Menu

dinsdag 19 januari 2021

De Vriendt keert terug – Arnold Zweig

 


 

In “Eva”, het alter ego van schrijfster Carry van Bruggen, wordt verteld over de dood van David, de tweelingbroer van Eva - zie mijn vorige blog. Carry van Bruggen verloor zélf haar broer. De Nederlandse auteur, dichter, publicist en rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan (1881 – 1924), die anno domino 1904 (!) voor de nodige ophef zorgde door het in zijn “Pijpelijntjes” vrijuit over homoseksualiteit te hebben. De Haan maakte een bizarre ontwikkeling door: van vrijdenker naar zionist naar anti-zionist. Hij doet me een beetje denken aan Joram van Klaveren die van de PVV naar de moskee verhuisde. Jacob Israël de Haan emigreerde in 1919 naar Palestina, waar hij werkzaam was als journalist voor het Algemeen Handelsblad. Op 30 juni 1924 werd hij tijdens een terroristische aanslag vermoord door een lid van de Joodse paramilitaire organisatie Hagana (voor meer politieke achtergrondinformatie, zie: “Mijn beloofde land” van Ari Shavit). Arnold Zweig (1887 – 1968), de minder bekende broer van de beroemde Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig, baseerde zijn, zeg maar gerust ‘literaire thriller’, “De Vriendt kehrt heim” (1932), losjes op deze gebeurtenis. Uitgeverij Cossee bracht deze intrigerende roman onlangs opnieuw uit. Ik heb het boek zelf nog gelezen in de oude vertaling van Nico Rost.

 

Jeruzalem dat ik bemin

Prachtig omschrijft Zweig aan de hand van de mijmeringen van geheim agent Irmin de gistende smeltkroes Jeruzalem in 1929: “…  Was hij gek geworden? Stellig en zeker. Alleen een gek kon vijf jaar voor S.S.-man (Secret Service) spelen tusschen de steenen van deze van God en alle goede menschen verlaten stad, alleen een gek bleef hangen in de draden, die tusschen Joden en Arabieren gespannen waren, tusschen Engelschen en Moslem, tusschen gedoopten van alle schakeeringen, Kopten, Abessiniërs, Protestanten, Grieksch- en Roomsch-katholieken, tusschen de consulaten van alle volkeren, die na het bouwen van den toren van Babel achtergebleven waren in een toestand van onderlinge verdeeldheid, waar het ras der honden of paarden zich voor geschaamd zou hebben…”. En even verder: “… Hij zat hier nu in Jeruzalem, een stad zonder water, zonder bosch, zonder vrede en waarin twee en vijftig verschillende naties en secten elkaar in het geheim verachtten – alleen omdat hij zich niet kon losmaken van dit fascineerende stuk rots, dat tusschen de woestijn en de Middellandsche Zee de brug van Azië naar Afrika vormde, een van de drie punten, waarop de wereld balanceerde…”.

 

De gloeiende oude tante Zon

De beschrijving van de verzengende hitte, Zweig heeft het over de ‘gloeiende oude tante Zon’, doet aan het werk van Graham Greene denken: “… vooral in de oude stad was het of men in een heet, droog bad stapte…”. De sfeer is gespannen: “… Alle zenuwen in het land trilden, men moest voortdurend op zijn hoede zijn en de geringste gebeurtenis kon aanleiding worden tot domheden. Dit was het seizoen voor politieke heethoofden en Allah wist, dat het daar niet aan ontbrak…”. Na een eeuw lijkt er niets veranderd: “… De strijd om den Klaagmuur was nu juist in vollen gang. Deze strijd was tot nu toe slechts op papier gevoerd. Op papier van journalisten en juristen en van het begin af aan op vroom bedrukt papier en met gebeden en preeken van beide kanten, van Joden en Arabieren – een kwestie, die er voor buitenstaanders opgeblazen uitzag en door het Bestuur ook als zoodanig werd behandeld, maar die in werkelijkheid uit dynamiet bestond, omdat zij het godsdienstig fanatisme van beide groepen kon doen opvlammen…”. Engeland wil zowel de Joden als de Arabieren in haar mandaatgebied te vriend houden: “… Nu de oorlog gewonnen was en Europa met Frankrijks hulp een gekkenhuis was geworden, was het wel genoodzaakt op een fatsoenlijke manier aan beide partners een klein beetje genoegdoening en een groote portie teleurstelling te bereiden…”. Terwijl de Arabieren uitzien naar een vrij Palestina onder eigen beheer, krijgen de zionisten de toezegging dat ze van hetzelfde land een vaderland voor de Joden mogen  maken (zie de Balfour-verklaring).

 

Erg domme dingen

Dan komt een ondergeschikte agent Irmin waarschuwen omdat hij op straat, in het voorbijgaan, Arabische doodsbedreigingen heeft opgevangen richting Irmin’s Hollandse maat, doctor de Vriendt, die  ‘erg domme dingen’ doet: “… We zijn hier niet in Egypte, chef, en de vriendschap van een volwassen man met een Arabischen jongen is hier niet alledaagsch…”. Zweig beschrijft dr. Jizchak de Vriendt niet alleen als homo, maar ook als pedofiel. Dat maakt De Vriendt het equivalent van Loulou, de kinderrechter, uit “Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel” van Yvonne Keuls – zie hier.  “… We zullen uw vriend moeten bewaken als een dame uit een harem, Effendi…”. Dr. de Vriendt, een briljant rechtsgeleerde,  blijkt sowieso een vogelvrij verklaarde. Uit extreem orthodox Joodse motieven is hij een fanatiek tegenstander van het zionisme. De woede van jonge studenten, die er hun ziel en zaligheid voor over hebben om het land op te bouwen, heeft hem gedwongen te stoppen met zijn colleges. Met grenzeloze offervaardigheid toveren atheïsthische pioniers halsstarrig moerassen om tot korenvelden, dorre zandgronden tot appelboomgaarden, kale hellingen tot wijnbergen en hobbelige landwegen tot moderne asfaltwegen. En dan komt zo’n geloofsgekkie hen dwarsbomen. Irmin besluit de netelige kwestie met een geloofsgenoot van dr. de Vriendt te bespreken. Een geneeskundige. Is homo- c.q. pedofilie immers geen medisch probleem? De arts is in shock als hij hoort van het geval. Hij weigert pontificaal zich in het privéleven van zijn patiënt te mengen: dat is een taak van de politie. Misschien kunnen ze wel proberen hem samen zover te krijgen dat hij een paar weken op vakantie gaat. Dus sloft Irmin naar het appartement van De Vriendt. Er zit niks anders op, hij zal hem zelf onder handen moeten nemen.

 

Thoragetrouwen

Eerst vindt er tussen de heren een uitgebreide discussie plaats over de stand van het internationale Jodendom in het algemeen en van Jeruzalem in het bijzonder. De Vriendt ziet de zionisten als vijanden van de Thora: “… die honden die ons kostelijk geestelijk bezit versjacheren tegen – democratie…”. De christenen beschouwen de Joden als de moordenaars van God. Al eeuwenlang wordt dat er in gehamerd. “… De Joden wisten, dat hun eeuwig verweer daartegen alleen kon bestaan in volharden, uithouden, geen tittel of jota prijsgeven van wat hun eigendom was, en als het moest den naam des Heeren door een moedigen dood heiligen…”. Dus: “… moest men dan niet voor één ding vechten: tegen degenen, die het Jodendom wilden profaneeren en hier in het land zelf de Leer geweld aandeden? Moest men dan niet op zijn hoede zijn voor deze lieden, die de Sabbath ontheiligden, de wetten schonden en meenden het levende pantser van de Leer, dat te zwaar was geworden voor hun slappe knieën en te vergeestelijkt voor hun verwarde koppen, door moderne nationale frasen te kunnen vervangen?...”.  De Vriendt peinst er niet over Jeruzalem te verlaten voor een tijdje welverdiende rust. “… Het was een onrustige tijd, Irmin hoefde hem dat niet te vertellen, juist dezer dagen hadden de Zionisten zich met andere groepen geloofs-lauwe Joden verbonden, opdat die hun invloed en geld voor Palestina zouden aanwenden, de Jewish Agency; dat verzwakte natuurlijk de Thoragetrouwen. Zijn partij bezat maar twee actieve leden in Jeruzalem en hij mocht de ander niet alleen laten…”. Bij de Arabische nationalisten doet een vertaling van “… dat dwaze boek 'de Wijzen van Sion' …” de ronde. De Vriendt heeft nog een appeltje met hen te schillen: “… Weliswaar bevond men zich nu met deze heeren op voet van oorlog, omdat ze beweerden dat de Joden de Aqsa-moskee in bezit wilden nemen om er een synagoge van te maken, maar dit berustte uitsluitend op fantasie. Natuurlijk dacht geen vrome Jood er aan, aanspraak op een godshuis op den Tempelhof te doen gelden, daar hij immers op goede gronden dit geheiligde gebied niet mocht betreden tot de Messias verscheen. God zelf had zich het oogenblik daartoe voorbehouden, en als Hij verscheen en zijn Volk van alle vier hoeken der aarde zich hier met bazuingeschal weer verzamelde, zou dat er heel anders uitzien dan dit gedruppel van nu, dat de Zionisten den terugkeer van het Joodsche Volk geliefden te noemen…”. Elk compromis met de geest van de tijd verzwakt het innerlijk, volgens De Vriendt.

 

Bazuinen van Jericho

Irmin heeft wel respect voor De Vriendt: “… De Vriendt was Europeaan en Jood, een man van koene gedachten en logische handelingen, die heel alleen stond en geen bondgenooten had en niemands haat schuwde als hij meende naar zijn overtuiging te moeten handelen…”. Om heden ten dage even bij stil te staan: “… In een tijd, waarin populariteit voor de menschen meer beteekende dan water drinken of baden was deze moed het andere te doen iets heel bijzonders…”. Toch kun je niet voorzichtig genoeg zijn: “… De menschen zagen immers in dezen tijd van afstomping over de heele wereld, uitsluitend partijkleuren en waren heel verbaasd als er achter het zwarte of roode hemd of de wit met zwart-gestreepte gebedsmantel levend bloed stroomde en af en toe te voorschijn spoot. Het ontbrak er nog maar aan, dat de Vriendt zich den toorn van gekrenkte familie-eer op den hals haalde…”. Ik heb de beelden van de vrouw die tijdens de bestorming van het Capitool werd neergeschoten nog op mijn netvlies. “… Die verdomde stijfkop van een De Vriendt moest eerst eens flink door elkaar geschud worden voor er met hem te praten viel…”. Irmin moet er in de eerste plaats voor zorgen dat De Vriendt niet vermoord wordt, want dat zal een kabaal en ellende opleveren die niet is te overzien: “…. Gewoonlijk bekommerde zich geen mensch om Jeruzalem. Kanton, Saigon, Bombay, Damascus, Caïro en zelfs Marocco namen in de couranten veel meer plaats in. Dat Jeruzalem een waterleiding had, die absoluut onvoldoende was, kon niemand ter wereld iets schelen en in Downingstreet in Londen maakte men zich daar evenmin druk om. Maar als hier plotseling iemand verdween of vermoord werd, om wien ook maar de minste politieke atmosfeer trilde – bazuinen van Jericho! De heele wereld zou er zich mee bemoeien. Telegrammen, meterlange telegrammen zouden van het ministerie van kolonieën komen, men zou officieus informeren, …”. Enzovoorts, enzo verder. Na deze lange aanloop vraagt Irmin, als hij opstaat om naar huis te gaan, langs zijn neus weg of De Vriendt kameraadje Saud nog wel eens ziet. Hij vertelt dat zijn familie achter de affaire is gekomen en dat het een koud kunstje voor hen zal zijn iemand die hen niet zint uit de weg te ruimen: “… Een goeie dolksteek in een donker hoekje maakt op die manier een einde aan een verhouding die hen niet past…”. Scheel van ellende laat De Vriendt hem uit.

 

De tegenstander

Carry van Bruggen in “Eva” (zie mijn vorige blog): “… ik ben als doormidden gekliefd… ik ben in tweeën gevallen… ik ben twee… ik ben in-één-gehechte twee, ik ben tegen-elkaar-gerichte twee, ik ben tegen-zich-zelf-gekeerde één…”. Arnold Zweig's beschrijving van De Vriendt is minstens zo heftig. Hoeveel verscheurdheid kan een mens dragen?  “… De Vriendt sloot de deur, bleef daarna staan en leunde krachteloos met zijn hoofd tegen den deurpost. Wat was er gebeurd? Die Engelschman wist dus alles…”. Zijn wereld stort in: “… De vreeselijke bezoeking, waarmee God hem geslagen had, zou nu ruchtbaar worden. Jichak Jozef de Vriendt, een strijder en ijveraar voor de Thora, zou dus aan de kaak worden gesteld als iemand, die liefdesverhoudingen met knapen heeft, als een man, voor wien de wegen der vrouw een gruwel zijn, als iemand, die bezwijkt onder de smeltenden blikken van een handigen jongen, hem dan op schoot neemt, zich door zijn handen laat liefkoozen en door zijn lippen kussen. Dit beteekende het einde…”. De Vriendt denkt geen moment aan het dreigende gevaar: “… De man, die op den divan lag te steunen, streed met een veel machtiger tegenstander van zijn geheimste oogenblikken en van zijn verzen, een tegenstander die hem deze plaats had toegewezen en met deze drang had bezocht – met God…”.

 

Een hoonend God

Al lezende raakte ik zélf tot op het bot verdeeld. Vanuit het slachtofferperspectief van het jongenshoertje Tommie, in Yvonne Keuls' “Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel”, is de pedofiele kinderrechter Loulou een waardeloze, egoïstische klootzak die zijn schier onaantastbare macht op de meest afzichtelijke wijze misbruikt, om uiteindelijk zo ongeveer al snotterend en snikkend te stikken in zelfmedelijden. Vanuit het daderperspectief van De Vriendt dat Arnold Zweig schetst, is het foute monster een op instorten staande heros, en kun je bijna niet meer verder lezen van het janken als Zweig los gaat  op het onbegrepen lijden en de schrijnende verlatenheid van de zondaar, die het niet redt zijn geaardheid in toom te houden. Evenals Loulou is De Vriendt rechter. Evenals Loulou bezit De Vriendt macht, geld en status. De Vriendt leent Saud boeken, geeft hem les: “… Voorlopig kende alleen Irmin dezen noodlottige hartstocht en den knaap Saud, die kwam en graag kwam en telkens weer kwam, die dorstig weten in zich opnam en met het glanzen zijner oogen en de bekoorlijkheid van zijn lichaam daarvoor beloonde…”. Is dat niet vooral de verdorven visie van De Vriendt (zie nogmaals Tommie - zie wereldwijd al die duizenden kleine meisjes die hun lichaam verkopen voor een beetje eten - en al die gretige mannen die daar zonder scrupulus misbruik van maken)? Er is absoluut geen sprake van een gelijkwaardige relatie. Over De Vriendt: “… Telkens wanneer de avond viel, verliet hem sinds hij den knaap Saud kende, alle kracht en gelijkmoedigheid, de koene durf van zijn argumenten en de heldere overmoed van zijn strijdkracht. In deze uren was hij een beklagenswaardige sterveling, bezeten door een hartstocht, die vervloekt was en die hij niet zelf had gekozen maar die een hoonend God hem reeds in zijn jeugd had ingeplant. Een hartstocht, waartegen hij gevochten had met een bovenmenschelijke, nimmer onderbroken wilde kracht, die uit dezen strijd eerst recht nieuwe krachten scheen te putten. Er bestaan psychologische theorieën, die beweren, dat de mensch een tegen-wil heeft, die uit de inspanning van den wil telkens nieuwe kracht put om ze te verijdelen, maar De Vriendt wist beter. Dit was Gods wreede willekeur, die hem als speelbal had uitgezocht. Van hem, van geen ander, juist van hem had hij een stuk speelgoed gemaakt om zich in het zwart en wit van zijn beide zoo geheel verschillende werelden te verlustigen. Overdag en voor de wereld was hij met alle kracht, waarover zijn geest en zijn wil beschikten de man van de Thora en was er geen spoor van huichelarij in zijn wezen. Want dit trilde evengoed door heel zijn wezen als de ijver voor het woord van den Eenen Almachtigen God, die het Volk van Israël had uitverkoren in deze stad Jeruzalem…”.

 

Het sadistisch universum

De Vriend ziet vanuit zijn kamer de rotskoepel waar volgens de legende Abraham zijn zoon Isaäk zou hebben willen offeren. Net op tijd voorzag God in een ram. De Vriendt vóelt zich een Isaäk: “… Zooals Jizchak hier lag, was hij een waardig nakomeling van den knaap Jizchak die ginds, nog geen duizend meter van hier op den top van den berg Moriah op den slachtsteen had gelegen om door de hand van zijn eigen vader, Abraham de zoon van Izrach te worden geofferd op de rots Moriah, waaromheen de Moslems dien gevloekten en wonderbaarlijken achthoek haddden opgericht, met bonte kleuren gekalkt, van binnen beschilderd als een pauwestaart en waar de naakte grauwe rots aanbeden werd onder den prachtige gewelfden koepel, de eenige plek ter wereld, waar het gesteente der aarde, de aarde zelf, goddelijk vereerd werd…” (formidabel, wát een zin). Had God hem slechts geschapen, “… opdat er iemand zou zijn, die God in Jeruzalem zou vervloeken en zijn vuist tegen Hem schudden, zoodra de avond viel…”? Is God een sadistisch God? “… Van oudsher had Hij uitgezocht, die Hem het ijverigst wilden dienen en hun de duimschroeven Zijner verboden aangelegd en tegelijkertijd met een gloeiend ijzer wilde driften ingebrand…”. En even verder: “… Ononderbroken ging dit schrikwekkende, brandende leven zijn gang, het stroomde over alle randen, dreef den spot met alle geboden en hoonde als men het iets in de weg legde. Ook dat was God…”. De Vriendt probeert zijn gevoelens van zich af te schrijven, maar ook dat lukt slecht: “… Slechts een paar van zijn gedichten uit heimelijke uren wisten meer, slechts zijn strijd tegen God waagde hij te bezingen maar nauwelijks de oorzaak daarvoor op schrift te brengen en vorm te geven…”.

 

Holle orgelpijp

Hij zou willen vluchten, maar waar moet hij heen? Overal zijn mensen. Waarom had God “… millioenen en milliarden over de aarde uitgegoten, hun dichte vestiging toegelaten, de helsche opeenhoping van steden, metropolen geduld en den mensch met demonische machines den arbeid laten verduizendvoudigen, de leelijkheid van hun leven in steen uitbeelden en de schuldelooze zandkorst, den verheven eenvoud der zee, zelfs de lucht met hun adem laten verpesten, hun gedoe en gedraaf als van mieren?...”. Het liefst zou hij dood zijn: “… Als hij vandaag in de woestijn vluchtte, kwam morgen beslist een autobus met touristen voorbij, verborg hij zich aan de oevers van de Doode Zee, dan geraakte hij dadelijk in een zwerm landmeters, die daar een kabel voor een fabriek in het dal legden. En wanneer hij in zijn dorst naar reinheid de heiliging van den Sabbath hier te lande wilde doorzetten en het erkennen van de Wet, brak uit hem zelf, uit zijn eigen oproerige ziel de hartstocht voor een knaap, waarvoor de groote leraren van den Talmoed en alle latere rabijnen vol afschuw sidderden, dien zij de zonde van Sodom noemden en de lasterlijke ondeugd van den gevloekten Keizer Hadrianus. Hij alleen kon deze beide hartstochten verdragen, de ontzettende spanning van zegenen en vloeken, Ebal en Garizin in zijn eigen borst, maar alleen zoolang niemand hier iets van vermoedde…”. Boven alles wil De Vriendt zich verzetten tegen het profaneren van het Jodendom. Maar die taak is niet aan zijn geliefde Jeruzalem gebonden: “… Hij – Jitzchak Jozef de Vriendt, kon zijn strijd overal voortzetten, waar de hoeders der Thora moeilijkheden ondervonden door de aanmatiging van de Heidenen – waar Joden de lauwheid der liberalen, die de verwaterde levensbeschouwing der Protestanten als gemakkelijkste manier beschouwden om God kwijt te raken, hadden overgenomen…”. In het koude, kille Europa zijn geen mooie Arabische jongens. Sterker, ze hebben er zelfs nog nooit over iets als homoseksualiteit gehoord. Daar zal hij tandenknarsend zijn wilde hart  “… uit zijn lijf scheuren en het den Schepper in het gelaat slingeren: hier, neem het en behoud het, ik wil het niet meer, ik wil U niet eens meer haten, en verder niets zijn dan een holle orgelpijp, die uw gedreun laat hooren, Gij dwaze Schepper van een volslagen dwaas in elkaar gezette wereld en van een wonderen tuin des geestes, Thora genaamd, wier bloemen helaas niet in harmonie zijn met de werkelijkheid van deze aarde…”. Dat is Job. Dat is méér dan Job.

 

Wijde kinderogen

In gedachten bereidt De Vriendt zijn propagandatocht door de wereld voor. Hij overweegt zelfs een deal met de duivel: “… Als het niet anders ging, moest een bondgenootschap met de liberalen den ondergang der Zionisten bewerkstelligen, ja, er viel zelfs over te denken of men niet de meest anti-zionistische groep ter wereld, de Joodse sectie der communistische internationale in Rusland zou uitnoodigen tot deelname aan dezen veldtocht tegen het imperialistische Zionisme en zijn anti-messiaansche dwallleerstellingen…”. Het doet me denken aan het gevrij van de SGP met Baudet en de evangelische christenen in Amerika met Trump. Als Saud langs komt legt hij hem uit dat ze een tijdje uit elkaar moeten. Saud barst in tranen uit: “… De Vriendt hield het slanke lichaam van den knaap omvat, kustte hem de tranen uit zijn oogen en bracht hem tot kalmte. Dat hier een wezen om zijnentwille zoo leed, vervulde hem met een halfbewuste zaligheid, die zich uit de meest verloren schuilhoeken van het verleden aan hem opdrong…”. Saud wil hem ten vuur en ten zwaard verdedigen tegen zijn vijanden: “… Opgewonden en dringend keken de wijde kinderoogen den grooten makker aan…”. Pedo's zijn - vaak - heel lief. Ik kan er niets aan doen, maar denkend aan de immense strijd tegen kinderporno, draait mijn maag zich om (zie ook: “Maar buiten is het feest” van Arthur Japin).

 

Druk en tegendruk

Een storm van verontwaardiging breekt los als De Vriendt een anti-zionistisch en pro-Arabisch artikel in een krant schrijft, naar aanleiding van de perikelen rond de Klaagmuur. Hij wordt beschouwd als een landverrader die het Joodse volk verkoopt aan de Arabieren. Krijgt een dreigbrief en wordt op klaarlichte dag midden op straat overhoop geschoten. Zijn begrafenis ontaardt in een protestdemonstratie: de lont in het kruidvat. Hevige onlusten steken overal de kop op: “… In Hebron, dit behekste nest, vindt een bloedbad plaats. Drie, vier Rabbijnen, waaronder de grijze rabbi Israel Loebelmann en zijne Jeschiwa-scholieren kan niemand redden. Ze hadden wat meer moeten voetballen – niet zooveel gemara studeeren en het gebruik van andere wapenen naast die van de geest niet mogen verachten. Want het is voor God en de menschen geoorloofd zijn leven te verdedigen en men mag er alle sabbathwetten voor schenden…”. Als de orthodoxe geloofsgenoten van De Vriendt vernemen van de godslasterlijke gedichten die aan het licht zijn gekomen, kunnen ze hun oren niet geloven. Het kenmerkende dualisme van Carry van Bruggen is ook hier waarneembaar: “… ‘Druk en tegendruk beheerschen de wereld,’ zei Dr. Klopfer plotseling, toen ze een poosje zwijgend hun gedachten den vrijen loop hadden gelaten, ‘maar zij moeten met verstand in evenwicht worden gebracht, anders verwoesten zij haar.’ ‘Gelooft u, dat we ons verstand daarvoor gekregen hebben?’ vroeg Irmin verstrooid…”. Wat een wijsheid na alle grenzeloze emotie. Te midden van het oplaaiende geweld zoekt geheim agent Irmin ondertussen geduldig en vasthoudend naar de moordenaar van dr. de Vriendt: de enige die zijn kop bij elkaar houdt (zoals het een goede detective betaamt).

 

Uitgave: Cossee -2020, vertaling Jantsje Post & Lilian Caris, 332 blz., ISBN 978 905 936 399 9, € 25,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier


woensdag 13 januari 2021

Eva – Carry van Bruggen

 


Ik houd van oude boeken. Ik ben dan ook ontzettend blij dat er steeds weer herdrukken verschijnen. Onlangs kwam uitgeverij Querido met een nieuwe uitgave van “Eva” (1927), de belangrijkste roman van schrijver, essayist en filosoof Carry van Bruggen (1881 – 1932). Laat ik nu een enorme fan van haar zijn!

 

Conflict tussen ‘binnen’ en ‘buiten

Carry van Bruggen wordt door degenen die dat weten kunnen als de Nederlandse evenknie van Virginia Woolf gezien. Ze was precies een jaar ouder dan haar broer en collega-auteur Jacob Israël de Haan (1881 – 1924), wiens werk allang vergeten is (zij werd op nieuwjaarsdag en hij op oudejaarsdag van hetzelfde jaar geboren). Hoogstens herinnert iemand zijn indertijd ophefmakende, want schandalige “Pijpelijntjes” (1904) nog, omdat hij daarin ronduit voor zijn homoseksualiteit uit kwam. De titel is ontleend aan de Amsterdamse buurt ‘De Pijp’ waar het romangebeuren plaatsvindt. Carry van Bruggen dacht als geen ander na over het universele conflict tussen autonomie en verbondenheid. Ze schreef er zelfs een filosofisch werk over: “Prometheus. Een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur”. Misschien gaan uiteindelijk alle verhalen wel over dit dilemma, bedacht ik (zie mijn vorige blog over “Heerlijke Nieuwe Wereld”). Pas je je aan of blijf je bij jezelf? Hoeveel water doe je bij de wijn? Hoe kom je je bij voorbaat schizofrene status te boven? Hier krijgt natuurlijk iedereen vroeg of laat mee te maken. En meestal op zijn heftigst in de (peuter)puberteit. Toch is dat geworstel met het tot eenheid brengen van ‘binnen’ en ‘buiten’ de enige manier om een ‘zelf’ te ontwikkelen, aldus de grote psycholoog Carl Gustav Jung (zie “Geleerd & gelovig” en “Het drama van het begaafde kind”). De dunne scheidslijn tussen individu en collectief is jouw ‘smalle pad’.

 

We moeten een zelf worden, al is het maar een klein zelf

Ik herinner mij de gevleugelde uitspraak van Carry van Bruggen: ‘Wij moeten een zelf worden. Al is het maar een klein zelf’. Ik heb haar werk als twintiger stuk gelezen. Ik vond mijzelf erin terug. Ik had net als Carry een (tweeling)broer met wie ik opgroeide. Misschien is het voor tweelingen moeilijker zelfstandig te opereren dan voor eenlingen, denk ik wel eens. Carry van Bruggen moest zich in de grote boze buitenwereld zien staande te houden toen ze juf werd in de overweldigende 'big city’. Ze was de provinciale dochter van een chazan, een joodse voorzanger. Kwam uit een warm en veilig en afgeschermd nest. Ik ook: als refo, opgevoed zonder televisie en rondlopend in totaal uit de tijd zijnde rokjes. De eeuwige ‘ander’. De voorgeschreven regels maakten het vrouw-zijn uitermate problematisch. Ik heb mijn sekse bij vlagen even hartgrondig verafschuwd als Carry (zie ook “Donderdagmiddagdochter” van Stevo Akkerman en “De liefde niet” van Margriet van der Linden). Barber van de Pol gaf haar nieuwste essay over Carry van Bruggen niet voor niets de titel “Er is geen ander zijn dan anders zijn” mee. Dat heb ik wel moeten leren: dat iedereen zich op de een of andere manier vaak ‘anders’ voelt. Ook al valt dat lang niet altijd op. Het is een hele klus dat anders-zijn in je ontwikkeling te integreren, dan wel van je af te schudden. De hypergevoelige Carry van Bruggen, wars van compromissen, overleefde haar gevecht met de buitenwereld niet. De jaren na het verschijnen van “Eva” bracht ze, ten prooi aan depressies, door in verschillende inrichtingen. Tot haar zelfgekozen dood in 1932.

 

Woorden die als de bliksem inslaan

Carry van Bruggen is een van de weinige modernisten waarvan het werk nog goed te lezen is. “Eva” bestaat uit een ‘stream of consciousness’, waarin het volwassen worden centraal staat. Het boek begint met de een-na-laatste eeuwwisseling - kun je nagaan hoe oud het verhaal is – waarin Carry’s alter ego Eva met haar tweelingbroer David een wandeling door de sneeuw maakt. Ze mijmert over het verleden en de toekomst. Ze gaat als het ware óp in zichzelf. Bij het zien van een openklappende huisdeur: “… zó zou je iets, van jezelf alleen, voor elk ander verborgen, in een doosje ontbloten… dit eigene, heimelijke is het gaan langs het huis, en zijn de gedachten…”. Bij een loods staat een halvegare jonge meiden na te roepen. De binnenkant van de schuurdeur is volgekalkt met schuine taal. Het verwart haar hevig. Omschrijvingen komen bij haar naar boven als ‘onzalig oord’en ‘vuig verblijf’. Eva heeft iets met woorden “… Waarom slaat elk woord als de bliksem bij je in… waarom heb je ooit naar de deuren gekeken, waarom schroeit er iets in je, gloeit er iets in je, terwijl je walgt…?...”. Een andere zin uit een boek dat haar bezig houdt: “… De gevolgen van hun liefde bleven niet uit -, angst maakte zich van haar meester…”.

 

Het diep-verborgene, de ondergrondse gang

Waarschijnlijk is ze op school niet één van de makkelijksten. Een passerende docent: “… Ik kan dat eigenlijk niet rijmen, dat jij zulke opstellen schrijft, en je toch zo vaak in de lessen misdraagt, dat je iedereen zoveel moeite geeft…”. Ze heeft nog nooit zó’n compliment gehad. Ze zwééft naar huis toe: “… duizend bloemen zijn haar ontloken in één seconde…”. Argeloos gaat ze op zijn voorstel in om zich zondagsmorgens bij hem thuis te melden voor bijles. Hij begint aan haar te zitten: zijn hand op haar schouder, zijn rechterhand op haar linkerhand. De vlammen slaan haar uit. Ze beseft scherp dat wat er gebeurt niet kan. Weet zich tenslotte uit zijn ban te bevrijden. Ze heeft het niet meer als ze achter een kastdeur het gesprek tussen de wijkverpleegster en haar moeder afluistert. Zuster De Hertog, de ‘pot met grote oren’ dan wel ‘kwade kraai’. Ze komt de gebroken voet van haar vader masseren. De verpleegkundige heeft de rijke juffrouw Cool verzorgd. Zo streng en vroom als poppenstront, maar tijdens een koortsdelier de ‘ijselijkste’ vloeken ‘uitbrakend’: “… ‘Je hart stond erbij stil.’ Zij en de dokter dorsten elkaar niet aanzien…”. Om het beroepsgeheim wordt niet gemaald. Wekenlang durft Eva niet zonder jas naar buiten. Omdat ze veel te bang is ook longontsteking op te lopen. Stel je voor dat ze prijs zal geven waarvoor ze zich te pletter schaamt: “… Het diep-verborgene, de ondergrondse gang…”. Hoe hopeloos alleen kun je zijn, met je geheimen. Samen met David neemt ze plaats op een besneeuwde hoop balken. Eva lijkt heel goed aan te voelen dat David met homoseksuele gevoelens worstelt. Ze praten over gedachten die je voor jezelf houdt en hoe fijn het is die een keer te kunnen uiten. Eva: “…’Je zou het maar wat heerlijk vinden, als alles met je samen hetzelfde voelde, en dat je het van elkaar wist.’ En nu zwijgen ze weer en nu weet ze: het gaat gebeuren… het ogenblik is er…”.  In plaats van uit de kast te komen, haalt David een grijs schriftje tevoorschijn met gedichten van een ‘zogenaamd’ jongetje (David leert voor onderwijzer). Ze hebben de denkbeeldige jongen samen geschapen. Doen alsof.  De, vooralsnog onschuldige, homo-erotiek spat er van af: “… Waar door maanglans wolken varen / Naar de grauwe kimmen heen / Staat hij aan zijn raam te staren / In zijn witte hemd alleen…”. Wat of Eva er van vindt? 

 

Peroe, oe-rewoe

Zo makkelijk als seks afgedaan wordt in “Brave New World” (zie mijn vorige blog), zo moeilijk ligt seks in “Eva”. Als negentienjarige snapt ze niks van seks en toch is het overal om haar heen. Haar (vrouwelijke) collega Andy vertelt haar de meest bizarre intimiteiten - “… alle mannen zijn hetzelfde en alle mannen zijn… zo…” . Ze wil ze veel liever niet horen. Maar hoe moet je je daar tegen verweren? Ze zullen haar ook nog wel te pakken nemen, voorspelt Andy – ze ziet er veel te leuk uit, met haar mooie ogen en bruine huid. “… Heb ik…? Heb ik…? Op school zeiden ze: gele Zigeuner…”. Hoe of Eva aan dat grappige korte haar komt. Ze lijkt wel een jongen (ze haat vlechten). Ze doet bijna een trauma op als Andy haar op een donker station probeert te kussen: “… Moeder zegt: onzedelijk. Mijnheer de Veer op school zei altijd: onvoegzaam. In de krant lees je: ontuchtig…”. Thuis is het niet veel beter. Aan tafel zit een in elkaar gezakte, suf gehuilde dame: “… er is plotseling een grote verstoring, een onenigheid in de gemeente gerezen…”. Haar vader is met iemand van het Kerkbestuur op weg naar het Rabbinaat om de zaak recht te trekken. Wat ik er van begrijp is dat de man van de ongelukkige, een doodarme Rebbe, geld heeft aangenomen voor het verzwijgen van een ongewenste zwangerschap. Een zwaar geval van omkoping. Het schuldige bruidspaar is tijdens de huwelijksplechtigheid met rijst bestrooid en de woorden ‘peroe, oe-rewoe’, ‘weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u’, zijn over hen uitgesproken – wat in dit geval een klinkklare leugen is en daarbij een grove schande: “… Een Joods meisje… bij de anderen komt dat voor, maar bij ons! Nog niet één keer, zolang de gemeente bestaat…”.

 

O, de bezoeking, de eeuwige bezoeking

Ondertussen denkt Eva vol onbegrip: “… Maar komt zoiets later toch niet uit? En waarom konden ze dan ook niet wachten?...”. De sukkels. En de vrouw maar jammeren. Over drie maanden heeft ze de vroedvrouw wéér nodig. En die wil niet meer komen. Want ze krijgt nog steeds geld van Kareltje en Roosje. Roosje kan nog niet eens lopen, bedenkt Eva. “… O, de bezoeking, de eeuwige bezoeking…”, klaagt de vrouw. Dat is wel even wat anders dan ‘in blijde verwachting’. In de traditioneel rooms-katholieke en gereformeerde milieus was het niet anders. Ik ken de verhalen uit de tijd van mijn oma over boerinnen die achter op de deel stonden te janken omdat ze alwéér zwanger waren. Ik kan het nog steeds niet bevatten – ze deden het toch echt zelf. Er waren dan wel geen voorbehoedsmiddelen, maar met wat hand- en spandiensten kom je toch ook een heel eind, zal ik maar zeggen. En als je een biologieboek doorbladert weet je al gauw dat je niet altíjd vruchtbaar bent. Ik heb eveneens de besmuikte roddels aangehoord van vriendinnen over stellen die, omdat ze ‘moesten’ trouwen, gedwongen waren voor in de kerk openbare schuldbelijdenis af te leggen. Te midden van een ginnegappende gemeente. Zo erg was het in ‘onze’ kerk gelukkig niet (meer). Dat je je zó laat vernederen. Zó belachelijk laat maken. Waar zit je zelfrespect! Ik zou nooit van m’n leven meer één stap in zo’n kerk zetten, bedacht ik. Ik heb trouwens ook altijd een hekel gehad aan de pijnlijke spelshows van Paul de Leeuw die in mijn ogen van hetzelfde laken en pak waren: dat je je zó in de zeik laat zetten door zo’n eikel – wat is daar grappig aan?! Het leedvermaak rond die schuldbelijdenisdiensten deed me al gauw een andere kant op denken. Niemand leed hier, behalve ik! De grijnzende koppen van de betrokkenen vertolkten geen greintje schuldgevoel. Integendeel. Het donkerbruine vermoeden vatte in mij vlam dat ik eerder getuige was van een oeroud vruchtbaarheidsritueel. De aanstaande vader stak een dikke middelvinger op naar zijn brave maten in de kerkbanken. En naar iedereen, incluis de dominee. Hij had hét tenminste gedaan. De religieuze expressie van mannelijke potentie en van vrouwen die daaraan dienstbaar zijn. De sterke, stoere man. Macht. Die Paul de Leeuw is gewoon een sadist. Al kan hij nóg zo mooi zingen.

 

Genade voor Recht

Eva bouwt een heftige afkeer op tegen wat een ander gebiedt: “… alles, waarin ze je eigen wil niet erkennen… alles, waarin ze een ding, een slaaf, een voorwerp van je maken…”. Ze is in staat een baan aan haar neus voorbij te laten gaan omdat ze opziet tegen de keuring. Ze wil zich niet uitkleden voor een dokter. Ze blijft weg bij een feest als ze hoort dat de kinderen uit de hoogste klassen zullen worden ‘opgesteld’ bij het Stadhuis. Ze haat de commando’s bij de gymnastiekles. Als haar vader komt vertellen dat het Opperrabinaat heeft besloten in het omkopingsschandaal ‘Genade voor Recht’ te laten gelden, maakt zich een bijna Hegeliaanse gewaarwording van haar meester: “… Ze zitten hand-in-hand… mijnheer Snoek en zijn vrouw… als blijde kinderen kijken ze elkander aan. Ziet hij niet hoe lelijk zij is, met die kale, afgezakte bandeau en die dikke, paarse neus… ziet zij niet dat hij een mond vol brokkelige, bruine tanden heeft?... Als blijde kinderen kijken ze elkander aan…”. De zon  (de lamp boven de keukentafel) gaat weer schijnen. These versus antithese schenkt synthese. Vanuit het niets borrelen er dichtregels van De Genestet in haar op: “… maar om nu die stip van zegen / Te middernacht en in die bolle woestenij…”. Alsof haar Jungiaanse ‘zelf’ oplicht. Wat een schitterende uitdrukking: “… Stip van zegen…”. Met daar achteraan: “… en buiten in het donker razen de raadselen en klagen de vragen…”.

 

Lijfsverlangen

Hardnekkig probeert Eva te voldoen aan de eisen van haar omgeving: “… Je moet als de anderen zijn… denk eraan, dat je als de anderen bent…”. Laat zich een hoed aanpraten: “… wel tien, wel twintig gingen op en af, de spiegelkasten flitsten… o, het was een plaag… en ze drukken de randen over je oren… en ze blazen hun adem in je gezicht… en ze heeft hem altijd scheef op haar hoofd…”. Even verder: “… ‘Modern’ en ‘chic’ moet alles zijn. Van kleren: ‘het nieuwste’ of; ‘iets aparts’. Gemakkelijk is het allerminst, je wordt er niet wijs uit, je hebt letterlijk altijd iets verkeerds gedaan…”. Tijdens een van haar vele observaties: “… ze neuriën, verschikken voor het spiegeltje haar strikjes, tikken tegen haar kapsel, versteken een haarspeld… is het dat misschien, wat je moet leren… zo neuriënd wiegelen… strikjes verschikken… haarspelden versteken… maar hoe leer je het, om steeds aan je strikjes en haarspelden te denken…”. Ze overtreedt de joodse wet door op Grote Verzoendag bij een goddeloze jongen van alles te eten en te drinken terwijl ze hoort te vasten. Tijdens haar stage komt ze in aanraking met de ‘socialisten’. Met haar allergie voor gezag ziet ze die wel zitten. “… daarop komt het aan. Niet wat je doet of wat je gelooft of wat je denkt, maar of je er wat voor over hebt, voor je gedachten en voor je geloof…”. Haar conclusie: “… naarmate ik het mijzelf moeilijker zal kunnen maken, naar die mate zal ik gelukkiger zijn…”. Als ze op kamers gaat, staat ze voor ze het weet, in een donker tuintje met een onbekende buurjongen te zoenen. Achteraf kan ze zich wel de haren uit haar kop trekken. Alleen liefde maakt het lijfsverlangen goed, leert ze van een wijze dichter. Ze moet bij de bedaarde hoofdonderwijzer op het matje komen omdat ze gestoeid heeft met een jongen van veertien, die daar veel te groot voor is. Hij vindt het vervelend dat hij er wat van moet zeggen omdat hij wel snapt dat Eva het in haar onschuld heeft laten gebeuren. Maar zo ‘onschuldig’ is Eva niet: “… Ik ben. Dit ben ik… dit is mijn Lijf. Binnen in mijn Lijf draag ik mijn Geweten, ben ik mijn geweten. Er zijn de Dingen van het Lijf, en er zijn de Dingen van het Geweten… en ik ben alleen. Ik ben heel alleen. Mijn lijf is het lijf van de hele wereld… en mijn geweten is het geweten van de hele wereld…”. Maar wie ben je zélf?

 

De Duivel weerstaan

Haar wereld staat op haar kop als een eerbiedwaardige onderwijzer van een andere school blijkt vreemd te gaan met een ordinaire werkster van haar eigen school: “… met een vrouw… die om geld bij een man op schoot komt zitten… Maar mag je in zo een gruwel geloven, ook al wordt het je verteld, maar moet je niet liever volhouden, zelfs tegen die het zagen, dat ze zich vergissen, en tegen je eigen beter-weten in, omdat je toch moet kunnen leven, omdat je toch adem moet kunnen halen. Want daar is nergens vertroosting voor, als dit bestaat…”. Ik kan je vertellen, toen in mijn puberteit de kroostrijke dominee van de ‘zwaarste’ kerk in het dorp waar ik opgroeide, in zijn auto zat te vrijen met iemand die maar een paar jaar ouder was dan ik, dat hetzelfde effect op mij had. Alsof er een bom in mijn kop ontplofte. Alle grond onder mijn voeten verdween. De onderwijzer was vijfentwintig jaar getrouwd. Had drie bloedjes van kinderen die het stuk voor stuk goed deden. Wat wil je nog meer? “… Het is alsof je een man de brand zag steken in zijn eigen huis…”. Men leze Esther Perel. Een heidense collega, die gelooft in ‘determinisme’, zegt dat de onderwijzer er niets aan kan doen. Een rooms-katholieke collega meent dat de desbetreffende gevangen zit in de macht van de Duivel: “… Maar als de Duivel hem beet heeft… dan is het zijn schuld toch weer niet…”. Oh nee? Maar de Duivel moet je toch weerstaan? Weer iemand anders: “… En kunt u mij dan ook zeggen, juffrouw Korff, waar God zich mee bezighoudt in die tussentijd?...”. Eva: “… Wie over Schuld spreekt, moet over de Duivel zwijgen -, wie met de Duivel aankomt, heeft afgedaan met Schuld…”. Toch vergaat Eva van medelijden met de ontuchtpleger. Want: haar geflikflooi dan met die rare snuiter waar ze maar niet van loskomt? “… ik ben als doormidden gekliefd… ik ben in tweeën gevallen… ik ben twee… ik ben in-één-gehechte twee, ik ben tegen-elkaar-gerichte twee, ik ben tegen-zich-zelf-gekeerde één…”. Pas als een collega haar meeneemt naar een concert van Gustav Mahler, en ze in de ogen van een oudere deftige heer dezelfde vervoering treft die haarzelf aan de wereld ontrukt, kan ze zich losmaken van de spannende achterbuurt waar ze een kamer heeft gevonden. Ze hoort daar niet. Ze gaat in op het aanbod van een paar ontwikkelde meiden om bij hen te komen wonen.

 

De Waarheid zal u vrijmaken

Haar impulsiviteit brengt Eva in de grootste moeilijkheden. Ze gooit er van alles uit waar ze later weer spijt van heeft. Opgewonden en driftig stort ze zich in heftige politieke discussies. Wil altijd gelijk hebben. Ze voelt zich dubbel. Ze voelt zich gespleten. Ze wordt gek van haar eigen gedachten. Ze laat boeken slingeren, die anderen geschokt als ‘onzedelijk’ verklaren. Daar heeft ze zelfs nog nooit aan gedacht. Ze trouwt met de oudere, ziekelijke Ben. Ze ervaart het huwelijk als een ‘eendenkooi’. Nu het dan eindelijk veroorloofd is het bed met een man te delen, vindt ze er geen bal aan. Sterker: ze háát het. Ze laat Ben doen, maar ze snapt niets van hem. Toch brengt dat beschamende gedoe, “… Nooit vreemder, nooit verder dan in de vereniging…”, wel een zoontje op aarde, waar ze zich tomeloos aan hecht. Later krijgt ze nog een dochtertje. De weeën beschrijft ze als ‘vallen in de kokende olie’. Het doet me denken aan de Nederlandse thuisbevallingen die op de Werelderfgoedlijst zijn komen te staan. Ik heb er een heel ambivalent gevoel bij. Is al die gewelddadige barbaarsheid nog nodig anno 2021? Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus. Ben houdt van orde en regelmaat. Eva is één en al chaos. Ze baant er haar ‘eigen smalle weggetje’ door, “… Maar achter mij groeit dat weer dicht…”.  Alles wil ze doorgronden: “… Ben zei: ‘Waarom heb je er toch altijd plezier in, alles af te breken, alles uit te pluizen?’ ‘Pluizer’ in ‘De kleine Johannes’. En je lacht, terwijl je de knoop uit je schoenveter trekt. De zwakke, zachte dichter. ‘De Waarheid zal u vrijmaken.’…”.

 

Zoeken naar balans

Eva krijgt een enorme dreun te verwerken als de boodschap haar bereikt dat haar tweelingbroer David is overleden. Die maand zouden ze dertig worden. Carry van Bruggen verloor haar broer door een politieke moordaanslag in Israël. Langzaam lijkt Eva zich te verliezen in een manisch-depressieve ‘slingerslag’: “… En neemt de slinger je mee naar links, dan veracht je het leven en je rukt aan je keten, en je zou de Meester-Verhevene willen volgen… en alles is vervuld met de straling van de Vurige Wagen. En neemt de slinger je naar rechts, dan haat je de dood en je klemt je aan het leven, zoals beesten aan het leven klemmen, blind. Met de beesten… en de sterren… ben je in de slingerslag gevangen… en buiten de slingerslag is er niets…”. Een vriendin van David wil weten hoe het zat met zijn seksualiteit: “… ‘Ik weet het niet, Heleen. Je moet mij die dingen niet vragen. Ik weet er niets van.’ Neen, ze moet mij die dingen niet vragen. Ik weet er niets van. Het is de klip, waar mijn begrip op strandt, het is de blinde muur… ‘Maar je bent toch getrouwd, je hebt kinderen. Twee kinderen heb je immers…?. ‘ Ja, ik ben getrouwd. Ik heb twee kinderen. En toch weet ik er niets van… ‘Je bedoelt het andere… de afwijking?’ ‘Nee, ik bedoel het normale, het natuurlijke.’…”. Eva: “… Het leven klemt ons om de voeten als leem, het houdt ons als drijfzand gevangen, nooit verzinken we helemaal, maar evenmin ooit bevrijden wij ons…”. Ze gelooft niet in Evolutie, omdat dat strijd tegen Totaliteit. Het leven zoekt altijd balans. Bestaat eeuwig uit tekort en teveel. Heleen: “… ‘Eva, neen, dit is niet rechtvaardig… het is ook niet waar, zoals jij het zegt. Want denk eens aan al die onnadenkenden, aan al die zelfzuchtigen… duizenden, duizenden, die te kort doen, die te veel nemen en toch naar betalen en boeten niet dorsten…’ ‘Voor hen boeten de anderen. Wat de een te weinig betaalt, betaalt de ander te veel. En zo keert het evenwicht weer.’…”. Ik vind dat een diep-joodse gedachte. Het is jammer dat Carry van Bruggen bij mij weten het alwijze yin- en yangsymbool niet heeft gekend. Ik denk dat ze er veel mee had gekund.

 

Het rustig tegemoet zien van de dood

Hartverscheurend loopt Carry van Bruggen in “Eva” vooruit op haar zelfgekozen dood: “… Waarom mogen we niet getroost zijn in de dood?...”. Waarop ze zichzelf antwoordt: “… omdat we het leven verwekken, het leven voortzetten… het leven liefhebben moeten… omdat we eraan moeten hechten, tegen alles in… Tegen alles in? Neen…”. Op het eind van het boek gaan Eva en Ben uit elkaar. Als vrienden. Hij is verliefd geworden op een andere vrouw. Eva vindt het allang best. De kinderen zijn studerende tieners die hun eigen weg beginnen te zoeken. Ook in “Eva” gebeurt er niets voor niets. Tijdens een strandwandeling in haar eentje komt ze de deftige oude heer weer tegen van het Mahler-concert. Hij herkent haar direct. Samen beleven ze een middag van onaardse liefde. Daarna gaan ze weer hun eigen weg. “… Ik zei tegen Heleen eenvoudig dit: ‘Twintig jaar geleden, Heleen, ging ik een man voorbij, en hij ging mij voorbij, die ik had moeten kennen. Maar mensen dienen behoorlijk aan elkaar te zijn voorgesteld…”. Het heeft niet zo mogen zijn, en misschien is dat maar goed ook, want het was vast weer een ‘eendenkooi’ geworden. Eva lijkt iets van vrede met zichzelf te hebben gevonden. Of is dat schijn? Het boek eindigt met de woorden: “… en het einddoel van alle wijsheid is het rustig tegemoet zien van de dood…”.

 

Uitgave: Querido – 2020 (Serie: Salamander Klassiek), 200 blz., ISBN 978 902 142 423 1, € 11,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 


donderdag 7 januari 2021

Heerlijke Nieuwe Wereld – Aldous Huxley

 


Aan het begin van het nieuwe jaar, en met een vooruitzicht waar vooralsnog geen peil op te trekken valt, lijkt het me wel passend een toekomstroman te bespreken. De twee belangrijkste titels in dit genre zijn “1984” (1949) van George Orwell, waar ik eerder een blog over schreef, en “Brave New World” (1932) van Aldous Huxley. Het is fascinerend te lezen hoe de laatste een kleine eeuw geleden met precies dezelfde thema’s worstelde als wij nu, zij het misschien hier en daar in een ander jasje. Huxley was een ‘moderne (onheils)profeet’.

 

Doorgeslagen efficiëntie

In 1946 schreef Huxley een voorwoord bij zijn dan zes jaar oude roman, waarin hij onder andere vertelt wat hij inmiddels anders zou doen als het boek nieuw zou verschijnen. Ik citeer een paar tot nadenken stemmende quotes: “… Regeren door middel van knuppels en vuurpeletons, kunstmatige hongersnoden, het gevangenzetten van velen, het deporteren van velen is niet alleen onmenselijk (dat kan tegenwoordig niemand meer zoveel schelen), het is aantoonbaar inefficiënt – en in een tijd van vergevorderde technologie is inefficiëntie een zonde tegen de heilige geest…”. Even verder: “… De grootste overwinningen op propagandagebied zijn niet bereikt door iets te doen, maar door iets na te laten. De waarheid is groot, maar uit praktisch oogpunt is zwijgen over de waarheid nog groter…”. En als laatste: “… Naarmate de politieke en economische vrijheid afneemt, is de seksuele vrijheid geneigd ter compensatie toe te nemen…”. Jaja. En dat allemaal in tijden van een coronapandemie, met sociale media die beheerst worden door complotgekkies en fake news. Voor alle duidelijkheid: ik ben geen conspiraty-denker. Ik vertrouw Rutte & co plus de wetenschappers op hun blauwe ogen. Ik denk dat ze hun stinkende best doen, maar het zijn en blijven mensen. Ik meen dat tegen- dan wel meevallers en haakse bochten elkaar voorlopig zullen blijven afwisselen in het offensief tegen COVID-19. Ik schat mij niet zo bijdehand dat ik een deskundig oordeel kan vellen over wat er allemaal gebeurt, maar ik laat mij leiden door degenen die ik daar zeer wel toe in staat acht. Daaronder één van mijn grote inspirators, Willem Ouweneel, die als geneticus meedeelt dat het idee dat een coronavaccinatie jouw genetische identiteit zou kunnen veranderen de grootst mogelijke flauwekul is – zie hier. En de arts-docente Alie Hoek, die vaccineren ziet als een cadeau van God – zie hier.

 

Het machinetijdperk

Dit gezegd hebbende terug naar het verhaal. Zoals veel denkers in zijn tijd ervoer Huxley de onstuitbare opmars van de techniek als nogal griezelig. Net zoals veel mensen nu, mijzelf incluis. Je hoeft maar een klein beetje te overwegen waar artificiële intelligentie, robotisering en transhumanisme toe leiden, en je krabt je toch wel even achter de oren. In “Brave New World” wordt de mens zélf gereduceerd tot machine, een visie waar  iemand als professor Swaab getuige “Wij zijn ons brein” waarschijnlijk goed mee uit de voeten kan. Huxley begint te vertellen over een groep leerlingen die een rondleiding krijgt in een ‘Londens Centrum Voor Kweek En Conditionering’. Hier worden mensen gefabriceerd.  Vrouwen ontvangen een bonus van zes maandsalarissen als ze vrijwillig hun eierstok afstaan. Ten behoeve van de maatschappij. DNA bestond nog niet in Huxley’s tijd, dus daar wordt niet aan geprutst. De rijpe eicellen kwakken ze simpel in een bouillon met vrij zwemmende spermatozoa en na bevruchting worden ze in een broedstoof geplaatst. Vervolgens ondergaan de zygoten bepaalde procédé’s om ze geschikt te maken voor  het universele kastensysteem, dat bestaat uit ‘hoogopgeleide’ alfa’s en bèta’s en ‘laagopgeleide’ gamma’s, delta’s en epsilons. Het is absoluut fascinerend hoe Huxley zich een en ander voorstelt. Via een lopende bandroute worden de reageerbuisvruchtjes aangezet tot oneindig kloongedrag door de groei te frustreren. Onder andere via röntgenstraling of een bijna dodelijke dosis alcohol. De eicel reageert daarop met knopvorming, waaruit tientallen identieke embryo’s groeien. Het resultaat: een leger standaardmannen en –vrouwen: “… Het principe van massaproductie eindelijk toegepast op de biologie…”. Waarom? Omdat ‘Gemeenschappelijkheid, Gelijkheid, Stabiliteit’, het motto van  de Wereldstaat, alleen gerealiseerd kan worden door mensen die gelukkig zijn. En gelukkige mensen kweek je door te zorgen dat ze allemaal hetzelfde zijn en hun sociale bestemming prettig vinden.

 

Vooral niet denken

Om dit doel te bereiken worden ze niet alleen van jongsaf ‘gepredestineerd’, maar ook ‘geconditioneerd’. A là Pavlov. De vruchtjes, gebotteld en wel, reizen automatisch door een fabriek, terwijl ze van alle kanten manipulaties ondergaan. Injectie zus, bloedsurrogaat zo. Om de acht meter worden de embryo’s geschud om ze vertrouwd te maken met beweging. Epsilons in de maak, die vooral niet moeten leren denken, krijgen weinig zuurstof: “… Het eerste orgaan dat schade opliep waren de hersenen. Daarna het skelet. Bij zeventig procent van de normale hoeveelheid zuurstof kreeg je dwergen…”. Dertig procent van de vrouwelijke embryo’s mogen zich normaal ontwikkelen. De rest krijgt een spuit met mannelijke geslachtshormonen, zodat ze ‘gedecanteerd’ worden als hermafrodiet. Ter geruststelling: ze zullen eruit zien als volkomen normale vrouwen. Hier en daar misschien wat last van overbeharing, maar ach. Huxley is veel ironischer dan Orwell en heeft af en toe een bijtende humor. Een partij voorbestemde raketmonteurs wordt bijvoorbeeld mechanisch rondgewenteld om het evenwichtsgevoel te verbeteren. Als ze zich rechtop bevinden laten ze hen half verhongeren en als ze ondersteboven hangen verdubbelen ze hun portie voedingsmiddelen. Zo “… leren ze de omgekeerde wereld te associëren met welbevinden; het is zelfs zo dat ze alleen gelukkig zijn wanneer ze op hun hoofd staan…”.

 

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst

De studenten worden meegenomen naar een andere afdeling van het gebouw waar peuters - zeg maar gerust - verbijsterend harteloos worden ‘afgericht’. Een strook van een zaal is bezaaid met gekleurde geurige rozen. Daartussen opengeslagen prentenboeken vol vrolijke plaatjes. Een leger babies van acht maanden kruipt er kirrend en opgewonden naartoe. Eenmaal aangekomen slaan er alarmbellen op tilt, beginnen er sirenes te loeien en wordt de strook onder elektriciteit gezet. Het resultaat: de kinderen zullen voor altijd een hekel aan boeken en bloemen hebben. Mensen van lagere kasten moeten hun tijd niet verspillen aan lezen. En stel je voor dat bepaalde informatie hun reflexen zou de-conditioneren! Bovendien leidt liefde voor bloemen tot liefde voor de natuur. Dat brengt geen geld op. De massa moet het platteland verafschuwen, maar buitensporten waarbij ingewikkelde apparatuur wordt gebruikt omarmen. Dus: twee vliegen in een klap. Op enorme slaapzalen krijgen slapende peuters via zachte geruststellende stemmen die vanonder hun hoofdkussens komen moreel slaaponderwijs: hypnopedie. Influisteringen van de Staat. Dag en nacht worden ze ingenieus gehersenspoeld.  

 

Zwitserlevengevoel

Seks is een verhaal apart. Kinderen rennen als het even kan buiten in hun blootje rond en worden gestimuleerd ‘doktertje’ te spelen.  De zeden zijn totaal omgedraaid. Levendbarende moeders heten obsceen. De begrippen ‘ouders’ en ‘familie’ worden gelinkt aan porno. ‘Thuis’ is een beschamend woord. Gezinnen, monogamie en romantiek zijn ongehoorde zaken, die verband houden met ingetoomde driften die over-stromen. Hoe kun je dan ooit ‘stabiel’ zijn?  ‘Iedereen behoort aan iedereen’. Als je het vier maanden met dezelfde doet ben je verdacht. Vrouwen worden eeuwig jong en mooi gehouden. Chicken die ‘lekker plastisch’ zijn. Voor mijn geestesoog verschenen onmiddellijk met botox opgevulde figuren. Levende barbiepoppen. De gezamenlijke meisjeskleedzalen zijn voorzien van stortbaden, vibrozuigmassageapperaten en kraantjes met acht verschillend geurende eau de colognes. Een patroongordel met voorbehoedsmiddelen behoort tot de standaard uitrusting. “… ‘Jullie jongens boffen maar!’ zei de Chef. ‘Geen moeite is gespaard om jullie leven emotioneel gemakkelijk te maken – om mogelijk te voorkomen dat jullie ook maar emoties hébben…”. De tijdsinterval tussen een bewustwording van een verlangen en de vervulling daarvan wordt op allerlei manieren zo kort mogelijk gehouden. Want tevreden mensen zijn makkelijk hanteerbaar. Geslachtshormoonkauwgum lijkt dezelfde functie te vervullen als hedendaagse viagrapillen. Ter ontspanning ga je naar de voelm, een soort bioscoop waar constant onbenullige soft-porno wordt gedraaid, en allerlei trucjes het effect echter dan echt maakt. Een drugs waarvan je geen kater overhoudt is permanent beschikbaar: soma. Een beetje vergelijkbaar met de antidepressiva van nu. “… Werken, spelen – op ons zestigste hebben we dezelfde vermogens en voorkeuren als op ons zeventiende. In de slechte oude tijd hadden oude mensen de neiging dingen te laten vallen, zich terug te trekken, zich aan de godsdienst te wijden, hun tijd te gebruiken om te lezen, te denken – te dénken…”. Ongelooflijk: “… Nu - en dat is vooruitgang – nu werken ouderen, copuleren ouderen, hebben ouderen geen tijd, geen vrijaf van het plezier maken, geen ogenblik om te gaan zitten denken – of als het ooit onverhoopt mocht gebeuren dat er een tijdgat gaapt in de massa verstrooiingen, is er altijd soma, heerlijke soma…”. Het ultieme zwitserlevengevoel. Van bloemen hebben ze sowieso al van jongaf een hekel, dus van ‘achter de geraniums zitten’ is geen sprake.

 

De keuze tussen wereldbestuur of vernietiging

Uit het verhaal blijkt dat er een Negenjarige Oorlog is geweest. Op de Kurfürsterdam hebben een formatie van veertienduizend vliegtuigen miltvuurbommen laten ontploffen waarvan de knal niet luider was dan het klappen van een papieren zak. De Russen hebben het drinkwater besmet. Daarna kwam er een enorme economische crisis. De keus ging tussen wereldbestuur en vernietiging. In het belang van de industrie diende iedereen per jaar zo-en-zoveel te consumeren. Loonslaven werden bestookt met reclame voor vliegreizen. Natuurlijk kwamen gewetensbezwaarden in verzet. Sommigen wilden ‘terug naar de natuur’. Maar Simpel Leven-activisten werden rücksichtlos neer gemaaid met machinegeweren. Tweeduizend cultuurfanaten werden vergast met dichloorethylsulfide in het British Museum. De ‘Campagne tegen het Verleden’ ging gepaard met het sluiten van musea, het opblazen van monumenten en het verbieden van boeken. Je krijgt toch pijn in je buik als je het vergelijkt met wat er vandaag de dag gaande is? In plaats van God wordt inmiddels de heer Ford aanbeden (gemodelleerd naar Henry Ford die in 1908 zijn eerste T-Ford en met zijn lopende band de massaproductie van auto’s  introduceerde). De T heeft in de nieuwe wereld ook een quasi-religieuze betekenis gekregen, als vervanger van het kruisteken. De nieuwe religie is het fordianisme. Er zijn Fordsdagvieringen, gemeenschapszangen en solidariteitsdiensten, waarbij het gaat om het verlies van je afzonderlijke identiteit. Om met z’n allen in extase op te gaan en te versmelten met het ‘Groter Wezen’, wat zijn breekpunt bereikt in een gezamenlijke orgie. Een punt van geheimzinnige singulariteit die aan Ray Kurzweil doet denken. ‘Oh, my Ford’, roepen de mensen als ze vloeken. En ‘Jij fordomde rotzak!’ als ze schelden (wat natuurlijk niet erg stabiel is). Vroeger had je iets als het christendom. Vroeger had je iets wat een ziel heette en iets wat onsterfelijkheid werd genoemd. Zie de moderne wetenschap die een ziel of geest naar het rijk der fabelen verwijst. Wat een armoe als we vergeten wie we zijn…

 

Anders

Natuurlijk is er in het boek een persoon die zich anders voelt dan de rest. De nogal klein uitgevallen Bernard Marx. Een excentrieke alfa-plus psycholoog die zo goed is in zijn vak dat hij desondanks aan mag blijven. Al vergeet hij nog wel eens het ‘infantiele decorum’, volgens zijn baas. Waarschijnlijk een gevalletje ‘teveel alcohol in zijn bloedsurrogaat’. Omdat hij zo raar is vindt ene Lenina hem wel leuk. Hij wil notabene al wandelend en pratend een middag met haar doorbrengen. Hij heeft spijt dat hij tijdens de eerste de beste ontmoeting al op haar is gedoken. Vindt ze het niet erg om enkel een stuk vlees te zijn? Lenina begrijpt niets van hem: “… ‘Ik wil weten wat hartstocht is,’ hoorde ze hem zeggen. ‘Ik wil iets echt voelen.’ ‘Voelt het individu droef of blij, dan wankelt de maatschappij,’ sprak Lenina. ‘Nou ja, waarom zou die niet een keertje mogen wankelen?’ ‘Bernard!’ Maar Bernard bleef schaamteloze uitspraken doen. ‘Intellectueel en in werktijd zijn we volwassen,’ ging hij door. ‘Op het gebied van gevoelens en verlangens, kleine kinderen.’…”. Tot voor kort dacht ik dat onze maatschappij precies zo in elkaar stak. De coronacrisis heeft ons misschien iets veranderd. Mag ik hopen. Dan zou het toch nog wat goeds opleveren. Vanwege zijn beroep heeft Bernhard toestemming om een indianenreservaat te bezoeken in New Mexico. Lenina krijgt de kans om met hem mee te gaan. Het is nu of nooit. Zoals alle hoogopgeleiden heeft Bernhard een eigen helikopter (de lager opgeleiden verplaatsen zich met de monorail), maar voor deze excursie nemen ze een raket.  Die is wat sneller – tijd is geld.

 

Shakespeare in de wildernis

Tijdens hun bezoek aan het reservaat maken Lenina en Bernhard geschokt kennis met vuil, mismaaktheid en ouderdom. Ze zijn getuige van een bloederig religieus ritueel. Een onmiskenbaar blanke vrouw komt op hun pad. Een landgenote die ooit door haar man zwanger blijkt te zijn achtergelaten, nadat ze verdwaalde tijdens een eenzame wandeling. Ze is de moeder van een - oh gruwel - blonde puberzoon, John, die zichzelf een ouderwets en bizar soort Engels heeft aangeleerd aan de hand van een ooit ergens gevonden exemplaar van “De Volledige Werken van William Shakespeare”. Bernhard besluit beide wilden mee terug te nemen naar de civilisatie. Als hij de jongen, die ondertussen stapelverliefd op Lenina is, vraagt wat hij daarvan vindt, komt de titel van het boek in zicht: “… ‘O heerlijke nieuwe wereld,’ herhaalde hij. ‘O heerlijke nieuwe wereld, die zulke wezens draagt. Laten we meteen gaan,’ ‘Je drukt je soms wel heel merkwaardig uit,’ zei Bernhard…”. In de heerlijke nieuwe wereld komt de vrouw haar bed niet meer uit, waarin ze verslaafd weg deint in somadromen. John wordt als ‘de Wilde’ een bezienswaardigheid. Hij kan niet wennen aan zijn omgeving. Alles staat hem tegen. Op een dag krijgt hij een telefoontje dat zijn moeder is opgenomen in een stervenshuis. Omdat alle zestigjarigen daar uiteindelijk belanden en ‘pats-boem’ dood gaan, moet er haast sprake zijn van euthanasie, alhoewel ik dat niet direct uit het verhaal kon opmaken. Alles wordt in het werk gesteld om de tragiek van het sterven te verbloemen. Mensen liggen in heerlijke geuren en een hemelse drugsroes, gefixeerd op televisiekastjes aan het voeteneind van hun bed, op hun einde te wachten. Hordes onnozele kinderen komen af en toe lawaaierig de sterfzalen onveilig maken in verband met hun ‘doodsconditionering’. Ze moeten leren dat sterven niets is om bang voor te zijn. Vrolijk gekleurde luchtlijkkoetsen vliegen af en aan. Als John een van de kinderen een draai om zijn oren geeft - “… tweelingen die als luizen over het mysterie van haar dood zwermden…” - en huilend in elkaar zakt als zijn moeder de geest geeft, staan de kinderen bedremmeld toe te kijken. Om de sfeer op te krikken vraagt een verpleegster wie er iets lekkers lust.  “… Vijf tweelingen in kaki kleding, elk met een moorkop in de rechterhand, en hun identieke gezichtjes op verschillende wijzen besmeurd met chocolade, stonden hem op een rij dom aan te gapen. Ze keken hem aan en grijnsden tegelijk. Eentje gebruikte de rest van zijn moorkop om te wijzen. ‘Is die dood?’ vroeg hij…”. 

 

Massamens

Als John een enorme rel ontketent, moet hij op het matje komen bij de Chef: de hoogste leider. Er ontstaat een interessante discussie over ‘schoonheid en waarheid’ versus ‘comfort en geluk’. Geluk is stomvervelend maar bevordert wel stabiliteit. Geluk is nooit groots. Over geluk valt niks te schrijven. Kunst met een grote K is niet verenigbaar met geluk. Schoonheid gaat niet samen met geluk. Schoonheid betekent lijden. Wetenschap die zich niet laat muilkorven, dus waarheid, ook.  Echter: “… De ruggengraat van de maatschappij wordt niet gevormd door filosofen, maar door figuurzagers en postzegelverzamelaars…”. De massamens is tevreden met dom werk dat niet belastend is voor de geest of de spieren: “… Zevenenhalf uur lichte, niet uitputtende arbeid, daarna de portie soma, spelen en onbeperkt copuleren en voelm…”. Werktijdverkorting is met gemak realiseerbaar, maar uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde mens zich dan weer geen raad weet met zijn vrije tijd en zich te pletter zou vervelen.

 

De verdwenen God

De massamens in de heerlijke nieuwe wereld heeft niet alleen kunst en wetenschap, maar ook God ingeleverd. De Chef: “… Je kunt alleen onafhankelijk zijn van God zolang je jeugd en welvaart hebt…”. Zaken als zelfverloochening en verdraagzaamheid bestaan niet meer. “… Iedereen kan nu deugdzaam zijn. Je kunt zeker de helft van je moraal in een flesje bij je dragen. Christendom zonder tranen – dat is soma…”. Dulden of je verzetten vanuit bepaalde principes is er niet meer bij. John: “… ‘Dus u denkt dat er geen God is?’ ‘Nee, ik denk dat er hoogstwaarschijnlijk wel een is.’ ‘Maar waarom…?’ Mustapha Mond onderbrak hem. ‘Maar hij openbaart zich op verschillende manieren aan verschillende mensen. In premoderne tijden openbaarde hij zich als het wezen dat in deze boeken beschreven staat… Nu…”. De Chef blijkt een bibliotheek vol verboden boeken te bezitten, waaronder “De Bijbel”, “De navolging van Christus” en “De varianten van religieuze ervaring” door William James. “… ‘Hoe openbaart hij zich nu?’ vroeg de Wilde. ‘Hij openbaart zich als een afwezigheid; alsof hij er helemaal niet is.’…”. Het doet me denken aan titels die in de laatste helft van de vorige eeuw ‘in’ waren over het thema van de verdwenen God:  “Godsverduistering” (1954) van Martin Buber, “Hoe God verdween uit Jorwerd” (1996) van Geert Mak, “Gereformeerden op zoek naar God”  (1990) van dr. C. Graafland, “De terugkeer van de verloren Vader” van F.O. van Gennep (1989). Daarop kwam al gauw de reactie dat God niet zozeer was verdwenen, maar dat de méns zich verborgen houdt en verloren is geraakt. Door de verkeerde wissels te nemen. Dat is eerder het geval denk ik. Volgens de Chef moet je, als je niet met God van doen wilt hebben, op de allereerste plaats zorgen dat je nooit en te nimmer alleen bent. “… ‘Wat jullie nodig hebben,’ vervolgde de Wilde, ‘is, voor de verandering, iets met tranen. Niets kost hier genoeg…”. De Chef: “… ‘Wij doen alles het liefst op ons gemak.’ ‘Maar ik wil geen gemak. Ik wil God, ik wil gedichten, ik wil echt gevaar, ik wil vrijheid, ik wil goedheid, ik wil zonde.’…”. De “Heerlijke Nieuwe Wereld” is een dystopie – het loopt allemaal helemaal verkeerd af.

 

Uitgave: J.M Meulenhoff  – 2009, vertaling Pauline Moody, 253 blz.,  ISBN 978 902 908 493 2, € 12,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier