vrijdag 19 augustus 2011
Het gevaarlijke boek – Christopher Krebs
Ondertitel: De Germania en de opkomst van het nazisme
Dit non-fictie boek past volmaakt in de uitpuilende boekenkasten van Laurent Bint (zie vorige blog); maar waarschijnlijk werd het net te laat uitgegeven om kans te hebben een rol(letje) te spelen in ‘HhhH’.
In ieder geval komt Himmler, de baas van Heydrich, er ruimschoots in aan bod. Binet vertelt over hem: “… Voor Himmler is de SS een orde van ridders. Hij ziet zichzelf als afstammeling van Hendrik de Vogelaar, de Saksische koning die door de Hongaren te verdrijven in de tiende eeuw de fundamenten legde voor het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie en die het grootste deel van zijn regeringstijd besteedde aan het verdelgen van de Slaven. Om zich te kunnen laten voorstaan op een dergelijke afstamming had de Reichsführer behoefte aan een kasteel. Toen hij de Wewelsburg vond, was het een ruïne. Hij moest vierduizend gevangenen uit Sachsenhausen laten komen om het te laten restaureren. Bijna een derde van hen is tijdens het werk gestorven, maar nu verrijst het gebouw heerszuchtig boven de Alme die door het dal stroomt. De twee torens en de donjon, met elkaar verbonden door vestingmuren, vormen een driehoek, waarvan de punt is gericht op het mythische Thule, de geboortegrond van de Ariërs, en die de ‘axis mundi’ voorstelt, het symbolische centrum van de wereld. En precies daar, midden in de donjon, in de oude kapel, de ‘Obergruppenführersaal’ geheten, houdt Himmler zijn vergaderingen met de belangrijkste hoogwaardigheidsbekleders van de SS verzameld rond een enorme tafel van massief eikenhout, die volgens de wensen van hun chef rond is en twaalf plaatsen heeft om de symboliek van de Arthurlegende te laten herleven. De gangen zijn volgepropt met harnassen, wapenschilden, schilderijen en runentekens in alle soorten en maten…”. Kortom; de Wewelsburg verwordt tot een nazistisch gekkengesticht waar voortdurend alchemisten, occultisten en magiërs aan esoterische problemen werken ten behoeve van Himmlers Teutoonse cultus.
Himmler is vast van plan om de Germaanse orde weer in ere te herstellen. Zijn inspiratie haalt hij uit een oud boek, de ‘Germania’, in 98 geschreven door de Romeinse senator Cornelius Tacitus. Waarschijnlijk zou Tacitus zich hebben omgedraaid in zijn graf, als hij had geweten dat zijn kleine, onflatteuze boekje ooit door de nazi’s als hun ‘bijbel’ zou worden gezien, en daarmee een plek kreeg tussen de 100 gevaarlijkste boeken van de wereld. Tweeduizend jaar geleden werd de ‘Germania’ geschreven, hulde zich in stilte, en kwam tijdens de Renaissance weer boven water: Tacitus overleefde in flarden. Christopher Krebs, associate professor klassieke talen aan Harvard University, volgt het spoor dat de ‘Germania’ door de daarop volgende vijf eeuwen trok.
De ‘Germania’ is onderdeel van de zogenaamde ‘Codex Aesinas’ en gaat ‘Over de herkomst en de woonplaats van de Germanen’ (De origine et situ Germanorum), waarin een groot deel is ingeruimd voor Germaanse gewoontes.
Wat maakt deze beschrijving van een volk van nog geen dertig pagina’s zo kostbaar dat Himmler, die niet bepaald de geschiedenis is ingegaan als boekenliefhebber, het originele handschrift probeerde te roven, ook al was de tekst onleesbaar voor niet-specialisten en overal in nazi-Duitsland zelf verkrijgbaar in moderne uitgaven in het Latijn en in Duitse vertaling – en dat al vierhonderd jaar?
“… De ‘Germania’ werd op school gedoceerd en in door nazi’s geschreven artikelen uitvoerig aangehaald, ze zette nationaalsocialisten in vuur en vlam, van de onderste lagen van partijleden tot de hoogste partijleiders. Het was het enige alomvattende relaas uit de tijd van de Germaanse volkeren; het werd beschouwd als een verslag van het Duitse verleden en algemeen gevierd als ‘geweldig monument’. Jammer genoeg is het geen verslag, noch gaat het over het Duitse verleden…”, aldus Krebs. Tacitus geeft een vertekend beeld van het volk ten noorden van de Rijn: er woonden drie afzonderlijke volken. Bovendien is hij waarschijnlijk nooit in dit gebied geweest, en heeft hij alles ‘van horen zeggen’.
Tacitus benoemt positieve aspecten van de Germanen als moed, trouw, deugdzaamheid, gastvrijheid en strijdvaardigheid. Ze hadden geen wetten, die waren ook niet nodig, want de Germanen bezaten van zichzelf een hoogstaande moraal, aldus de Duitse humanisten van de 16e eeuw. Je zou dat ook uit kunnen leggen als dat ze te stom waren om een goede rechtspraak te ontwikkelen, vonden bepaalde Italiaanse humanisten, net zo goed als dat ze te stom waren om verfijnde kunst en cultuur voort te brengen.
De donkere kanten van de Germanen die Tacitus beschrijft werden al gauw verdraaid, verdonkeremaand en vergeten. Maar niet door iedereen. De dappere kardinaal van de St.-Michaelskerk in München, Michael von Faulhaber, schudde tijdens zijn beroemde oudejaarspreek van 1933 een ingeslapen schrikbeeld van de Germaanse barbaar wakker uit zijn 450 jaar durende slaap: “… Hij schilderde voor zijn parochie een afschuwwekkend beeld van veelgoderij, mensenoffers en barbaars bijgeloof. Hij keurde het bestaan van de voorchristelijke krijger met zijn primitieve ‘verplichting tot bloedwraak’ af en sprak zijn afschuw uit over diens spreekwoordelijke luiheid, zijn zwelgpartijen en hartstocht voor het dobbelen. De lijst van tekortkomingen was lang en helemaal gebaseerd op Tacitus’ tekst. De aartsbisschop sprak er zijn zorg over uit dat er ‘een beweging op komst was om een noorse of Germaanse godsdienst te stichten’…”. Om plaats te bieden aan al zijn luisteraars waren er luidsprekers gezet in twee nabijgelegen kerken. Ze zaten tot de nok toe vol. Julius Schulhoff, een Duitse Jood, bedankte de kardinaal in een brief, waarin hij de hoop uitsprak dat God zijn ‘wonderlijke moed’ nog zou vergroten.
Maar de nazistisch georiënteerde Duitsers bleven de Germanen bewonderen als mooie, lange, slanke, blonde, blauwogige en vooral heldhaftige mensen. De vrouwen waren onaards kuis en omdat ze altijd binnen hun eigen volk huwden, bleef het een oud, zuiver, en onvermengd oorspronkelijk ras, dat een hard maar vrij leven leidde.
“… Germanië, zoals de Romeinen het noemden en dat, gezien oorsprong en naam in de oorspronkelijke taal, eigenlijk Teutonië had moeten heten, is het enige land in Europa en misschien wel het hele universum, dat nooit onderworpen is… Het is nog steeds hetzelfde oorspronkelijke en inheemse land dat zijn onafhankelijkheid, zijn naam en taal van het allereerste begin tot op de dag van vandaag behouden heeft…” (aldus ene Philipp Clüvers).
‘Teutsch, Tuitsch en Deutsch’, zijn allemaal regionale varianten die ‘Germaan’ betekenen. Dan zal ons woord ‘teut’ daar wel vandaan komen, bedacht ik, toen ik las dat Tacitus het al had over de Germaanse voorliefde voor drank.
In de 19e eeuw voedde de ‘Germania’ het ontluikende Duitse nationalisme en leidde tot het ontstaan van de z.g. ‘Völkische Bewegung’; met volkstaal en folklore als duidelijkste uitingen. Aanleiding was de stichting van het Duitse Rijk in 1871. Duits zijn betekende in haar ideologie een raszuivere nakomeling van de Germanen zijn, inclusief alle arische kenmerken zoals Tacitus die had beschreven. Het nazisme deed zich niet vanuit het niets aan Hitler voor, ook al beweerde de Führer zelf van wel.
Himmler beschouwde zijn wetten aangaande het ‘Joodse vraagstuk’ als laatste poging om deze Germaanse ‘raszuiverheid’ veilig te stellen. In de overtuiging dat het voortbestaan van het Duitse volk in gevaar was, was de ‘natuurlijke en belangrijkste roeping’ van de vrouw volgens de nationaalsocialistische doctrine dat ze ‘echtgenoot, moeder en huisvrouw’ was. Vrouwen die een bijzonder groot aantal kinderen ter wereld hadden gebracht, ontvingen het ‘Ehrenkreutz der Deutschen Mutter’, in de wandelgangen oneerbiedig ‘de Konijnenbeloning’ genoemd. Speciale geboorteprogramma’s werden opgezet.
Het nieuwe regime beschouwde intellectuele vermogens als een handicap; lichamelijke opvoeding stond in het middelpunt. Vandaar dat Binet in ‘HhhH’ dan ook op kon merken: “Sport is en blijft fascistische smeerlapperij…” (hij schreef een roman, dus dat moet je vooral niet al te serieus nemen!).
Het vormen van het nationalistische en racistisch bewustzijn van kinderen in het noorse karakter kreeg een van de hoogste prioriteiten. Toen de Edda werd ontdekt kon Apollo eindelijk met pensioen en werden Wodan en Donar binnengehaald.
Nog zoiets belachelijks, Himmler, met zijn kippenborst en in dit boek beschreven als een ‘half uitgehongerde spitsmuis’, liet niet alleen zijn snorretje staan om op Hitler te lijken, hij schoor ook de zijkanten van zijn hoofd, zodat zijn schedel meer op de lange vorm van de noorse schedel leek, de ‘dolichocefalie’. Binet: “… als je bedenkt hoe onvolmaakt het merendeel van de nazistische hoogwaardigheidsbekleders lichamelijk gezien was – en Goebbels met zijn horrelvoet is er wel een van de mooiste voorbeelden van – kun je alleen maar lachen als je denkt aan de vrees voor het ‘verzwakken van het ras’ dat hun zo veel zorgen baarde…”. Krebs: “… Volgens een grapje uit die tijd was de typische nazi zo slank als Goering, zo atletisch als Goebbels en zo blond als Hitler…”.
Hoewel Hitler duidelijk geïrriteerd was door Himmlers mystieke grillen en de ideologie van de SS belachelijk maakte als de Reichsführer er niet bij was (“in de tijd dat onze voorvaders stenen troggen en aardewerk kruiken maakten, bouwden de Grieken de Acropolis”), heeft hij zich nooit tegen diens cultus verzet. Hij zag in dat hij die nodig had voor de toekomst van een Germaanse Staat waarvan de hoofdstad Germania zou heten.
Na decennia lang prominent aanwezig te zijn geweest in völkische en nationaalsocialistische bewerkingen binnen, en vooral buiten academische kring, verdween de ‘Germania’ uit beeld en verscheen het werk slechts sporadisch in wetenschappelijke tijdschriften. En toch verloor het boekje, ondanks dat de Germaanse mythe en haar belangrijkste tekstboek in 1945 hun morele autoriteit kwijtraakten, niets van zijn aantrekkingskracht: “… In 1979 publiceerde de Duitse winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, Heinrich Böll, die in zijn werk uitermate kritisch omgaat met de erfenis van de nazi’s, in het weekblad ‘Die Zeit’ een essay over de ‘Germania’. Hij bekende dat Tacitus’ tekst op hem overkwam als ‘verrassend-up-to-date’... ‘Het is per slot van rekening een van de oudste, zo niet het oudste, document over onze voorouders’. Genietend van Tacitus’ beschrijving van Germaanse liederen, merkt Böll op dat ‘het nogal bekend klonk, en dat in de resonerende borstkas van een Duitse man nu en dan iets echt Germaans bewaard zou kunnen zijn gebleven!’…”.
Natuurlijk werd Bölls interpretatie direct en terecht veroordeeld als naïef.
Het is verbijsterend hoe vaak er allerlei kwaad de kop heeft opgestoken door middel van uit zijn context gerukte teksten. Neem de Bijbel. Neem de Koran. Moeten we de Koran dan maar verbieden, zoals Geert Wilders oppert? Natuurlijk niet. Tacitus schreef geen gevaarlijk boek: dat maakte zijn lezers ervan.
Ook de moordenaar van Utoya plukte allerlei passages van internet om zijn eigen verknipte wereldbeeld in elkaar te prutsen, heb ik begrepen. De rillingen lopen over mijn rug, als ik bedenk hoe dit type ‘ideale schoonzoon’ met zijn uiterlijk van rasechte ariër, op zijn boerderij heeft moeten lopen fantaseren over christelijke ridders en het blanke ras. Himmler had vast gekickt op hem, vrees ik.
Mijn grote waardering voor professor Krebs: ik denk dat het de taak is van iedere geleerde van over de hele wereld om altijd weer fel van leer te trekken tegen iedere vorm van, in zijn ogen, verdachte en/of verkeerde interpretatie.
Dit boek is eerder een literaire zoektocht dan een verslag over de Tweede Wereldoorlog. Het biedt veel achtergrondinformatie. Je moet wel een beetje een fijnproever zijn om er van te genieten; maar dan lees je ook wat!
Uitgave: Spectrum – 2011
zaterdag 13 augustus 2011
HhhH – Laurent Binet
Als de vader van Laurent Binet hem tussen neus en lippen door wat vertelt over de aanslag op planningsdeskundige van de Holocaust Reinhard Heydrich, ‘de beul van Praag’ en ‘gevaarlijkste man van het Dritte Reich’, raakt Laurent (1972 - docent Frans aan een militaire acedemie) volkomen geobsedeerd door dit verhaal. Hij leest alles wat hij over Heydrich te pakken kan krijgen. Volgens hem is de aanslag ‘één van de grootste verzetsdaden uit de geschiedenis van de mensheid en ontegenzeggelijk het belangrijkste wapenfeit van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog’ geweest. Al gauw puilen de boekenrekken in zijn appartement uit van de boeken over WO II. Hij gaat naar alle films die er over dit onderwerp te zien zijn: The Pianist, Der Untergang, Die Fälscher, Zwartboek, enzovoort. Zijn televisie blijft ingesteld op de geschiedeniszender van de kabel, en in verloren uurtjes speelt hij zelfs videospelletjes die over de oorlog gaan. Alles voert hem terug naar zijn onderwerp: “… Natacha (zijn vriendin) krijgt een studio in Montmartre waarvan de deur de toegangscode 4206 heeft en ik denk meteen aan juni 1942. Natacha vertelt me op welke datum haar zus gaat trouwen en ik roep opgewekt: ‘Nee, niet te geloven, 27 mei? De dag van de aanslag!...”, en even later “… die hele geschiedenis fascineert me, dat is nu wel duidelijk, en tegelijk werkt ze op mijn zenuwen, geloof ik…”. Om zijn vader ‘wat terug te geven’, besluit hij dit onderhavige boek te schrijven.
Heydrich begon zijn carrière bij de marine, maar werd er vanwege een seksschandaal uitgegooid. Dan neemt hij dienst bij een nieuwe elite-organisatie met groeiende faam: de SS. Het betaalt niet, eerst is hij niet veel anders dan voetveeg. Maar hij klimt op in de hiérarchie en wordt de rechterhand van degene die er de lakens uitdeelt: Heinrich Himmler. Vandaar het nazi-grapje ‘HhhH: Himmlers hersens heten Heydrich’; de ondertitel van dit boek.
“… Als het niet de vooraankondiging was van de dood van miljoenen mensen, zou de confrontatie iets komisch kunnen hebben. Aan de ene kant de lange blonde man (Heydrich) in een zwart uniform met een gezicht als een paard, een schelle stem en glimmend gepoetste laarzen. Aan de andere kant een kleine hamster met een bril (Himmler), kastanjebruin haar, een snorretje en over het geheel genomen een weinig arische uitstraling. De fysieke band van Heinrich Himmler met het nazisme komt tot uiting in zijn belachelijke wens om met zijn snor op zijn meester Adolf Hitler te lijken… Tegen alle rassenlogica in is het de hamster die beveelt…”
Zij leggen samen de fundamenten voor de sinistere SD. De Sicherheitsdienst of veiligheidsdienst. De onbekendste en ook de ergste van alle nazi-instellingen, inclusief de Gestapo. Heydrich krijgt de smaak heel snel te pakken. Informatie, manipulatie, chantage en spionage worden drugs voor hem. Men zadelt hem op met allerlei bijnamen: ‘de slager’, ‘de jood Süss’ (vanwege zijn kromme haakneus), ‘de geit’ (vanwege zijn rare lach), ‘het blonde beest’ (…”het valt niet te ontkennen dat je in de rangorde der diersoorten van een andere categorie bent geworden”…). Adolf Hitler noemt hem ‘de man met het ijzeren hart’, en zegt na een onderonsje met hem: ‘Die man is uitzonderlijk begaafd en uitzonderlijk gevaarlijk. Het zou stom zijn om niet van zijn diensten gebruik te maken.’
Op de Wannseeconferentie (20 januari 1942) legt Heydrich in een paar uur vast op welke manieren de ‘Endlösing’ van de Joden moet worden toegepast: “… op die datum waren in Polen en de USSR al massale executies aan de gang, maar die waren toevertrouwd aan de Einsatzgruppen, uitroeiingscommando’s van de SS, die zich ertoe beperkten hun slachtoffers met honderden, zelfs duizenden tegelijk bij elkaar te drijven, vaak op een veld of in een bos, en hen daar met mitrailleurvuur neer te schieten. Het probleem van deze methode was dat ze de zenuwen van de beulen danig op de proef stelde, waardoor het moreel van de troepen steeds verder zakte, zelfs van geharde troepen als de SD of de Gestapo – Himmler zelf was in zwijm gevallen toen hij een massa-executie bijwoonde. Vervolgens waren de SS’ers ertoe overgegaan hun slachtoffers in stampvolle vrachtwagens te verstikken door de uitlaat naar binnen te draaien, maar de techniek bleef handwerk. Na Wannsee werd de uitroeiing van de joden, door Heydrich overgedragen aan de goede zorgen van de trouwe Eichmann, aangepakt als een logistiek, sociaal en economisch project van zeer grote omvang…”. Gevolg: gaskamers in concentratiekampen.
Ter illustratie het verhaal over SS-Standartenführer Paul Blobel die zich in Babi Jar (het z.g. Grootmoedersravijn in de Oekraïne en waarschijnlijk met honderdduizend doden het grootste massagraf in de hele geschiedenis van de mensheid) met zoveel ijver van zijn taak heeft gekweten, en langzaam gek wordt: “… Toegegeven moet worden dat de doden van Babi Jar niet gemakkelijk vergeten kunnen worden, want de aarde waarin ze zijn begraven, is in beweging. Er stijgt rook uit op, aardkluiten ploppen als champagnekurken omhoog, terwijl uit de bodem bellen gas ontsnappen, afkomstig van de lichamen in ontbinding. De stank is verschrikkelijk. Met een waanzinnige schaterlach verklaart Blobel tegen zijn bezoekers: ‘Hier rusten mijn dertigduizend joden!’ En hij maakt een breed gebaar dat het hele ravijn omvat, een enorme borrelende buik…”.
Binet legt uit hoe de Duitsers president Hácha dwingen de capitulatie van Tsecho-Slowakije te tekenen, wat leidt tot de groteske scène waarin de nazi-ministers Göring en Ribbentrop “… Hácha letterlijk rond de tafel achternazitten, hem steeds de pen in de hand drukken, en hem sommeren te gaan zitten en dat klotedocument te tekenen…”.
En zo kon het gebeuren dat Heydrich de functie van plaatsvervangend protector van Bohemen en Moravië (in feite de eerste authentieke SS-staat) wordt en in Praag komt te zetelen, vanwaar hij een waar schrikbewind uitoefent.
Na de hele voorgeschiedenis minutieus uit de doeken te hebben gedaan vertelt Binet over de daadwerkelijke aanslag op Heydrich door een door Londen gestuurd Tsjecho-Slowaaks commando: operatie Anthropoid genaamd. In een bocht van een weg wordt de mercedes van Heydrich door twee partizanen onder vuur genomen. Er zit van alles tegen; op het cruciale moment komt er een tram vol passagiers langs, een stengun weigert, een granaat treft wel doel. Heydrich wordt gewond naar een ziekenhuis vervoerd waar hij sterft aan een infectie. Als represaille worden twee Tsjechische dorpen volkomen met de grond gelijkgemaakt, honderden mannen standrechtelijk geëxecuteerd en duizenden vrouwen en kinderen afgevoerd en vergast. De partizanen duiken onder in de ijskoude crypte van een kerk, worden verraden, en vechten zich dood: achthonderd SS’ers hebben bijna acht uur nodig gehad om met zeven mannen af te rekenen.
Natuurlijk zijn er tientallen, zo niet honderden boeken geschreven over deze aanslag. Wat Binet er aan toevoegt is dat hij heel zijn schrijfproces er in verwerkt. Dat maakt het verhaal sterk en persoonlijk. Eigenlijk wil hij niets verzinnen, geen fictie schrijven, maar dat maakt het weer zo droog en wetenschappelijk. Hij wikt en weegt, en dubt en zoekt, en uiteindelijk vindt het boek zijn weg.
Binet won de Prix Goncourt Du Premier Roman 2010, de Franse prijs voor het beste debuut van 2010 (Liesbeth van Nes verzorgde de Nederlandse vertaling). Gaandeweg het boek dacht ik: je moet toch wel lef hebben om met dit verhaal te komen na de overdonderende publiciteit rond 'De welwillenden' van landgenoot Littell. Zoiets fenomenaals valt toch bijna niet te overtreffen? Heel handig: na ruim 200 bladzijden komt Binet daar zelf ook mee:
“… Uiteraard, het kan niet anders of het verschijnen van het boek van Jonathan Littell en het succes ervan hebben me een beetje van de wijs gebracht…”. En uiteindelijk wijdt hij een hoofdstuk vol bazig gekat aan 'De welwillenden': “… Ik heb in een nieuwsgroep een bijdrage gelezen van een zeer overtuigd lezer die naar aanleiding van de hoofdpersoon van Littell schreef: ‘Max Aue klinkt waarachtig omdat hij de spiegel is van zijn tijd.’ Helemaal niet! Hij klinkt waarachtig (voor bepaalde gemakkelijk te belazeren lezers) omdat hij de spiegel is van onze tijd: een postmoderne nihilist, kort gezegd. Op geen enkel moment wekt hij ook maar de suggestie een aanhanger van het nazisme te zijn. Hij toont integendeel nadrukkelijk een vaak kritische afstandelijkheid ten opzichte van de nationaal-socialistische doctrine en daarom kun je niet zeggen dat hij het waanzinnige fanatisme weerspiegelt dat in zijn tijd de overhand had. Integendeel, die nadrukkelijke afstandelijkheid, dat vermoeide ‘ik heb het allemaal wel gehad’, dat permanente onbehagen, die voorliefde voor filosofisch geredeneer, die bewuste amorele houding, dat naargeestige sadisme en die verschrikkelijke seksuele frustraties die hem innerlijk verscheuren… ach natuurlijk! Waarom ben ik daar niet eerder opgekomen? Ik zie het opeens heel duidelijk: De welwillenden, dat is gewoon ‘Houellebecq bij de nazi’s’…”.
En in het daaropvolgende hoofdstuk: “… Ik begin het geloof ik te begrijpen: ik ben een infra-roman aan het schrijven…”.
Bravo! Wat mij betreft zijn het deze passages die dit boek de hoogte in tillen; en zeker niet het spannende oorlogsverhaal op zich.
Uitgave: Meulenhoff - 2010
maandag 1 augustus 2011
Verzamelde gedichten – Emily Dickinson
Vertaling en commentaar Peter Verstegen
“…My Wars are laid away in Books - / Mijn Strijd op Schrift te rust gelegd - …”
Tot mijn verrassing liet vertaler Peter Verstegen onlangs een nieuwe tweetalige editie van het werk van de raadselachtige Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) het licht zien. Na het lezen van “De omweg” (Gerbrand Bakker; zie mijn vorige blog) was ik toch wel nieuwsgierig naar haar geraakt. In allerlei secundaire literatuur wordt vaak naar Dickinson verwezen, maar ik had nog nooit wat van haar gelezen (ik ben niet zo’n gedichten-type). Op de achterflap: “… Het moet Emily Dickinsons thematiek zijn die tijdloos is: ze schrijft zoals geen ander ooit heeft gedaan over pijn, hartstocht, (on)geloof, de dood, de natuur, verlangen, heel het palet van het menselijk tekort. Haar liefdesgedichten zijn de schrijnendste die ooit geschreven werden (…‘Calvaries of Love' - Golgotha’s van liefde…). Maar haar leven was er niet een van tragisch gemis alleen, getuige begrippen als ‘roes’, ‘vervoering’, ‘toverij’ en ‘extase’ die steeds terugkeren in haar gedichten…”.
Take all away from me But leave me Ectasy And I am richer then Than all my Fellow men - | Ontneem mij alles vrij Maar laat Extase mij Zodat ik rijker ben Dan ieder Medemens – |
Zonder dat iemand het wist, heeft ED in een groot landhuis in Amherst, een Amerikaans boerengat, gedichten zitten schrijven. Pas na haar dood vond Lavina, haar zus, in een kersenhouten ladenkast ( "zoals dat hoort", schrijft recensent Tjerk de Reus), maar liefst 1800 (!) gedichten. Tijdens Emily’s leven werden er twee gepubliceerd; en dat ook nog eens tegen haar wil. Wel stuurde ze zo’n 200 gedichten naar anderen, dus haar dichterschap bleef niet geheel onopgemerkt.
Vanwege het enorme aantal verscheen pas in 1955 de eerste complete uitgave van haar werk.
Emily had lak aan alle dichterlijke conventies. Haar gedichten waren volstrekt uniek door hun originaliteit en eigenheid van vorm en inhoud. Ze schreef ze op de cadans van kerkzangen. De in zijn tijd beroemde auteur Higginson erkende haar ongewoon uitdagende schrijftrant. Uit brieven aan zijn vrouw en zussen blijkt dat hij ED heel goed maar ook ‘min of meer geschift’ vond ( hij heeft het over: my partially cracked poetess from Amherst).
Camille Paglia (hoogleraar aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Philadelphia): “… Het verbazingwekkende is dat dit het werk is van een eenzame, miskende, onbereisde vrouw. Hoe kon zij haar literaire tijdgenoten zo ver vooruit zijn?...”.
Bakker schrijft over Emily Dickinson in zijn roman: “… Een dwingende vrouw die zichzelf verstopte in haar huis en tuin. Die door alles wat ze deed of naliet woordeloos aangaf dat mensen niet op haar moesten letten, en ondertussen doodsbang was dat de genegenheid die ze anderen toonde, meestal in brieven, onbeantwoord bleef, en als een jengelend kind viste naar bevestiging. Een vrouwtje dat zichzelf klein maakte, angstig moet zijn geweest, brieven ondertekende met ‘Your Gnome’; dat tijdens de herdenkingsdienst voor haar dode vader in de grote hal angstvallig in haar kamer bleef, maar wel met de deur op een duidelijke kier, waardoor ze alsnog de meeste aandacht opeiste. ‘Zelfs zonder haar aan te raken, zoog ze al mijn energie op. Ik ben blij dat ik niet bij haar in de buurt woon,’ had een van de mannen met wie ze correspondeerde geschreven. Een vrouw die witte kleren was gaan dragen, als een maagd…”.
Ik vond het volgende prachtige gedicht, dat mij als geen ander aan “De omweg” van Bakker deed denken:
Tell all the Truth but tell it slant – Success in CIRCUIT lies - Too bright for our infirm Delight The Truth’s superb surprise. As Lightning to the Children eased With explanation kind The Thruth must dazzle gradually Or every man be blind - | Zeg heel de Waarheid zijdelings – Een OMWEG voert naar ’t doel – Te fel is Waarheids grootste schok Voor ons krank Lustgevoel Als Bliksem rustig uitgelegd Aan het beangstigd Kind Moet Waarheid lichten gaandeweg Of anders maakt zij blind |
Ik snap waarom Bakker, als hovenier, kickt op de gedichten van Dickinson: het is één en al bloemetjes en bijtjes. Ze was een natuuraanbidster. Een van haar gedichten eindigt letterlijk met “… In the name of the Bee – And of the Butterfly – And of the Breeze – Amen!...”.
His oriental heresies Exhilarate the bee And filling all the Earth and sky With gay apostasy. | Zijn oriëntaalse ketterij Die zo de bij verblijdt Vervult Aarde en luchtruim met Blijde afvalligheid. |
Verstegen: “… Dit gedicht zegt iets over ED’s fascinatie voor bijen; ze symboliseren hier een blij heidendom of in elk geval een soort ketterij of afvalligheid, geassocieerd met feestvreugde…”.
Over die bijtjes ben ik wel vaker vreemde dingen tegen gekomen. In een verhaal dat zich afspeelt in 1700-zoveel in Drenthe (Achtendertig nachten – Janne IJmker) sterft een man, en iemand gaat dat dan aan ‘de bijen vertellen’: “… Toen liep hij met mij op zijn arm naar de eerste korf toe, en klopte er zachtjes op en zei: ‘Iemen, jullie baas is dood.’ Hij herhaalde dat bij elke korf… ‘Ja meidje, vader is dood. De iemen moeten het weten, anders gaan ze misschien zwermen.’…”. Die vader kreeg overigens een keurig-nette christelijke begrafenis (…"The murmur of a Bee, A Withcraft – yieldeth me –" ED …).
Over ED’s godsdienstigheid vertelt Peter Verstegen: “… Het puriteinse Nieuw-Engeland was calvinistisch en werd tijdens ED’s leven bezocht door de zogenaamde Great Awakenings, een revivalbeweging die erop uit was te bekeren… ED heeft haar leven lang alle pressie weerstaan om ‘gered’ te worden; als enige in haar familie. Ze bleef wat ze zelf noemde ‘een heiden’...".
Camille Paglia heeft het over haar ‘bitse oneerbiedigheid’: “… ‘God is gierig geweest voor mij, zodat ik nu vinnig tegen Hem ben’…”. Uit haar gedichten komt iemand naar voren die constant wankelt tussen geloof en ongeloof.
Berucht is Dickinsons obsessie met de dood. Ze leefde dan ook in een tijd waar de dood constant op de loer lag. Bijna ieder gezin had te maken met kindersterfte. Negen van de tien gedichten die Dickinson schreef hebben direct of indirect met de dood te maken. Camille Paglia, altijd overdreven, merkt daarover op: “… Het is weer horrortijd…”. Volgens haar is Dickinson “… een haai die wordt gelokt door vloeiend bloed of een varken dat snuffelt naar zwarte truffels van rampspoed…”.
Dickinson kan dan ook af en toe flink uit haar slof schieten:
| How martial is this place! | Hoe martiaal is ‘t hier! Had ik een groot kanon Me dunkt ik schoot het mensdom dood En haastte mij naar roem! |
Maar Dickinson kan ook gewoon heel mooi over de dood schrijven. Prachtig vind ik b.v. haar omschrijving van de dood als ‘wandelen binnen het raadsel’.
En dan zijn er natuurlijk de ontelbare gedichten over haar geheime liefde. Niemand die weet wie dat precies is geweest. Sommigen denken aan een getrouwde man, sommigen aan een dominee, sommigen aan een lesbishe liefde.
“… ‘Hij’ is ‘Sir’ of ‘Sire in’ veertien gedichten en ‘Signor’ in twee. Hij wordt aangesproken als ‘Sweet’ in tien gedichten; hij is ‘Master’ in zes gedichten, ‘Sovereign’ in drie gedichten, ‘Lover’ in drie gedichten en ‘King’ in twee gedichten. Vier gedichten noemen hem ‘Dear’ en drie anderen spreken hem toe als haar ‘Lord’; in een andere zin dan bedoeld voor God en Jezus. En in drie gedichten wordt hij geïdentificeerd als ‘Beloved’…”.
Het doet me een beetje denken aan de rockzanger Jared Leto, die zijn fans aanspreekt met “… Kings and Queens…”.
In een schitterend gedicht vergelijkt ED het effect dat haar onbekende geliefde op haar heeft gehad met de reactie van anderen, die totaal niet onder de indruk zijn:
The Voice that stands for Floods to me Is sterile borne to some - The Face that makes the Morning mean Glows impotent on them - | De stem die mij een Vloedgolf is Valt dor op sommigen – ‘t Gezicht dat Ochtenstond verlaagt Straalt machteloos voor hen – |
Zo gaat dat in de liefde: soms maken anderen je deelgenoot van hun krankzinnige verliefdheid, maar als je uiteindelijk degene ziet om wie het allemaal draait, denk je bij jezelf “is dáár nu al die drukte om?”.
“… Off all the Souls that stand create – I Have Elected – One - / Uit aller Ziel geschapenheid – Verkoos ik mij er – Een –…”.
Nog een paar voorbeelden van haar prachtige taalgebruik:
- When Diamonds are a Legend, And Diadems – a Tale - / Als Diamant Legende is, En Diadeem – Verhaal –
- He fumbles at your Soul / Hij priegelt aan je ziel
- When Winds hold Forests in their Paws - / Als Wind zijn Poten slaat om ’t Woud –
- I dwell in Possibility - / Ik woon in Mogelijkheid –
- Till it has loved – no man or woman can become itself / Tot het heeft liefgehad – kan geen man of vrouw zichzelf worden
Door het uitgebreide commentaar bij elk gedicht heeft Peter Verstegen een fantastische studie over ED geschreven.
ED was geniaal. Iedereen vindt wel wat van haar, maar misschien is het het beste om haar gedichten te benaderen op een manier die Kristien Hemmerechts iemand laat bepleiten in “Gitte”(2011), blz. 144:
“… Hij heeft de visie verdedigd dat je over gedichten niet mag praten. Gedichten moet je zien als parels die drijven op water. Hoe gladder het wateroppervlak, hoe beter je de parel ziet en hoe meer ze glanst. Een geslaagd gedicht was volgens hem de exponent van stilte. Dus moet het met die stilte worden omringd…”.
En wat zegt Emily Dickinson zelf?
“…What then? Why nothing, - Only, your inference therefrom!... (Wat dan? Nou niets toch, - Enkel, wat er voor jou uit volgt!…)…”.
Ik zeg al niets meer…
Uitgave: Van Oorschot - 2011
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)


