Menu

woensdag 17 oktober 2018

Melmoth – Sarah Perry


"... Geweten is de innerlijke stem die ons waarschuwt dat iemand zou kunnen toekijken..." - H.L. Mencken

Stine Jensen zei pas geleden dat er wordt gezegd dat in het eerste boek dat je je kunt herinneren alles zit wat je voor altijd mooi zult vinden. Ik had daar nog nooit zo over nagedacht, maar ik denk dat dat wel zo is, ja. Ik herinner mij het nagelbijtend spannende "Zijn de kraaien nog zwart?" van W.G. van der Hulst jr. Het verhaal ben ik vergeten, maar er kwam wel een besneeuwd bos in voor met een mysterieuze watermolen. Ik ben in een vakantie wel eens op zo’n geval gestuit. Het geluid van de houten schoepen bracht mij weer helemaal terug in de sensatie van toen: ik had het kippenvel op mijn armen. Ik heb het even opgezocht en was blij dat er nog steeds kinderen op scholieren.net op dezelfde manier door het verhaal ‘gegrepen’ worden. Idem dito met “Snuf en het spookslot”. Ik weet nog precies hoe de onderwijzer van de derde klas uit het boek voorlas aan het eind van de schooldag. Hoe Tom naar een donkere ruïne staat te kijken terwijl er een hevig noodweer losbarst, en een bliksemflits een seconde een venster verlicht, waarin zich een doodeng gezicht aftekent. Whammm, boek dicht. Hele klas jammeren – maar de meester was onvermurwbaar: ‘morgen verder’. En nog steeds als ik onder het open dakraam op zolder sta te strijken en in de verte een brommer op het platteland hoor scheuren, kruipt er een soort van tintelende, verwachtingsvolle spanning onder mijn huid die alleen maar is te linken aan de ‘brozem’ (nozem op een brommer) uit “De Zevensprong” van Tonke Dragt. Ik houd inderdaad ontzettend van alles wat geheimzinnig is, maar dan niet van het thrillersoort, met liters bloed en moord en misdaad. Volgens recensent Rob Schouten belooft dat nog wat: “… De Engelse literatuur lijkt momenteel in een soort experimentele fase te verkeren, waarin ze zich afkeert van eenvoudige anekdotiek of psychologisch-realistische verhalen. Vooral vrouwen proberen het genre opnieuw uit te vinden. Kate Atkinson, Ali Smith, deze Sarah Perry en anderen schrijven romans en verhalen die sterk van de gebaande paden afwijken. Een duidelijke trend zie ik nog niet maar allemaal hebben ze belangstelling voor het bovennatuurlijke gemeen en dat is op zich al een breuk met het recente verleden. De vraag is of dit een tijdelijke of blijvende trend is…” (Trouw; 06.10.18).

Ongelofelijk

Ik zie dat in onze eigen cultuur ook wel terug. Het “Film by the Sea” gebeuren was dit jaar helemaal gewijd aan ‘onmogelijke verhalen’. Of neem “Foon” van Marente de Moor dat barst van de verwijzingen naar geheimzinnige sagen en legenden. In verhalen gebeuren soms dingen die in het echt nooit kunnen. Fantasie tilt ons over onze grenzen, en dat is heerlijk. Misschien is het de reactie op de koude, verzakelijkte, eendimensionale wereld die we met z’n allen hebben geschapen? Een tegenwicht betreffende de robotisering? Geeft, zoals de fotografie de stoot gaf tot abstracte kunst, de digitalisering misschien de stoot tot abstracte literatuur? Is daar ook het nieuwe openstaan voor religie aan te danken, waar Yvonne Zonderop aan refereert in “Ongelofelijk”, en die ik zelf ook wel om mij heen ontwaar? Zie bijvoorbeeld excellente wetenschappers als Nobelprijswinnaar Ben Feringa en terrorismedeskundige Beatrice de Graaf die openlijk op tv vertellen dat ze gelovig zijn, terwijl presentator Matthijs van Nieuwkerk - overigens zelf niet religieus – geïnteresseerd en welwillend toeluistert. En Anouk die in DWDD onder verwijzing naar de Allerhoogste in huilen uitbarst. Of de makers van de film “In Blue” die zichzelf ‘gelovige jongens’ noemen, en onder het oog van een verbijsterd publiek, met sorbo-huishoudhandschoenen aan en een mondkapje om, hun drie Gouden Kalveren op gingen halen. Ze hielden een stofzuigerzak omhoog om de beeldjes in te deponeren, want ‘de laatste keer dat er een beetje een goede fuif was rond een gouden kalf vielen er ter plekke drieduizend doden’. Dus je weet maar nooit. Exodus 32 – het verhaal over Mozes die de berg afkwam en het volk zag dansen rond het gouden kalf. In de literatuur is God nooit ver weg. Het is fascinerend om Hem daarin op te sporen, en te kijken hoe Hij te sprake komt: positief dan wel negatief.

Vleesgeworden schuldgevoel
Sarah Perry (1979) is geboren in Chelmsford, Essex. Haar roman "Het monster van Essex" was Boek van het Jaar bij de British Book Awards 2017; het behaalde de shortlist van de Costa Novel Award 2016 en de longlist van de Baileys Woman’s Prize for Fiction. “Melmoth” is haar derde roman. Ze rekent zichzelf tot de ‘Gothic Novel’-schrijvers. “Melmoth” draait om de legende over 'Melmoth de Dolende'. Het verhaal. Volgens de Bijbel zocht een groep vrouwen het graf van Jezus en trof dat leeg aan. De steen was weggerold en in de graftuin zagen ze de verrezen zoon van God. Echter, onder hen was er één die later botweg ontkende de opgestane Christus te hebben gezien. Daarom is ze vervloekt en gedoemd over de aarde te zwerven, zonder ooit rust te vinden of een thuis, tot Christus wederkomst. Sindsdien is ze op zoek naar iedereen die op het dieptepunt van zijn of haar leven het allerergste doet dat maar te bedenken is. Als de zondaars haar ogen op zich voelen branden en opkijken strekt ze smekend van eenzaamheid haar armen naar hen uit en biedt hen haar liefde aan. Melmoths uitverkorenen moeten een keuze maken: leren leven met wat ze gedaan hebben of haar volgen in de eeuwige duisternis. Melmoth lijkt me het vleesgeworden schuldgevoel dan wel de erfzonde, of iets dergelijks. Maybe: de ‘partner in crime’. Ze wordt ook wel ‘de Getuige’ genoemd, wat me doet denken aan de duivel in de rol van ‘aanklager’. Zie bijvoorbeeld het Bijbelboek Job. Perry sleept er in haar boek allerlei situaties en verhalen, waarin mensen een ontmoeting met Melmoth hebben, een beetje met de haren bij. Dat maakt haar verhaal echter niet minder indrukwekkend. Sommige boeken worden niet vanzelf geschreven maar vakkundig geconstrueerd. Hoewel Perry het kwaad op allerlei manieren benadert, legt ze nergens expliciet uit wat haar boodschap is. Dat is aan de lezer. Haar verhaal roept meer vragen op dan het beantwoordt: het kenmerk van kunst met een grote K. Zie bijvoorbeeld ook “Fenrir” van Hella Haasse.

Kijken en gezien worden
Hoofdpersoon is de onopvallende veertiger, Helen Franklin, een kleurloze Britse vertaalster die een vrijgezellenleven leidt in het toverachtige Praag: “… Het is winter in Praag: de nacht kruipt omhoog in de moeder van alle steden en over haar duizend torenspitsen…”. Jan Hus beschouwt als standbeeld zwijgend de mensenmenigte onder hem. Ook een stel zwarte kauwen met blauwe oogjes houden alles scherp in de gaten: “… hoffelijke kauwen, knikkend met hun grijs omkranste koppen…”. Alles draait om kijken en gezien worden. Al gauw blijkt dat Helen er een eigenaardig boetvaardig bestaan op nahoudt. Ze woont bij een kwaadaardige, dikke, stinkende hospita van negentig, door wie ze zich laat beledigen en die in haar paperassen snuffelt. Haar witgekalkte, onverwarmde kamer heeft nog het meeste weg van een kloostercel. Ze slaapt op een kaal matras, drinkt bittere thee, slaat elke vorm van zoetigheid en overdaad af en hijst zich in grauwe kleren. Muziek heeft op haar het effect “… van een nekslag…”. Grappig detail: ze werkt aan een foldertje over beginnende staar en blindheid. Hoe kan Helen zo’n grijze muis zijn geworden? Terwijl ze ooit een veelbelovende puber was die zich onderscheidde door Rilke, Rabelais en Neruda te lezen? En haar inspiratie vond bij de prerafaëlieten? Haar enige vrienden bestaan uit een stel, waarvan ze de man, Karel, een professor, tegen is gekomen in het café van de Nationale Bibliotheek van de Tsjechische Republiek. Er waren op een ochtend geen tafeltjes meer. Zijn vijftien jaar oudere vrouw, Thea, een voormalige flamboyante advocate, loopt op zeker moment een hersenbloeding op waardoor ze tot zijn afgrijzen in een rolstoel belandt. Hij kan daar niet mee om gaan. Verdwijnt uit het zicht, niet voor hij Helen geagiteerd een duister manuscript heeft overhandigd. Zo komt Melmoth haar leven binnen. Want het document blijkt het dagboek te zijn van ene Josef Adelmar Hoffman – die Melmoth heeft ontmoet.

Een leeg zitje voor Melmoth
Josef beschrijft hoe hij als kind langs een korenveld naar school liep waar de boer altijd een leeg zitje op het land liet staan voor haar. In de winter een houten kratje, ’s zomers een hooibaal. Zijn leraar vertelde hem de mythe van Melmoth. De memoires van Josef Hoffman worden een verhaal binnen een verhaal. Zijn moeder was een enorme roddeltante, zijn vader een niemand die bestond uit brokken van andere mannen: “… Ik zie hem tegenwoordig als een spiegel aan de wand; leeg, tenzij er net een andere man voorbijwandelt…”. Zijn ouders stimuleerden hem nergens toe: “… het staat me niet bij dat ze ooit literatuur lazen of me onderricht gaven in de leer van de kerk of zelfs maar naast mij onder de sterren kwamen staan om me te leren Orion van de Grote Beer te onderscheiden; we bezaten geen muziekinstrumenten, geen enkel ander prentje dan dat van een afgezette keizer…”. Hij vraagt zich af hoe zijn leven zou zijn verlopen “… wanneer ik de ‘Ode aan de vreugde’ had gehoord en Schillers hymne over de goddelijke vonk uit mijn hoofd had geleerd – wanneer ik de “Belijdenissen” van Augustinus had gelezen of Faust zijn contract had zien sluiten en gewenst had dat ik hem kon tegenhouden…”. Zelf was hij net zo goed een onverschillig stuk vreten: “… mijn lichaam groeide, mijn geest niet…”. Het enige kinderboekje dat hij bezat heette “Pas op voor de vos”; een antisemitisch geschrift. Vanwege een erfenis belandden ze als Duitstaligen in het Tsjechische Praag waar ze een schoenenwinkel op poten hielden. Tegenover hen woonde een Joodse jongen die hem zijn vriendschap aanbood, wat hij hooghartig weigerde. Toen de Duitsers Praag innamen verraadde Jozef de Joodse familie. Uiteindelijk werd hij zelf de klos, toen de kansen zich keerden, de Duitsers de aftocht bliezen, en de Tsjechen wraak namen op iedereen en alles wat Duits was. Moreel gezien bracht hij zijn schuldbalans onder het illusoir toeziende oog van Melmoth echter weer in evenwicht door iemand ternauwernood uit de klauwen van het noodlot te helpen. Daarop keerde Melmoth zich teleurgesteld van hem af. Kon Jozef daarom zo oud worden? Bleef hij daarom zijn hele leven zo gebiologeerd door de Melmoth-legende?

Bunyan
Zijn manuscript bevat een velletje notities van de hand van professor Karel, die zelf blijkbaar ook op onderzoek is gegaan, en verwijst naar bronnen waarin Melmoth voorkomt. Verderop in het boek worden ze openbaar gemaakt. Zo zit er een verslag bij over een vrouw die onder het katholieke bewind van “Bloody Mary” (koningin van Engeland van 1553 tot 1558) tot de brandstapel werd veroordeeld omdat ze weigerde haar protestantse geloof vaarwel te zeggen. Ook komt er een bekentenis van een naamloze bureaucraat aan de orde, die zich als een radertje in de machine van het Turkse overheidsapparaat heeft laten gebruiken tijdens de Armeense Genocide (1915). Een brief van de vermiste Karel duikt op waarin hij vertelt hoe een uitgeprodeceerde asielzoeker aan een ketting, op een vliegveld, hem in contact heeft gebracht met een stel protesterende studenten met wie hij inmiddels optrekt. De brief is uitgerekend verzonden vanuit het John Bunyan House te Bedford. Iedere rechtgeaarde calvinist weet dat Bunyan een puriteinse prediker was die in 1678 zijn wereldberoemde allegorie “De christenreis naar de eeuwigheid” publiceerde. Het gaat over een pelgrim die gebukt gaat onder een zware rugzak met zonden, die hij onder het kruis van Christus afgooit. Uiteindelijk vertelt Helen haar eigen misstap aan een vrouwengezelschap dat het over Melmoth heeft, tijdens een etentje waarvoor haar hospita haar heeft uitgenodigd vanwege haar verjaardag: “… ‘Ik denk eerlijk gezegd,’ zegt Adaya (mild, zachtjes, terwijl ze Thea een glas water aanreikt), ‘dat er nooit iemand geweest is die helemaal níets onder de pet te houden had.’ ‘Ikke niet,’ antwoordt Albína, om zonder verdere plichtplegingen een zelfgenoegzame boer te laten, die door de karbonade-eters aan de raamtafel met applaus begroet wordt…”. Haar biecht voelt alsof ze “… net als Bunyans Christen haar last terzijde heeft gelegd…”. Het idee van de zondebok komt aan bod. Het gevoel achtervolgd te worden laat Helen echter niet los. Dat blijkt uiteindelijk ook geen misplaatst gevoel. Langzaam breken de psychische barricades waar Helen zich achter verschanst en maakt de lezer kennis met degene die zich als een soort messias voor Helen heeft opgeworpen. Dat maakt van “Melmoth” thematisch een door en door christelijk verhaal (zie bijvoorbeeld ook het "De komst van Joachim Stiller" van Hubert Lampo).

Uitgave: Prometheus – 2018, vertaling Roland Fagel, 304 blz., ISBN 978 904 463 721 2, € 19,99 Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 13 oktober 2018

Gezien en gehoord – Simon de Visser


Subtitel: Gods grote en verrassende plan met ons leven

Omdat ik een min of meer christelijke blogger ben word ik bedolven onder boekjes van evangelische en reformatorische uitgevers, plus alles daar omheen en tussenin, die mij willen beleren hoe ik gelovig moet leven (met hier en daar een beetje accentverschil), of wat ik al dan niet over het goddelijke geacht word te denken (het ene legt wat meer de nadruk op dit, het andere op dat). Ik lees ze allang niet meer allemaal, want legio titels over steeds hetzelfde onderwerp, dat word je in dit ondermaanse best een beetje zat. Ik bedoel: ik ben geen kleuter, die het liefst elke dag hetzelfde verhaaltje hoort. In die rijstebrij aan uitgaven zoek ik natuurlijk wél datgene wat ‘anders’ is. En dat vind ik af en toe ook wel degelijk. Zoals deze uitgave van de onbekende bijbelleraar Simon de Visser (alleen de naam al!). Je zou kunnen zeggen dat Yvonne Zonderop in “Ongelofelijk. De verrassende comeback van religie” als ‘outsider’ de essentie van het christendom uitlegt, aan ‘dummies’. Simon de Visser doet hetzelfde, maar dan als ‘insider’. En dat ook nog met een helderheid en diepgang die ik zelden ben tegengekomen. Zijn visie staat als een huis. Hieronder zal ik proberen uit te leggen waarom.

Wat is makkelijker

De Visser begint niet met zichzelf. Hij focust direct op de hoofdpersoon in het christendom, Jezus, en probeert iets uit te leggen over het enorme geestelijke gezag dat Hij volgens de Bijbelse verhalen uitstraalde. Niemand, voor of na Hem, bezat zoiets. De Visser heeft het over het verhaal van de genezing van een verlamde man. Jezus is naar huis gegaan, in Kapérnaüm, maar rust is Hem niet gegund. Het wordt al gauw bekend dat hij daar is, en de mensen strómen toe om Hem de Thora te horen uitleggen. Vrienden willen een verlamde man naar de rabbijnse wonderdoener brengen, maar er is vanwege de menigte geen doorkomen aan. Dat brengt hen op het idee de zieke door een gat in het dak te laten zakken, wat een gek spektakel moet zijn geweest: “… Ik probeer me voor te stellen wat er precies gebeurde. Het was muisstil toen Jezus het woord predikte. Ze hingen immers aan zijn lippen. Dan klinkt er wat gestommel in de ruimte. Ach, niks bijzonders, misschien iemand op het platte dak. Maar dan gekraak en geschuif. Stof en rommel dwarrelen naar beneden. Iedereen kijkt omhoog. Ineens schijnt een bundel zonlicht naar binnen. Even later zie je vier triomfantelijke gezichten te voorschijn komen met de strakblauwe hemel als achtergrond. Voorzichtig laten vier mannen een matras met een verlamde man zakken tot op de grond. Ja, inderdaad, precies voor de voeten van Jezus…”. Jezus kijkt eerst naar de diepere nood van de verlamde, het basisprobleem, en zegt “… uw zonden worden vergeven…”. Dat zorgt voor een stevige confrontatie met de aanwezige godsdienstige leiders, de schriftgeleerden, want wie kan er zonden vergeven dan God alleen? Vervolgens laat Hij de zieke weer op zijn benen staan. De reactie: “… Zoiets hebben we nog nooit gezien!...”. Waarop Jezus de vraag opwerpt: “… Wat is gemakkelijker, tot de verlamde te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw matras op en wandel? …”. De Visser: “… Hij stond mijlenver boven de situatie. Hij vroeg niet ‘wat is moeilijker’, maar ‘wat is makkelijker’… ”. En dat is precies een interpretatie die ik nog nooit eerder heb gehoord; wat de uitleg ‘anders’ maakt.

Enerverend
In een artikel in het ND (03.10.18) maakt schrijfster Rosita Steenbeek korte metten met wat zij noemt het ‘Sinterklaasgeloof’: “… Iemands vader of moeder kreeg een ernstige ziekte, en dus bestaat God niet. Tsja…”. Zelf overleefde ze in de tweede klas van de middelbare school een hersenbloeding en later een auto-ongeluk waardoor ze een tijd in een gipsen korset in het ziekenhuis lag. Ze beschrijft die periode als een soort van ‘bewegingloze pelgrimage’, waarin ze een diepe verbondenheid met anderen, die er even slecht aan toe waren als zij, en God ervoer: “… Ik was los van alle dagelijksheid…”. De Visser stelt dezelfde geestelijke ervaring aan de orde aan de hand van sommige hoofdpersonen uit de Bijbel, zoals de profeet Jeremia die onterecht in een afgesloten, benauwde cel terecht komt, waar hij boven alles uit stijgt als hij de stem van God opvangt: “… Dit zegt de HEER, die de aarde gemaakt heeft, die haar heeft gevormd en gegrondvest, wiens naam is HEER: Roep mij aan, en ik zal je antwoorden, ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn…” (Jeremia 33:3). Ook de Nieuw Testamentische Paulus, die zich een ‘gezant in ketenen’ (Efeze 6:20) noemt, dus ook al de gevangenis van binnen zag, heeft het over ‘de Geest van wijsheid en van openbaring’ en ‘verlichte ogen des verstands’. De profeet Jesaja benoemt de diepe vrede en innerlijke rust die God geeft (Jesaja 55:12), maar wijst er wel op dat God totaal ‘anders’ is dan wij: “… Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de HEER. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen…” (Jesaja 55:8,9). Het is duidelijk dat Gods hulp en verlossing van een totaal andere orde zijn dan alle menselijke ideeën hierover. Dat maakt het tegelijk enorm enerverend. De Visser aan de hand van de Bijbelverhalen over Jezus: “… Het eerste wat Christus doet als we echt in nood zijn is dat Hij tot ons hart spreekt…”.

Wedergeboorte
Christenen denken erg verschillend. De Visser gaat uit van de antropologische visie dat de mens een drie-eenheid is van geest, ziel en lichaam (zie bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 5:23). Mijn grote inspirator Willem Ouweneel zal de vloer met mij aanvegen, maar zelf ga ik in deze denkwijze mee, omdat ik daar verreweg het beste mee uit de voeten kan. Het is logisch. In deze visie kan iemand als bijvoorbeeld Dick Swaab (“Wij zijn ons brein”) op zijn manier gelijk hebben als hij stelt dat zowel het lichaam als de ziel dood gaan. Hij zegt daarmee niets over de geest, en dat kan ook niet, want alleen een gelovige die een ‘wedergeboorte’ heeft meegemaakt, kan daar blijkbaar iets mee, legt De Visser uit aan de hand van het verhaal van Nicodemus. De Schriftgeleerde die midden in de nacht naar Jezus toekwam om met hem te praten. Jezus zegt tegen hem dat niemand het ‘Koninkrijk van God’ kan zien zonder ‘wedergeboorte’ (Johannes 3:3). Als Jezus later tegenover Pilatus staat, zegt Hij: “… Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren gestreden hebben, opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd…” (Johannes 18:36). Het bestaat in een andere dimensie, in een andere sfeer, dan de aardse. De Visser: “… Zonder God is de mens geestelijk dood. Bij de wedergeboorte maakt Gods Geest de menselijke geest levend. Efeze 2:5 zegt: “… mede levendgemaakt in Christus…”. Nicodemus snapt er niks van: “… Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden?...” (Johannes 3:4). Daarop legt Jezus uit dat het niet om een biologische, maar om een geestelijke geboorte gaat: “… Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan…” (Johannes 3:5). Uit ‘water’ is de aardse geboorte, en ‘Geest’ is de geestelijke geboorte. De wedergeboorte is een geboorte waarbij we een nieuwe wereld binnen gaan. Een geestelijke wereld: “… Wat uit vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest…”(Johannes 3:6). De wereld van beneden en de wereld van boven. Hoe raak je ‘wedergeboren’? Door te geloven dat het waar is wat Jezus te vertellen heeft, zegt Hij zelf. Je geloofshouding of geloofskeuze is allesbepalend. De Visser: “… We kennen plantenleven, dierenleven, menselijk leven. Om te kunnen communiceren op één niveau, heb je hetzelfde leven nodig: een dier met een dier, een mens met een mens. Om met God te kunnen communiceren, heb je goddelijk leven nodig, het Griekse woord ‘zoë’…” (het doet me denken aan wat Marente de Moor allemaal schrijft over dierenfluisteraars in “Foon” - zie mijn vorige blog). En even verder: “… Nicodemus dacht dat hij met Jezus wel op hetzelfde niveau kon communiceren, maar dat was beslist niet het geval. Alleen door de wedergeboorte ontvangen we het goddelijke leven, en krijgen we een levend contact met God. Romeinen 8:14 zegt, '… die Geest getuigt met onze geest dat we kinderen Gods zijn' De Heilige Geest werkt via de menselijke geest…”. Dit lijkt me een van de grootste ‘geheimen’ van het christendom.

Daar valt of staat alles mee
Is het belangrijk dat je als gelovige deze dingen kunt onderscheiden? Ik denk het wel. Zie bijvoorbeeld Johannes 4:24: “… God is geest en wie Hem aanbidden moeten aanbidden in geest en waarheid…”. Waarbij waarheid duidt op helemaal jezelf zijn, en geest op wat zich beweegt in je allerdiepste kern. De Visser: “… De Bijbel leert dat de mens bestaat uit geest, ziel en lichaam. Aanbidding kan een uiterlijk vertoon zijn. Soms is het alleen verstandelijk of emotioneel…”. En even verder: “… in de geest is het nieuwe leven. Daar is het terrein, waar je het levende contact met God onderhoudt…”. Ik moet daarbij altijd denken aan wat de Franse schrijver Eric-Emmanuel Schmitt Jezus laat zeggen in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus”: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Als Jezus is opgevaren naar de hemel belooft Hij dat Hij ‘een andere Trooster zal zenden’ die altijd bij je zal zijn (Johannes 14:16). Dit is bijvoorbeeld ook de persoon waar schrijfster Esther Gerritsen aan refereert in de titel van haar boek “De trooster”: “… In het Grieks wordt het woord Parakleet gebruikt, letterlijk betekent dat ‘geroepen om terzijde te staan’…”. Een helper. En vervolgens in vers 17: “… Hij blijft bij u en zal in u zijn…”. Dát is het geheim van het christendom. Toen ik christen werd – want dat ben ik niet altijd geweest – heeft me het hogelijkst verbaasd dat daar zo weinig over wordt gepraat. De Visser zegt er het volgende over: “… In bepaalde gevallen zijn door een ongezonde nadruk op het werk en de Persoon van de Heilige Geest, mensen wat kopschuw geworden voor dit Bijbelse thema. Er zijn helaas uitspattingen geweest in kringen waar dit onderwerp ontaardde in verwarring. En je moet zeker op je hoede zijn voor te eenzijdige stromingen die je op het verkeerde been kunnen zetten. Maar de boodschap van de Heilige Geest is zo enorm belangrijk. Daar valt of staat alles mee. Wat zegt Paulus tegen de Corinthiërs, waar op dat moment behoorlijk wat verwarring was onder gelovigen? ‘Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die u van God ontvangen hebt… (1 Cor. 6:19)…”. Christus is opgevaren naar de hemel: “… Het is de Heilige Geest die het werk voortzet op aarde…”. Yvonne Zonderop vertelt in “Ongelofelijk” dat ze zelfs als ongelovige diep onder de indruk raakte van het schilderij “Pentecostés” van El Greco. Het stelt de uitstorting van de Heilige Geest voor. Een fenomeen wat bijna te bezopen is voor woorden. Dat vonden de omstanders toendertijd ook: “… Zij hebben teveel zoete wijn gehad!...” (Handelingen 2:13). Er gebeurde nog iets bijzonder vreemds: de gelovigen waren verstaanbaar in allerlei talen. Ik vraag me af of er ooit een theoloog is geweest die dit gegeven in verband heeft gebracht met de torenbouw van Babel, waar precies het tegenovergestelde gebeurde: spraakverwarring.

Het verhaal is nog lang niet af
De Visser legt uit hoe belangrijk het is dat een gelovige in nauw contact blijft staan met Christus, die zichzelf ‘de wijnstok’ noemt, en mensen aanduidt als ‘ranken’ (Johannes 15:5). Dat hoeft verder geen betoog. Als je een plant afsnijdt van zijn wortel gaat hij dood omdat hij geen levenssappen - oftewel ‘levend water’- meer krijgt. Dat lijkt mij duidelijk. Hoe leer je bidden? Gewoon door het te doen, zegt De Visser. Net zoals je fietsen leert. Verder bespreekt hij in het kort de geschiedenis van Jezus die voorspeld en geboren werd binnen het volk dat God daarvoor uitkoos, Israël, en gaat hij in op de christelijke toekomstverwachting, want één ding is zeker: volgens de Bijbel is het verhaal van God nog lang niet klaar! Ik wacht met spanning af…

Uitgave: Boekrol.nl – 2016, 155 blz., ISBN 978 909 029 742 2, € 13,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 3 oktober 2018

Foon – Marente de Moor


Van sommige boeken moet ik gewoon huilen. Niet omdat ze zo zielig zijn, maar omdat de tekst bijna ondraaglijk mooi is. Net zoals je dat soms bij prachtige muziek overkomt. Dat gebeurde mij toen ik “Foon” las. Waar háál je het vandaan, Marente de Moor! Ik dacht aan de onlangs oplaaiende discussie naar aanleiding van de boekenweek in 2019, die “De moeder de vrouw” als thema heeft. Het zou de suggestie van ‘de vrouw terug naar het aanrecht’ wekken. Zowel het boekenweekgeschenk als het boekenweekessay schijnen ook nog eens door mannen te worden geschreven. En dat in een tijd waarin alles draait om gendergelijkheid en de man-vrouwbalans. Ik ben geen doorgeschoten feminist. Je kunt schrijven of niet. Volgens mij maakt het geen bal uit of je man of vrouw bent. Maar dat het in Nederland ontbreekt aan schrijfsters van een kaliber waarmee de boekenweek kan uitpakken - wat je haast zou gaan denken: ik bedoel, wie kan er nu beter over de vrouw schrijven dan de vrouw zélf - is van een dermate nonsens dat je de boekenweek bijna links zou laten liggen. Wat heb ik de laatste tijd al niet besproken aan werkelijk óngelooflijke vrouwelijke woordvirtiositeit: Esther Gerritsen, Marieke Lucas Rijneveld en nu dus Marente de Moor (eerder recenseerde ik van haar “Nederlandse maagd”). De boekenweekspecialisten hoeven niet eens terug te vallen op iconen als Nelleke Noordervliet en Anna Enquist, het vrouwelijk talent ligt voor het óprapen…

Ontheemding

Eigenlijk denk ik dat het aanstaande boekenweekthema vooral een teken is dat de heren boekenwurmen, die de ophef niet zagen aankomen, in onze postseculiere tijd (zie mijn vorige blog), bewust dan wel onbewust, op zoek zijn naar de verloren moeder Gods. Dat het een uiting is van de behoefte aan troost. Ik durf bijna te wedden dat er een publicatie aan zit te komen met een Piëta op de omslag (ik zou het tenminste wel weten als uitgever). Want de mannen liggen sinds het uitbarsten van alle me-too-trammelant wel erg onder vuur. Yvonne Zonderop wijst op de ‘ontheemdheid’ die in onze cultuur is ontstaan na het wegvallen van religie. “Foon” gaat ook in sterke mate over ontheemding. Marente de Moor (1972) woonde vlak na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie acht jaar in Rusland. Ik- en hoofdpersoon in haar verhaal is Nadja, de twintig jaar jongere echtgenote van Lev, een verwarde professor: “… Zou een leugenaar sneller dementeren dan een eerlijk mens, omdat hij twee levensverhalen in de lucht moet houden?...”. Ze zegt dat ze elke jonge vrouw afraadt iets met een veel oudere man te beginnen: “… Ik wist niet dat mannen niet geleidelijk, maar plotsklaps verouderen, dat ze zich op een dag een scharrelpasje aanmeten, zin krijgen in zoetigheid en je bij de arm grijpen in plaats van bij je billen. Vanaf dan mag je zijn lijf verplegen, maar blijf weg bij zijn geest, die heerszuchtiger zal zijn dan ooit…”. Het zoölogenechtpaar woont in een van God en alleman verlaten oord midden in de onmetelijke Russische rimboe. Samen met hun dieren: geiten, kippen, katten, een paard, een hond en een pratende raaf. Hoe De Moor het interieur van hun vervallen datsja schildert: “… het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit…”, “… de drempel die me zo de kolere wenst…”, “… de gang die me zal spiegelen als een zwarte sloot…”. En buiten: de keurige houtstapel en de beek met snoeken, forellen en kreeftjes. Daarachter het moeras, bedoeld voor muggen en vijanden, maar als je die eenmaal hebt uitgeroeid ligt het maar zo’n beetje te stinken, “… als een bezopen veteraan op de keukensofa…”. Verder een sprookjesbos met eetbare paddenstoelen dat al gauw verandert in kilometer na kilometer vervelende wildernis, “… heel veel steppe, bossen met bomen die almaar hoger worden, dorpen met mensen die steeds minder zeggen…”. Af en toe klinkt er een niet te identificeren, onwezenlijk, duister, angstaanjagend geluid door de lucht, waar het stel met voortdurend gespitste oren nerveus op zit te wachten: foon.

Slappe onderbroeken om bleke lijfjes
Terugblikkend vertelt Nadja hoe ze verliefd werd op Lev, toen hij een groep studenten, waaronder zij, tijdens een expeditie in een natuurreservaat begeleidde. Vanwege zijn harige, baardige, groteske voorkomen werd hij ‘de mammoet’ genoemd. Tijdens die periode sloot ze ook een vriendschap voor het leven met de wat mannelijke studiegenote Lydia, en wel zó hecht, dat “… ze mij erom zou gaan haten…”. Volgens Nadja kwam ze zonder enig benul van haar seksualiteit de puberteit door, wat wel vaker gebeurt bij bètabolleboosjes die alleen oog schijnen te hebben voor wetenschap: “… Waarschijnlijk gold dat voor ons allemaal, want lessen over dit onderwerp wekten nooit gegiechel, niet eens stomme verbazing, en zelfs al hadden de jongens met ons een zaal gedeeld, dan nog waren we braaf in slaap gevallen. Wij, van schoolinternaat No 45, bewaarden onze eigen biologie voor na het eindexamen. Ik ben in die twee jaar niet verliefd geweest, niet op een popster dus laat staan op de klasgenootjes van het mannelijk geslacht die naam- en stemloos wegzakten in mijn herinnering…”. Over de knaapjes die ze tijdens de expeditie in hun bedden zag liggen: “… Weerzinwekkend vond ik ze, met hun slappe onderbroeken om hun bleke lijfjes. Volgens Lydia lieten ze hardop scheten in hun slaap, iets waar ze meisjes nog nooit op had kunnen betrappen. Verder dan dit ging haar onderzoek van de andere sekse niet…”. Maar toen Nadja eindelijk verliefd werd, en wel op het alfamannetje van de groep, waren de rapen dan ook gaar: “… Vanaf toen was er niets meer te redden. Uit de sprookjes die ik verzon werd ik pas vijfentwintig jaar later wakker. Men zegt dat dit de periode is die iemand nodig heeft om zich los te maken van een sekte…”.

God, seks en de raadsels eromheen
De harde, ongerepte natuur, die elke sentimentaliteit onbeantwoord laat, maakt haar aan het twijfelen over of wij, fragiele, blote tweebenigen, inderdaad het hoogtepunt vormen van de evolutie en knaagt, evenals haar gedachten over Lev, tot beschamends toe aan haar socialistische ziel. De wildernis “… had me opgezadeld met alles wat vadertje Lenin had verboden: God, seks en de raadsels eromheen…”. Haar enige buurman woont zeven kilometer verderop in een leeg spookdorp. Vadertje Igor, “… of, zoals wij hem noemen, de Zogenaamde Pope. Als het moet wil ik best in God geloven, maar niet in de Zogenaamde Pope…”. Volgens Nadja een “… oude hippie die op zekere dag merkte dat een soutane beter om zijn pens paste dan een spijkerbroek…”. Als hij langs komt verwacht hij dat zijn vochthuishouding zo snel mogelijk op peil wordt gebracht, en niet alleen met kraanwater: “… als hij aan het einde van de avond weer door het hekje naar buiten schommelt geloven Lev en ik altijd even in God…”. Als Lev en Nadja hem vertellen over het geluid dat lijkt op trompetterende wolken, is de pope ervan overtuigd dat het te maken heeft met het laatste oordeel. Ze halen er de Bijbel bij. Slaan de Rede van de Laatste Dingen er op na. Plus Mattheus, Marcus en de Openbaringen van Johannes natuurlijk. Ik ben het helemaal met Yvonne Zonderop uit mijn vorige blog eens: als je de Bijbelverhalen niet kent, snap je niets van literatuur. Het volgende fragment deed me sterk aan haar verhaal over de christelijke traditie denken: “… De mens is voor een andere mens een wolf, zei Ilja, maar wel een keurige wolf. In de strafzone vochten ze ook als wolven, dat wil zeggen: zonder tanden, maar volgens de rituelen. Onderling doen wolven meestal alsof. Als bioloog wist ik toch wel hoe belangrijk rituelen waren voor wolven? En voor de eendagsvlieg in zijn haastige laatste uren, en de landschildpad, zijn halve leven in de rouw, voor de rivieren en hun ceremonies, de bomen die hun routine doorliepen, geen van deze wezens zei ooit bij zichzelf: weg met de traditie, ik geloof er niet meer in! Het leven draait om herhaling, het ging pas mis bij de schepsels die uit verveling hun rituelen hadden afgeschaft. Mensen die zonodig oorspronkelijk moesten zijn en creatief, gingen in de strafzone snel ten onder, zei Ilja. En daarbuiten zaten ze aan de drank of bij de psychiater, al naar gelang hun budget…”. Wat mij weer bij de boodschap van psychiater Damiaan Denys bepaalde, die boos is op mensen die hun heil zoeken in de psychiatrie terwijl ze helemaal niet ziek zijn – zie hier. Even verder: “… Westerse toeristen bewonderen beelden van Lenin zoals ze in andere landen kathedralen bewonderen. Het is ze om de spanning te doen, de melancholie van een gefaald geloof. Ze herkennen het, vergis je niet, thuis hebben ze namelijk allang niets meer om zich aan vast te klampen…”.

Misprijzend door de levens van anderen wandelen
De Moors’ metaforen zijn fenomenaal: “… Sneeuw verraadt waar de platgetreden paden liggen, en waarom je ze moet mijden. Hoe meer mensen je voorgaan, des te smeriger en gladder het wordt…” en “… We stalden de kinderen boven onze hoofden, als een voorraadje liefde op zolder…”. Haar taalgebruik onnavolgbaar: mensen “… wandelen misprijzend door de levens van anderen…” en “… Het was fijn om naar hem te kijken, naar zijn ogen die nog niet door wantrouwen waren verfrommeld maar opgewekt terugkeken…”. Wat moet zij opgelet hebben in het leven: “… Volgens mij vermageren vrouwen van hun principes, terwijl mannen dik worden van hun gelijk…” en “… Dat bajesklanten vaak kuiltjes in hun wangen hebben, zal wel komen omdat ze de hele tijd hun kaken op elkaar geklemd houden…”. Over de tatoo in de hals van Nadja’s bullebak van een zoon, gotische letters die hij zelf niet eens kan lezen: “… Deze ondertiteling van Dimitri Lvovitsj Bolotov is voor anderen bedoeld, voor de tegenliggers in zijn leven…”. En even verder: “… Is het de bedoeling dat je als ouder vertedering opbrengt voor je volwassen kind? Alleen krokodillen worden zo langzaam volwassen als wij. De moederdieren kraken de eieren tussen hun kaken en dragen de baby’s met ontzagwekkende zelfbeheersing mee in hun bek…”. Als zoonlief op komt dagen zet hij het met zijn vader, onder het bespreken van de gekste complottheorieën, op een slempen, zodat Nadja uiteindelijk twee bezopen kerels in bed moet zien te werken: “… het is onvoorstelbaar wat een herrie we voortbrengen. In het linkerraam lacht de maan zich rot…”. Ze lust er trouwens zelf ook wel eentje. Er is ook nog een verloren dochter. Haar bosnimf: Vera. Nadja vertelt hoe op school de versregels van Lenin en de Partij de kleuterhoofdjes van haar kinderen binnen marcheerden: “… In de weekenden probeerden we ze te vervangen door onze eigen onzin…”. Over hun verbale sabotage: “… In onze versie heetten de volgelingen van Lenin de ‘Levitsny’, luiaards, van de orde der miereneters, die het liefst ondersteboven in de bomen hingen. Voor de partij!...”. Inmiddels is het allemaal voorbij: “… Daar hebben we de ouderdom, het zeikwijf dat het feestje komt verstieren als je ziel nog staat te dansen, daar is ze, hallo, onaangenaam kennis te maken…”.

Stellig zijn alleen de kwakzalvers
Nadja vertelt hoe zij en Lev tegen het advies van iedereen in vertrokken naar the middle of nowhere om een biologisch laboratorium op poten te zetten. Als de bosbewoners in de buurt vervallen tot werkloosheid en armoede wordt alles wat ze hebben gegapt. Daarop beginnen ze zomerkampen te organiseren om de stadsjeugd te leren hoe ze in de natuur kunnen overleven. En nog later gaan ze verweesde berenwelpen opvangen: al met al een heel duister zaakje. Nadja bespreekt de mensen die ze door de jaren heen heeft ontmoet, en die ondertussen allemaal zijn verdwenen: “… De Studiegroep Beren bestond vrijwel uitsluitend uit jagers, mannen die terugkwamen uit het bos met armen vol sterke verhalen, terwijl wolfologen juist vrouwen waren, van het type dat meteen naar je sterrenbeeld vroeg. Maar ze beweerden allemaal over speciale gaven te beschikken, over een exclusieve, transcendente band met het wilde dier waarvan niemand moest proberen iets te begrijpen. Het verbaasde me, want het waren vrijwel allemaal zenuwpezen. Een hond zou er nog van weglopen. De mannen waren zuiplappen, de vrouwen huilebalken, en ze bevochten liever elkaars autoriteit dan ze samenwerkten voor de wetenschap…” (zie ook “De kinderen van de nacht. Over wolven en mensen” van Dik van der Meulen). Maar: “… Niet elk sterk verhaal hoeft de nek te worden omgedraaid…”. En dus vertelt Nadja over spoken en duivels in Russische sagen en legendes. Over Russische profeten en Russische kluizenaars en Russische heksen: “… Ik zocht hun verhalen, honderden zinnen die allemaal begonnen met ‘er was eens’…”. En drijft ze wetenschappers tot het uiterste door het darwinisme - óók maar een theorie - belachelijk te maken: “… Ik was niet religieus, voor zover ik wist. Maar geprovoceerd door Lydia’s verontwaardiging draafde ik door: Gelovigen vinden ons een misvatting, atheïsten vinden God de misvatting, wat maakt het uit? De natuur staat erbij en kijkt ernaar…”. En Lydia: “… ‘Vertel me eens,’ fluisterde ze, ‘hoe flik je dat? Je kennis afschaffen, je hersenen uitschakelen? Want dat willen we allemaal wel, weer in sprookjes geloven…”. Toch zei Lev ooit op een onbewaakt moment voor een klas: “… Twijfel is goed, stellig zijn alleen kwakzalvers…”. Iemand die Nadja duidelijk maakt hoe ze gebruik kan maken van buitenlandse vrijwilligers: “… ‘En je laat die lui alles opknappen, want dat vinden ze leuk,’ zei hij. ‘Echt! Drollen ruimen, vloeren boenen, houthakken. Moet wel een beetje folklore in, met sneeuw, beertjes, wolfjes, Kalinka-malinka, daar zijn ze in het Westen gek op, want zelf hebben ze geen sprookjes meer. Ze geloven niet meer in God, maar wel in de natuur, die ze niet eng vinden of vervelend, maar zielig. Ze troosten bomen. Ze troosten wilde dieren. In Amerika loopt er eentje rond die met grizzly’s omgaat alsof het kleine kinderen zijn. (…) Nou, zojuist las ik op internet dat het raak was: hap, slik, dood. Bleef zeker nog vriendelijk terwijl hij werd opgegeten, zo van ‘tast toe, geniet ervan, het ligt ervoor, hoor!’ Zo staat het er nu voor in het Westen.’…” .

Het derde luik

Op een gegeven moment vertelt Nadja hoe ze op een dag uit de twee ramen van haar studeerkamer keek en twee bijna volmaakte taferelen met dieren ontdekte, die ze stuk voor stuk opnoemt: “… Er was geen derde luik om de idylle te bederven. Niets meer aan doen, dacht ik, lieve God, laat dit zo, alstublieft…”. Voor de godloze lezer: vroeger had je altaarstukken die bestonden uit drieluiken waarop aan de ene kant de hemel, in het midden het aardse, en aan de andere kant de hel was uitgebeeld. Natuurlijk is het geluk niet blijvend, en komt de hel toch in het vizier. Langzaamaan wordt duidelijk dat er iets vreselijks moet zijn gebeurd. Nadja haalt niet voor niets een citaat uit "De meester en Margarita" aan: “… Van al het verdriet en de tegenslag die mij hebben getroffen, ben ik heks geworden…”. Als je het hebt over verdriet: “… Ik rol me op mijn buik en huil. Waarom smoor ik mijn tranen in het matras? Alsof iemand me zou horen als ik in het doodstille donker brul als een koe zonder kudde. Ik huil in het kussen omdat ik het evenmin wil horen. Ik wil niet de enige zijn die naar mijn verdriet luistert…”. Waar zijn alle mensen heen die haar verhaal bevolken? Ik ga dat niet vertellen. Lees het boek zelf maar. En wat is “Foon”? Zijn het de tektonische platen van de vermoeide aarde die over elkaar heen schuiven? Dat is goed voorstelbaar gezien de hedendaagse actualiteit waar De Moor in een vooruitziende blik op lijkt te ageren. “… ‘Het is de hand van God,’ zegt de pope. ‘Jullie hadden Hem afgezworen, dachten alles door te hebben. Maar nu tovert Hij er weer op los en kunnen jullie er met de gedachten niet bij. Prachtig. ’…”. En “… Aan een wereld zonder God komt geen einde. Ongelovigen strompelen van de ene speling van het lot naar de andere, het is de hel, dat grenzeloze universum van de wetenschap…”, bromt hij nog een eindje verder. “… Is er een God? Verbeelden we Hem ons, of gaat Hij onze verbeelding te boven? …”, vraagt Nadja zich af. En tegen de pope: “… Het kostte ons destijds niet de geringste moeite om atheïstisch te worden, (…) Maar er zal veel kunst- en vliegwerk nodig zijn om het proces om te keren…”. Volgens de pope valt dat wel mee: “… Is dit nog niet genoeg kunst- en vliegwerk? De lucht, de wolken, kijk toch eens! Uiteindelijk zijn er maar weinig echte atheïsten, Nadja. Vroeger, in Leningrad, was het museum van het atheïsme in de Kazan-kathedraal de beste plek om iets over het geloof te weten te komen. Nu hebben ze het omgedoopt in het museum van religie, maar de collectie is onveranderd gebleven. Omdat ze simpelweg niets atheïstisch hadden om tentoon te stellen. Omdat atheïsten niks te bieden hebben behalve datgene waar ze zich tegen verzetten: de verhalen en dromen van anderen. Bakoenin spuugde erop. Het rijkeluiszoontje dat hij was, keek neer op de verbeelding van het voetvolk. Maar toen hij stierf, had hij niets om naar uit te kijken, behalve zijn vreten. Op zijn sterfbed sloeg hij de bouillon af, maar koos voor de pap. ‘Boekweitpap, da’s andere koek.’ En dat waren dan ook meteen de laatste woorden van Michail Aleksandrovitsj…”.

Wie verzint en wie gelooft?
In “Foon” gaat het vaak en veel over verhalen. Verhalen die orde scheppen in de chaos. Verhalen die we onszelf en anderen vertellen om overeind te blijven. Sinds de westerse vrijwilligers niets meer geloven, slikken ze álles. Als zoete koek. Kun je ze wijsmaken wat je wil. Bedonderen waar ze bij staan. Misschien zijn de wilde dieren inmiddels uit. Willen ze nu selfies met lachende weesjes uit Afrika. Maar daar gebeurt precies hetzelfde. Lees “De oogst is voorbij” van Geert van der Kolk maar. De “Foon” is nabij gekomen. Vroeger hield het zich als achtergrondruis van het leven braaf op afstand. Inmiddels is het verworden tot oorverdovende ketelmuziek. Misschien ligt het aan het knetterende World Wide Web dat over ons heen is gegooid, en waar niemand aan ontsnapt: “… Internet bedekt ons allemaal (…) Alles is plat, platgeslagen!...”. Onze actieradius is eindeloos. En ter verduidelijking: “… Laat me je dit vertellen. In den beginne bevoeren wij een oceaan, een onmetelijk water vol geheimen en gevaren. Het was mooi. Soms was het stil, soms maakten de golven kabaal, maar wij hadden er niets over te zeggen. Helemaal niets. Dus voeren we door, eeuw na eeuw, op ons gemak. Maar nu is het uitspansel ingestort. We kijken omhoog, en wat blijkt het allemaal te zijn? Niks geen oceaan. Een ordinair zwembad is het, met miljarden badgasten die in het water pissen, en de longen uit hun lijf schreeuwen, maar het gaat nergens heen! Al dat lawaai, het gaat nergens heen! Het ketst af tegen het plafond dat we ooit voor de hemel hielde…”. "Foon" als echo van al ons geblèr. Onze fantasie hebben we ingeruild voor meningen. Is de wereld daar zoveel leuker van geworden? Toen ik even hiervoor over het nieuws scrolde las ik dat, terwijl het natuurgeweld in Indonesië al meer dan duizend officiële dodelijke slachtoffers telt, er bij een gezinsdrama in Amsterdam vier mensen zijn omgekomen, er een huilende peuter is aangetroffen bij een vermoorde moeder in Bergen op Zoom, Georgina Verbaan gisteren de hele dag misselijk is geweest omdat Jan van den Bosch een donker kindje een ‘Oegandeesje’ heeft genoemd. Ik bedoel maar. Waar je al niet misselijk van wordt, hè?! Misschien een allergische reactie, of zo? Wie verzint en wie gelooft? Wie zijn de illusionisten en wie het publiek? Denk je daar wel eens over na?

Uitgave: Querido-2018, 320 blz., ISBN 978 902 141 200 9, € 20,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier