alleen nog maar om de rijken rijker te maken. Geld wordt het leidende, allesbepalende principe voor staat en samenleving. De ‘economische mentaliteit’ krijgt overal ingang, en daaraan onderwerpen zich de wetenschap, de kunst en de filosofie. En zo verziekt het sociale lichaam, de mens verloor zijn uiteindelijke bestemming uit het oog en raakte verwikkeld in het aardse, het louter tijdelijke. Individualisme is het gevolg, de ene mens werd voor de andere mens een vijand, een kwelling…”. De hel is de ander, aldus Sartre. Dat Lemm een punt heeft bewijst alleen al het nieuwe boek van een zo ongeveer tegenovergestelde denker, groen links politicus Jesse Klaver: "De mythe van het economisme" (wonderlijk hoe uitersten elkaar altijd weer raken). Of "Dit kan niet waar zijn" van Joris Luyendijk. En de discussies over het zogeheten ‘basisinkomen’.
Na de Tweede Wereldoorlog was er wel even een opflakkering van groupies die het ‘anders’ wilden. Een tegencultuur die uitliep in de generatie van 1968. Maar ze bestond voornamelijk uit verveelde welvaartskinderen die demonstreerden voor vrede en emancipatie en zich verloor in roes, lust, en doodsdrift: “… Op de voorgrond kwamen de cultus van het ik, de autonomie van het individu, de zelftranscendentie, de materialistische spiritualiteit, het hier en nu, een afwisseling van opgefokte levensvreugde en depressiviteit. Men wilde de wereld veranderen zonder de wereld te kennen, en zonder zichzelf te kennen. Men verklaart alles tot relatief en subjectief. De filosoof en kunstenaar geloven niet alleen niet meer in de waarheid, maar ook niet meer in het objectief bestaan van de werkelijkheid. De wetenschappers raken gefixeerd op details, als bladeren die geen weet meer hebben van de takken, laat staan van boom en wortels…”.
Zie in zo’n wereld de ziel maar eens boven water te houden.

Dualisme
Ik heb geen katholieke achtergrond, dus voor mij zijn Lemm’s gedachten niet bepaald gesneden koek. Ik kan hem dan ook niet overal even goed volgen, maar ik vind zijn ‘robuuste’ - om het zo maar eens te zeggen - christendom wel mooi.
In het eerste hoofdstuk toont Lemm aan dat de kerk in de loop der tijd anders is gaan denken over de ziel. Dat heeft te maken met het begrip dualisme: zijn ziel en lichaam twee verschillende substanties, of vallen ze samen? Volgens Lemm houden vrijzinnigen en modernisten vol dat het Nieuwe Testament alleen de verrijzenis van het lichaam kent, maar niet de gedachte van het overleven van een geestelijke, onsterfelijke ziel. Nooit geweten, ook Joseph Ratzinger, kardinaal en later paus, ontraadt het beschouwen van een ‘afgescheiden ziel’ conform de moderne wetenschap, in casu de antropologie. Maar wat gebeurt er dan met de ziel na de dood?
Lemm vertelt dat een Latijnse tekst ‘Anima mea’ in de Heilige Mis veranderd is van ‘ziel’ in ‘ik’. Waar vroeger de vertaling luidde ‘raak mij aan en mijn ziel zal gezond worden’ is dat nu in alle volkstalen ‘ik zal gezond worden’. Volgens Lemm zijn de protestanten de katholieken daarin voorgegaan: “… In hun nieuwste herziene Statenvertaling is de keren dat het woord ziel voorkomt meer dan gehalveerd ten opzichte van de voorafgaande vertaling, en vervangen door ‘wezen’ of ‘zelf’…”. Wat daar achter steekt is dat het Hebreeuwse woord ‘nefesj’ (of ook ‘nesjamá') niet overeenkomt met het Griekse ‘psyche’ of het Latijnse ‘anima’, aldus de theologen: “… De joodse mens denkt lichamelijk. De ‘verrijzenis van het lichaam’ is joods, de ‘onsterfelijkheid van de ziel’ is Grieks…” (zie bijvoorbeeld Plato). Lemm oordeelt daar trouwens verder helemaal niet over, maar hij vraagt zich wel af hoe dat dan zit met de ziel na de dood. Is ze toch sterfelijk? En wat te denken over uitspraken als van Jezus in Mattheüs 10:28: “Vrees niet wie het lichaam kan doden, maar niet de ziel”? Of van Paulus in zijn 2e Brief aan de Korinthiërs dat hij tot hoog in de hemel werd opgetrokken, zonder te weten of dat gebeurde in of buiten zijn lichaam? Of waar hij in diezelfde brief zegt dat hij verkiest “de woning van zijn lichaam te verlaten”?
Lemm oppert dat het idee van ‘de laatste oordeelsdag’, wanneer Jezus terug komt op de wolken en ‘de verrijzenis van het lichaam’ plaatsvindt, misschien wel helemaal niet op een bepaald tijdstip in de toekomst gedacht moet worden, maar dat ieder mens de oordeelsdag veeleer persoonlijk bij de dood overkomt. Misschien denken we veel te fysiek. Voor ieder die sterft, eindigt de wereld. Dat zou ook aansluiten bij de apostelen die er van overtuigd waren dat ze het einde van de wereld zelf nog mee zouden maken. En dan is het vraagstuk waar de ziel in ‘de tussentijd’ verblijft ook meteen opgelost.

Het hiernamaals
In het tweede hoofdstuk gaat Lemm verder met denken over het hiernamaals. Een item dat de kerk volgens hem verwaarloosd heeft omdat ze niet meer 'de dingen zoekt die boven zijn' (Kol. 3:1,2) maar zich steeds meer op het hier en nu richt (internationale solidariteit, de waardigheid van de mens, pacifisme, oecumene, de wereldraad van kerken, de Verenigde Naties, Samen op Weg, enzovoort). Hierdoor zijn veel mensen hun heil gaan zoeken in het schemergebied van occultisme en esoterie: “… daar waar het gezonde verstand door de knieën zakt voor allerlei mysterieuze invloeden die ons zouden beheersen en in het doorgronden waarvan ons lot of geluk besloten zou liggen…”. De dood is nu eenmaal onvermijdelijk. Het bewijsbare raakt het wezenlijke niet en blijft het antwoord schuldig op de levensvragen, het waarom van de wereld, het lijden, de zin van het bestaan: “… De markt heeft gretig op de behoeften van al die zoekers en nieuwsgierigen ingespeeld. Als een soort stille kracht sluipen ontelbare boeken over gene zijde door de huiskamers van wie een halve eeuw geleden nog keurig naar de kerk ging…”.
Uitgebreid behandelt Lemm vervolgens het hemelbeeld van christelijke denkers als (Pseudo) Dionysis, de Areopagiet, één van de toehoorders van Paulus op de Atheense Areopagus, die door de Grieken werd uitgelachen toen hij over de opstanding van de doden begon. En de beroemde dichter Dante in "De goddelijke komedie". Evenals de protestantse wetenschapper, mysticus, filosoof en theoloog Emanuel Swedenborg (Zweden, 1688-1772). Uit onze tijd komen onder andere het werk van de bekende psychiater Elisabeth Kübler-Ross, de visioenen van Sadhoe Soendar Singh - een tot het protestantisme bekeerde hindoe - en de ervaringen met BDE’s van Paul van Lommel aan bod ("Eindeloos bewustzijn" – Ten Have 2007). De BDE-wetenschappers gaan niet uit van de christelijke leer, maar zijn daar ook niet mee in tegenspraak, aldus Lemm.

Dwars op het gangbare
De rest van de hoofdstukken zijn aan aardsere zaken gewijd, maar altijd heeft Lemm een kijk die dwars staat op de gangbare. Hij zet de Spaanse Inquisitie in zijn context en bepleit de navolging van Don Quichotte. Een schitterend hoofdstuk gaat over "De naam van de roos", het magnum opus van de Italiaanse schrijver Umberto Eco. Lemm beweert dat het een anti-Borges boek is en dat de moordenaar, de oude, blinde, dogmatische monnik Jorge de Burgos staat voor de Argentijnse dichter en schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986). Als recensent word ik buitengewoon vrolijk van zinnen als: “… Hij (Borges) ziet een orde, die de kunstenaars van nu niet zien omdat die gevangen zijn in de illusie dat de wereld verbeterbaar is en in hun wanhoop en teleurstelling niets anders weten uit te beelden dan schilderijen die niets betekenen of die niets anders weten te schrijven dan boeken waar kop nog staart aan zit, zo ze zich niet laten gaan in de sentimentele details van het leven en de cultivering van hun eigen ik, denkend daarmee iets wezenlijks bij te dragen tot een zogenaamde moderne kunst, die in feite niets anders is dan het zoveelste masker van de oude chaos…” (het zal je maar gezegd worden). Of van details als het citaat van degene die de geheimzinnige moorden in het klooster uitzoekt, William van Baskerville, die maar één keer uit zijn evenwichtige rol klapt, als hij zegt: “…Ik haat je, Jorge, en liefst zou ik je uitkleden en voor schut zetten. Ik zou kippeveren in je reet willen steken en je gezicht beschilderen als dat van een nar of een clown, zodat het hele klooster om je kon lachen en niemand meer bang voor je zou zijn…” (Burgos heeft het tweede deel van de ‘Poetica’ van Aristoteles in de bibliotheek verstopt omdat het een pleidooi is voor de komedie, een genre dat bedoeld is om de mensen aan het lachen te maken – niets is erger dan lachen). Lemm in een voetnoot: “… Het is bekend dat dictator Juan Perón Borges heeft vernederd door hem van directeur van de Nationale Bibliotheek van Argentinië te degraderen tot marktinspecteur van kippen en konijnen, vanwege diens kritiek op zijn persoon en op de Duitse nazi’s. Ik weet niet of Eco daar bewust een zinspeling op maakt met zijn ‘kippeveren’, maar het is wel een opmerkelijk verhaal…”. Verder heeft Lemm het over de Spaanse burgeroorlog, over vrijheid, over macht, over de tijdgeest, over de bekende psychiater H.C. Rümke en de onbekende dichter Henri Bruning. En óveral kijkt hij anders dan de mainstream naar. Dat schud je denken nog eens op!

Uitgave: De Blauwe Tijger – 2014, 182 blz., ISBN 978 908 211 337 2, € 16,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 14 augustus 2015

De slaap en de dood – A.J. Kazinski



Hoe komt het toch dat Scandinavische thrillers de beste in zijn soort zijn? Sjöwall & Wahlöö, Henning Mankell, Stieg Larsson. Sommigen geven het koude klimaat en het lege landschap, de sombere dagen en de donkere nachten de schuld. Je zit veel binnen en dan ga je vanzelf verhalen verzinnen. Anderen leggen een link met de gewelddadige Edda die de Noren in het bloed zit. Iemand zei dat je voor dit genre boeken een stabiele samenleving nodig hebt. In Argentinië en Afrika snappen ze geen hout van deze literaire fascinatie. En dan heb je nog de maatschappijkritiek en de psychologie die vaak in dit slag romans zijn verwerkt: daar houdt de Europese lezer van.

Daar gaan we weer…

Toegegeven, ik heb nooit zo’n hoge pet op gehad van thrillers. Mijn vooroordelen: wreed, grof, bloederig, onsmakelijk, nivootje nul, expliciete voorspelbare seks en ongeloofwaardige buitenproportionele actie. Not my cup of tea. En eerlijk gezegd, toen ik de eerste bladzijden van het eerste hoofdstuk van “De slaap en de dood” las, dacht ik: daar gaan we weer. Een vrouw die gemarteld wordt door een duivel compleet met een zwarte dokterstas vol injectiespuiten, weet te ontsnappen, en rent in haar blootje de straat op. Maar dan verandert het perspectief en begint het echte verhaal. Je weet niet wat je leest! Een gewaarwording die een beetje vergelijkbaar is met het optreden van Susan Boyle in The Britains Got Talent-show (zaterdag 11 april 2009). Iedereen denkt: dat wordt niks. Tot ze haar mond open doet…

De zegen en vloek van buitengewone begaafdheid
Ik ga niet teveel van het boek weggeven, natuurlijk. Ik ga wel het een en ander vertellen over wat er allemaal aan ongewoons bij dit verhaal komt kijken. Het draait om Niels Bentzon, een gijzelingsonderhandelaar bij de politie van middelbare leeftijd. Het bijzondere is gelijk al dat hij geen norse, grommende, sacherijnige, aan de alcohol en coke verslaafde smeris is - zoals gewoonlijk - maar een hoogsensitieve man, die juist daarom zo op zijn plaats is in zijn beroep: wanhopige zielepoten die zichzelf of anderen van het leven willen beroven wegpraten van de afgrond.
Veel prikkels opvangen is erg vermoeiend: “… Hij oefende om níét te voelen in wat voor humeur ze was, om níét voortdurend op te merken hoe mensen om hem heen zich voelden. Hij wilde de kleine tekens níét lezen: de lichaamstaal, de mate van welwillendheid, blikken die te lang of te kort werden vastgehouden…”. Zijn harde collega’s accepteren hem minzaam: “… Bentzon, jij zegt heel veel. Daarom ben je ook zo goed in wat je doet. Toch? Wij zeggen toch helemaal niets. Wij zijn niet zo goed met al die woorden. Wij zijn gevoelloze rotsblokken waar iedereen zich aan bezeert…”.
Zijn vrouw is precies het tegenovergestelde type – wat je wel vaker ziet in relaties. Een hoogbegaafde, wat autistisch aandoende astrofysicus, die zich zo in zichzelf terug kan trekken dat Niels het gevoel heeft geen contact meer met haar te kunnen maken:
“… Hannahs ouders hadden zich voor haar geschaamd toen ze klein was. Ze hadden geprobeerd om haar te laten zijn zoals de andere kinderen. ‘Doe toch niet zo slim’, had haar vader gezegd. Pas toen ze op zeer jonge leeftijd op het Niels Bohr Instituut was komen werken, had ze zich thuis gevoeld in de wereld. Thuis tussen de andere gekken, die ook niet merkten dat er voedselresten tussen hun tanden zaten, dat ze hun bloes binnenstebuiten aanhadden, of twee verschillende schoenen droegen. Dat was gewoon iets wat andere mensen niet konden begrijpen. Dat de normale wereld helemaal kon verdwijnen. Dat het enige wat nog bestond, de vergelijking was, de oplossing, de getallen die in zo’n hoog tempo door haar hoofd tolden dat ze niet in de gaten had dat ze haar fietshelm nog ophad, al was ze drie uur geleden binnengekomen…”. Ze worstelt met haar eigen demonen. Een schizofrene zoon van vijftien uit een eerder huwelijk die zelfmoord heeft gepleegd omdat hij de wereld niet aan kon. Ook ‘gezegend en vervloekt’ met buitengewone begaafdheid. En ze is zwanger. Van een tweeling. Ze zegt niets tegen Niels. Ze wordt het hele boek door verscheurd door het dilemma wel of niet abortus te plegen. Abortus voelt als moord; maar de gedachte is ondraaglijk weer zieke genen te zullen doorgeven.

Bizar
Verder met het verhaal. De naakte vrouw klimt een spoorbrug op, dreigt te springen onder het toeziend oog van steeds meer voorbijkomende mensen, en Bentzon wordt er bij geroepen. Voor de eerste keer in zijn leven kan hij een zelfmoord niet voorkomen. Voordat ze springt ziet hij dat haar ogen zich focussen op iemand in het publiek waar ze vreselijk bang voor is. De autopsie brengt bizarre feiten naar boven: de vrouw blijkt dood te zijn geweest, en weer tot leven gewekt. Verdronken in zout water. Schroeiplekken van een defibrillator. Drugs in haar lichaam. Haar naam: Dicte van Hauen. Wereldberoemd soliste bij het Koninklijk Ballet, en al anderhalve etmaal door niemand gezien. Ziedaar de zaak die Niels Bentzon in ruim vijfhonderd bladzijden tot een oplossing gaat brengen.

Het mysterie van de ziel
In het Nederlands Dagblad stond afgelopen zaterdag een leuk stukje van schrijver en arts Ivan Wollfers over de positieve effecten van lezen: beter slapen, meer empathie, minder stress, meer zelfvertrouwen, enzovoorts. Maar het maakt wel uit wát je leest, van pulp groeit je empathisch vermogen niet. Wollfers: “… Slechte boeken zijn verhalen die geen vragen oproepen, geen stiltes laten vallen, maar alles voorkauwen. Dat is net pornografie: het verrast niet, maar voldoet aan de verwachtingspatronen. En uit iets dat niet verrast, ontstaat geen vernieuwing…”. Daar kun je A.J. Kazinski, pseudoniem voor de twee jonge Deense auteurs Anders Rønnow Klarlund (1971) en Jacob Weinreich (1972), niet van betichten. Eigenlijk is het hele boek een onderzoek naar het mysterie van de ziel. Ze durven wel, want ruim een jaar geleden schreef Willem Jan Otten nog - in een voorwoord bij "Essays over de ziel" van Robert Lemm - dat als je je onsterfelijk belachelijk wil maken, je moet komen aanzetten met het bestaan van de ziel: “… Onze tijd is, althans in ons hoekje van de grote wereld, die van ‘Wij zijn ons brein’…”. Otten: “… Hoe de weldenkende, kwaliteitskranten lezende Hollander precies te werk gaat moet nog grondig onderzocht worden, maar het lukt hem en haar om de gedachte aan de onherroepelijke dood en het afgrijzen over de al even onherroepelijke stort van zelfs de dierbaarste doden in de bodemloze koker van het onverschillige en sadistische universum, te bezweren door dikke boeken te lezen waarin bewezen wordt dat er op het bestaan inderdaad niets volgt; dat alles wat wij beseffen en denken en ervaren een mechanisch bijproduct is van aan en uit flakkerende neuro-transmitters; en dat iedere gedachte aan een bewustzijn, of een geest, of een ziel hopeloos achterhaald is. Wat een wonderlijke toestand nu toch weer. Het ziet er uit als wrijven over een wrat: de jeuk bestrijden met pijn. De gedachte dat het bewustzijn, of de geest, (het woord ziel valt al lang niet meer genoemd in dit discours) een door en door gedetermineerd bijproduct is, kan kennelijk de verbijstering over de lukrake zinloosheid van het bestaan overstemmen. Robert Lemm is gebleken niet zo makkelijk genezen te kunnen worden van de bestaansverbijstering. Hij gelooft er geen barst van dat als we de ziel nu maar onbestaanbaar verklaren, met groot vertoon van MRI-scans, dat hij dan getroost zal inslapen, vertrouwend op de euthanatische ‘Brave New World’ die nu zal aanbreken. Hij weet dat er zoiets bestaat als de nachtmerrie van de rede: juist in het slaapje van de rationalistische rechtvaardigen zal het gaan spoken…”. En dat bewijst A.J. Kazinski dan maar weer eens, zonder ook maar met één woord te refereren aan het christendom - uitgezonderd de Bijbelteksten, waarmee elk van de drie delen waaruit de roman bestaat, aanvangt - dat voornamelijk draait om zorg voor de ziel en altijd al heeft beweerd dat er leven is na de dood.

Bijna Dood Ervaring
Als we geen ziel hebben, waarom maken we ons dan zo druk om zelfmoord en euthanasie en abortus? En wat te denken van bijna-dood-ervaringen? Zijn BDE’s niets anders dan de laatste stuiptrekkingen van de hersenen? In “De slaap en de dood”:
“… Meer reanimaties betekende meer verhalen over het leven na de dood, over licht, tunnels, over een mysterieus, fantastisch net dat de aarde omhult, over ontmoetingen met mensen die al lang dood waren. Daarom hadden enkele Britse en Amerikaanse artsen tijdens een congres dat onder regie van de VN werd gehouden het idee opgevat. Voor het eerst in de rijk gevarieerde geschiedenis van de wetenschap was het toegestaan om te praten over het leven na de dood. ‘Er is iets wat wij niet kunnen verklaren.’ Het was alsof je een zucht van verlichting door de artsen van over de hele wereld kon horen gaan. Eindelijk mochten ze de ervaringen die ze niet begrepen onder woorden brengen. De verhalen waarmee mensen terugkeerden nadat ze waren gereanimeerd. Uiteindelijk waren de artsen het erover eens geworden dat de dood moest worden onderzocht. Dat het bewustzijn met nieuwe ogen moest worden bekeken, als een fenomeen dat aspecten bevatte waar wij niets over weten. ‘Bewustzijn’. Zo noemde men het. Niet ‘ziel’. ‘Awareness’. Er was een samenwerkingsverband opgezet tussen eerstehulpafdelingen in verschillende landen…”. Volgens een deskundige zijn er ook best veel mensen die de hel ervaren in plaats van de hemel: “… Duisternis en verschrikking, vreemde dieren met hoorns, de ondergang van de wereld…”.

We zijn nog veel meer dan DNA
Dicte van Hauen blijkt geobsedeerd door de dood. Op haar kamer vindt Niels boeken met titels als: “Near-Death and Out-of-Body Experiences”. “The Afterlife”. “Spiritual Doorway in the Brain”. “Buddhist Near-Death Experiences”. Onder haar bed ligt “Faidon” van Plato. Een filosoof vertelt Niels dat het handelt over Socrates die er in uiteen zet dat er vier bewijzen zijn voor de onsterfelijkheid van de ziel. Eén: de kringloopgedachte. In de natuur is alles ingericht in een kringloop, slapen - waken, zomer-winter, enzovoorts. Zonder tegenstellingen is het leven onmogelijk. Twee: de anamnese of weder-herinnering. Wij hebben aangeboren begrippen: goed, gelijk, mooi. Waar komen die vandaan? Drie: de leeftijdloosheid van de ziel. Alle oude mensen zeggen dat ze zich van binnen jong voelen. Vier (en die snap ik niet helemaal): je kunt niet een ‘beetje’ onsterfelijk zijn, net zo min als je een ‘beetje’ zwanger kunt zijn. De ziel valt na de dood dus niet uiteen.
Dicte heeft zelfs een rol in een ballet over de dood: “Giselle”. Een balletmeester:
“… ‘Giselle’ gaat over alles wat gevaarlijk is. Over alles wat verdrongen wordt. Dat wat we niet willen weten, niet kunnen begrijpen. Over seksualiteit. De seksualiteit van de vrouw. De verborgen krachten in de vrouwelijke natuur. Krachten die zo sterk zijn dat ze angstaanjagend en niet te controleren zijn, maar tegelijkertijd ook aantrekkingskracht bezitten en vol verleiding zijn…”.
Een wetenschapper in het boek: “… ‘Het universum, de ziel, de oorsprong’, zei hij en hij ging verder terwijl hij opstond: ‘We zijn nog veel meer dan DNA. En misschien is dat nou juist wat we “de ziel” noemen? Hoe weten trekvogels wat hun reisdoel is? Is dat een aangeboren vaardigheid? Daarover bestaat brede eensgezindheid. Dat weet men door de jonge koekoek die nog nooit zijn biologische ouders heeft gezien. En toch vindt hij de weg naar Ivoorkust, net als alle andere jonge koekoeken op de wereld. We hebben zendertjes op trekvogels bevestigd. Hoe langer we ze bestuderen, hoe meer we ons verwonderen. Hoe weten ze het? Als het aangeboren is, hoe moet je het dan noemen? Ziel?’…”.
Een ander heeft het over het baanbrekende onderzoek van dr.Ian Stevenson - “Where Reincarnatie and Biologie Intersect” - op het gebied van reïncarnatie onder 225 kinderen die tot in detail vertellen over dingen die ze in eerdere levens hebben meegemaakt.
Hannah die met een verpleegkundige discussieert over een abortus naar aanleiding van de Deense wet die bepaalt dat het leven na twaalf weken begint, oftewel vierentachtig dagen, oftewel 2.016 uur, oftewel 120.960 minuten: “… ‘Maar een minuut minder, dat is dus 120.959 minuten, is niet genoeg om te zeggen dat het leven is begonnen.’ ‘Als je het letterlijk opvat.’ ‘120.960 minuten is dus het reële nulpunt. Daarvandaan begint alles. Je kunt zeggen: het leven begint na 120.960 minuten. Dan wordt de … ziel geboren. Moeten we dat woord gebruiken?’…”. Natuurlijk komt dan de vraag hoe het zit vanaf het moment van de bevruchting tot de 120.960ste minuut. Wat zijn we dan? Een half mens? “… ‘We bevinden ons gedurende 120.960 minuten in een toestand, een wereld waar niemand over praat, maar waarvan iedereen weet dat hij bestaat. Een toestand die geen leven, maar ook geen dood is’…”. De verpleegster: “… ‘Ik begrijp best dat het moeilijk is. Dat is het voor iedereen. In veel ziekenhuizen worden de embryo’s van abortussen verzameld en begraven op een kerkhof. Dat laat heel duidelijk zien dat een embryo natuurlijk niet zomaar een ding is, maar … iets anders.’…”. Het gesprek wordt er niet makkelijker op als de verpleegkundige ook nog vertelt dat onderzoeken erop wijzen dat een embryo pas na vierentwintig weken pijn kan voelen, maar dat andere onderzoeken het daar weer niet mee eens zijn. En dan zijn er nog wetenschappers die hebben gemeten dat heel kleine embryo’s dromen: “… Maar waar droomden ze over? Dromen komen voort uit het onderbewustzijn, heeft Freud gezegd. Datgene wat uit het bewustzijn van een individu wordt verdrongen. Betekende dat dat zelfs embryo’s van een paar weken oud een bewustzijn hebben? Een ziel? Droomden ze van eerdere levens? …”. Wie bepaalt wat menswaardig leven is? “… Wie voelt zich altijd gelukkig terwijl hij leeft? Veel grote filosofen haatten het leven. Kant, Schopenhauer. Voor hen was het leven een hel, de dood een bevrijding. Hadden zij nooit moeten leven? …”. En wat te denken over het idee dat ongeboren levens misschien wel hun ouders kiezen, in plaats van andersom.

Balans
Voor wie het allemaal een beetje te theoretisch in de oren klinkt: in het boek zijn actie en beschouwing perfect in balans. Je zit in het hoofd van de moordenaar. Je zit in het hoofd van een meisje dat in een psychiatrische inrichting verblijft omdat ze weigert te praten. Levend dood zou je kunnen zeggen. Er zijn spectaculaire achtervolgingen langs kunstwerken waar ik nog nooit van had gehoord: “De Nacht met zijn Kinderen” van Thorvaldsen (die “Slaap” en “Dood” heten, vandaar de titel) en “Avond. De oude vrouw en de dood” van L.A. Ring. Er is zelfs een episode over wurgseks, maar ook dat blijft binnen de perken. Ivan Wollfers kan tevreden zijn.

Uitgave: De Geus – 2015, vertaling Femke Blekkingh-Muller, 542 blz., ISBN 978 904 452 829 9, €19,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier