Menu

vrijdag 4 oktober 2024

Vader en zoon – Edmund Gosse

 


Subtitel: Een studie in twee temperamenten

 

“… Zoveel is zeker…”, schrijft Borges (zie mijn vorige blog), “… dat iedere schrijver zijn voorlopers creëert…”. Sinds Kafka herkennen we het ‘kafkaiaanse’. Sinds “Knielen op een bed violen” het ‘doorgeschoten godsdienstige’. Had Adam een navel? Ja, stelt de fundamentalistische vader van Edmund Gosse (1849 – 1928) in de roman “Father and Son”, aldus Borges. Na diens gesprek met Darwin bedacht Gosse senior dat God de wereld moet hebben geschapen inclusief alle sporen van een langer verleden. Het maakte me enorm nieuwsgierig naar het in 1907 uitgegeven boek met hetzelfde onderwerp als Siebelink, namelijk een zo op het eigen heil gespitste vader dat iedereen in diens omgeving ‘er aan moet geloven’. Maar dan in de victoriaanse periode na 1850. Is het een fenomeen van alle tijden? Ik denk het haast wel als ik kijk naar bijvoorbeeld, ik noem maar wat, het wokegedram van tegenwoordig: de grote dwang om een perfecte modelburger te zijn met een perfecte mening. Een en ander heeft bijna een religieuze ondertoon en het roept mijns inziens als vanzelf een heftige tegenreactie op. Zie de grote aanhang van Wilders. Het is nagenoeg voorspelbaar dat de kinderen van de fanatiekelingen van nu een zelfde appeltje met hun ouders te schillen gaan hebben als Gosse en Siebelink. Op de een of andere manier willen we altijd dat iedereen is zoals wij. Zo niet goedschiks dan maar kwaadschiks. In het klein en in het groot. Zie de godsdienstoorlogen. In "Botsende beschavingen" stelt de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington zelfs dat de culturele en religieuze identiteit van mensen altíjd de bron van conflicten is. Als we naar de huidige Oekraïne- en Gazaoorlog kijken, lijkt dat inderdaad het geval.

 

Rebellie

Gosse dus. Het grote verschil met Jan Siebelink is dat Edmund Gosse met een buitengewoon warme en milde blik op zijn puriteinse vader terugkijkt: “… Dit boek is een verslag van een strijd tussen twee temperamenten, twee gewetens en bijna twee tijdperken, een strijd die onvermijdelijk eindigde in verwijdering. Van de twee hier beschreven menselijke wezens was de één geboren om te vluchten in het verleden en werd de ander gedreven naar de toekomst. Er kwam een tijd dat beiden niet meer dezelfde taal spraken, dezelfde hoop koesterden of door dezelfde verlangens werden gedreven. De overlevende put echter troost uit het feit dat beiden elkaar tot het laatste uur respecteerden of beschouwden met droeve lankmoedigheid…”. Gosse hield ondanks alles zielsveel van zijn pa en zet zijn achtergrond met verrassend veel humor neer. Ik heb me af en toe slap gelachen, wat ik van Siebelinks magnus opus toch echt niet kan zeggen. Daar werd ik eerder depressief van. Vader Gosse was niet alleen een gezaghebbende voorganger binnen de Plymounth-Broederschap (tegenwoordig de Vergadering van gelovigen), maar ook een eminent natuuronderzoeker. Hij had iets van de potsierlijke geleerde. Hij placht geobsedeerd, in zijn slonzige zwarte lakense pak van ouderwetse snit, tot zijn kin in het water aan de Engelse kust rond te plonzen, om zeldzame plantjes en diertjes te verzamelen. Op zijn markante kop bij voorkeur een enorme vilten hoed die ooit zwart was geweest. Zoonlief ontwikkelde zich tot dichter, talenkenner, recensent en literatuurcriticus, introduceerde Ibsen, Gide en Couperus in Groot-Brittannië, werd zelfs in de adelstand verheven, maar had het als literator allemaal nét niet. Zijn levendige autobiografische “Vader en zoon” heeft hem als schrijver uiteindelijk gered: “… Het was zijn enige moment van rebellie, zijn enige moment van authenticiteit…”. Daar is iedereen het over eens.

 

Vreemd huishouden

Het boek. Gosse’s vader en moeder zijn doodarme maar beroemde intellectuelen: een zoöloog die zich door de week urenlang over zijn microscoop buigt en een schrijfster van stichtelijke verzen die een diepe afkeer van haar frivole ouders heeft (ook zij, zie de intro). “… Ze las Grieks, Latijn en zelfs een beetje Hebreeuws, en wat belangrijker was, ze leerde zelfstandig denken…”. Hij is bijna achtendertig, zij ruim tweeënveertig als ze trouwen. Geen kerk is goed genoeg voor hen: “… op het laatst kwamen ze alleen nog bijeen met een paar extreme calvinisten als zijzelf, op voorwaarden die bijna negatief genoemd kunnen worden – geen priester, geen ritueel, geen feestdagen, geen enkele soort versiering – niets dan het Avondmaal des Heren en de exegese van de Heilige Schrift verbonden deze strenge geesten enigszins met elkaar. Ze noemden zich eenvoudigweg ‘de Broeders’…”. Ze zijn zo zeker van hun persoonlijke lijntje met God dat ze geen enkel geestelijk gezag onder mensen erkennen. Ze peinzen er niet over zich te onderwerpen aan een pastoor of predikant. “… In dit vreemde huishouden werd de komst van een kind niet met blijdschap tegemoet gezien, maar met berusting gedragen…”. Als Gosse twee maanden oud is, wordt hij als een soort Samuël ‘gewijd aan de Heer’. Zijn moeder ziet het als haar voornaamste taak hem van ‘vreemde smetten’ te vrijwaren. Ze heeft het eigenaardige idee dat een verhaal ‘verzinnen’ zonde is. Eigentijdse literatuur is streng verboden: “.. Geen enkele vorm van fictie, religieus of werelds, werd in huis toegelaten…”. Gosse: “… Nooit in mijn heel vroege jeugd sprak iemand tegen mij de ontroerende woorden: ‘Er was eens’. Ik hoorde over zendelingen, maar nooit over piraten. Ik kende kolibries, maar wist niets van feeën. Klein Duimpje, Repelsteeltje en Robin Hood behoorden niet tot mijn bekenden, en al wist ik van wolven, Roodkapje was voor mij een vreemde, zelfs van naam…”. Zijn ouders hebben geen geld om te reizen, krijgen nauwelijks bezoek, eten nooit buitenshuis, gaan ’s avonds nergens op visite: “… In de avonduren spraken ze over theologie, lazen elkaar voor of vertaalden wetenschappelijke brochures uit het Frans of Duits. Het klinkt als een vreselijk leven vol kommer en gebrek, en het is buiten kijf dat het lichamelijk ongezond was, maar hun tevredenheid was volmaakt en ongeveinsd…”.

 

Afgoderij

Gosse: “… Als klein kind adoreerde ik mijn oom E., die stil bij de haard zat, mij tegen zijn knie drukte zonder iets te zeggen, maar onuitsprekelijk triest leek en zo nu en dan zijn diepbruine lokken schudde. Daarentegen had ik een volkomen ongerechtvaardigde hekel aan mijn oom A., omdat ik me deerlijk ergerde aan zijn grappen en hij me zelfs, geloof het of niet, kietelde…”. Gosse groeit op zonder ook maar één  speelkameraadje. Als zesjarige komt hij tot de schokkende ontdekking dat zijn vader niet de onfeilbare God is waar het kind hem mee identificeert. Papa maakt een vergissing: papa blijkt niet alwetend. Hij “… tuimelde in mijn ogen naar menselijk niveau…”. Na tegelijkertijd iets uitgevreten te hebben dat hij niet opbiecht, maakt zich een sterke individualiteit van hem meester. Tot zijn grote troost is er een medestander te vinden in zijn eigen borst: “… van alle gedachten die mijn primitieve en onontwikkelde hersentjes in deze crisis bestormden, was de opmerkelijkste dat ik een kameraad en vertrouweling in mezelf had gevonden. Er was een geheim in deze wereld dat van mij was en van iemand die in hetzelfde lichaam als ik huisde. We waren met z’n tweeën, en we konden met elkaar praten…” (zie ook: “Het drama van het begaafde kind” van Alice Miller). Ondertussen gaat zijn moeder steeds vaker op stap in Londen om mensen te bekeren. Hij is uren en uren alleen. Begint een vorm van magisch denken te ontwikkelen: “… Ik maakte mezelf wijs dat ik, als ik maar de juiste woorden uitsprak of de juiste gebaren maakte, de prachtige vogels en vlinders in mijn vaders geïllustreerde handboeken tot leven kon wekken, zodat ze uit het boek wegvlogen en gaten achterlieten…”. Gosse is een akelig zenuwachtig kind. Slaat af en toe met zijn hoofd hysterisch jankend op tafel. Is ‘s nachts panisch voor spoken. Gaat over op zelfbeschadiging. Hij krijgt het advies voor alles wat hij nodig heeft te bidden. Geen ‘ding of omstandigheid is te onbelangrijk om de Heer van de hele aarde voor te leggen’. Dus vraagt hij God om een bromtol, die hij in de etalage van een winkel om de hoek, aan de - tot mijn verrassing - Caledonian Road, waar ik eerder over schreef, heeft gezien. Zijn verbouwereerde vader beveelt hem op te houden voor ‘dat soort dingen’ te bidden, wat voor het eerst zijn geloof in het gebed aan het wankelen brengt. Na een gesprek over de houten en stenen afgodsbeelden van de heidenen bereiken zijn theologische wandaden wel zo’n beetje het idiote en infantiele toppunt, wanneer hij een godslasterlijk gebed richt tot een stoel (want van hout). Er gebeurt niets. God maakt zijn toorn niet kenbaar. Het kan Hem blijkbaar niets schelen: “… Dus mijn vader was niet echt op de hoogte van Gods wegen inzake afgoderij…”.  

 

Letterlijk

Volgens Gosse hadden zijn ouders niets ‘mystieks’. Ze neigden eerder naar het volstrekt tegenovergestelde: starre en iconoclastische letterlijkheid: “… Mijn ouders waren, denk ik, allebei verstoken van inlevingsvermogen; mijn vader miste het in ieder geval volledig…”. Ze lezen de Bijbel zonder hoe dan ook rekening te houden met de context. Het komt niet in hen op dat de vermaningen aan het adres van de Corinthische bekeerlingen uit de eerste eeuw misschien niet direct geschikt zijn voor beschaafde, negentiende-eeuwse Engelse mannen en vrouwen: “… Zij zagen geen enkel verschil tussen het decor van Trimalchio's copieuze feestmaal en dat van een diner in de City…”. Hij vertelt hoe ze zich in de avonduren opgewonden bezig houden met de interpretatie van de Apocalyps, zoals wereldse families dat met het kaartspel of de piano doen. Ze ontwaren in de fantastische oriëntaalse visioenen directe uitspraken van Napoleon III, paus Pius IX en de koning van Piëmont. Figuren in wie ze onmiddellijk de geest van Babylon en de volgelingen van het Beest herkennen. Overal zien ze ‘de majesteitelijke arrogantie van het papendom’: voor hen duidelijk de manifestatie van de antichrist (zoals hier en daar nog wel wordt geloofd). Zijn liefdevolle mama is ervan overtuigd dat haar zoon jong zal sterven. In plaats daarvan overlijdt ze zelf. Aan borstkanker. Drie maanden brengt Gosse samen met zijn doodzieke moeder door in een armzalige huurkamer in de buurt van haar behandelend arts. Hij is dan zeven jaar.

 

Een beetje ‘menselijk’

Na haar dood kan zijn vader het nodige bijverdienen met een lezingenreeks door Engeland. Gosse wordt tijdelijk bij een nicht gestald met een groot en vrolijk gezin waar hij eindelijk een beetje ‘menselijk’ wordt. “… De familie in Clifton was godvrezend op een ongedwongen, verstandige wijze, maar zonder een spoor van de intensiteit en dwang van ons religieuze leven in Islington…”. Ze leren hem zelfs op een vriendelijke manier de gebruikelijk frasen van de Broeders af, die hij machinaal afratelt. Daar begint hij ‘om zich heen te kijken’. Vanaf dan wordt de straat zijn theater. Urenlang staat hij uit het raam te staren. Hij vertelt over de lange, knokige ‘uienman’, die van zijn vader steevast een penny krijgt vanwege zijn rechtzinnige houding jegens het pausdom: “… Hij schreeuwde altijd met abrupte tussenpozen en op een toon die de doden zou kunnen wekken: Uien aan stangen… / Om de paus mee op te hangen… / En voor een stuiver kaas om hem te smoren. De kaas leek legendarisch, want hij verkocht alleen uien…”. Een dikke, verwarde zeeman is gewoon langzaam door de straat te zwalken terwijl hij brullend als een stier voortdurend “… Bi-hidt en wa-haakt! Da-hag en na-hacht!...” tiert. Het spannendst vindt Gosse de af en toe opduikende poppenkast met de opvliegende Jan Klaassen, die uiteindelijk met schoppende benen door de duivel wordt meegesleept naar de hel. Een onuitputtelijke vreugde vormen de zoutwateraquaria van zijn vader met wie hij een innige band heeft: “… Soms, als de vroege schemering over ons neerdaalde in de studeerkamer en hij niet goed meer in de diepten van zijn microscoop kon turen, wenkte hij me zwijgend en sloot me vast in zijn armen. Ik hief dan mijn gezicht naar het zijne, geduldig en verbaasd, terwijl zijn ooghoeken zich vulden met grote, onwillige tranen. Dankzij mijn opvoeding kon ik onnatuurlijk stil zijn en we bleven dan in die houding, zonder een woord of beweging, tot de duisternis de kamer vulde. En dan liepen we, mijn kleine hand in de zijne, kalm de trap af naar de woonkamer, waar we merkten dat de lamp was aangestoken en dat onze droefgeestige wake voorbij was…”.  Hij port zijn vader op tot het maken van lange wandelingen. Hij maakt er ook een gewoonte van er samen lustig op los te zingen: stichtelijke liederen en gezangen natuurlijk.

 

Kippenvel

Die zomer lezen ze aandachtig de "Brief aan de Hebreeën", waarvan de ‘uitzonderlijke schoonheid van de taal’ – de weergaloze cadansen en beelden – zo tot zijn verbeelding spreken, dat hij denkt dat ze de eerste inwijding in de magie van de literatuur voor hem vormden. Kippenvel. Zijn vader heeft totaal niet in de gaten dat een en ander het bevattingsvermogen van een achtjarige volkomen te boven gaat. In hun ‘vrolijke buien’ jagen ze samen in de duistere bladzijden van “De openbaring van Johannes” op het spook van het papendom: “… Samen onderzochten we het getal van het beest, namelijk ‘zeshonderd zes en zestig’. Samen controleerden we de natiën, om te zien of ze het merkteken van Babylon op hun voorhoofd hadden. Samen zagen we de geesten en duivelen de koningen der gehele wereld verzamelen op de plaats die in het Hebreeuws genoemd wordt Harmágedon…”. Hij maakt dames mee die in ieder openbaar of persoonlijk ongeluk de hand van de jezuïeten zien. Fiere ‘Weg-met-de-Paus’-mannen juichen elk oproer in Italië toe omdat het pausdom daar waarschijnlijk last van heeft. De verdorvenheid van Rome staat als een paal boven water. Waarschijnlijk komt zijn vader toch op de gedachte dat het niet zo goed is voor zijn zoon altijd maar alleen met hem te zijn. Op zekere dag verschijnt er in ieder geval een niet al te intelligente gouvernante annex huishoudster in huis, waar Gosse goed mee op kan schieten: Miss Marks. Binnen no time aanvaart ze alle principes die zijn vader haar voorlegt en leert ze de gebruikelijke formules en schibbolets van de Broeders opvallend vloeiend te verwoorden. Als papa voor een expeditie naar de kust van Zuid-Devon vertrekt, komt hij terug als eigenaar van een villa in the middle of nowhere. Voor maar liefst negenennegentig jaar.

 

Joelfeest

Die zomer wordt Gosse bedwelmd door de zee. Die winter bibbert hij als een drilpudding onder een berg dekens in het vochtige, tochtige huis. Vanwege zijn zwakke gezondheid wordt hij overladen met jassen en sjaals en strompelt buiten rond als een ‘warm ingepakte baal flanel’. Ondertussen zet Darwin zijn theorie van de natuurlijke selectie op poten. Volgens Gosse verwelkomt zijn vader het nieuwe licht aanvankelijk met iedere vezel van zijn intellect, maar komt hij er direct weer op terug als hij zich het eerste hoofdstuk van Genesis herinnert. Hij schrijft een wetenschappelijk boek waarin hij schepping en evolutie met elkaar verzoent door te stellen dat de planeet is geschapen alsof het leven al sinds lang bestond. Iedereen lacht hem uit. Zelfs christenen geloven niet dat God een gigantische en overbodige leugen op de rotsen heeft geschreven. Het knakt zijn trots. Tijdens de lange winter hebben vader en zoon ‘gezellige’ gesprekken bij het vuur over de moordmysteries die in kranten verschijnen. “… Ik ontdekte al snel dat niet iedereen deze onderwerpen op prijs stelde, want toen ik op een morgen tegen Miss Marks over het koffermysterie begon, in de hoop mijn rekenles te kunnen uitstellen, gooide ze letterlijk haar schort over haar oren en zei me vanuit dat bolwerk dat ze zou gaan schreeuwen als ik niet onmiddellijk ophield…”. Over kerkelijke feesten heeft zijn vader vreemde, aan het absurde grenzende opvattingen en helemaal over Kerstmis. Het woord alleen al is paaps. Het zou een feest uit de oudheid zijn dat teruggaat op gruwelijke heidense riten en een smerig reliek van het verschrikkelijke joelfeest. “… Hij hekelde de gruwel van Kerstmis tot ik bijna moest blozen bij het zien van een hulstbes…”. Senior weet niet hoe gauw hij met het restje van een feestelijke plumpudding, die de bedienden uit medelijden aan junior hebben gegeven, naar de mesthoop moet rennen, “… waar hij de afgodische zoeternij midden in het afval gooide en vervolgens diep onder de hoop schoffelde…”.

 

Het Evaloze leven

De plaatselijke Broederschap, waarvan zijn vader ‘ongenood maar onbetwist’ onmiddellijk de leiding op zich neemt, komt samen in een van ammoniakdampen vergeven ruimte boven een koeienstal. De kerk was ooit op een bijzondere wijze ontstaan, namelijk vanwege een groepje godvruchtige wesleyaanse vissers, die door onstuimig noodweer naar hun haven waren uitgeweken. Volslagen vreemde, goedgebouwde jongemannen, met zwarte baarden en stralende ogen, die rondhingen op straat en de jongedames vroegen of ze de Heer Jezus wel liefhadden. Na twee of drie dagen voeren ze weer weg, en de meisjes die niet eens naar hun naam hadden gevraagd, hebben nooit meer van hen gehoord, maar sommigen waren voorgoed bekeerd. Zij vormden de kern van de groep. Schitterend beschrijft Gosse de zogeheten ‘heiligen’. Hij heeft het over een oude, uitzonderlijk lange, magere man, die de Franse Revolutie nog heeft meegemaakt, wiens kaken langzaam open vallen bij het horen van de heilige boodschap, “… terwijl zijn knieën zo ver uiteenzakten dat het was of ze nooit meer bij elkaar zouden komen…”. Zijn kluizenaar van een vader vormt een vesting die bestormd wordt door nieuwsgierige dorpelingen. Hij vertelt over Miss Wilkes, het respectabele hoofd van een groot meisjesinternaat, die met haar ‘onbeschrijflijke’ charme dewelke ‘zelfs een tijger had doen kruipen’, hun ‘Evaloze leven’ binnenkomt om overduidelijk zijn vader te verleiden. Als ze aan de deur staat, vlucht zijn vader naar het schuurtje, en moet hij zeggen dat ‘pappa uit is’. Wanneer zijn vader hem naar bed brengt, maakt hij er een gewoonte van geknield een gebed uit te spreken over zijn zoon, die op een keer ziet hoe aan het voeteneind van zijn sprei een enge kever ‘met meer poten dan een zichzelf respecterend insekt nodig heeft’  zich langs de glanzende zwarte bal van zijn vaders hoofd omhoog werkt “… tot hij haast tegen mijn kin kriebelde…”. Hij slaakt een gil die hem een fikse uitbrander bezorgt. Achteloos: “… Er is geen curieuzer voorbeeld van de ongeldigheid van de theorie van het extreme puritanisme dan het idee dat de almachtige Jehova werkelijk vertoornd kon worden en zich zou verlagen wraak te nemen omdat een klein, nerveus kind van negen jaar uit angst voor een kever een gebed verstoort…”.

 

Dorpse verdraagzaamheid

De door een teleurstelling in de liefde gek geworden Miss Flaw is zonder meer het excentriekste gemeentelid. Als tijdens de dienst iemand langzaam rondgaat om de kaarsen aan te steken wanneer het donker wordt, dirigeert ze vanaf haar plaats geluidloos de bezigheid door de kaarsen aan te wijzen die aan de beurt zijn. ‘Als een circusclown de stalknecht’. Overigens zonder dat daar ook maar enige notitie van wordt genomen. “… Miss Marks en Mary Grace, met mij tussen zich in genesteld, om niet te zeggen begraven, zaten rechts op dezelfde bank…”. Dus junior kan het allemaal goed zien. Nog veel geschifter is het feit dat Miss Flaw altijd een stuk vooruit lijkt te lopen op de dienst. Ze volgt het ritueel van bidden, knielen, zingen en preken wel, maar in een hoger tempo. “… We knielden allemaal tegelijk, maar als wij weer gingen staan, stond Miss Flaw al rechtop en deed alsof ze een gezang zong, zonder geluid te maken. Midden in ons gezang ging ze zitten, sloeg haar bijbel open, vond een tekst en leunde achterover, de blik op oneindig, luisterend naar een denkbeeldige preek, waar onze echte preek al snel op volgde en gedurende drie kwartier mee samenviel. Dan, terwijl onze preek voortkabbelde, stond Miss Flaw op en zong in stilte (als ik het zo mag formuleren) haar eigen ingebeelde gezang. Vervolgens knielde ze neer en bad, stond op, zocht haar spullen bij elkaar en schreed met frêle waardigheid de kerk uit, terwijl mijn vader vanaf de kansel nog steeds zijn volzinnen uitsprak…”. De dorpse verdraagzaamheid maakt dat niemand ooit op het idee komt een einde te maken aan het gedoe. Tot ze op een zondag haar dienst eerder dan normaal beëindigt, opstaat om te vertrekken, opgewekt om zich heen kijkt terwijl ze haar handschoenen aantrekt, haar oog op Gosse laat vallen en hem toeknikt. Hij knikt terug, waarop ze ongelooflijk snel langs de rij schiet, hem aan de kraag van zijn jas tussen zijn verlamde beschermsters vandaan plukt, en vliegensvlug met hem door de kerk de duisternis in rent. Wanneer de sprakeloze gemeente weer bij zinnen komt, treffen de rapste Broeders de twee zittend aan op de stoep van de slager.

 

Gedoopt

Papa wil zijn voorlijke tienerzoon vóór het begin van de puberteit, vóór de liefde tot het vleselijke zijn ziel in haar macht zal krijgen, definitief en totaal veilig stellen. Hij stelt de dociele en beschroomde plattelanders, die nauwelijks in staat zijn zich tegen hun voorganger te verzetten, iets ongehoords voor. Hij legt hen de gronden uit waarom hij gelooft dat zijn zoon op jonge leeftijd is bekeerd en verklaart dat hij daarom niet langer mag worden uitgesloten van de voorrechten van het Avondmaal. Het komt eigenlijk nooit voor, maar Gosse wordt zodoende op tienjarige leeftijd als een volwassene, ten aanschouwen van een enorme menigte en te midden van onbeschrijflijke emoties, gedoopt. Eerst springt een volgens mij hysterisch geworden meisje  nog in het doopvont, die snel in bezwijmde toestand uit het water wordt getrokken, waarna het decorum zich fluks herstelt. Zijn vader waarschuwt hem naderhand uiterst zachtmoedig dat hij moet oppassen voor hoogmoed, wat zeker nodig is, want hij loopt al snel naast zijn schoenen van heiligheid. Een paar kleine jongens beginnen te klagen dat hij tijdens de dienst zijn tong naar hen uitsteekt, om hen eraan te herinneren dat hij als een van de heiligen nu ‘het brood breekt’, en zij lekker niet.

 

Zandtaartjes

Gosse’s toelating tot de gemeenschap der ‘heiligen’ heeft tot gevolg dat hij, zodra het nieuwtje eraf is, meer dan ooit wordt opgejaagd en onder druk gezet. Zijn kleine zonden nemen gigantische proporties aan. Als belijdend christen moet hij te allen tijde een voorbeeld voor anderen zijn en ‘te pas en te onpas’ over Jezus spreken. Het is voor hem evenwel eenvoudiger anderen te ontlopen of: “… als een hagedis door een heg te glippen en te verdwijnen in eenzaamheid…”. Zijn leven wordt wat losser als er een onderwijzer in het dorp komt wonen die in een paar kamers van zijn huis les gaat geven aan zo’n twintig jongens uit de omgeving. Junior wordt ook gevraagd. Onderweg uit school komt hij langs een vijver waar de harde klei uitnodigt tot het maken van geografische zandsculpturen: eilanden, een kust met havens, vuurtorens, forten. Hij voelt zich tot op het bot vernederd, als de smid, één van de ‘heiligen’, op een dag op de vraag van zijn vader of hij zijn zoon heeft gezien, antwoordt dat hij ‘zandtaartjes zit  te maken’. Iemand die het brood breekt ‘als een volwassene’!! “… ‘Zandtaartjes’, nota bene!...”.

 

Wereldvreemd

Gosse krijgt nog meer lucht als zijn vader hertrouwt met een bijzonder vriendelijke en elegante dame. Zijn nieuwe stiefmoeder pakt zijn zwakke gezondheid resoluut aan door hem bij het open raam te laten slapen en naar buiten te sturen. Ze stimuleert hem vrienden te maken, zodat hij al gauw een groep van een stuk of tien jongens om zich heen heeft, waar ze van alles voor organiseert. Ze houdt er ook een kleine bibliotheek op na, waardoor hij eindelijk in aanraking komt met fictie die er in de ogen van zijn vader mee door kan – dat dan wel weer: Walter Scott, Charles Dickens. Hij raakt er door begeesterd. Via zijn stiefmoeder maakt hij verder voorzichtig kennis met beeldende kunst. Zijn geestelijke bevrijding zet door. Als hij gevraagd wordt voor een spelletjesmiddag zit zijn vader daar zo mee in zijn maag dat hij tenslotte voorstelt er samen over te bidden, waarna hij na afloop vraagt wat de Heer heeft geantwoord. Zoonlief beweert boud dat de Heer heeft gezegd dat hij mag gaan: “… Mijn vader staarde me met sprakeloos afgrijzen aan…”. Volkomen wereldvreemd begint hij een bizar doodgraversgedicht te declameren als de kinderen op datzelfde feestje gevraagd wordt een leuk versje op te zeggen: “… ‘Dank je, schat, zo is het genoeg!’ onderbrak de dame met de krullen. ‘Maar dat is nog maar het begin,’ riep ik…”. Langzamerhand begint het Gosse op te vallen dat er toch wel heel vreemde figuren in de kerk zitten. Een meisje dat wordt gearresteerd omdat ze met haar parasol woest op de naakte Griekse beelden in Crystal Palace inslaat, waar haar oom en tante haar mee naartoe hebben genomen. Een man die er zeker van is dat hij de zonde tegen de Heilige Geest heeft begaan, dus niet meer te redden is. Zijn echtgenote die zijn geïmponeerde vader met haar ‘adderkleurige’ ogen strak aankijkt, terwijl ze hem over van alles en nog wat de les leest: de buitensporige liefde voor kleren van zijn echtgenote, zoonlief die ze met een groep onbekeerde jongens heeft zien lachen en praten. Toch wil Gosse absoluut niets weten over de aantijging ’hypocrisie’, waar veel buitenstaanders kerkgangers van betichten. Zijn ervaring is dat vrijwel alle christenen oprecht geloven, zij het doorgaans op een zeer onvolmaakte manier: het zijn net mensen. 

 

De kloof wordt breder

Op  een gegeven moment vindt zijn stiefmoeder dat hij oud genoeg is om naar een kostschool te gaan, “… en de kloof tussen mijn ziel en die van mijn vader werd nog iets breder…”. Ondertussen trekt senior zich steeds meer terug in zichzelf en wordt hij zelfs voor zijn echtgenote onbereikbaar. Elk verkoudheidje en griepje van zijn zoon ziet hij zo niet als een straf, dan toch als een waarschuwing van Gods hand dat junior op het verkeerde pad zit, wat dan weer een minutieus gewetensonderzoek vereist. Gosse kan onmogelijk meer geloven dat van alle miljarden mensen in de wereld alleen een klein groepje Plymouth-Broeders in Engeland de hemel zal bereiken. Hij stort zich opnieuw op het lezen van Gods Woord, nu om een andere uitleg te vinden dan die van zijn vader. De Schrift is dan ook het meest multi-interpretabele boek van de wereld, volgens mij. Op zeventienjarige leeftijd haalt Gosse zijn schooldiploma en gaat op kamers in Londen omdat hij een baan krijgt bij het British Museum. Zijn vader bestookt hem met bezorgde brieven. Een tot zijn eigen onthutsing groeiende afkeer van de Heilige Schrift begint zijn gedachten te beheersen.  De oorzaak is voornamelijk dat hij de inhoud inmiddels wel kan dromen. De Bijbel bergt geen enkel mysterie meer voor hem. Inspireert niet langer: “… Hij had het afgezaagde en voorspelbare van een verhaal dat je al honderd keer hebt gehoord. Ik verlangde naar iets nieuws, iets wat de nieuwsgierigheid bevredigde en verraste. Het interesseerde me niet of de feiten en leerstellingen van de bijbel waar of onwaar waren; ze waren me zo ingeprent en vertrouwd dat ze, zoals iemand het uitdrukte, ‘in de slaapzaal van de ziel aan bed gekluisterd lagen’ en geen enkele indruk op me maakten…”.

 

Break-out

In een zinderende epiloog beschrijft Gosse hoe hij thuis wordt vermalen in intellectuele zwaardgevechten. Wie is er opgewassen tegen zo’n geestelijke geweldenaar als zijn vader? Pa’s rigide en tactloze vroomheid vergallen al zijn vakanties. Gosse’s zwakke en op imitatie gebaseerde geloof geeft  langzaam de geest.  Op een dag slaan de stoppen door en oppert zoonlief in een heftige, jammerende smeekbede dat hij met rust gelaten wil worden, dat hij het recht opeist voor zichzelf te denken, en dat zijn nobele vader geen verantwoording schuldig is voor de geheime gedachten en intiemste overtuigingen van een eenentwintigjarige, waarna hij als een haas terugvlucht naar Londen. Er is maar één conclusie mogelijk: geloof kan niet worden opgelegd.

 

Uitgave: L.J. Veen – 1993, vertaling Eugène Dabekauusen & Tilly Maters, 271 blz.,  ISBN 978 902 546 952 8, € 18,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

maandag 30 september 2024

De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays – Jorge Luis Borges

 

Niets zo inspirerend als boeken over boeken. Zie onder andere “Lolita lezen in Teheran” van Azar Nafasi, “Kassa 19” van Claire-Louise Bennett en “De tedere verteller” van Olga Tokarczuk. Ze halen je uit je leesbubbel, schotelen je schrijvers voor waar je anders misschien wel nooit aan was begonnen of van af had geweten. De legendarische, vanaf de jaren vijftig vorige eeuw door een erfelijke ziekte blind geworden auteur Jorge Luis Borges (Buenos Aires, 1899 – Geneve, 1986), schreef imponerend veel over boeken. Hij was dan ook hoogleraar in de literatuur, voorzitter van de Argentijnse schrijversbond en twintig jaar directeur van de Nationale Bibliotheek. Een van zijn “Fantastische verhalen” gaat over de Bibliotheek van Babel, een ontzagwekkende ruimte waarin alle denkbare boeken in alle talen aanwezig zijn. Als eerbetoon liet Umberto Eco daarom een belangrijke rol in zijn historische detectiveroman “De naam van de roos” vervullen door ene Jorge de Burgos, de blinde beheerder van een kloosterbibliotheek in de Ligurische Apennijnen. Borges was vooral een ‘meester van de korte baan’, zijn werk bestaat enkel uit gedichten, verhalen en essays - hij publiceerde geen romans. Zijn surrealistische c.q. metafysische inslag maakte hem tot een duizelingwekkende ‘mysticus zonder God’, want hij was niet gelovig. God is evenwel alom aanwezig in zijn werk. Borges’ eigen verklaring hiervoor: “… ieder ontwikkeld mens is een theoloog…”. De bundel essays die ik bespreek bestaat uit drie door Barber van de Pol vertaalde delen: “De geschiedenis van de eeuwigheid” (1985), “De cultus van het boek” (1990) en “Zeven avonden” (1983).

 

Het universum vraagt om eeuwigheid

Het eerste essay, “De geschiedenis van de eeuwigheid”, is gelijk het moeilijkste, vind ik. Het gaat over de verhouding tijd/eeuwigheid die Borges uiteenzet naar aanleiding van de “Enneaden” van de Griekse filosoof Plotinus en de “Belijdenissen” van kerkvader Augustinus. Voor Borges is het probleem van de  eeuwigheid ‘een mysterieuze vrucht van het menselijk brein’. Maar, “… als tijd een mentaal proces is, hoe bestaat het dan dat duizenden mensen, of al waren het er maar twee, dat delen?...” (wel, zegt de Bijbel, God heeft de eeuw in het hart van de mens gelegd – Prediker 3:11). “… Het universum vraagt om eeuwigheid…”, aldus Borges. De tijd zou een verbrokkelde kopie van de eeuwigheid kunnen zijn, legt hij aan de hand van de Platoonse archetypen uit. Zie bijvoorbeeld de eeuwige Leeuwheid ‘vermenigvuldigd in de spiegels van de tijd’.  Over Augustinus’ Heilige Drieëenheid: “… Op het eerste gezicht komt het denkbeeld van een vader, een zoon, en een geest, verbonden binnen een enkel organisme, over als een geval van verstandsverbijstering, een gedrocht dat alleen kan zijn gebaard door de gruwel van een nachtmerrie…”. En ik weet van mensen die daar teveel over nadachten en er inderdaad gek van zijn geworden. Maar: “… Als de Zoon niet ook de Vader is, is de verlossing geen rechtstreeks werk van God; als Hij niet eeuwig is, zal ook Zijn offer, Zijn afdaling tot mens en Zijn dood aan het kruis, dat niet zijn…”.  Enfin, “… Voor een christen valt de eerste seconde van de tijd samen met de eerste seconde van de Schepping…”. Het gaat ons menselijk bevattingsvermogen ten enenmalen te boven ‘zinneloos en vruchteloos te tobben over de staat van de Heer vóór Hij de wereld schiep’. Borges vertelt over een ‘eeuwigheidservaring’ die hem ooit overkwam en concludeert dat de eeuwigheid gevoelsmatig misschien makkelijk te beleven is, maar op verstandelijk vlak echter zeer moeilijk te beredeneren.

 

De kenningar

Borges’ tweede essay behandelt de zogeheten ‘kenning’, meervoud ‘kenningar’, dichterlijke omschrijvingen in de Oudgermaanse en Keltische literatuur. Op de een of andere manier lijkt het erop dat de oude zangers zich schaamden voor letterlijke herhaling en zich liever uitputten in varianten, vergelijkingen en metaforen, wat maakt dat het lezen van de raadselachtige verzen erg moeilijk is voor een leek. Zomaar wat grappige voorbeelden: zeepijlen staan voor haringen, zwijn van de vloed staat voor walvis, bos van de kaken staat voor baard, zwaardenstorm staat voor veldslag, appel van de borst staat voor hart, paard van de heks staat voor raaf, rotsen van de woorden staan voor tanden, roeispaan van het bloed staat voor zwaard, weide van de meeuw staat voor zee, paard van de zeerover staat voor schip, stenen van het gelaat staan voor ogen, rust van de lansen staat voor vrede, ravenvoedsel staat voor kadaver, de IJzeren staan voor de goden. “… In de “Beowulf” – die dateert van 700 -, is de zee de straat van de zeilen, de straat van de zwaan, de drinkkom van de golven…”. In de heiligenlevens van de negende eeuw is de zee “… het bad van de vis, de route van de zeehonden, de vijver van de walvis…”. Toen Borges klein was, kreeg hij van zijn vader een vertaling van de “Völsunga-saga”, een oude sage die deels gebaseerd is op de “Edda”,  een verzameling Noordse teksten waar hij door gefascineerd raakte. Hij haalt de “Proza-edda” aan, een overgeleverd traktaat van de goed opgeleide IJslandse historicus en dichter (skald) uit de vroege 13e eeuw: Snorri Sturluson. Het verhaalt over een avontuur van Aegir of Hler, een doorknede tovenaar, die de goden in de vesting Asgard een bezoek brengt. Borges: “… Toen de avond viel, liet Odin zwaarden brengen waarvan het staal zo glanzend gepolijst was dat verder licht overbodig was. Hler sloot vriendschap met zijn tafelbuur, de god Bragi, een bedrevene in de welsprekendheid en de metriek. Een machtige hoorn mede ging van hand tot hand en ondertussen spraken mens en god over poëzie. De laatste vertelde welke metaforen je hoort te gebruiken. Die goddelijke catalogus dient mij nu van advies…”.

 

Eeuwige terugkeer

Vervolgens schrijft Borges over het idee van de ‘Eeuwige Terugkeer’ van Nietzsche: de filosoof wilde mensen die in staat zijn de onsterfelijkheid te verdragen. Borges gelooft er niet in. Alleen al vanwege de wetten van de thermodynamica. Warmte en licht zijn vormen van energie. Licht gaat geleidelijk op in warmte. Dit proces is echter niet omkeerbaar: “… de wereld wordt, met de minuut, minder zichtbaar. En ook minder zwaar. Ooit zal zij slechts warmte zijn: evenwichtige, bewegingloze, gelijkmatige warmte. Dan zal zij dood zijn…”. Augustinus wijdt eveneens verschillende hoofdstukken in “De Civitate Dei” aan deze volgens hem verfoeilijke leer, die ook verkondigd werd door de stoïcijnen en pythagoreeërs. Het is een smadelijke gedachte dat de Logos als een kunstenmaker aan het kruis sterft, in een eindeloze reeks voorstellingen. De dood verliest door ontelbare herhalingen alle waardigheid. “… Augustinus spot met de ijdele wentelingen en benadrukt dat Jezus de rechte weg is die ons helpt aan de cirkelvormige doolhof van zulke dwalingen te ontsnappen…”.

 

Fictie

Het eerste fictieve verhaal waar Borges zijn roem aan te danken heeft, is een bespreking van de politieroman “The approach to al-Mu’tasim” geschreven door de advocaat Mir Bahadoer Ali uit Bombay. Alleen bestaat het niet. Boek, schrijver en citaten stammen uit de koker van Borges zelf. Het draait om een allegorie rond een ongelovige student die terechtkomt bij mensen van het allerlaagste allooi, maar bij een van die walgelijke sujetten toch iets ‘verlichts’ opmerkt. Waar komt dat vandaan? De student komt tot de mysterieuze overtuiging dat iemand deze zwakke reflex van ‘goedheid’ in de misdadiger moet hebben achtergelaten. Een onverzadigbare zoektocht naar deze verheven figuur vangt aan. Aanvankelijk is het spoor vaag: een glimlach, een woord. Naarmate ze al-Moe’tasim beter hebben gekend, wordt het goddelijk deel in de ondervraagden groter: de glans van de rede, de verbeelding en het goede neemt toe.  Na vele jaren komt de student in een galerij ‘met achterin een deur en een goedkope mat vol kralen en daarachter een gloed’. Een mannenstem vraagt hem verder te komen. De student schuift het gordijn opzij en doet een stap naar voren. Op dat punt eindigt de roman: “… al-Moe’tasim is een embleem van God en de stipte routes van de held zijn op de een of andere manier de vorderingen van de ziel bij haar mystieke klim…”.

 

De kunst van het schelden

Het laatste hoofdstuk van “De geschiedenis van de eeuwigheid” is een (literaire) verhandeling over ‘de kunst van het schelden’. Hij heeft het over de ‘mooie’ scheldtirades van Groussac, Swift, Johnson en Voltaire. De titel ‘mijnheer’ kan heel kleinerend werken zodra het gedrukt staat. ‘Doctor’ is ook zo iets vernietigends. Borges heeft het over pasklare beledigingen als artikelen ‘produceren’ en boeken die worden ‘afgescheiden, gewrocht en gebrouwen’. Een van de satirische tradities is de radicale omkering van begrippen: de arts die dood en verderf zaait, de notaris die steelt, de beul die graag heel oud wordt, de wandelende Jood die verlamd is, de kleermaker die aan naaktlopen doet, de kannibaal die van rabarber houdt. Een variant is het onschuldige zinnetje, waarin zogenaamd wordt aanvaard wat in feite wordt vernietigd: “… Betoverend, de laatste film van de ingenieuze regisseur René Clair. Tot ze ons wakker maakten…”. De briljantste belediging die Borges kent: “… De goden duldden niet dat Santos Chocano de galg bezoedelde, door eraan te sterven. Hier staat hij, levend en wel, na de slechtheid te hebben uitgeput…”.

 

Boekverbranding

In deel twee, “De cultus van het boek”, gist Borges naar de reden waarom keizer Shih Hwang Ti, tijdgenoot van de oorlogen van Hannibal, tegelijk de Chinese Muur liet bouwen en alle boeken verbranden die voor zijn tijd geschreven waren. “… Drieduizend jaar telde de Chinese tijdrekening (en daarbinnen de Gele Keizer, Tsjwang-tze, Confucius, Laotze) toen Shih Hwang Ti gelastte dat de geschiedenis met hem moest beginnen…”. Hij had zijn moeder verbannen omdat ze zich losbandig gedroeg. Wilde hij de canonieke boeken verbranden teneinde één enkele herinnering uit te wissen? De schande van zijn moeder? Evenzo liet een koning, in Judea, alle kinderen vermoorden teneinde één kind te doden.

 

God ín ons

Mijn ziel heb ik altijd bijna lijfelijk ervaren als een soort gouden bal die tegen mijn middenrif stuitert, vol licht, waarin God woont. Ik ben voorwaar niet de enige. Borges vertelt hoe deze ‘bol’ in allerlei hermetische boeken ‘haast voelbaar’ wordt omschreven. Zeshonderd jaar voor Christus stelde Xenophanes van Colophon de Grieken al één enkele god voor: de eeuwige bol. Veertig jaar later herhaalde de dichter Parmenides dit beeld: “… Zijn is gelijk aan de massa van een volmaakt ronde bol waarvan de kracht vanuit het middelpunt naar alle kanten constant is…”. Even verder: “… Voor de middeleeuwse mens was de betekenis duidelijk: God zit in elk van zijn schepselen, maar geen van hen begrenst Hem…”. Giordano Bruno schrijft dat de goddelijkheid nabij is “… want meer in ons dan wijzelf…”. Met andere woorden: ons ego is heel wat anders dan onze kern (onze ziel, onze geest, ons hart, de gouden bal in ons, of hoe je dat dan ook mag noemen).

 

Archetype

Borges stelt dat hij persoonlijk probeert tot het gilde te behoren dat het bovennatuurlijke afwijst, maar hij verkeert voortdurend op de drempel. Zie de Engelse dichter Coleridge die ooit schreef: “… Stel iemand liep in zijn droom door het Paradijs, en ze gaven hem een bloem als bewijs dat hij daar was geweest, en bij het wakker worden vond hij die bloem in zijn hand… wat dan?...”. Uitgebreid schrijft Borges over het idee dat alle schrijvers in feite één archetypische auteur zijn omdat ze hetzelfde denkbeeld uitwerken. De profetische ziener Jesaja ‘zag’ een toekomstige gebeurtenis: de verwoesting van Babylon. Wells zette op vernieuwende wijze een toekomstroman op poten: “The Time Machine”. Henry James maakte dit concept nog ingewikkelder door in zijn onvoltooide roman “The Sense of the Past” terug te reizen in de tijd.

 

Inspiratie

Coleridge vertelt dat hij na het lezen van een passage van Purchas over de bouw van het paleis van de Mongoolse keizer Kubla Khan in slaap viel en een gedicht van ongeveer driehonderd verzen ingegeven kreeg. Zie zijn werk “Kubla Khan”. Onverwacht bezoek verstoorde de messcherpe herinnering van zijn visioen op zo’n acht à tien regels na. Swinburne beschouwde dit bewaard gebleven fragment als het hoogste voorbeeld van 'de muziek van het Engels': wie dit kon analyseren kon ook een regenboog analyseren. Het gekke is dat keizer Kubla Khan het ontwerp van zijn paleis ook weer in een droom had gezien! Dit zijn zeker geen unieke gevallen. De musicus Giuseppe Tartini droomde dat de duivel een wonderbare sonate speelde op zijn viool waarna hij het “Trillo del Diavolo” componeerde. Robert Louis Stevenson zag de plots van “Olalla” en “Jekyll and Hyde” in een droom. De geschiedschrijver Beda vertelt over de primitieve herder Caedman die de eerste gewijde dichter van Engeland werd. Hij kon niet eens lezen. In zijn droom gaf een stem hem de opdracht de oorsprong van de geschapen dingen te bezingen: “… Toen zei Caedmon verzen die hij nooit eerder had gehoord…”. Ten overstaan van de monniken uit het nabije klooster van Hild reproduceerde hij de dichtregels. De monniken verklaarden hem passages uit de Bijbelse geschiedenis en hij “… herkauwde ze als een rein dier en veranderde ze in wonderzoete verzen, en zo zong hij de schepping van de wereld en van de mens, het hele verhaal van Genesis, de Exodus van Israëls kinderen en hun aankomst in het beloofde land, en vele andere voorvallen uit de Schrift, en de menswording, het lijden, en de uitstorting van de Heilige Geest en de prediking van de apostelen, en ook de verschrikkingen van het Laatste Oordeel, de gruwel van de hellestraffen, de hemelse zaligheden en de goedertierenheid en toorn van God…”. Hij voorspelde ook nog zijn eigen dood.

 

Had Adam een navel?

Een hoofdstuk gaat over de Britse soldaat, luchtvaartingenieur en filosoof J.W. Dunne die “An Experiment with Time” schreef. Daarin postuleert hij dat de toekomst al bestaat en onze levens als sterfelijke rivieren door de kosmische tijd dan wel eeuwigheid stromen. Zie bijvoorbeeld het fenomeen ‘waarschuwende dromen’. Volgens de “Legende aurea” is het hout van het Kruis afkomstig van de verboden Boom in het Paradijs. Volgens sommige theologen werd Adam op dezelfde leeftijd geschapen waarop Jezus stierf: drieëndertig jaar. Had Adam derhalve een navel? Ja, stelt de fundamentalistische vader van Edmund Gosse in de roman “Father and Son”. Na diens gesprek met Darwin bedacht Gosse senior dat God de wereld moet hebben geschapen met alle sporen van een langer verleden. Weliswaar een sluitende oplossing maar het maakt de wetenschap tamelijk zinloos. Borges steekt de loftrompet af over Quevedo, ‘de beste vakman van de Spaanse letteren’, en zijn ‘bruuske theologische magie’: “… Met de twaalf gedineerd: ik was het maal…”.

 

Nathaniel Hawthorne

Borges schrijft een prachtig stuk over Nathaniel Hawthorne, de auteur van “The Scarlet Letter”, die in 1804 in de haven van het puriteinse Salem, een stad in verval, werd geboren. Zijn vader, een kapitein, stierf in 1808 in Suriname aan de gele koorts. Een van zijn voorvaders, John Hawthorne, was rechter geweest tijdens de heksenprocessen van 1692 waarbij negentien vrouwen, onder wie de slavin Tituba, tot de strop werden veroordeeld. Tijdens die zonderlinge processen blonk deze Hawthorne zo uit in het martelen van heksen dat Nathaniel bang was dat er een smet op zijn familie kleefde: “… Ik weet niet of mijn voorouders berouw hebben gehad en God hebben gesmeekt om erbarmen; ik doe het alsnog, namens hen, in de hoop dat iedere vloek die over ons geslacht mag zijn gekomen vanaf nu is weggenomen…”. Toen zijn vader stierf trok zijn moeder zich terug op haar slaapkamer op de eerste verdieping waar ook de kamers van zijn twee zussen lagen. Nathaniel bivakkeerde op de bovenste verdieping. Ze aten niet samen en spraken elkaar nauwelijks. Het eten werd op een blad voor hun deur gezet. Nathaniel bracht zijn teruggetrokken dagen door met het schrijven van fantastische verhalen, wat hij twaalf jaar volhield (daarna trouwde hij). Aan Longfellow schreef hij dat hij zichzelf had opgesloten in een kerker waarvan hij de sleutel kwijt was. Op zijn zesde las hij Bunyan's “Pilgrim’s Progress”. Van zijn eerste geld kocht hij “The Faerie Queene”. Allebei allegorieën. Zijn werk is ook een beetje allegorisch. Sommige schrijvers denken in beelden, anderen in abstracties. “… Hawthorne was iemand met een gestadige, curieuze fantasie maar hij was, om zo te zeggen wars van denken. Niet dat hij dom was: ik bedoel dat hij dacht in beelden, intuïtief, zoals vrouwen plegen te doen, niet via een dialectisch mechanisme…”. Hawthorne’s vertrekpunt is meestal een situatie, geen karakter. Daarom zijn Hawthorne’s verhalen knapper dan zijn romans, aldus Borges. Vervolgens analyseert hij de zonderlinge geschiedenis van ‘Wakefield’ uit de “Twice-Told Tales”, dat Hawthorne gebaseerd zou hebben op een verhaal in de krant over een man die zijn woning uitliep om zich twintig jaar schuil te houden in een huis om de hoek, van waaruit hij zijn vrouw bespioneerde. Na die twintig jaar keerde hij doodgemoedereerd terug alsof er niets aan de hand was en gedroeg zich verder als een voorbeeldige echtgenoot. Hawthorne brengt het een beetje als een Oblomov-verhaal. De man vindt het leuk zijn vrouw met onschuldige mystificaties op te zadelen, stelt zijn terugkeer steeds  uit, en voor hij het weet is hij twintig jaar in ballingschap. Na tien jaar komen ze elkaar wel een keertje tegen, kijken elkaar zelfs in de ogen, maar de man is zo veranderd dat zijn vrouw hem niet herkent. Het doet me denken aan de film “Een schitterend gebrek” die ik tijdens de Film by the Sea-dagen heb gezien, waarin de vrouwenversierder Casanova zijn grote liefde ook niet herkent. Bij mij kwam het bijna ongeloofwaardig over, ook al bedekte zijn lief haar gezicht gedeeltelijk met een soort masker.

 

Puriteinse wereld

Hawthorne’s puriteinse achtergrond speelt hem nogal eens parten door de neiging een moraal aan zijn verhaal toe te voegen. Zijn kunst staat in dienst van het geweten. Volgens Borges leidt de wereld van Hawthorne vanzelf naar de wereld van Melville en de wereld van Kafka: “… Een wereld van raadselachtige straffen en duistere schulden. Men zal zeggen dat dat niets bijzonders is, want de wereld van Kafka is het jodendom, en die van Hawthorne de toorn en vergelding van het Oude Testament…”. Voor Hawthorne is het hart ook een ‘kleine, onbegrensde bol’, maar dan gevuld met donkere erfzonde waarvan de misdaad en misère op aarde de symbolen zijn. Hawthorne laat zich meeslepen door de calvinistische doctrine van de ingeboren slechtheid van de mens. Hij ervaart de hel als ‘een duistere afgrond onder ons’. Een ‘dunne plaat’ scheidt de levenden van dit onderaardse: “… Er is geen aardbeving voor nodig om die plaat te breken; je hoeft er maar iets te zwaar je voet op te zetten. We moeten er heel voorzichtig op stappen. Vroeg of laat zakken we er doorheen…”. Het thema in Hawthorne’s “The Marble Faun” is de put, afgrond of mond van de hel die, volgens de Latijnse geschiedschrijvers, midden op het Forum ontstond en waarin zich, in de diepte, een gewapende Romeinse ruiter stortte om de goden gunstig te stemmen. Een van Hawthorne’s personages gelooft dat iedereen wel eens in zo’n kloof kijkt, “… op momenten van somberheid en neerslachtigheid, dus van intuïtie…”. Hawthorne heeft het over zijn kamer waar hij ‘duizenden en nog eens duizenden visioenen’ had. Hij was een dromer. Bij Poe nam de droom de vorm aan van een nachtmerrie.

 

God theologiseert niet

Walt Whitman, Paul Valéry, en Edward FitzGerald komen voorbij. Over Oscar Wilde: “… Zijn perfectie heeft hem benadeeld; zijn werk is zo harmonieus dat het vanzelfsprekend en zelfs alledaags kan lijken…”. Chesterton was geen Poe of Baudelaire vanwege zijn katholicisme, beargumenteert Borges: “… Elk deel van de ‘Father Brown Saga’ presenteert een mysterie, oppert verklaringen van demonische of magische aard en vervangt ze, aan het eind, door andere van deze wereld…”.  Oftewel een redelijke verklaring. Borges wijt dat aan ‘het credo’ dat ‘de laatste term is van een reeks mentale en emotionele processen en dat een mens bestaat uit de hele reeks’. Van duisternis naar licht zal ik maar zeggen. Mooi gevonden toch?! Aan de hand van de boeken van H.G. Wells: “… Werk dat stand houdt, leent zich altijd tot een oneindige, plastische dubbelzinnigheid; het is alles voor iedereen…”. Zie de apostel Paulus: “… het is een spiegel die de trekken van de lezer verklaart en het is ook een wereldkaart…”. De manier waarop het dat is moet onwetend schijnen, bijna in weerwil van de auteur; deze moet onbewust lijken van ieder symbolisme: “… De geplaagde onzichtbare man die als het ware met open ogen moet slapen omdat zijn oogleden het licht niet buitensluiten, staat voor onze eenzaamheid en onze angst; het geheim conclaaf van monsters die in de nacht een slaafs credo mompelen, staat voor het Vaticaan en Lhasa…”. De auteur mag nooit gaan redeneren, dat ondermijnt het kortstondige geloof in zijn kunst, maar alwetend lijken. De werkelijkheid ontrolt zich via feiten, niet via redeneringen. Daarom accepteren wij het dat God van zichzelf zegt dat Hij ‘Ik ben die Ik ben’ is. God theologiseert niet. En verder: “… Mensen die zeggen dat kunst geen doctrines mag propageren, bedoelen doorgaans doctrines die tegengesteld zijn aan de hunne…”.

 

Gegrom en gegil

Uitgebreid behandelt Borges het prozawerk “Biathanatos” van John Donne (1572 – 1631). Donne had het barokke idee dat alle elementen op de aardbol op wat voor manier dan ook dienstig waren aan de vrijwillige dood van Jezus. Misschien was het ijzer geschapen voor de spijkers. “… Voor de christen vormen Christus’ leven en sterven de centrale gebeurtenis in de wereldgeschiedenis; de voorgaande eeuwen bereidden haar voor, de navolgende weerspiegelden haar…”. Donne beargumenteert dat zelfmoord geen doodzonde is. Zie Simsons woorden voordat hij wraak nam: “… Dat ik met de Filistijnen sterve (Richteren 16:30)…”, in wie Donne een embleem van Christus zag, die zei “… ik zet mijn leven in voor de schapen… (Johannes 10:15)…”. Blaise  Pascal (1623 – 1662), de schrijver van de beroemde “Pensées” was geen mysticus, volgens Borges: “… God interesseert hem minder dan de weerlegging van hen die Hem loochenen…”. Pascal ziet de hemel als beloning en de hel als straf. Voor mystici als Swedenborg en Boehme zijn de hemel en de hel staten waar de voorkeur van de mens zélf naar uitgaat. John Wilkins (1614 – 1672) was een huiskapelaan die een nieuwe taal bedacht. Volgens Borges schreef Chesterton echter de scherpzinnigste woorden over taal: “… De mens weet dat er in de ziel tinten bestaan, verbijsterender, talrijker en naamlozer dan de kleuren van een herfstbos. Toch denkt hij dat die tinten, in al hun schakeringen en melanges, precies zijn weer te geven via een willekeurig mechanisme van gegrom en gegil…”.

 

Racisme

“… Zoveel is zeker…”, schrijft Borges, “… dat iedere schrijver zijn voorlopers creëert…”. Sinds Kafka herkennen we het ‘kafkaiaanse’ in Lowrie (“Kierkegaard”), Browning (“Fears and Scruples”) en Léon Bloy (“Histoires désobligeantes”). Hij heeft het over de nachtegaal van John Keats en de tijger van William Blake. “… Geen mens weet wie hij is...”, beargumenteerde Léon Bloy, aldus Borges. Borges vindt het ongelooflijk dat Wells geen nazi was, want vrijwel al zijn tijdgenoten waren het, ook al ontkenden ze het of wisten ze het niet. Iedereen vond zijn eigen land buitengewoon: “… Zelfs de mannen van de hamer en de sikkel bleken racist…”. Zie de wijze woorden van Mark Twain: “… Ik voor mij vraag me niet af van welk ras iemand is; het is voldoende dat hij een mens is; iets ergers kan niemand zijn…”. Borges bespreekt “Vathek” de ‘unmeimliche’ roman van William Beckford (1760 – 1844). En “The Puple Land” van William Henry Hudson ((1841 – 1922), “… een van de weinige gelukkige boeken die er op aarde bestaan…”.

 

Niets en Niemand

“… Eén ding zijn betekent onverbiddelijk alle andere dingen niet zijn; vage intuïtie van die waarheid bracht de mensen er toe te denken dat het niet zijn meer is dan iets zijn en dat het, op de een of andere manier, alles zijn is…”. Volgens Johannes Eriugena of Scotus (ca. 800 – 877), dat wil zeggen John de Ier, zijn alle afzonderlijke dingen openbaringen of verschijningen (theofanieën) van het goddelijke en erachter zit God. God is meer dan wijs en meer dan goed. Daarom neemt John de Ier zijn toevlucht tot het woord ‘nihilum’: “… Hij is Niets en Niemand…”. Even verder: “… de filosofie van Heidegger en Jaspers maakt van elk van ons de interessante participant aan een onophoudelijke dialoog met het niets of met de godheid; deze leerstelsels, in formeel opzicht mogelijk bewonderenswaardig, koesteren de ik-illusie die door de Vedanta als hoofdzonde is verworpen…”. Borges vertelt dat namen in het primitieve en magische denken vaak geheim werden gehouden zodat anderen geen macht over je konden krijgen. Ik bedacht plotseling dat dat ook de reden moest zijn waarom wij vroeger onze onderwijzers en andere ‘over ons gestelden’ niet bij de voornaam noemden. 

 

De Divina Commedia

Het laatste deel, “Zeven avonden”, bestaat uit voordrachten die Borges met overwinning van enorm veel schroom heeft gehouden. “… Hij sprak langzaam, met veel haperingen, zachtjes; hij hield de hele tijd zijn handen gevouwen als in gebed. ‘Ik bad vast en zeker dat het plafond niet naar beneden zou komen,’ was zijn commentaar onlangs…”. Even verder: “… ‘De waarheid is dat ik als de dood was,’ voegde hij er aan toe…”. De eerste avond behandelt hij de “Divina Commedia” van Dante, dat we volgens hem allemaal moeten lezen omdat het het ‘beste geschenk is dat de literatuur ons kan geven’. “… Een hedendaagse roman heeft vijfhonderd of zeshonderd pagina’s nodig om te zorgen da wij iemand leren kennen. Dante heeft aan een enkel moment genoeg…”. Borges zegt prachtige dingen, zoals dat Jezus ontbreekt als personage in de Commedia, wat me nooit is opgevallen. Hij noemt Francesca (van Paolo) die het over ‘de Koning van het universum’ heeft omdat ze geen God mag zeggen: die naam is in de Hel en op de Louteringsberg verboden. Ze is nog steeds verliefd op Paolo, want berouw is not done in de Hel. Voelbaar is dat Dante hun lot benijdt. Zelf heeft hij de liefde van zijn beminde Beatrice nooit verworven. “… Iedereen wordt in een enkel ogenblik van zijn leven voor altijd bepaald, een moment waarop de mens zichzelf voor altijd vindt…”, aldus Borges. Dit is het moment van Dante. Borges heeft het over de heldhaftige Odysseus, die tegen zijn gezellen zegt “… dat zij mensen zijn, dat zij geen beesten zijn; dat zij geboren zijn voor moed, voor kennis; dat zij geboren zijn om te leren kennen en begrijpen…”, en toch gestraft wordt. Waarom? Omdat hij het lef heeft het verbodene, het onmogelijke te onderzoeken. Zie kapitein Ahab in “Moby Dick” van Herman Melville. Voelde Dante zichzelf een Odysseus? Dante schrijft dat het niemand geoorloofd is te weten wat de oordelen van de Voorzienigheid zijn, maar hij doet in zijn gedicht niet anders dan ons de verdoemden en uitverkorenen tonen. Hij moet geweten hebben dat hij gevaarlijk bezig was; hij liep vooruit op Gods ondoorgrondelijke raadsbesluiten. Eigenlijk ging hij op de stoel van God zitten.

 

Nachtmerries

De tweede avond gaat over de nachtmerrie in de literatuur: “… Ik neem een van de woorden: zeg, ‘incubus’, Latijn, of ‘nightmare’, Engels of ‘Alp’, Duits. Ze suggereren allemaal iets bovennatuurlijks. Goed dan. En als nachtmerries eens strikt bovennatuurlijk waren? Als nachtmerries eens barsten in de hel waren? Als we in nachtmerries eens letterlijk in de hel waren? Waarom niet? Alles is zo vreemd dat zelfs dat mogelijk is…”.

 

Duizend-en-één-nacht

In de vijftiende eeuw werd in Alexandrië een serie fabels verzameld met volgens Borges één van de mooiste titels van de wereld: “Duizend-en-één-nacht”. Even getallen brachten ongeluk, dacht men bijgelovig, vandaar. “… Je hebt zin om in de “Duizend-en-één-nacht” op te gaan; je weet dat je als je het boek binnengaat je armzalige mensenlot kunt vergeten…”. Het is het werk van duizenden auteurs, waaronder zekere mannen van de nacht, ‘confabulatores nocturni’, die verhalen vertelden voor de slapelozen, wat rond 1850 in Caïro heel gewoon was. Op de derde avond vergelijkt Borges de vele vertalingen van de “Duizend-en-één-nacht”. In “Geschiedenis van de eeuwigheid” schreef hij dat volgens hem de voornaamste vraag in de negentiende eeuw was hoe de heren te amuseren met een feuilleton uit de dertiende eeuw, want de “Nachten” waren hier en daar ongelooflijk taai. Er blijken allerlei meer of minder gekuiste versies te bestaan. “… De erotische mogelijkheden van het origineel ontduiken, is geen zonde die de Heer niet vergeeft, zeker niet als het er in de eerste plaats op aan komt de magische sfeer te treffen…”, oordeelt Borges. Toch wil hij wel gezegd hebben dat de oude liefdesverhalen uit de woestijn of in de steden van Arabië niet obsceen zijn, “… net zomin als enig werk uit de preïslamitische literatuur dat is. Ze zijn hartstochtelijk en treurig, en een van de favoriete motieven is de dood uit liefde, een dood die naar het oordeel van de oelema’s niet minder heilig is dan die van de martelaar die zijn geloof uitdraagt…”. In 1704 verscheen de eerste Europese vertaling, wat nogal een schandaal was in de eeuw van de rede:  “… laten we denken aan die mooie zin van Fénelon: ‘Van de werkingen des geestes, is de rede de minst frequente’…”. Met de Romantiek trad het Oosten volop binnen in het bewustzijn van Europa. In de “Nachten” zitten ook westerse echo’s. De avonturen van Sindbad de Zeeman zijn af en toe identiek met die van Odysseus. Arabieren zeggen dat niemand de “Duizend-en-één-nacht” tot het eind uit kan lezen. Het zijn verhalen die zich afspelen in de ‘Oriënt’, wat op zich al zo’n mooie uitdrukking is dat we die er vooral in moeten houden. Er zit het woord ‘oro’, ‘goud’ in. “Duizend-en-één-nacht” is een wereld van uitersten: personen zijn heel gelukkig of heel ongelukkig, heel rijk of heel arm. Bovendien is er het begrip ‘verborgen schatten’. Iedereen kan ze vinden. En dan is daar nog de ‘magie’. Wat is magie?  

 

Boeddhisme

De vierde avond heeft het boeddhisme en haar ‘vreemde verdraagzaamheid’ als onderwerp. “… Het boeddhisme gelooft dat ascese waarde kan hebben, maar nadat het leven is beproefd. Ze denken niet dat iemand zich al meteen iets moet ontzeggen. Je moet het leven tot de bodem ledigen en er vervolgens in teleurgesteld raken; maar niet zonder het te kennen…”. Borges: “… Het is bekend dat Boeddha wonderen kon verrichten, maar hij had, evenals Jezus, een hekel aan wonderen. Dat kwam hem voor als vulgair vertoon…”. Volgens Borges gaat het in het boeddhisme vooral om ‘karma’. Daarom verzette Gandhi zich tegen de bouw van ziekenhuizen: het vertraagt de betaling van schuld. In de boeddhistische kloosters worden neofieten onderworpen aan een zeer strenge tucht om zich te trainen in ‘onwerkelijkheid’: “… Als wij eenmaal begrijpen dat het ik niet bestaat, zullen wij niet denken dat het ik gelukkig kan zijn of dat het onze plicht is het gelukkig te maken. Wij zullen tot een staat van kalmte geraken…”. Opgaan in het nirwana is uitgaan, uitdoven. Boeddhisten vergelijken het nirwana vaak met een eiland: “… Met een standvastig eiland te midden van de stormen…”. Soms ook wel met een hoge toren of een tuin.  Wanneer een christen gelooft in lichaam/ziel/geest lijkt mij het nirwana het equivalent van de geest.

 

Poëzie

De vijfde avond draait rond poëzie. Je vraagt je af of er nog steeds zoveel leesarmoede zou bestaan als Borges aan het hoofd van het Nederlandse leesonderwijs had gestaan: “… Waarom bestudeert u de teksten niet rechtstreeks? Als deze teksten u bevallen, mooi: als u ze niet bevallen, leg ze dan weg, want het begrip verplichte lectuur is absurd: dan kun je het net zo goed hebben over verplicht geluk. Ik geloof dat poëzie iets is dat je voelt, en als u de poëzie niet voelt, als u niet een sensatie van schoonheid heeft, als een verhaal niet het verlangen in u oproept te weten hoe het verder gaat, heeft de schrijver niet voor u geschreven. Leg het dan weg, want de literatuur is rijk genoeg om u enig auteur te bieden die uw aandacht waardig is, of vandaag uw aandacht onwaardig is maar dan leest u het morgen…”. Borges denkt dat het een vergissing is literatuur historisch te lezen, ook al kan dat misschien soms niet anders: “… ik heb mijn studenten geleerd van literatuur te houden, in literatuur een vorm van geluk te zien…”.   

 

De kabbala

De zesde avond gaat over de kabbala. Borges vermoedt dat de kabbalisten, om orthodox te blijven, verlangden gnostische en kathaarse denkbeelden in te lijven bij de Joodse mystiek, teneinde ze te rechtvaardigen met de Schrift: “… Men behandelt de Schrift als betrof het een cijferschrift, een geheimschrift, en er worden verschillende regels bedacht om haar te lezen…”. Hij vertelt over de tien ‘emanaties’ die voortvloeien uit het ‘eeuwige Wezen’: “… De tekst zegt dat zij corresponderen met de vingers van de hand…”. De tien emanaties vormen een mens die de Adam Kadmon, de Archetype Mens, heet. Die mens bevindt zich in de hemel en wij vormen zijn weerschijn. Uit die mens vloeien vier werelden voort. De derde is onze stoffelijke wereld en de vierde is de hel. Het is een beeld om te proberen het universum te begrijpen. Zie de gnostici die, vanwege astrologische redenen, geloven in driehonderdvijfenzestig emanaties. Gaandeweg neemt de goddelijkheid af. Het deel goddelijkheid van de god die hun wereld schept neigt naar nul. “… Zo’n absurde gedachte is dat niet; wij staan tegenover een eeuwig vraagstuk, namelijk dat van het kwaad, schitterend behandeld in het Boek Job, volgens Froude het meesterwerk van alle literaturen…”. Wij hebben dus de hogere Godheid en de lagere emanaties, van mindere goden die in de verte van God afstammen: “… Emanaties lijkt het onschadelijkste woord om God niet de schuld te geven; om de schuld, zoals Schopenhauer zei, niet bij de koning te leggen maar bij de ministers, en om die emanaties deze wereld te laten voortbrengen…”. Borges gaat door met filosofen die beargumenteren dat het kwaad nodig is voor ‘de verscheidenheid van de wereld’. Zie bijvoorbeeld de donkere plekken naast het licht op een doek van Rembrandt. Daarnaast heb je de denkers die menen dat God zich nog aan het ontwikkelen is : “… God is in the making…”. Verder heeft Borges het over de literatuur waarin kabbalisten voorkomen die veronderstellen dat als een rabbijn de geheime naam van God leert of ontdekt en hem uitspreekt boven een lemen mensenfiguur, deze tot leven komt en golem heet. Zie bijvoorbeeld Meijrinks beroemde roman “De Golem”.

 

Blindheid

De laatste avond praat Borges op een ontroerende manier vol over zijn blindheid. Vernedering, ongeluk, tweespalt worden ons gegeven om er een andere vorm aan te geven, meent hij, “… om van de miserabele omstandigheid die ons leven is eeuwige dingen te maken of dingen die dat aspireren te zijn…”. Als een blinde zo denkt, is hij gered, zegt hij. Wie leeft er meer met zichzelf? Wie kan zichzelf beter onderzoeken? “… Of, naar de socratische stelregel, wie kan zichzelf beter kennen dan een blinde?...”. Even verder: “… Voor het kunstenaarschap is blindheid niet helemaal een vorm van ongeluk: het kan een instrument zijn…”. Zie Homerus. Zie Milton. Zie James Joyce. Borges telt zijn zegeningen: “… Bovendien voelt de blinde zich omringd door ieders genegenheid. Mensen zijn altijd aardig tegen een blinde…”.

 

Uitgave:  De Bezige Bij - 2003, vertaling Barber van de Pol, 548 blz., ISBN  978 902 341 180 2

Bij bol alleen nog tweedehands verkrijgbaar: klik hier