Menu

maandag 29 februari 2016

Het vogelalfabet – S.J. Naudé


“Een feest van ongekende originaliteit”, trompetterde Marlene van Niekerk over het Zuid-Afrikaanse debuut van S.J. Naudé (1970, advocaat in New York en Londen, schrijver in Kaapstad). En inderdaad, zijn boek bestaat uit zeven verpletterende verhalen.

De stilte die op ineenstorting volgt

“Het vogelalfabet” is een draaikolk van afbraak en verlies: ziekte, dood, relaties - vaak homoseksuele - die op niets uitlopen, veelbelovende carrières die verzanden. En wat daarna? Het antwoord wordt niet gegeven; dat is aan jou. Als lezer zoek ik altijd naar die paar zinnen die de essentie van een boek uitmaken. Voor mij komt dat uit het laatste verhaal: “… Dus wat ik eigenlijk doe, is het spoor van de twintigste-eeuwse muziekgeschiedenis volgen,’ zegt ze, ‘op zoek naar het momént’ - ze trekt een lijn over het laken en drukt met haar vinger op lukrake punten - ‘waarop alle grote verhalen, de schitterende plannen voor de toekomst, plotseling als mist voor de zon verdwenen zijn.’ Fred haalt het laken voor haar gezicht weg. ‘De heerlijke, wrede toekomst…’ zegt Chris. ‘En vervolgens,’ gaat Tita verder, ‘luister ik naar de echo’s van het ineenstorten, en probeer ze te lezen, als theebladeren…’ …”. En even verder: “… ‘Wat zij, al die schrijvers van manifesten, juist niet hebben kunnen voorspellen, was wat er ná dat lawaai zou komen, de stilte die op ineenstorting volgt.’ …”. Het is alsof de auteur zich via de grootst mogelijke ellende naar je hart wil schrijven. Alsof hij zich voorbij de grens van woorden wil uitdrukken. Dat doet hij in zulke briljante zinnen, in zo’n wervelende dans van taal, dat hij alle somberheid de baas blijft. Ik vroeg me af wie ik meer moest bewonderen: de schrijver of de vertalers.

Onontdekte genade in onze ingewanden
Verhaal 1 gaat over een blanke vrouw in een zwarte gemeenschap die, nadat ze in een ziekenhuis een drie maanden durende chemotherapie heeft ondergaan, met lede ogen aanziet dat bij haar terugkeer niets meer over is van haar weverij. Haar spullen zijn geroofd. Het personeel is hem gesmeerd. Haar puberdochters - een tweeling - doen alsof ze een vreemde is. Haar moeder zakt weg in dementie. Ze laat zich bijscholen om haar oude beroep als verpleegkundige weer op te pakken. Met een gammel busje dat is omgetoverd tot mini-ziekenhuisje hobbelt ze over het platteland om aids-patiënten bij te staan. Alles en iedereen werkt haar tegen. Zelfs de natuur is onheilspellend: “… ’s Nachts spannen bliksemflitsen zenuwpatronen over de hemel…”. De bestuurlijke autoriteiten zijn zo corrupt als de pest. De bijgelovige bevolking beschouwt haar eerder als een dood en verderf zaaiende heks , dan als een hulpverlener. Ze moet hemel en aarde bewegen om aan aidsremmers te komen. Christelijke geldschieters uit Amerika sturen aan op onthouding in plaats van condooms. Wildfarmeigenaars staan haar naar het leven omdat ze hun gasten schrik aanjaagt: nobody likes death. Een boer leeft goed van de doden. In de koelcellen waar hij normaal vee- en wildkarkassen bergt, bewaart hij nu lijken. Ovens waar vroeger vlees in werd gerookt worden omgebouwd tot een crematorium. De begrafenissen zijn tegelijk feesten, dus slachten ze elke keer een koe. Op afbetaling. De echtgenoot van de vrouw wordt gevraagd de slachtdieren te leveren. De vrouw wil er geen cent aan verdienen. Haar kanker komt terug. Ze besluit zich niet nog eens te laten behandelen. Ze zal samen met haar patiënten ten onder gaan. Over haar compassie: “… We kunnen de goddelijke vezels in ons zwakke vlees vinden, de onontdekte genade in onze ingewanden!...”.

Afgrond

Verhaal 2 gaat over twee homoseksuele jongens die van elkaar vervreemden. En over hun moeders. Ze storten zich in het nachtleven van Berlijn, en logeren later bij een getrouwde zus van één van hen, die in een oud, half vervallen - half gerenoveerd kasteel woont, aan de rand van een afgrond. Een betekenisvoller plek kun je niet verzinnen. De moeder van broer en zus heeft hen altijd verwaarloosd. De andere jongen wordt teruggeroepen naar Zuid-Afrika omdat zijn immer liefdevolle moeder niet meer beter wordt. Europa lijkt al snel onwerkelijk, niet-bestaand, een droom. Tijdens een vrijpartij was er sprake van bloed. Hebben ze elkaar besmet? Alweer die aanwezigheid van ziekte en dood. Alsof je er niet aan kunt ontkomen. En dat kun je natuurlijk ook niet. Nooit. Niemand.

Biologische troost

Verhaal 3. Een oudere man ontmoet op een studententoneelfestival een jonge danser. Iemand die zich uitdrukt in beweging in plaats van in beschrijving. Wat een verschil met zijn eigen ‘sprakeloze lichaam’. De personen in het verhaal leven als los zand langs elkaar heen, behalve als ze dansen. Dan wisselen ze iets aan elkaar uit: “… Als een bloedtransfusie: biologische troost...". De danser lijdt aan oncontroleerbare epilepsie. Als de man overspannen raakt lijdt hij aan pleinvrees, verstard in onbeweeglijkheid. Over de einduitvoering van de danser als onderdeel van zijn studie: “… het gaat over de moeilijke dingen áchter emoties. Dingen die aan emoties voorafgaan, denkt hij, waarvoor geen woorden zijn. Het lichaam als steen die merktekens op een grotwand maakt…”.

Een bezeten zwijn van Gadara

Verhaal 4 is weer een verhaal over een jongen die terugkomt uit het buitenland om zijn moeder te verzorgen in de laatste maanden van haar leven. Hij beschrijft zich als tegen wil en dank deel uitmakend van de diaspora van angstige, verbeten blanke kinderen uit Zuid-Afrika. De jongen ervaart de relatie tussen hem en zijn moeder als een oorlog om haar te laten eten. Ze kleurt geel, haar huid, haar ogen: duivelsogen. Opnieuw die eindeloze compassie: “… Hij probeert al zo lang de ziekte in zijn eigen lichaam te voelen. Hij wilde de volmaakte echokamer worden. Wilde haar van binnenuit zijn, zich haar pijn volkomen eigen maken. Maar zodra hij denkt dat hij dicht bij de gladde massa van de pijn komt, ziet hij haar ogen, merkt hij hoever ze hem al vooruit is. Haar grenzen, beseft hij, zijn ondenkbaar verlegd…”. Hij zou de pijn over willen nemen. Hij bidt: “… Maak mij de gastheer, zoals een bezeten zwijn van Gadara…”. Een Japanse vriend duikt ongevraagd op in het verhaal – een soort buitenaards wezen waar zijn moeder van opkikkert. Japan staat voor transformatie. De jongen herinnert zich het kabukitheater waarin een oude man met gezwollen voeten en een geprononceerde adamsappel verandert in een sierlijk mooi meisje. Ooit kocht hij in een toeristenwinkeltje in Tokio een masker, een nō-men, die naar gelang je hem voor je gezicht draait van uitdrukking verandert, van verbazing naar woede, naar angst. In de kamer fladdert een vogel die hij naar buiten probeert te jagen. Symbool voor de ziel? Hij vliegt almaar in de hoeken. “… Vogelpoep blijft als kromme letters op de binnenmuren achter. Als oosterse kalligrafie. Misschien is dit het einde. Laten de vogels het schrijven…”. Op het laatst strooit de Japanner winterbloemen van het bed van de stervende moeder naar de verandadeur en over het kronkelpad door de tuin: voor de geest, om het spoor te volgen.

Iets in de buurt van poëzie

Zo zou je dit boek kunnen definiëren. In verhaal 5 probeert een blanke musicologe haar eigen muziek te scheppen uit schijnbaar onverzoenbare, voorvaderlijke, Europese en Zuid-Afrikaanse ritmes: “… Ze dacht aanvankelijk dat de kakofonie nabij was, maar als ze haar ogen sloot en dieper luisterde, begon ze primaire akkoorden achter het lawaai te onderscheiden…”. Twee Zoeloe-zangeresjes staan haar bij. Zij zijn de brandstof voor haar metamorfoses, maken het haar mogelijk om door haar grenzen te glippen. In eerste instantie eindigen hun optredens in chaos en boegeroep. Later past ze haar muziek ter plaatse aan, afhankelijk van het publiek. Ze noemt zichzelf een ‘rouserolle verderolle’: een bosrietzanger, de noordelijke trekvogel die zeventig vogelsoorten uit Afrika kan nazingen. “… ‘Waar eindigt muziek en begint spraak?’ Er waren zoveel vragen. In wat voor oermonden waren muziek en taal gescheiden geraakt? Hoe synchroniseer je ze weer? Er was veldwerk nodig. Ze zou naar antwoorden zoeken in de zinzeggende kelen van de wereld, in enclaves waar nog iets over was uit de tijd van de benen fluit. Ze zou protogeluiden willen oproepen, daar iets nieuws uit scheppen. Geen poëzie, maar iets in de buurt van poëzie…”. Ik moest denken aan het reciteren van heilige teksten. De Zoeloemeisjes verdwijnen na insinuaties van aanranding. Een feestje van een wildfarm loopt spaak vanwege brand. Waarschijnlijk aangestoken door de zieke vrouw uit verhaal 1. Vlak voordat ze doodging…

Duivelsgebroed
In verhaal 6 maakt de werkloze musicologe een rondreis langs haar broer en zussen in allerlei verschillende werelddelen. In Phoenix wordt ze opgehaald door een zus die aan het eind van haar latijn is vanwege haar onhandelbare zoon, een jongetje van zes. Duivelsgebroed, oordeelt ze. Ze vluchten van adres naar adres vanwege de vader: een psychopaat.
Vandaar vliegt ze naar Londen, waar haar broer, een vrijgezelle yup, middenin de bankencrisis verzeild is geraakt. "Bekentenissen van een Engelse opiumeter" (Thomas de Quincey) opent hem de ogen voor het feit dat hij niet lééft. Hij besluit op zoek te gaan naar zijn ziel: “… Verbondenheid met het Oneindige, dát was zijn drang, dat was zijn einddoel…”. Niveau I zijn de nachtclubs, de spelonken vol zich in het zweet dansende mannen onder spoorwegaquaducten: “… Je ruikt ze, die plekken, de geur van modder of paddenstoelen of boomwortels. Het ijzer van vers bloed. De eerste zweem van Ontsnapping. Ergens daarachter, voorbij het bewustzijn, vermoed je de sterke, verse geur van Vrijheid. Met nog verder daarachter: de Vergetelheid…”. Niveau II: Tunnels waarin je aan drugs kan komen: “… Hij gebruikte alles. MDMH, GHB, crystal meth, ketamine, noem maar op. In laboratoria gedestilleerde visioenen. De muziek was retestrak en snoeihard. Grenzen, zowel keldermuren als mensenhuid, werden doordringbaar…”. Niveau III: Seks met mannen. Niveau IV: Een tijdloze en ruimteloze wandeling door de regen: “… Ik was er bijna, ik zat heel dicht bij het Niet…”. En een onverwacht Niveau V: Een skelet met een zeis in de hand, een apotheker met een flesje met een X erop.
Daarna zoekt de musicologe haar zusje in Dubai op, die zo’n beetje gevangen wordt gehouden door een rijke Arabier met wie ze een overspelige verhouding is begonnen, terwijl haar wettige echtgenoot op het punt staat ontslagen te worden vanwege fraude.
Als de musicologe terug is in Zuid-Afrika blijkt haar onderkomen zo goed als leeggestolen. Alleen een kleine synthesizer staat er nog, waarop ze een dodenmars componeert: “… aan de horizon komen de wolken aandrijven. Er is slagwerk, er zijn blaasinstrumenten die de overhand krijgen, die optornen tegen het donker, statig en krijsend. Dan de dood, de abrupte inbreuk van de kwartakkoorden. Het is het geluid van sprinkhanen die massaal komen opzetten, een zwerm die in de onderwereld is uitgebroed en naar de bovenwereld vliegt. Hun vleugelwind strijkt over de wateren van de Styx wanneer ze de oversteek maken. De zwerm is gezonden om de dode op te halen. Ze vreten het lichaam aan zodra het afkoelt. Dan stijgen ze weer op om terug te vliegen. Ze voeren de gestorvene in tienduizend stukjes mee, het lichaam dijt uit als een wolk…”. Een dief klimt door een raam naar binnen: “… ‘Nou heb je genoeg gepraat,’ zegt hij, ‘het praten is voorbij.’…”.

Tegenstrijdigheden

Het laatste verhaal, verhaal 7, gaat over de nasleep van een feest waarin de schrijver zijn best doet ‘alle tegenstrijdigheden van het heelal met elkaar te laten rijmen’.
Dit boek is als een ontdekking van onbekend gebied, als een plek waar je nog nooit bent geweest. Ik vind het formidabel.

Uitgave: Podium – 2016, vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer, 320 blz., ISBN 978 905 759 740 4, € 22,50
Rechtstreeks bestellen; klik hier

donderdag 25 februari 2016

Oorlogszone Zoo – Kevin Prenger


Subtitel: De Berlijnse dierentuin en de 2e Wereldoorlog

Dierentuinen hebben iets magisch. Misschien is het eerste verhaal over een dierentuin voor ongeveer ons allemaal wel het verhaal over de ark van Noach, een oeroude mythe die volgens Tjarko Evenboer in “De grote vloed” op de een of andere manier in bijna alle culturen over de hele wereld voorkomt. Een modern Ark-van-Noach-verhaal is de bestseller “Het leven van Pi” van Yann Martel, verfilmd door Ang Lee, waarin een hele dierentuin per boot verhuist en schipbreuk lijdt. Een jongen overleeft de tocht in een reddingssloep, samen met een Bengaalse tijger. Ik herinner mij “Lotje”, een personage van Jaap ter Haar, die spannende avonturen beleeft in de dierentuin waar haar vader dierenarts is. Ik heb urenlang met mijn dochter naar “Zoop” zitten kijken, een jeugdserie over acht jongeren die een opleiding voor dierenverzorger volgen in het Ouwehands Dierenpark. In "Albrecht en wij" van Lodewijk van Oord blijkt een dierentuin (waarin duidelijk Artis te herkennen is) de laatste levende neushoorn te herbergen, wat allerlei gewetensvragen oproept. Vorig jaar verscheen "Het huis van de leeuwen", een roman van Tania Hermans over de echtgenote van de eerste directeur van Diergaarde Blijdorp: Corry Kuiper. Onlangs kreeg ik een buitengewoon interessant en aangrijpend boekje toegestuurd van Kevin Prenger over de geschiedenis van de Berlijnse dierentuin, en dan met name rond de Tweede Wereldoorlog.

Oorsprong

Kevin Prenger (1980) is projectleider van Go2War2.nl, het grootste Nederlandstalige online naslagwerk over de Tweede Wereldoorlog. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de 20ste eeuw, in het bijzonder de geschiedenis van de Holocaust en nazi-Duitsland. Persoonlijke verhalen over de oorlog hebben ook zijn belangstelling. Behalve voor Go2War2.nl schrijft hij voor Historiek.net en het magazine Wereld in Oorlog.
Oorspronkelijk was het park Tiergarten, waarvan de geschiedenis nauw verbonden is met de Zoologischer Garten Berlin, een jachtgebied van de Brandenburgse keurvorsten, schrijft hij. Frederik de Grote (1712 – 1786) had echter een hekel aan jagen, en veranderde het terrein in een lusthof, waar ook zijn onderdanen van mochten profiteren. Op de plek van de huidige zoo werd een fazanterie ingericht om het hof vers gevogelte te kunnen voorschotelen. Ook waren er op het Pfaueninsel, een eiland in de Havel, exotische dieren te bewonderen: lama’s, apen, leeuwen, kangoeroes en verschillende vogelsoorten. Heel bijzonder, want wilde je in die tijd met eigen ogen exotische dieren zien, dan was je voornamelijk aangewezen op reizende tentoonstellingen. Dierentuinen waren het particuliere bezit van vorsten die er hun macht en rijkdom mee etaleerden. Niet iedere keurvorst was behept met dierenliefde, soms werd de Berlijnse menagerie ook weer verwaarloosd. In het begin van de 19e eeuw kwam er meer belangstelling voor de wetenschappelijke studie van dieren en begonnen zoölogen in grote wereldsteden als Parijs en Londen parken in te richten die het algemeen belang dienden. Berlijn kon niet achterblijven: op 1 augustus 1844 opende de Zoologischer Garten Berlin de poorten voor bezoekers.

Ook mensen tentoongesteld
Apen en beren – de beer is het symbool van Berlijn – waren in eerste instantie de grootste publiektrekkers. Het eerste grote roofdier dat werd aangeschaft was een luipaard, gevolgd door een ijsbeer. Van een Duitse Egyptoloog kreeg de dierentuin een leeuw die het jaar daarop het loodje legde. In het begin was het moeilijk om uitheemse dieren in leven te houden: koude winters, warme zomers, vochtige bodem, schaduwrijke bomen. De dierentuin breidde zich gestaag uit. Men kwam op het idee vijvers aan te leggen waar overtollig water in gepompt kon worden, wat de bodemproblemen oploste. Er kwam een antilopenhuis in Arabische stijl met imposante zuilengangen en gouden minaretten als in Duizend-en-een-nacht. Binnenin bevond zich onder een glazen dak een overdekte wintertuin met palmbomen en allerhande exotische planten. Er volgden een olifantenhuis in Indische stijl en een struisvogelverblijf dat door Egyptologen werd versierd met karakteristieke Egyptische muurschilderingen. Er kwam een aquariumgebouw. Er werd een concertzaal gebouwd. Het bleef niet alleen bij dieren, rond de één na laatste eeuwwisseling werden er ook mensen tentoongesteld: Eskimo’s, Nubiërs, Lappen en Zuid-Amerikaanse indianen. Een enorme publiekstrekker vormden de zogenoemde ‘lippennegers’, leden van de Sara-Kabastam uit Midden-Afrika, waarvan de vrouwen opvielen vanwege hun met een lipschotel uitgerekte lippen. Heel racistisch allemaal, maar toentertijd geen punt. Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1883 kon je in Amsterdam eveneens naar oorspronkelijke Surinamers gaan kijken.

Blut und Boden
Het nazitijdperk had grote invloed. De directeur van de zoo verkreeg faam met een opgestart ‘terugfokprogramma’, waarbij geprobeerd werd het uitgestorven oerrund en –paard (de tarpan) terug te laten keren. Het paste in de Blut-und-Boden-ideologie van een van vreemde smetten vrije Germaanse agrarische samenleving. Zoals de Ariërs moesten terugkeren naar hun rurale oorsprong, zo moest ook het vee weer een oorspronkelijk, primitief uiterlijk aannemen – bijvoorbeeld een grove bouw. Genetisch gezien had dat geen enkele wetenschappelijke basis. Een paradepaardje werd de ‘Deutsche Zoo’: een afdeling met inheemse dieren, zoals beren, wolven, roofvogels en bevers. Een nagebouwde Nedersaksische boerenhoeve maakte het plaatje compleet. De toenmalige zoodirecteur had nauwe banden met patijbons Hermann Göring, de tweede man na Hitler binnen het nazibestuur, en een fervent jager. Thuis hield hij een paar leeuwenwelpjes, die toen ze te groot werden, in de dierentuin terecht kwamen. Joodse toezicht- en aandeelhouders werden gaandeweg geloosd. De dierentuin was één van de eerste openbare plekken waar Joodse bezoekers door middel van bordjes bij alle ingangen met daarop “Juden unerwünscht” de toegang werd ontzegd. De zoo was goed voorbereid op luchtbombardementen. Een team dierenverzorgers ving ontsnapte dieren. Er was een brandweerbrigade en een bewakingsploeg. Men bouwde ondergrondse schuilkelders en aan de noordkant van de dierentuin verrees een enorme luchtafweergeschuttoren. Het personeel dat het leger in moest, werd vervangen door Franse krijgsgevangenen. Tot in details vertelt Prenger over de vernietiging van de dierentuin tijdens de bombardementen op Berlijn en de beschietingen van Stalins Rode Leger. De mensen in de omgeving maakten elkaar bang voor losgebroken giftige slangen, hongerige krokodillen, door de puinhopen sluipende tijgers en over straten stampende olifanten. In werkelijkheid ontsnapten er naast een dingo, die werd teruggebracht, alleen maar wat kleine dieren als aapjes en vogels. De gevaarlijkste dieren waren bij voorbaat al doodgeschoten. Bovendien had de directeur veel dieren naar dierentuinen elders laten evacueren. In de betere oorlogsjaren zorgde hij trouwens voor de nodige aanwinst door dieren uit dierentuinen in bezet Europa te roven. Volgens een telling overleefden slechts 91 dieren de oorlog, waarvan er verschillenden alsnog door hongerige burgers en soldaten werden geslacht, of stierven vanwege voedselgebrek. Direct na de oorlog gingen - bij gebrek aan mannen - de zogeheten Trümmenfrauen aan de slag om het puin te ruimen, dikwijls met een schort aan en een hoofddoek om. In de dierentuin heerste een rattenplaag, dus eerst werden alle rottende kadavers opgeruimd. Zogenaamde Schalentanten - schillentantes - gingen in de stad langs de deur om aardappelschillen op te halen voor de overgebleven zoo-dieren. Uiteindelijk namen de Britten het bestuur van de wijk Tiergarten en de zoo over.

Knut
Tijdens de Koude Oorlog verrees de dierentuin als een feniks uit zijn as. Zowel Berlijn als de zoo fungeerden als baken van het vrije westen. Amerika gaf een symbolische adelaar cadeau - die het helaas maar twee jaar volhield - Willy, naar de burgemeester en latere kanselier van de Bondsrepubliek Willy Brandt genoemd. “Willy Brandt achter tralies. Hij eet ratten en muizen”, spotte de DDR-pers. India schonk twee keer over een olifant. Om de betrekkingen met het Westen wat op te vijzelen kreeg de zoo in 1980 twee pandaberen van China: ‘Pandadiplomatie’. Waarschijnlijk herinnert iedereen zich het beroemdst geworden dier van de zoo nog wel: Knut, een verstoten ijsbeertje. Per 31 december 2013 telde de dierentuin in totaal 20.365 dieren van 1.504 soorten, waaronder 1.044 zoogdieren van 169 soorten en 2.092 vogels van 319 soorten. Daarmee heeft de Berlijnse Zoo de grootste verzameling diersoorten ter wereld.
In het laatste hoofdstuk beschrijft Prenger summier het lot van andere dierentuinen in oorlogstijd. Naast een uitgebreid bronnenbestand is er kleine dertig bladzijden aan indrukwekkend fotomateriaal aan deze reportage toegevoegd.

Uitgave: Brave New Books – 2015, 103 blz., ISBN 978 940 213 857 3, € 15,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 22 februari 2016

Van muizen en mensen – John Steinbeck


De onafscheidelijke Joseph en Rudy uit “Het kind van Noach” – zie mijn vorige blog – deden me denken aan een ander onmogelijk koppel uit de wereldliteratuur: de werkzoekende dagloners George - klein, vlug en slim - en Lennie - groot, log, en met het verstand van een kind - uit “Van muizen en mensen”. De Amerikaanse auteur John Steinbeck (1902 – 1968) schreef vaak over verschoppelingen. Met "De druiven der gramschap", een verhaal over een arme familie die tijdens de Grote Depressie vanwege de ‘Dust Bowl’ uit Oklahoma naar Californië trekt om een beter bestaan op te bouwen, won hij de Pulitzerprijs: het is één van de mooiste boeken die ik ooit heb gelezen. Woody Guthrie en Bruce Springsteen vereeuwigden de hoofdpersoon Tom Joad in een liedje. Ook de groep Camel baseerde een album op de roman: “Dust and Dreams”. In 1940 werd het boek verfilmd door John Ford. In 1962 kreeg Steinbeck de Nobelprijs voor literatuur. “Van muizen en mensen”, dat in 1992 werd verfilmd door Gary Sinise en waar diverse theaterproducties van zijn gemaakt (Steinbeck schreef het in eerste instantie ook voor toneel), heeft vanwege vermeende vulgariteit en/of racisme vaak op verboden en gecensureerde boekenlijsten gestaan. Des te meer reden voor mij om het toch eens te lezen.

I have a dream

En inderdaad: de opgefokte George vloekt en scheldt als een oordeel, maar daar is zijn onnozele vriend Lennie wel aan gewend. Bovendien kan Lennie altijd nog in een hol in de bergen gaan leven als George hem niet meer wil. Bij een knetterend kampvuurtje in de overweldigende natuur - niemand kan zo fantastisch een landschap beschrijven als Steinbeck - moet George voor de zoveelste keer over hun gezamenlijke droom vertellen, want Lennie kan daar de woorden niet voor vinden. Ooit, als ze genoeg verdiend hebben, zullen ze samen een huisje kopen en een paar bunder grond met een koe en wat varkens en kippen en natuurlijk konijnen, waar Lennie voor mag zorgen. ‘We gaan het er lekker van nemen’, schreeuwt Lennie enthousiast bij het vooruitzicht. Lennie is gek op alles wat zacht is. Hij loopt voortdurend rond met aaibare dooie muizen in zijn zak, die George prompt weggooit zo gauw hij ze in de gaten krijgt, bang dat Lennie er ziek van zal worden. George meent het allemaal niet zo kwaad: “… ‘Kerels als wij, die op hoeven werken, zijn de eenzaamste kerels op de wereld. Zij hebben geen gezin. Ze horen nergens thuis. Zij komen op een hoeve en werken wat geld bij elkaar en dan gaan ze naar de stad en maken hun centen op en voor je het weet zitten ze op een andere hoeve. Zij hebben niks om naar uit te zien.’...”, maar, “…'Met ons is het niet zo. Wij hebben toekomst. Wij hebben iemand om tegen te praten, die wat om ons geeft. Wij hoeven niet in een kroeg onze centen zitten op te maken, omdat wij nergens anders heen kunnen. Als die andere lui in de kast komen, kunnen zij daar verrotten zonder dat het iemand wat kan schelen. Maar wij niet.’…”. En even verder: “… ‘En als het ’s winters regent, verdommen wij het gewoon om te gaan werken en wij maken een vuur in de kachel en gaan erbij zitten luisteren naar de regen, die op het dak neerkomt – Basta.’…”. Het blijkt dat George ene tante Clara heeft beloofd voor Lennie te zorgen, toen ze op sterven lag. Het blijkt ook dat George en Lennie op de vlucht zijn omdat Lennie een meisje heeft aangerand. Ze droeg een prachtige rode jurk waar Lennie even aan wilde voelen. De dame begon te gillen en Lennie raakte zo in paniek dat hij niet meer los wilde laten.

Meedogenloze wereld
De volgende dag melden de heren zich op een hoeve om gerst te dorsen. Op de hoeve loopt het ruziezoekerige zoontje van de baas rond, net getrouwd met een ‘snol’ van een meid die hij voortdurend in de gaten houdt, omdat hij haar voor geen cent vertrouwt met een ploeg landarbeiders in de buurt. Het kleine opdondertje lijkt het van meet af aan op de grote Lennie te hebben voorzien. Om een aanleiding voor moeilijkheden te voorkomen gebiedt George zijn vriend hoe dan ook ‘zijn smoel te houden’. Maar s’ avonds gaat het toch mis, valt het ventje de grote Lennie aan, die van schrik zijn hand vastgrijpt en niet meer los laat. Slim, de gedoodverfde leider van de knechten, zorgt ervoor dat hij naar een dokter wordt gebracht terwijl hij hem voorhoudt vooral te vertellen dat zijn hand in een machine heeft vastgezeten, omdat ze anders overal zullen rondbazuinen wat er gebeurd is en iedereen hem uit zal lachen. Steinbeck trekt je een meedogenloze wereld in. De helft van een nest jonge hondjes wordt zonder meer verzopen omdat ze niet allemaal bij de moeder kunnen drinken. Een van de puppies is voor Lennie bestemd, die op zijn falie krijgt omdat hij niet bij de jongen is weg te slaan: straks knijpt hij ze dood. Een oude knecht krijgt een ander, wiens zieke hond wordt afgeschoten. Als de hele ploeg zonder Lennie op zaterdagavond de stad in gaat - Lennie zorgt toch alleen maar voor bonje – komt Lennie bij een treiterige ‘neger’ terecht, die alleen in een schuurtje woont omdat hij volgens de rest van de knechten stinkt. Als Lennie boos wordt sust hij: “… ‘Stel je nou voor, dat je niemand hebt. Stel je voor, dat je niet in het slaaphuis kon gaan en rummy spelen, omdat je zwart bent. Hoe zou je dat vinden? Stel je voor, dat je hier maar zitten moest en boeken lezen. Natuurlijk zou je met het hoefijzer kunnen spelen tot het donker werd, maar dan zou je boeken moeten lezen. Boeken deugen nergens voor. Een vent heeft iemand nodig – om bij hem te zijn.’ Hij jammerde. ‘Een vent wordt gek als hij niemand heeft. Het doet er niet toe wie het is zolang as ie maar bij je is,’ riep hij, ‘ik zeg je, dat een vent, als hij veel alleen is, ziek wordt.’…”.

Een beetje raar en gemeen
Je voelt het mis gaan. Als Lennie weer eens in de stal stiekem zijn hondje zit te aaien terwijl de rest van de knechten buiten een wedstrijdje hoefijzerwerpen aan het spelen is, doet hij dat te ruig, en merkt hij dat het dier dood is. Terwijl hij opgaat in zijn verdriet – hij is bang dat hij nu nooit meer voor de konijnen zal mogen zorgen van George - komt het pasgetrouwde meisje binnen. Er volgt een belachelijk gesprek over het aaien van zachte dingen. Het meisje moedigt Lennie aan om te voelen hoe zacht haar haar is. De opgewonden Lennie kan niet meer stoppen met strelen, het meisje wordt bang, begint te schreeuwen - Lennie wordt bang, wil dat ze haar mond houdt, en voordat hij het in de gaten heeft, heeft hij haar nek gebroken. Hij kent zijn eigen kracht niet. Lennie rent naar de struiken bij de waterkant waar hij heen moet vluchten als hij ‘in de knoei raakt’, zoals is afgesproken met George. De knechten vliegen er op uit om hem te lynchen. George ziet geen andere uitweg dan met het pistool waarmee eerder de oude hond is neergeknald, zijn simpele vriend dood te schieten, voor de meute bloeddorstige arbeiders zich op hem zal storten. Als je het hebt over een ‘genadeschot’…
De titel van het boek is trouwens ontleend aan een gedicht van de Schotse dichter Robert Burns, getiteld 'To a Mouse', uit de regel The best-laid schemes o' mice an' men, Gang aft agley (de bestbedachte plannen van muizen en mensen lopen vaak mis).
Dit is zo’n verhaal dat je bijna mee zou kunnen nemen in de huidige ‘huppakee’- euthanasiediscussie; evenals “Winter in Glosterhuis” van Vonne van der Meer trouwens. Verhalen zijn nodig om te voorkomen dat je eenzijdig gaat denken. Verhalen tonen aan dat er altijd een ‘andere kant’ is.
Dit is tevens een verhaal dat laat zien dat ‘wij’ - in verband met de omgangsvormen van vluchtelingen wat betreft vrouwen - nog helemaal niet zolang geleden óók heel anders dachten over man-vrouwverhoudingen. De pasgetrouwde schoondochter van de baas wordt als een sloerie neergezet. Omdat ze is opgemaakt: oogschaduw, geverfde lippen, gelakte nagels. Het past niet dat ze rondhangt bij de slaaphal van het personeel, een praatje met hen wil maken, ook al gaat ze zo ongeveer dood van eenzaamheid. Dat is vragen om ellende. Zíj is verantwoordelijk voor de hormoonhuishouding van de mannen.
Eigenlijk wordt iedereen die er in dit prachtige verhaal maar lang genoeg alleen voor staat een beetje raar en gemeen.

Uitgave: Rainbow – 2004 (eerste uitgave 1937), vertaling Clara Eggink, 127 blz., ISBN 978 904 174 033 5, € 12,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier