Menu

zaterdag 9 december 2023

De Jacobsboeken – Olga Tokarczuk

 


Oftewel: “… Een grote reis over zeven grenzen, door vijf talen en drie religies, de kleine niet meegerekend. Verteld door de doden, en door de auteur aangevuld met behulp van conjunctuur, uit vele uiteenlopende boeken geput, alsmede geholpen door de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens. Voor de wijzen pro memorie, voor mijn landgenoten ter reflectie, voor de leken tot lering, voor de melancholici evenwel tot vermaak…”.

 

Een vriend die veel houdt van rebelse en ketterse figuren vroeg of ik “De Jacobsboeken” wilde bespreken. Zonder deze stok achter de deur weet ik niet of onderhavig artikel er wel was gekomen. De bijna duizend pagina’s Jacobsboeken doorspitten, was een gigantische, soms buitengewoon fascinerende, soms ronduit taaie onderneming. Het duurt wel een honderd bladzijden of wat voor je in de subwereld van de Poolse Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk thuis bent. Het is een duik in een ander universum, waar je moet wennen en integreren. Volgens haar hoort lezen en schrijven dan ook ‘een oefening in vreemdheid’ te zijn. Zie “De tedere verteller”, dat ik eerder recenseerde en waarin ze vertelt hoe de zeven Jacobsboeken tot stand zijn gekomen. De zure Poolse literatoren die Tokarczuks werk, omdat ze een vrouw is, laatdunkend hebben afgedaan als ‘menstruatieproza’, verklaar ik hierbij niet goed snik. De studie over christelijk antisemitisme van Anne-May Wachters (zie mijn vorige blog) vormde een goed fundament onder Tokarczuks magnum opus. Van Tokarczuk besprak ik ook de thriller “Jaag je ploeg over de botten van de doden”.

 

Van bovenaf

Olga Tokarczuk deed tien jaar onderzoek naar de Joodse pseudo-Messias Jacob Frank (1726-1791) die in Midden-Europa een eindtijdsekte met duizenden volgelingen aandreef. Voor negentig procent bestaat de roman dan ook uit geschiedenisfeiten, die ze aan elkaar breit via enkele verzonnen personages. Nachman, een slimme volgeling van het eerste uur, die alles wat hij ziet en hoort stiekem opschrijft, ook al dreigt Jacob hem op zijn smoel te slaan als hij dat merkt: “… De waarheid is dat Nachman zich niet kan inhouden. Het is als jeuk, het houdt pas op als hij de chaos van zijn gedachten tot zinnen om kan vormen. Het krassen van de pen maakt hem rustig…”. En de grootmoeder van Jacob Frank, Jenta, een Joodse matriarch die op haar sterfbed in een soort continue bijna-dood-ervaring belandt. Als een ondode, een geest, zweeft ze dwars door tijd en ruimte en ziet alles wat er gebeurt. ‘Van bovenaf’. Anne-May Wachters beschrijft het Polen van eertijds, de bakermat van het chassidisme, als een Jodencentrum. Tokarczuk laat zien dat de geschiedenis van Centraal Europa niet goed te begrijpen is zonder Joden. Zowel het orthodoxe Jodendom als de Kerk, met haar verzwegen antisemitische traditie, beschouwden de beweging van Jacob Frank als een vlek op hun blazoen. Een gebeuren dat ze daarom in de doofpot probeerden te stoppen. De afstammelingen van Jacob Frank, die de Poolse middenklasse van de 19de eeuw vormgaven, wilden assimileren en vergaten hun verleden ook het liefst. Dat Tokarczuk de geschiedenis weer oprakelde, is haar niet in dank afgenomen. Haar uitgever heeft bodyguards in moeten huren om haar te beveiligen tegen extreemrechtse nationalisten. Haar verhaal is vooral moeilijk omdat er honderden ‘rechtgelovigen’ in voorkomen die na hun doop ook nog eens een andere naam krijgen. Al die figuren genereren evenwel een caleidoscopisch beeld van Jacob Frank. Het is vooral een verhaal óver. Ook al is Tokarczuk van oorsprong psycholoog, nergens zit ze in het hoofd van ‘de Heer’, zoals zijn aanhangers hem noemen. Ik vind dat wel goed, want voor een buitenstaander is de charismatische en tegelijk despotische manipulatie van een narcistische sekteleider moeilijk, zo niet onmogelijk te doorgronden. Tokarczuk werd uiteindelijk schrijver omdat ze vond dat ze niet in de wieg was gelegd voor therapeut: ze achtte zichzelf nog gekker dan haar patiënten. Waarvan akte. Als eerbetoon aan het Jodendom zijn de bladzijden van haar boek van achteren naar voren genummerd. Verder is de roman rijkelijk voorzien van historisch beeldmateriaal.

 

Het boek van de mist

Bij tweede lezing viel me pas op met hoeveel humor het verhaal is geschreven. Het eerste deel heeft als titel ‘Het boek van de mist’: “… Mist is troebel water, er bewegen zich verschillende kwade krachten in die het denkraam van mens en dier vergiftigen…”. En inderdaad, er komen allemaal figuren voorbij die met duistere zaakjes bezig zijn. De aan boeken verslaafde geestelijke Chmielowski bijvoorbeeld, die zich in de mist stiekem naar een drukke marktdag in het doodarme Rohatyn (toen Podolië, nu Oekraïne) laat rijden, om te proberen Hebreeuwse werken te snaaien bij de Joodse handelaar Elisza Szor: “… Een priester in het huis van een Jood! Exotisch als een salamander…”. Evenals Diderot in het verre Frankrijk heeft hij het ‘verlichte’ idee opgevat een encyclopedie te schrijven die alle kennis van de wereld moet bevatten. Twee delen zijn klaar, die hij met Szor hoopt te ruilen voor een exemplaar van de geheimzinnige “Zohar”, waarin de mystiek van de kabbala wordt uitgelegd. Thuisgekomen blijkt hij te zijn afgescheept met een bundel Joodse volksverhalen. En wat te denken van de als kerels pijprokende slotvoogdes Kossakowska en haar gezelschapsdame Drużbacka, die op diezelfde marktdag pech krijgen met hun karos? De gezelschapsdame annex dichteres klampt voornoemde geschrokken priester aan en bijt hem toe: “… In hemelsnaam. Zegt u me alsjeblieft waar hier ergens het huis van starost Labeçki is! En mondje toe! Geen woord!...”. De gokverslaafde bisschop Soltyk maakt het helemaal bont. ’s Avonds trekt hij zijn kerkelijke gewaad uit, kleedt zich in plaatselijke vodden en zet een kap op zijn hoofd om in een herberg te gaan kaarten. Hij verpandt zelfs zijn bisschoppelijke insignia aan de Joden: “… Als dat bij ons wordt aangetroffen worden we levend gevild…”. Om van zijn schulden af te komen beticht de bisschop zijn geldschieters ten langen leste van de moord op een kind, waar ze bloed van hebben afgetapt voor  hun afzichtelijke rituelen (zie mijn vorige blog). Onder de opgepakte Joden die op een kar naar de folterplaats worden gereden, ontsnapt er één: Zelik

 

Primitief bijgeloof

Dokter Aszer Rubin, zo lang en mager dat hij eruit ziet als een ‘verticale streep’, vertelt dat het marktplein twee groepen Rohatynse Joden scheidt, die elkaar beschuldigen van de meest grove zonden en onderling een guerillaoorlog uitvechten. De rechtzinnigen die trouw zijn aan de Talmoed. De bijgelovige en primitieve ketters en afvalligen, die zijn verzonken in mystiek gebeuzel, zich behangen met amuletten, en een sluw, geheimzinnig lachje hebben, zoals de oude Szor. Ze geloven in de haveloze Messias Sjabtai Tsvi van honderd jaar geleden, negeren de sabbat, zijn overspelig en komen zelden in de synagoge, want de wereld is al verlost volgens hen. De geneesheer heeft het over Chaja, de getrouwde dochter van Szor, die in trance voorspellingen doet terwijl ze in de weer is met deegpoppetjes. Ze lijdt aan allerlei buitengewoon geheimzinnige aandoeningen die hij laat verdwijnen door met haar te praten, want de Szors hebben geen enkel vertrouwen in medicatie: “… Iedereen gelooft dat het komt door geesten, dibboeks, demonen dan wel balakaben ofwel kreupele wezens uit de onderwereld die schatten bewaken…”. Als het huis van Szor, vol van heinde en ver komende familieleden, in rep en roer verkeert vanwege de aanstaande bruiloft van één van zijn zonen, wordt de dokter bij een oude oma geroepen die op sterven na dood is. Jenta. De reis die ze achter de rug heeft, nekt haar. Ze hadden opoe thuis moeten laten, bromt de dok. Ze ziet eruit als een ‘verdroogde paddenstoel’. Ze hebben haar in wolvenhuiden gewikkeld omdat ze geloven dat de huid van een wolf verwarmt en krachten geeft. Hij kan niets voor haar doen. De plaatselijke wijzen vinden dat de bruiloft moet worden afgelast. Een begrafenis heeft voorrang. Maar daar wil de oude Szor niet aan. Midden in de nacht verrichten vader en dochter bij het licht van een kaars  een ingewikkeld ritueel, waarbij een minuscuul rolletje beschreven papier in een houten doosje ter grootte van een vingernagel wordt gestopt, dat ze om de hals van Jenta hangen. Als ze zijn verdwenen doet Jenta haar ogen open, betast de amulet, maakt hem open, pakt het papiertje en slikt het als een pilletje door. Met als gevolg de vreemde tussentoestand waarin ze raakt.

 

Het boek van het zand

Deel twee. Tijdens de schepping werd het ondermaanse gespleten in waterdruppels en zandkorrels: “… Nu zijn we aan de kant van het zand…”. Het behandelt de wereld van de handelskaravanen die vanuit Midden-Europa naar de Oriënt trekken om met de meest luxe handelswaren - specerijen, tapijten, edelstenen, tabak, zijde, koffie - en vooral ook nieuwe ideeën, terug te komen. Onderweg worden allerlei verbintenissen aangegaan. Komt men in de gekste bubbels terecht. Het lijkt het huidige internet wel, maar dan in het echt. Een van de zwervers over dit zanderige world wide web is Nachman, die op handelsmissie is voor de oude Szor. Van kindsbeen af koesterde hij steeds meer wrok tegen de schepping, vertelt hij: “… Er was iets niet in orde, we werden door de een of andere leugen omgeven. Iets moest zijn verzwegen in wat ons in de jesjiva’s was geleerd. Ongetwijfeld werden bepaalde feiten voor ons verborgen gehouden en konden we daarom de wereld niet tot een geheel samenbrengen. Er moest een geheim bestaan dat alles verklaarde…” (Nachman: c’est moi). Even verder: “… Pas op mijn zestiende begreep ik dat ik een goede zaak wilde dienen en dat ik een van hen was voor wie nooit voldoende is wat er is, maar die altijd nog iets anders willen…”. Van alle voorgestelde personen, vind ik Nachman het sympathiekst. Hij kan bijvoorbeeld bij een goed glas wijn opmerken: “… Als je naar de wereld kijkt als naar iets goeds, dan wordt het kwade een uitzondering, een gebrek en een fout en komt het je helemaal niet goed uit. Maar als je er omgekeerd van uitgaat dat de wereld slecht is en het goede een uitzondering, dan past alles keurig en begrijpelijk in elkaar. Waarom willen wij niet zien wat voor de hand ligt?...”. We leven in een gevallen wereld, zou mijn christelijke omgeving zeggen. Het doodse en lege rabbinisme verwisselt hij voor het levendige chassidisme en gaat op pad naar de grote onderwijzer Baäl Sjem Tov. Onderweg komt hij Lebjko tegen, “… een nieuwbakken echtgenoot, bij wie nauwelijks een paar donshaartjes onder zijn neus te zien waren…”, die zich is doodgeschrokken van zijn eigen huwelijk. Al gauw zijn ze onafscheidelijk, slapen onder dezelfde paardendeken waaronder hun eindeloze discussies verdwijnen, en delen elke hap eten. De leerlingen van ‘de Besjt’ lezen onafgebroken, “… waardoor we eeuwig rode ogen hadden, als konijnen, en daar waren wij ook allemaal aan te herkennen…”. Nachman hoort van de Goddelijke vonken die door een mystieke ziel zelfs in het grootste kwaad zijn te vinden: “… Sommige mensen hebben een zintuig voor onaardse zaken, zoals andere een uitstekende neus, gehoor of smaak hebben. Zij voelen subtiele bewegingen in het grote, gecompliceerde lichaam van de wereld. En daarbij is die innerlijke blik zo gescherpt dat ze zien waar een vonk is gevallen, ze zien de schittering ervan op de meest onwaarschijnlijke plek. Hoe beroerder de plaats, des te wanhopiger schittert de vonk, des te krachtiger flikkert ze en is haar licht heter en zuiverder…”.

 

De Messias is al onderweg

Tijdens een van zijn  handelsreizen komt Nachman in aanraking met reb Mordke, zijn ‘tweede Besjt’: “… kennelijk hebben zij gelijk die beweren dat zielen elkaar onmiddellijk herkennen en op een onverklaarbare manier naar elkaar toetrekken…”. ‘De Messias is al onderweg’, meent de laatste. ‘Hij is in Smyrna.’ “… Reb Mordke deed tijdens de reisonderbrekingen een korreltje hars bij de tabak die we in pijpen rookten, wat maakte dat onze gedachten een hoge vlucht namen en ver reikten, en alles leek vol verborgen zin en diepe betekenis. Ik stond onbeweeglijk, mijn armen licht geheven, en zo bleef ik uren in extase staan…”. Nachman vertelt reb Mordke over de drie gedaantes van de ziel: de ‘nefesj’ dan wel ‘soma’ of dierlijke ziel die hongert en bibbert van de kou, de ‘roeach’ dan wel ‘psyche’ waar de gevoelens en de wil zetelen,  en de ‘nesjama’ dan wel ‘pneuma’ die verbonden is met het goddelijke aspect dat we in ons dragen: “… Dat is echt een heilige ziel die slechts een goed, heilig iemand, een kabbalist kan verwerven; en je krijgt die alleen door je te verdiepen in het geheim van het leren kennen van de Thora. Hierdoor kunnen wij de verborgen natuur van de wereld van God bekijken, want het is de vonk die van de Bina, het goddelijke intellect, is afgesprongen. Alleen de nefesj is in staat tot zonde. De roeach en de nesjama zijn zonder zonde…”. En Reb Mordke vertelt Nachman over de Messias die van binnen goed is, maar wiens gewaden slecht zijn. De Messias moet de vonken die in de mest zijn gevallen, ophalen. De Messias zal beschouwd worden als een misdadiger, zoals de profeten hebben voorspeld: “… De opdracht van de Messias is verschrikkelijk, de Messias is een rund dat voorbestemd is voor de slacht. Hij moet doordringen tot de kern van het koningschap der schalen, de duisternis, en daar de bevrijding der heilige vonken bewerkstelligen. De Messias moet neerdalen in de afgrond van alle mogelijke kwaad en die van binnenuit vernietigen. Hij moet daar zogenaamd als een goede bekende naar binnen gaan, een zondaar die te midden van de krachten van het kwaad geen verdenkingen zal wekken en kruit zal worden dat de burcht van binnenuit zal opblazen…”.

 

Sjabtai Tsvi

Vandaar dat Sjabtai Tsvi volgens zijn aanhangers eertijds enkel in schijn is overgegaan tot de islam. De vader van Jenta heeft de Messias nog aanschouwd: “… Dat gebeurde voor haar geboorte, in slechte en miserabele tijden toen iedereen de verlosser van de wereld verwachtte, aangezien er zo veel menselijke ellende was dat het onmogelijk leek dat de wereld kon voortduren. Zo veel pijn kan geen enkele wereld verdragen…”. Welnu. Sjabtai was helemaal geen Messias met een goddelijke natuur, maar een gewone profeet die zijn opvolger moest aankondigen. Lang verhaal kort: de geest van Sjabtai Tsvi is overgegaan op ene Jacob Frank (‘frenk’ betekent ‘vreemde’), een kleinzoon van Jenta notabene. Nachman en reb Mordke ontmoeten hem tijdens hun kabbalistische ‘avonturen met het licht’  in de Turkse school van Isochar: “… Het hoofd moet tussen de knieën. Het mensenlichaam keert dan terug naar dezelfde positie als die had in de buik van de moeder en dus toen het nog in Gods nabijheid was. Als je zo een paar uur zit, als de adem terugkeert naar de longen en je het kloppen van je eigen hart hoort, gaat het menselijk brein op reis…” (zie ook: “Joodse mystiek. Een inleiding” van Sjef Laenen). Het draait namelijk om de vrijheid van het hart, niet om de vrijheid van de wereld: “… Zij van ons die denken dat God door uiterlijke gebeurtenissen tot ons spreekt hebben geen gelijk, zij zijn als kinderen. Hij fluistert ons recht in het diepst van onze ziel toe…”.  De mooie, goedlachse Jacob neemt het tegen iedereen op. Wint met zijn grote bek elk dispuut. Hij blijkt geen wijze maar een rebel. Iedereen kent hem. Hij zwerft door de stad op zoek naar een kans op een conflict of een knokpartij: “… Wie bang is heeft achting, zo is het nu eenmaal….”. De mens wil bedonderd worden, toch? Haha. Jacob identificeert zich niet voor niks met de Bijbelse Jacob. Je-weet-wel: die met het vel van een geit over zijn arm om voor zijn broer Esau door te gaan.

 

Goddelijke gek

Nachman en reb Mordke bezorgen Jacob zijn veertienjarige lief Chaja, want ze maken zich naast vertalers ook verdienstelijk als koppelaars. In 1754 opent Jacob zijn eigen beet midrasj. Onmiddellijk melden zich vele gegadigden. De wereld zal opnieuw één geheel worden. De tikoen is begonnen. De oude orde dient te worden vernietigd opdat de nieuwe kan heersen. In de eindtijd gebeurt alles omgekeerd. De wetten van de Thora gelden niet meer. Jacob zweert bij de ‘Maäse Zar’, de ‘Vreemde Daad’: “… een omgekeerde daad, achterwaarts ten opzichte van de geschreven wet…”. Wanneer hij onderweg is, nodigt hij bij gebrek aan beter zijn twaalfjarige hulpje Herszele uit in bed, die voor hem door het vuur gaat. Jacob lijkt sowieso van tweeërlei kunnen: “… Nussen slaapt al op een baal katoen, hij heeft dat ene oog van hem dicht en ziet niet hoe Jacob met een omfloerste blik Nachman over zijn gezicht aait, en Nachman, die dronken is, zijn hoofd op zijn borst legt…”. Volgens Nachman is Jacob in alles wat hij doet ‘door en door echt’. In zijn hart heerst een totaliteit die kennis verschaft over welke kant het op moet en wat te doen: “… Er is niets wat een grotere verlichting kan brengen dan de zekerheid dat er iemand is die werkelijk wéét. Want wij gewone mensen hebben nooit zo’n zekerheid…”. Al gauw hebben alle Joden het over die ‘goddelijke gek’ waarin de ‘ziel van de Messias is gevaren’. Nachman en reb Mordke maken in doorwaakte nachten mee hoe de ‘Roeach Hakodesj’, ‘de geest’ neerdaalt op Jacob: het doet nog het meest denken aan een epileptische aanval. Hij begint visioenen te krijgen. De school barst uit zijn voegen. Niemand kan nee tegen hem zeggen. Elke dag begint met het luisteren naar Jacobs dromen. Trillend en met klapperende tanden legt hij mensen de handen op. Velen gaan genezen heen. Tijdens een hevige koortsaanval droomt hij dat een man met een witte baard hem zegt dat hij naar het noorden moet reizen om het nieuwe geloof te brengen. Reb Mordke verkondigt dat het Elia in hoogsteigen persoon is geweest: “… Je zult in Polen koning en verlosser zijn…”. Toch waarschuwt zijn vader: “… Pas op voor Jacob. Hij is een echte dief…”.

 

Het boek van de weg

Deel drie van de Jacobsboeken. Begeleid door een groepje vertrouwelingen begint Jacob zijn ketterij te preken in Polen, waar de pest heerst. Zoals Sjabtai Tsvi in de islam dook, zo zal hij in het christendom duiken, om er de korrels van de openbaring uit op te vissen, beweert hij. Als een ware new-ager verkondigt hij dat in de eindtijd de drie monotheïstische religies één zullen zijn. Hij begint een aureool van groen en blauwachtig licht te zien boven de hoofden van sommige gelovigen. Terwijl de dorpen hem als een heilig wonder aan elkaar doorgeven, wordt hij in de gaten gehouden door spionnen, die godslasterlijke rituelen melden. Tijdens nachtelijke leringen zouden mannen melk uit de borsten zuigen van de enige halfnaakte vrouw in hun midden, Chaja Szor - jawel. Volgens Jacob is de heilige Sjechina in haar gevaren. Vandaar. Jacobs gevolg groeit, maar de meute die hem verwenst ook. Een mooie maar vreemde engelbewaakster, die beweert dat ze een Poolse prinses is, volgt hem op de voet en verkoopt iedereen een dreun die hem te na komt (ze zal later het lief van dokter Aszer Rubin worden: zo laat Tokarczuk elk mozaïekstukje op zijn plaats vallen). Het rabbijnse hof spreekt de cherum (banvloek) over Jacob en zijn zogeheten anti-Talmoedisten uit. Het komt bij de rechtbank tot een dispuut. De afvalligen winnen het van de traditionelen, die moeten toezien hoe hun geliefde Talmoeds op de brandstapel worden vernietigd en erger. Zo gauw ze de kans krijgen, slaan ze nog veel harder terug. Jacob vlucht naar Turkije en wordt voor de verandering moslim. De oude afgeranselde Szor brengt zijn boekenbezit midden in de nacht stiekem naar priester Chmielowski. Het comateuze grootje Jenta wordt naar een grot gebracht waar de dorpelingen niet durven komen omdat ze denken dat het een betoverde plek is. De weg lijkt ten einde. In feite is het nog maar het begin.

 

Vrijheid, gelijkheid en broederschap

Koning August III himself beveelt dat de uit Polen verdreven afvalligen weer terug moeten komen. Omdat ze alles verloren hebben vestigen ze zich in het door de pest uitgestorven grensdorpje Iwanie, waar ze leven in gemeenschappelijk bezit. Ze maken een mooi onderkomen in orde en halen Jacob, en wat later ook zijn gezin, op uit Turkije. Jacob wil echter in een ‘hok’ slapen omdat hij een ‘simpele’ is. Tijdens Chanoeka deelt hij stukjes van het overhemd van Sjabtai Tsvi uit als relikwieën. Volgens Jacob zijn mannen en vrouwen, ja, is iedereen gelijk, al geloven ze dat zeker niet allemaal: “…  Gelijkheid is iets wat in strijd is met de natuur, hoe terecht het streven ernaar ook is. Sommigen bestaan nu eenmaal uit het aardse element, die zijn log, zinnelijk en niet creatief. Ze lenen zich er waarschijnlijk alleen voor om te luisteren. Anderen leven met hun hart, hun emoties, oplevingen van de ziel, en nog weer anderen hebben contact met de allerhoogste geest, zij staan ver af van het lichaam. Zij zijn vrij van affecten, zij zijn ruim van binnen. Tot hen heeft God toegang…”. Iedereen bedrijft de liefde met iedereen. Soms gaan de kaarsen in de gemeenschapsruimte uit die vervolgens letterlijk verandert in een ‘dark room’. Een grote zonde waarover gezwegen moet worden, een gemeenschappelijk geheim, schept een nog sterkere en intiemere band dan een natuurlijke familiebetrekking, weet Jacob. Zo smeed je een gevaarlijke onderlinge afhankelijkheid. Hierdoor kun je de ander maken of breken. Na lange en heftige discussies wordt besloten om de aartsbisschop te vragen of ze gedoopt mogen worden. Desnoods alleen in schijn. Al is het alleen maar om die rottige traditionelen te pesten. Zoals altijd bijt dat wat het dichts bij elkaar ligt, elkaar het hardst: “… Zo’n strijd met een naaste vijand heeft op een vreemde manier iets complex aangenaams, want het is alsof je jezelf slaat maar tegelijkertijd de slagen probeert te ontwijken…”. Bovendien zullen de katholieke magnaten je alleen met goud steunen als ze  je in de vorm van een kruis plat op de kerkvloer zien liggen.

 

Het boek van de komeet

Deel vier. In het jaar 1759 verschijnt er een komeet aan de hemel die in elk land wordt gezien. De Dnjestr treedt buiten zijn oevers. Het kan niet anders of het einde van de wereld nadert. De engelen zullen haar zo dadelijk als een tapijt oprollen. Wanneer je je oren spitst, kun je hun wapengekletter al horen. Als dan ook nog de Joden zich gaan bekeren… Landvoogdes Kossakowska jut de aartsbisschop op: “… Wat zou het tegenover God een verdienste zijn als hij al deze Joodse ketters naar de schoot van de Kerk kon leiden. De wereld heeft dit niet eerder gezien, alleen in het katholieke Polen kan iets dergelijks plaatsvinden. En over de hele wereld zal druk over ons gesproken worden…”. Nog niet zo lang geleden zeiden ze dat het om vijfduizend miserabele zwervers ging die door hun soortgenoten werden uitgekotst, maar volgens de laatste berichten zijn het er misschien wel drie keer zoveel. Vijftienduizend. De voorlopers mogen dan een lichting arme sloebers zijn, daarna volgen de vermogenden. De aartsbisschop ruikt geld. In de kathedraal van Lwów wordt een buitengewoon langdradig en saai publiek debat gevoerd. Iedereen veert echter op als de ketters hun broeders beschuldigen van het gebruik van christenbloed, waar trouwens geen standpunt over ingenomen wordt, omdat de paus een en ander voor altijd en eeuwig als pertinente onzin heeft bestempeld. Na lang wikken en wegen worden de ‘puriteinen’ dan wel ‘sabsacwinnicy’ dan wel ‘lammelotten’ als verweesde kinderen opgenomen in de ontferming der Poolse kerk. Kossakowska stelt haar landgoed ter beschikking aan Frank en zijn naaste familie plus medewerkers. De rest van zijn aanhangers bivakkeren als zigeuners op straat. Degenen die zich laten dopen, krijgen een nieuwe want christelijke naam, zodat ze zich allemaal ‘dubbel’ voelen. Peetouders worden opgeroepen hun petekind te voorzien van passende Poolse kledij, tot het gedoopt is financieel te ondersteunen en voor hun protegé te zorgen zolang die niet naar huis terugkeert. Edoch, sommige geestelijken worden bevangen door twijfel als ze de straat de kathedraal zien binnenstromen. Een Jood die zich laat dopen heeft ook nog eens recht op een adellijke titel. Als hij maar genoeg baksjisj schuift. Dan breekt andermaal de pest uit. Is er een machtige cherem over de renegaten afgeroepen?

 

Verraad

De epidemie treft de toch al doodarme neofieten hard. Jacob besluit naar Warschau te reizen om de koning om een eigen territorium te vragen, waar hij met zijn volgelingen zelfvoorzienend kan leven. Niemand hoeft last van ze te hebben. Echter, niet iedereen gelooft in hem. Net als hij met zijn charmante praatjes de Koninklijke nuntius zo ongeveer omver heeft geluld, verrijzen er verdenkingen binnen de katholieke gelederen. Jacob wordt in hechtenis genomen en voor nader onderzoek gevangen gezet bij de bernardijnen. De inquisitie begint een uitgebreide inspectie onder zijn gelederen. Zelfs Nachman verraadt hem. Weliswaar uit volle overtuiging. Jacob is veel te gemakzuchtig geworden. Hij ziet eruit als een dandy sinds hij zijn baard heeft afgeschoren. Wat is er overgebleven van zijn roeping? Hij zou toch tot in het diepst van het kwaad indalen om daar de verlossing te bewerkstelligen? Waar blijft het heil? Welnu, Nachman zal de Heer wel een handje helpen. Nachman bekent alles waar hij en zijn leider van worden beticht. Vervolgens beschuldigt de bisschoppelijke rechtbank Jacob van het zich uitgeven voor de Messias. De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders veroordelen hem tot levenslange gevangenschap. In de burcht van Częstochowa.

 

Het boek van metaal en zwavel

Boek vijf. De Messiaanse machina treedt in werking. “… De Messias is meer dan een gestalte en een persoon, het is iets wat door bloed stroomt, in adem woont, het is de dierbaarste en waardevolste menselijke gedachte dat er redding bestaat…”. Jacob wordt opgesloten in een kale, koude torencel, maar Jacob zou Jacob niet zijn als hij niet binnen de kortste keren de houwdegens die hem moeten bewaken om zijn vingers windt. Hoewel dat streng verboden is, voorzien de volgelingen van de profeet-bekeerling hun Heer van goed eten. Hij krijgt toestemming om dagelijks in de kapel de mis bij te wonen. Tussen honderden pelgrims en flagellanten knielt hij neer voor een heilig schilderij van een zwarte madonna met kind: de Maagd van Jasna Góra. En plotseling begint hij zijn missie te snappen. De Sjechina is een vrouw en verbergt zich in dat zwarte gezicht! Zijn ballingschap is bedoelt om voor haar te zorgen! Met steekpenningen, bier en tabak kopen zijn volgelingen de bewakers om. Al gauw zijn ze kind aan huis in de gevangenis. In 1760 overlijdt de Baäl Sjem Tov. Aan een gebroken hart zeggen sommigen. Vanwege de honderden dopen van Joden. Rechtgelovigen keren terug uit de diaspora en strijken in plukjes in de buurt van Jacob neer, die het voor elkaar krijgt ze te mogen bezoeken. Zij zullen ridders worden van de heilige Maagd die gevangen zit in het schilderij. De Moeder Gods. De Koningin van de wereld. Jacob wordt steeds extremer. De toon van de brieven die hij naar zijn volgelingen in alle uithoeken van het land stuurt, wordt van maand op maand apocalyptischer. Niemand is opgewassen tegen de lastige gevangene, die uiteindelijk de hele officierstoren overneemt. Er breekt oorlog met Rusland uit. Het klooster wordt een militaire basis. De wapperende vaandels met de Moeder Gods aan de muren bieden geen bescherming. De Russen slaan alles kort en klein en staan paf van de bezetene die ze in de toren aantreffen. Jacob verzoekt de Russische generaal stante pede om bevrijding uit zijn gevangenis. Reeds twee dagen later krijgt hij officieel toestemming het klooster na dertien jaar te verlaten.  

 

Het boek van het verre land

Het zesde boek. Jacob, inmiddels weduwnaar, krijgt het voor elkaar paspoorten te regelen en samen met zijn bijna volwassen dochter Ewa bij familie in Brünn (Moravië) neer te strijken, die een winstgevende handel in ‘christelijke’ tabak drijft. Het lukt hem om een compleet hof uit de grond te stampen, met een eigen garde. Hij is ervan overtuigd dat hij is uitverkoren om ‘het eeuwige leven op aarde te brengen’. Dan heb je op zijn minst een eigen koninkrijkje nodig. Zijn faam bereikt zelfs de Oostenrijkse keizerin-moeder Theresia, die de Joden wil bevrijden van het middeleeuwse bijgeloof. Ze vraagt hem op audiëntie. Haar ‘verlichte’ zoon, Jozef II, papt aan met Ewa. Hij laat haar zijn rariteitenkabinet zien waar hij een modern museum van wil maken. Ook denkt hij er over om het lijfeigenschap van de boeren af te schaffen. Het is de tijd van de camera obscura, de ‘Gedichten van Ossian’, lawaaierige koekoeksklokken, vrijmetselaars, de eerste schaakmachine, alchemie en ‘de vreemde en diepe broekzak van de wereld’: de beurs. Mozart componeert ‘Le Nozze di Figaro’. Jonge, studentikoze windbuilen, verrukt over zichzelf, verkeren in een voortdurende roes over al het nieuwe dat zich aandient. In de koffiehuizen van Wenen verschijnen de eerste kranten, waar dok Aszer Rubin en zijn lief een goedlopende lenzenpraktijk hebben opgezet. Als hij Moses Mendelssohn leest voelt hij zich voor het eerst van zijn leven tevreden over het feit dat hij Jood is. Het hof van Jacob raakt uiteindelijk door onoverzienbare schulden in verval. Parasieten en klaplopers verdwijnen vanzelf. Iemand haalt de inmiddels ziekelijke sekteleider met zijn getrouwen naar Offenbach (Duitsland) waar ze hun intrek nemen in het immer bitterkoude kasteel Isenburg. De verkleumde en oude Jacob laat zich in bed als koning David warm houden door een paar jonge meisjes. Hij overlijdt aan een zoveelste attaque.

 

Het boek van de namen  

In het zevende en laatste boek beschrijft Tokarczuk, aan de hand van de registers van sterfgevallen, huwelijken en geboortes die ze vond in het stadsarchief van Offenbach am Main, de samenstelling van de compagnie die Jacob Frank tot het einde toe in den vreemde heeft vergezeld, alsook in grove lijnen de lotgevallen van de frankistische families die naar Polen zijn teruggekeerd. Ze verbindt de onsterfelijke Jenta met de grot van Korolówka waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog vijf Joodse gezinnen - achtendertig personen, van wie het jongste kind vijf maanden was en de oudste volwassene zevenennegentig - op 12 oktober 1942 hun toevlucht zochten: “… De volwassenen gaan van tijd tot tijd naar boven voor proviand, maar nooit verder dan de dorpen in de buurt. De boeren behandelen hen als geesten en laten hun zogenaamd per ongeluk wat zakken meel of kool achter de schuren. In april 1944 gooit iemand in het gat dat naar de grot leidt een fles met een briefje waarop in onhandig handschrift staat: ‘De Duitsers zijn weg.’…”.  

 

Uitgave: De Geus – 2021, vertaling Karol Lesman, 912 blz., ISBN 978 904 454 553 1, 32,50

Rechtstreeks bestellen bij bol.: klik hier

donderdag 23 november 2023

De erfenis van Pilatus – Anne-May Wachters-van der Grinten

 


Subtitel: Van anti-judaïsme naar antisemitisme

 

In de kunstenaarsroman “Mijn naam is Asjer Lev” van Chaim Potok krijgt de Joods Orthodoxe vader van Asjer Lev bijna een rolberoerte als hij de kruisigingen ziet die zijn zoon heeft vervaardigd:  “… Mijn tekeningen hadden iets fundamenteels in zijn wezen aangetast. Hij bleef maar doorgaan over mijn tekeningen van ‘die man’. Hij wilde de naam niet uitspreken. Wist ik dan niet hoeveel joden er in de naam van die man gedood waren tijdens de kruistochten? Kende ik de reden soms niet waarom Hitler zes miljoen joden had kunnen afslachten zonder al te veel protesten uit de rest van de wereld? Omdat de wereld tweeduizend jaar lang was voorgehouden dat het de joden waren geweest en niet de Romeinen, die deze man hadden gedood…”. Om te begrijpen waar zo'n diepe afkeer van het christendom vandaan komt, heb ik de studie over christelijk antisemitisme van godsdienstwetenschapper Anne-May Wachters gelezen. Ik had “De erfenis van Pilatus” al een poos liggen. Soms is de tijd ineens rijp.

 

De Eeuwige is één

Wachters begint met een uiteenzetting van de wortels van het Jodendom. De geschriften van het Oude Testament zijn ontstaan in de loop van een langdurig en ingewikkeld proces, waarin mondelinge overleveringen geleidelijk schriftelijk werden vastgelegd. Wat we in de Bijbel lezen zijn de religieuze ervaringen van een gemeenschap van mensen die zich verbonden voelen in het geloof in hun God en zich door Hem geleid weten. De Joden waren uitzonderlijk omdat ze één God aanbaden. Alle volken om hen heen hadden meerdere goden. Volgens de verhalen bestond het volk Israël uit twaalf stammen die zouden afstammen van de twaalf zonen van Jacob. Na de uittocht uit Egypte vestigden ze zich in Kanaän. Koning David (1010-970) stichtte een sterke monarchie met als hoofdstad Jeruzalem. Zijn opvolger, koning Salomo, bouwde de beroemde tempel: het centrale punt van de heilige tradities. Na de dood van Salomo viel het rijk om politieke redenen uiteen in het zuidrijk Juda, met zijn twee stammen in Jeruzalem plus omstreken, en het noordrijk Israël, met zijn tien stammen in de rest van het land. Ieder had zijn eigen koning. Het noordrijk raakte op den duur vervreemd van het voormalige religieuze centrum en viel regelmatig terug in de oude vruchtbaarheidscultus van Baäl. Zie de Oudtestamentische profeten, die steeds in het geweer komen tegen afvalligheid en afgoderij. In 722 voor Christus vielen de Assyriërs het noordrijk binnen. Via een tactiek van verstrooiing verdwenen de tien stammen (er is in de loop van de tijd tot in het oneindige gespeculeerd over waar ze zich bevinden). De Joden die nog wel bleven waar ze waren, vermengden zich met nieuw aangevoerde groepen, waaruit de Samaritanen ontstonden. Zij zijn nooit erkend als Joods.

 

Eigen identiteit en eigen religiositeit

In 586 voor Christus werd Jeruzalem verwoest door de opvolgers van de Assyriërs: de Babyloniërs. Ze deporteerden de leiders van het zuidrijk naar hun eigen land. In 539 voor Christus kwam er een eind aan de Babylonische ballingschap doordat de Perzen, onder Cyrus, Babel binnenvielen en de Joden toestonden terug te keren naar Jeruzalem. Rond deze ballingschap ontstond de Tora in haar definitieve vorm. De tempel werd herbouwd. Een diep doorgedrongen besef van de eigen identiteit en de eigen religiositeit stak de kop op. De Perzen stelden Joodse gouverneurs aan. Er volgde een rustige periode. Na de dood van Alexander de Grote viel het kleine Juda tot aan 197 voor Christus probleemloos onder het bestuur van de Egyptische Ptolemaeën. In de derde eeuw gaf koning Ptolemeüs II zelfs de opdracht een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel te maken: de Septuagint. Echter, in 197 voor Christus vielen de Seleuciden Juda binnen. Zij wilden de Joden met alle geweld aanpassen aan de hellenistische cultuur. Er zijn papyrusfragmenten gevonden die aangeven dat de Joodse minderheid in Egypte al eerder last had van ergernis over hun exclusiviteit. De Grieks-Egyptische wereld kon niets met een God die onzichtbaar, onafbeeldbaar en alomtegenwoordig was. De Joden zouden een afkeer hebben van iedereen buiten hun groep. De besnijdenis was raar. Ze wilden geen varkensvlees eten. Sterker, ze wilden niet eens eten met buitenstaanders. Het exodusverhaal werd geïnterpreteerd als een gedwongen uitzetting omdat de Joden een enge ziekte onder de leden hadden. In hun tempel, waar geen heidenen welkom waren, zouden ze zelfs een ezel aanbidden en mensen offeren om ze vervolgens op te eten.

 

Escalatie

Gaandeweg  ontstond er een Joodse bovenlaag die integreerde in de hellenistische maatschappij. Ze had weinig tot niets meer met de Bijbelse offercultus, die bedoeld was voor een agrarische samenleving. Andersom was dat ook het geval. Sommige Grieken waren helemaal klaar met de eigen onberekenbare goden en zagen wel wat in het Joodse monotheïsme. Meestal bleven ze belangstellende omstanders. De Joodse wetten waren veel te zwaar om te onderhouden. Door de Joden werden ze ‘godvrezenden’ genoemd. Onder Antiochus III escaleerde de boel. Hij bouwde het ‘gymnasion’ waar naakt werd gesport en iedereen dus kon zien of je al dan niet besneden was. Dat leidde onder vooruitstrevende Joden tot de praktijk van het ongedaan laten maken van hun besnijdenis. Bovendien aasde de vorst op de tempelschat. Zijn zoon, Antiochus IV Epiphanes, verbood de Joodse spijswetten en de besnijdenis. Hij gaf het bevel de heilige teksten de verbranden. Bovendien eiste hij dat er elke dag een onrein varken werd geofferd in de tempel. Sommige Joden werden gedwongen varkensvlees te eten. Het werd verplicht aan de Grieks-Romeinse goden te offeren en er werden hoge belastingen ingevoerd. De tempel raakte zelfs ontwijd door de plaatsing van een beeld van Zeus, waarin Antiochus Epiphanus zichzelf vereerd wilde zien. Het resulteerde in de georganiseerde opstand van de Makkabeeën, een Joodse priesterfamilie die de overwinning behaalde. Honderd jaar ging het goed. Toen begonnen twee broers te vechten om de macht. Ze riepen de hulp van de Romeinse generaal Pompeius in. Hoe dom kun je zijn. Daarop namen de Romeinen in 63 voor Christus Palestina in.

 

Johannes de Doper

In 40 voor Christus werd de meedogenloze Herodus de Grote door de Romeinen aangesteld als koning over Judea. Herodus was zo dubbel als het maar kon: naar de Joden toe profileerde hij zich als Jood, buiten de Joodse wereld als Helleen. Volgens Augustus ‘kon je beter zijn varken zijn dan zijn zoon’. Na zijn dood werd het koninkrijk Palestina verdeeld tussen zijn drie zonen: Philippus kreeg de uiteinden van het rijk, Antipas kreeg Galilea en Perea, Archelaus kreeg Judea, Samaria en Idumea. Antipas’ populariteit werd ernstig beschadigd door de moord op Johannes de Doper, die beschouwd werd als een profeet. Volgens de geschiedschrijver Flavius Josephus was Herodus Antipas vooral bang voor een opstand onder Johannes’ volgelingen. Toen Jezus met zijn prediking begon, dacht Antipas dat Johannes de Doper uit de dood was opgestaan. Nadat de Joden bij keizer Augustus hun beklag hadden gedaan over het negatieve gedrag van Archelaus, kreeg Judea een Romeinse ‘prefect’ als gouverneur. De Romeinen wilden rust in de tent. Ze lieten de Joden overwegend hun ding doen. Bovendien hadden ze respect voor alles wat ‘oud’ was. De Joodse godsdienst was méér dan oud. De Joden hoefden niet het Romeinse leger in of  deel te nemen aan de keizercultus. Romeinse soldaten die tijdens de Joodse feestdagen naar Jeruzalem kwamen om de licht ontvlambare orde te bewaken, bedekten zelfs hun met het portret van de keizer gedecoreerde schilden. De Joden hadden een grote mate van zelfbestuur. Kwamen ze er zelf niet uit dan haalden ze het Romeinse gezag erbij. Alleen de Romeinen mochten iemand ter dood veroordelen. Er was veel gemor over de belastingen, die betaald moesten worden met munten waarop de blasfemische beeltenis van een Romeinse godheid dan wel keizer Augustus stond. En dan had je nog de vermaledijde belastingophalers die de tax stiekem verhoogden voor eigen gewin. Toen Rome zich met de aanstelling van de hogepriester in de tempel ging bemoeien waren de rapen gaar. Er kwam een intens verlangen op naar een komende verlossing. Een goddelijk ingrijpen. Zoals altijd in tijden van stress. Na Johannes de Doper en Jezus stonden er anderen op die de ‘eindtijd’ predikten, onder andere ene Theudas en ‘de Egyptenaar’.

 

Groeperingen ten tijde van Jezus

Alleen de priesters konden de offers in de tempel voltrekken. Met hun hulpjes de ‘Levieten’. De ‘Sadduceeën’, die de Romeinen te vriend wilden houden, vormden een aristocratische elite onder de priesters. Het ‘Sanhedrin’, een raad met 71 ouderlingen, had een beperkte wetgevende macht. De meeste priesters behoorden tot het mainstream Jodendom. Ze waren conservatief, erkenden alleen de schriftelijke Wet of Tora en geloofden niet in een leven na de dood. De ‘Farizeeën’ werkten als godsdienstige leiders door het hele land. Zij geloofden wél in een leven na de dood. Ze benadrukten de mondelinge Tora, een zich steeds ontwikkelende serie commentaren die uiteindelijk werden opgeschreven in de Talmoed, omdat je pas in de loop van de geschiedenis kunt constateren wie er gelijk had. De Farizeeën hielden zich verre van politiek. In tegenstelling tot wat de evangeliën suggereren, waren ze zeer geliefd bij het volk. Verder had je de messiaanse en gnostische ‘Essenen’, die zich terugtrokken in de verlaten rotsachtige woestenij rond de Dode Zee. Hun opvattingen over het rijk van de Duisternis en het rijk van het Licht schemert door in het Nieuwe Testament. En dan waren er nog vechtersbazen als de ‘Zeloten’ waarvan de ‘Sicarii’, de dolkmensen, het gewelddadigst waren. 

 

De Joodse Oorlog

De prefect Pontius Pilatus provoceerde de Joden door met het geld van de tempelschat een aquaduct aan te leggen. Ook liet hij troepen door Jeruzalem marcheren met afbeeldingen van  de keizer. Voordat keizer Caligula een standbeeld van zichzelf in de tempel kon plaatsen, werd hij gelukkig vermoord. De Joods-hellenistische filosoof Philo verhaalt over onrust in het Egyptische Alexandrië, waar wel een miljoen Joden een tweederangs positie hadden. Keizer Claudius kreeg er een probleem bij: de sekte van de christenen die overal voor botsingen en openbare discussies zorgde. Eén van hen werd zelfs gestenigd: Stefanus. Koning Agrippa liet een aantal volgelingen van Jezus oppakken en ene Jacobus onthoofden. De Romeinse soldaten konden ternauwernood voorkomen dat de Romeinse burger en Jood Paulus tijdens zijn bekeringsactiviteiten werd gelyncht. Hogepriester Ananus ging zijn boekje ver te buiten door Jakobus de Rechtvaardige, de broer van Jezus, en enkele anderen te stenigen. De christenen kregen de schuld van de brand in Rome onder Nero in het jaar 64. De sfeer verslechterde. Grieken, Romeinen, christenen en Joden irriteerden elkaar mateloos. Romeinse en Joodse leiders moesten steeds ingrijpen om de rust te bewaren. Een en ander culmineerde in de grote opstand van 66-70 na Christus, die de geschiedenis is ingegaan als de Joodse Oorlog. Deze begon onder procurator Florus, die volgens Flavius Josephus 3600 mensen liet kruisigen. Generaal Vespasianus kwam met 60.000 soldaten naar Galilea. Jeruzalem werd verwoest, inclusief de tempel. De overlevende Joden werden verkocht op de slavenmarkten van het Midden-Oosten. De slavenprijzen kelderden door de grote aanvoer. De offerdienst hield op te bestaan. De priesters verloren hun functie. De Farizeën namen de leiding over en gingen van toen af verder als rabbijnen.

 

Christendom versus Jodendom

Vervolgens beschrijft Wachters hoe de apostel Paulus een nieuwe godsdienst creëerde: het christendom. Ze zet het Nieuwe Testament neer als een bron van kritiek op de Joden, waaruit de gespannen sfeer is te lezen tussen christenen en Joden in de decennia na de Joodse Oorlog. Dus tussen 40 en 80 jaar na de dood van Jezus. Volgens haar zijn veel uitspraken van Jezus Hem in de mond gelegd door de schrijvers van de evangeliën. Wachters wijst erop dat het Nieuwe Testament met een bepaalde bedoeling werd geschreven. Zie het Johannes-evangelie: “… maar deze zijn opgeschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven, leeft door zijn naam…” (Joh. 20:31). Met andere woorden: het is geen geschiedenisboek. Een en ander speelt zich heel duidelijk af in een platoonse wereld. Jezus was een apocalyptische prediker en een ‘redelijk onafhankelijke denker’ volgens Wachters. “… Jezus noemde zichzelf nooit ‘Messias’ of ‘Zoon van God’. Het zijn zijn volgelingen die hem zo gaan noemen…”. Zie ook “Jezus. Een joodse visie” van David Flusser. In de eerste decennia na de dood van Jezus verslechterden geleidelijk de relaties tussen de volgelingen van Jezus en de Joden. Wat betreft zijn verrijzenis: in de hellenistische wereld heerste de gangbare opvatting dat bijzondere mensen konden opstaan uit de dood. Ook meende men dat er op aarde halfgoden ronddwaalden, ontstaan uit de relatie van een god met een mens. Zo gek was dat verhaal dus niet. De Joden die geloofden dat Jezus de Messias was, betrokken alle voorspellingen uit het Oude Testament op Jezus. Ze bestempelden de offercultus in de tempel als afgodendienst (zie de rede van Stefanus), wat opgevat werd als een grove beschuldiging. Al gauw vlogen Joden en christenen elkaar in de haren.

 

Een hogere spirituele waarheid

Het christendom werd een aantrekkelijke religie voor de eerder genoemde ‘godvrezenden’: heidenen die belangstelling hadden voor het Jodendom, maar de strenge voorschriften niet zagen zitten. Paulus vond dat andersgelovigen niet eerst Joods hoefden te worden. De snelst groeiende groep werd dan ook die van de heidense christenen. Paulus heeft de fundamenten gelegd voor het niet-Joodse christendom. Paulus’ brieven zijn in feite antwoorden op vragen die hem gesteld werden vanuit de nieuwe christelijke gemeenten, en niet zozeer een systematische uitwerking van een geloofsleer. Dat is nogal eens vergeten. Paulus maakt een scherp dualistisch onderscheid tussen het aardse, het materiële, en het hogere, het transcendente, wat aan het gnosticisme raakt dat in zijn tijd rondzong. Hij zet daarbij regelmatig het Jodendom tegenover het christendom, dat als spirituele waarheid de Joodse wetten overstijgt. Hij zegt helemaal niets over het aardse leven van Jezus, maar concentreert zich volledig op de goddelijkheid van de opgestane Christus. Hoewel dat absoluut niet zijn bedoeling was (zie Timoteüs'  besnijdenis), werd ‘Joods leven’ voor de christenen die Paulus volgden al snel een taboe. Kerkleiders na hem deelden die mening. Zie ook “Paulus. Onze liefste vijand” van Karen Armstrong en “Paulus van Tarsus” van Tom Wright.

 

Addergebroed

De ‘demonisering’ van de Joden bereikt in het evangelie van Johannes, waarin het gaat over de zonen van het Licht tegenover de zonen van de Duisternis, een hoogtepunt aldus Wachters. Voortdurend gaat het in het Nieuwe Testament over hoe slecht de Joden zijn, en hoe goed de nieuwe gelovigen. Wat het dichtst bij elkaar ligt, bijt elkaar het hardst! Een steeds terugkerend thema is dat de Joden hun profeten hebben gedood, waaronder natuurlijk Jezus (Johannes 19). Het ‘addergebroed’ (Matt. 23)! Johannes legt de verantwoordelijkheid voor de dood van Jezus volledig bij de Joden. De christenen vormden een kwetsbare gemeente onder de Romeinse bezetter. Het was belangrijk om te laten zien dat zij hun overheersers goed gezind waren. In feite was de aanklacht dat Jezus de Messias was geen reden voor een doodvonnis. Er verscheen wel vaker een Gezalfde in de geschiedenis van het Jodendom. De claim dat Jezus zich voor de ‘Koning der Joden’ uitgaf, was echter ‘opruiing’ en een regelrechte aanval op de Romeinse staat. Er stond de meest wrede doodstraf op: kruisiging. Alleen Pilatus kon, als plaatsvervanger van de keizer, de doodstraf uitspreken. 

 

Sol Invictus

Onder keizer Hadrianus werden alle Joden uit Jeruzalem verbannen. Hij maakte er een Romeinse stad van: Aelia Capitolina. Op de plaats van de tweede verwoeste tempel werd een nieuwe tempel gebouwd. Nu gewijd aan Jupiter, met een standbeeld van de keizer ernaast. Hadrianus’ opvolger trok alle anti-Joodse maatregelen weer in. De Joden ontkwamen aan de keizercultus, de christenen meestal niet, met legio martelaren als gevolg. Ondertussen werd in de Romeinse maatschappij de zonnegod Mithras populair, die gaandeweg samenviel met de cultus van Sol Invictus, en de weg bereidde voor het christendom. De alleenheerser Constantijn kreeg in een droom voor zijn beroemde slag op de Pons Milvius het bevel op de schilden van de soldaten het teken van Christus aan te brengen. Voor hem stond het buiten kijf dat hij zijn overwinning aan de God van de christenen te danken had. Vanaf toen werden de christenen bevoorrecht. Constantijn liet het jaarlijkse feest van Sol Invictus, dat op 25 december werd gevierd, samenvallen met de viering van de geboorte van Jezus. Voor hem waren ze een en dezelfde persoon. Ook werd ‘de dag van de zon’, zondag, tot officiële Romeinse rustdag verklaard. Nog steeds bekvechten wetenschappers over het feit of Constantijn nu wel of geen echte christen was. Keizer Theodosius I de Grote verklaarde het christendom in 380 tot staatsgodsdienst.

 

Godsmoordenaars

Het concilie van Nicea, samengeroepen door keizer Constantijn om voor eens en altijd uit te maken of Jezus ónder de Vader stond, dus eigenlijk een halfgod was (niet geheel onbegrijpelijk in de Grieks-Romeinse wereld), zoals het arianisme geloofde, óf gelijk aan en één wezen was met de Vader, betekende een cesuur in de geschiedenis van het Jodendom. Gekozen werd voor de goddelijkheid van Jezus. Dat maakte van de Joden ‘godsmoordenaars’. Toen het christendom evolueerde tot een staatsgodsdienst werd de oude klassieke religie verboden en het Jodendom getolereerd, maar steeds vijandiger benaderd. Men wilde iedere vorm van ‘besmetting’ voorkomen. De aanhangers werden uit elkaar gedreven. Onderling trouwen of feesten was verboden. Joden mochten geen christelijke slaven houden, waardoor ze uit talloze posities werden geweerd en veel beroepen ontzegd. Ze zagen de bui al hangen. Wie kon, maakte zich uit de voeten naar het Perzische rijk, waar Joden wél ongestoord konden leven. Een uitgebreide anti-Joodse en anti-judaïsche literatuur kwam op gang, waarin overvloedig werd geciteerd uit de Griekse Septuagint, die de Joden afwezen vanwege de vele fouten. Zie bijvoorbeeld Jesaja 7:14 waarin voorspeld wordt dat een ‘parthenos’ dan wel ‘maagd’ zwanger zal worden. In het Hebreeuws staat er echter ‘alma’ wat toch echt ‘jonge vrouw’ betekent.

 

Adversus Judaeos-literatuur

De ‘Adversus Judaeos’ teksten bestaan veelal uit agressieve scheldkanonnades. Niet ongebruikelijk in de tijd van hun ontstaan overigens. Alle uitingen van Gods misnoegen en toorn die de profeten bezigen, waren volgens de kerkvaders gericht tegen de slechte en ongehoorzame Joden. Alle pósitieve boodschappen en beloftes van redding, waren daarentegen gericht aan de Kerk. Niet de Joden, maar de christenen zouden het uitverkoren volk van God zijn. De vervolging van de christenen werd geduid als heilig martelaarschap. De vervolging van de Joden als goddelijke straf. De Joden waren een beetje dom en begrepen er niks van. De aloude patriarchen waren nog rechtvaardige mensen, maar daarna…De Joden waren zulke beesten dat de wet van Mozes nodig was om ze toch nog een beetje in toom te houden. De besnijdenis was dan ook een kaïnsteken. Hieraan zouden de Joden op de oordeelsdag te herkennen zijn. Zolang de Joden zich niet bekeerden, moesten ze over de aarde zwerven en lijden. Langzaam werden de gewone mensen die niet konden lezen of schrijven door deze zienswijze geïndoctrineerd dan wel vergiftigd. Wachters bespreekt onder andere “De Brief van Barnabas”, de “Dialoog” van Justinus de Martelaar, de “Praescriptionibus Hareticorum” van Tertullianus, de “Demonstratio Evangelica” van Eusebius van Caesarea, de “Preek tegen de Joden” en “Contra Faustum Manichaeum” van Augustinus (die de Joden weliswaar niet als godsmoordenaars zag), de “Acht preken tegen de Joden” van Chrysostomos (die vond dat de Joden zonder meer uitgeroeid moesten worden).

 

Romeinse wetgeving

De overheid wilde geen geweld. De Kerk lokte het uit. Om de eenheid in het rijk te bewaren werd de Kerk tegemoet gekomen door steeds meer anti-Joodse maatregelen. Zie de codex van Theodosius waarin het Joden verboden werd nieuwe synagogen te bouwen, publieke functies uit te oefenen en tijdens het carnavaleske Poerimfeest een pop, die de wrede onderdrukker Haman uit het boek Esther voorstelde, te verbranden. Ik vroeg mij plotseling af of hier het jaarlijkse Burning Man Event in de woestijn van Nevada vanaf stamt: 'alles komt altijd uit de Bijbel'! De ‘Codex Theodosianus’ stelde de Joden gelijk aan ketters die in het christelijke rijk geen rechten hadden. Om de Joden te dwingen de christelijke duiding van de Bijbel over te nemen werden de Talmoedische commentaren verboden. “… Dit alles leidde ertoe dat de joden in een maatschappelijk isolement terecht kwamen en werden gereduceerd tot tweederangs burgers die ook economisch achtergesteld werden. De Romeinse wetgeving zal worden gehanteerd tot het moment dat Napoleon zijn Code Civile schrijft. En tot in de twintigste eeuw zullen de kerkvaders geciteerd worden om het nieuwe antisemitische gedachtegoed van de 19e eeuw te onderbouwen…”.

 

Anti-Joodse bisschoppen

Nadat het West-Romeinse Rijk instortte, werd Europa een lappendeken van kleine elkaar voortdurend bevechtende staatjes. De koningen van de Germanen kozen aanvankelijk voor het arianisme, dat beter bij hun geloofsopvatting paste dan het orthodoxe christendom, en leefde in redelijke harmonie met de Joden. Anti-Joodse wetgeving blijkt steeds te komen van koningen die zich bekeerden tot het orthodoxe christendom en gingen samenwerken met bisschoppen. Vriendjespolitiek en corruptie tierden welig. Joden kregen te maken met steeds wisselende bizarre verboden rond de besnijdenis, voedselwetten, feestdagen en gedwongen doop, waarvan de details niemand op den duur meer kon bijhouden. Gedurende de Goede Week werd hen geboden binnen blijven. In bepaalde streken moesten ze te herkennen zijn aan een ronde gele ‘jodenlap’ (rouelle) of een puntmuts. Hier en daar werden Joden hun kinderen afgenomen om christelijk te worden opgevoed. Soms moesten Joden eerst een bord varkensvlees leeg eten voor er zaken konden worden gedaan. Overtredingen werden bestraft met geseling, uittrekken van het hoofdhaar en het in beslag nemen van bezittingen. Keizer Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome betoonden zich dan weer zeer tolerant ten opzichte van de Joden, ook al waren de pausen het daar niet mee eens. Na hun dood nam de haat (plaatselijk) weer toe: “… Zo werd vanaf de negende eeuw ieder jaar op Goede Vrijdag een joodse man voor het hoofdportaal van de kathedraal van Bordeaux publiekelijk beschuldigd van verraad en kreeg hij een paar oorvijgen, een ritueel dat pas in de twaalfde eeuw werd afgeschaft. In Chalon-sur-Saône mochten burgers en geestelijken stenen gooien naar de joden omdat zij Jezus gestenigd hadden. In Béziers had de bisschop het gebruik ingevoerd dat de inwoners van de stad ieder jaar na de passiepreek de joodse huizen met stenen mochten bekogelen omdat zij Jezus, de Redder, beledigd hadden. Ook dit gebruik duurde tot de twaalfde eeuw…”.

 

Kruistochten

Paus Urbanus II riep op tot de Eerste Kruistocht om Jeruzalem te bevrijden van de Turken, wat een ongekende volkswoede op gang bracht. De onderweg tegengekomen vijanden van God werden ook alvast gedood. Overal vonden pogroms plaats: Rouen, Saksen, Bohemen, Praag, de Donau-steden, Noord-Frankrijk, Vlaanderen, Oost-Frankrijk, het Rijndal, Spiers, Worms, Mainz, Keulen, Trier, Regensburg, Praag. De Eerste kruistocht is een keerpunt geweest in het leven van de Europese Joden. Een gevoel van permanente onveiligheid was voortaan hun deel. Bij alle volgende kruistochten waren de Joden, ondanks de protesten van Kerk en overheid, steeds opnieuw het mikpunt van haat en vielen er veel slachtoffers. Verhalen deden de ronde over rituele moorden en schendingen van de hostie. Een in 1144 in Norwich gedode twaalfjarige jongen, William, werd als eerste slachtoffer van de Joden, een heilige ‘jongensmartelaar’ waar een religieuze cultus rond ontstond. Little Saint Hugh volgde. Pas in de twintigste eeuw werd hij door de Kerk als namaakheilige verworpen. Zie ook de kleuter Simon in 1475 te Trente in Italië. Veel kerken en abdijen hielden er hun eigen jongensmartelaar op na: een lucratieve manier om pelgrims te trekken. De lagere clerus, zowel priesters als monniken, was even bijgelovig als het volk. Ook na de kruistochten bleven allerlei mythen over de Joden bestaan die onherroepelijk leidden tot nieuwe uitbarstingen van geweld. Nog in 1881 werden de Joden in een blad van de Jezuïtenorde beschuldigd van rituele moord.

 

Inquisitie

Toen onder invloed van de beweging van Cluny de Kerk een renteverbod instelde en de Joden niet meer konden overleven, was één plus één twee. Zij werden geldschieters en kregen al snel de naam van woekeraars. Omdat Joden paria’s waren, een onderklasse waar christenen niet mee mochten omgaan, kropen ze bij elkaar in de eerste getto’s. In 1232 riep paus Gregorius IX de inquisitie in leven. Vooral om de Katharen een halt toe te roepen, maar al gauw gericht tegen alle ketterijen, waaronder de Joden. De inquisitie kreeg toestemming om via martelpraktijken bekentenissen af te dwingen en onverbeterlijken op de brandstapel te executeren. De Talmoed zou blasfemische teksten bevatten. De Kerk organiseerde zogeheten ‘disputen’ met Joden die natuurlijk altijd als christelijke overwinningen werden geclaimd. Rond 1300 veranderde het klimaat in Europa, waardoor er extreem veel regen viel en een hongersnood uitbrak. Daarna volgde de pest. De Joden werden de zondebok. Zij zouden onder andere bronnen vergiftigen. Hele gemeenschappen werden uitgeroeid. Sommige leiders probeerden de Jodenhaat in te dammen, maar de mensen waren bezeten van angst en dweepzucht. Groepen zichzelf geselende  flagellanten trokken zingend rond van stad naar stad. Wanneer men zich drieëndertig dagen (Jezus leefde drieëndertig jaar) zou kastijden ontving men vergeving van zonde. Meestal eindigden dergelijke manifestaties in aanvallen op de Joden. De grote middeleeuwse theologen namen een dubbele houding aan: tolerant en beschermend enerzijds, vijandig en straffend anderzijds. De Joden mochten niet gedood worden, maar moesten wel lijden: als boetedoening voor de moord op Christus. De overheden beschermden de Joden alleen als ze nodig waren voor het genereren van geld. In 1395 werden de Franse Joden voor de vijfde keer binnen vier eeuwen verbannen, wat in feite het einde van de Joodse gemeenschap aldaar betekende. In Duitsland verdwenen de meeste Joden naar Polen of Litouwen. In 1290 werden de Joden officieel door koning Edward uit Engeland verbannen. In Italië stonden de Joden min of meer onder bescherming van de pausen. Onder de moslims in Spanje, die in religieus opzicht veel dichter bij hen stonden dan de christenen, hadden ze het relatief goed.

 

Conversos

Toen de christelijke koningen de islam uit Spanje wist te verdrijven, begon er weer langzaam een ondergrondse haatcampagne die in de loop van de veertiende eeuw aan de oppervlakte kwam. Om hun bestaan leefbaar te houden, besloten veel Joden zich in vredesnaam maar te laten dopen: de ‘conversos’. Menigeen leidde een dubbelleven, wat naar alle kanten toe argwaan en achterdocht opwekte. Ze kregen al gauw de scheldnaam: ‘marrano’- ‘varken’. Wrede permanente tribunalen werden opgezet. Spionagesystemen opgericht. Publieke auto-da-fe’s golden als volksvermaak. Men denkt dat de inquisitie zo’n honderdduizend Joden heeft vermoord. In hetzelfde jaar dat Columbus naar Amerika vertrok, werd de ‘Reconquista’ in Spanje voltooid, wat resulteerde in een verbanning van zo’n 150.000 Joden. Met als gevolg een economische stagnatie. Uiteindelijk werd het verplicht een certificaat van ‘bloedzuiverheid’ te overleggen in elke ambtelijke functie: de voorloper van de ‘Ariër-paragraph’ en ‘Ahnenpass’ van de nazi’s. Portugal dwong de Joden op den duur eveneens een dubbelleven te leiden. Nadat ze de schuld kregen van de aardbeving van Lissabon kwam de inquisitie ook daar orde op zaken stellen. Er ontstond een ware exodus. Onder meer naar de Republiek der Nederlanden: zie de Portugese Synagoge in Amsterdam.

 

Humanisme

Onder de Renaissance pausen hadden de Joden het goed. De katholieke belangstelling ging uit naar het humanisme. De pausen waren opdrachtgevers van beroemde kunstenaars als Bramante, Michelangelo en Raphael. Ze lazen niet alleen de klassieken maar bestudeerden ook de Hebreeuwse werken, waaronder de Kabbala, het boek van de Joodse mystiek. Praktisch alle Italiaanse steden hielden er een Joods ‘geldleenbedrijf’ op na. Voor de gewone man waren er de pandjeshuizen. Hieruit ontstond later het bankwezen. De belangstelling voor de Hebreeuwse taal zorgde voor rumoer onder de humanisten. Erasmus nam nadrukkelijk stelling tegen ‘de pest van het Jodendom’. Reuchlin nam het op voor de Talmoed en de Kabbala. De bekeerde Jood Pfefferkon was tegen de Talmoed, de Kabbala vond hij okay. Erasmus vertrouwde Pfefferkorn echter voor geen cent en noemt hem ‘een volslagen gek’ en een ‘onbeschaamde vlegel’. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Maarten Luther

Aan de vooravond van de Reformatie was de situatie van de Joden in West Europa ronduit slecht. Maarten Luther brandde in zijn vijfennegentig stellingen de aflaathandel af, waarop hij door de Kerk werd verbannen. Dat Luther vanwege zijn kritiek niet zoals Hus op de brandstapel terecht kwam, was te danken aan de bescherming die de keurvorst hem bood. Bovendien zorgde de nieuwe boekdrukkunst ervoor dat zijn stellingen snel in heel Duitsland werden verspreid. Er was veel sociale onrust vanwege de Boerenoorlog en een toenemende angst voor de eindtijd. In 1480 verscheen het prentenboek “De Antichrist” in Straatsburg, waarin werd gesteld dat de Joden zich als eersten rond deze duistere figuur schaarden. Ik vond dat wel verrassend. Sommige evangelisten zeggen heden ten dage namelijk precies hetzelfde. Zie het filmpje op Youtube van Wim Grandia onder de titel “Zie, Ik kom spoedig” (aflevering 27): “… laten we eerlijk zijn, Israël heeft ervaring genoeg met het leveren van valse profeten, het hele Oude Testament staat er vol mee…”, enzovoort, en zo verder. Voor Maarten Luther was de paus de antichrist. Hij liet Cranach de Oudere een flink stel afbeeldingen maken van het Bijbelboek Openbaring. Alle beesten en monsters stellen de paus voor. In eerste instantie was Luther ongewoon tolerant richting de Joden. In “Wider der Sabbather” wordt zijn toon al agressiever. In het drie jaar voor zijn dood verschenen “Von den Juden und ihren Lügen” gaat hij als een dolle tegen ze tekeer. Vulgaire taal was in zijn tijd heel gewoon. Luther gold als een voorbeeldfiguur voor de nationaal-socialistische literatuur, waarin hij eindeloos wordt geciteerd. 

 

Contrareformatie

Calvijn was veel milder dan zijn voorgangers en riep nooit op de Joden te haten. Echter, de verwerping van de Joden stond ook bij hem buiten kijf. Hij zag hen enkel als potentiële christenen. Het idee dat de Reformatie als een soort bevrijdingsbeweging kan worden gezien, bagatelliseert Wachters. De vermeende vrijheid gold alleen de interpretatie van de eigen leer. Verder bleef alles grotendeels middeleeuws. Andersdenkenden werden niet geduld, de verhalen over bloedschennis, rituele moorden en ontheiliging van de hostie gingen nog steeds rond, ketters werden terechtgesteld, heksen verbrand, Joden met dwangmaatregelen bejegend en opstandige boeren neergeslagen. Met het Concilie van Trente zette de Contrareformatie in. Weer waren de Joden de klos. Ze werden zo’n beetje gedegradeerd tot voddenophalers. In Italië was de overgang van tolerantie naar onderdrukking duidelijk zichtbaar. Joden werden gedwongen preken aan te horen. Wie niet goed luisterde, kreeg met de zweep. Heropvoedingsinternaten werden opgericht. De akelige gewoonte om tijdens carnaval Joden te dwingen tot een wedstrijdje hardlopen om zich vervolgens te laten uitlachen en met modder te laten insmeren kwam op gang. Er was sprake van Talmoedverbranding en verbanning. De poorten van het Romeinse getto werden ’s nachts gesloten. Tot de Kerk haar gebeul weer moe werd.

 

Anti-Joods beeldmateriaal

Er bestaat enorm veel anti-Joods beeldmateriaal. Het ongeletterde volk werd geïndoctrineerd door beeldhouwwerken en vanaf de boekdrukkunst via houtsnedes en gravures in boeken. Joden werden steevast afgebeeld als duivels, heksen en tovenaars, magiërs, gifmengers en natuurlijk als moordenaars en kannibalen. De meest populaire afbeelding was die van de Jood in de gedaante van een zwijn of een duivel, beiden voorgesteld met horens, varkensoren, staarten en bokkenpoten. In veel Duitse kerken is de ‘Judensau’ te zien, het symbool van onmatigheid en onkuisheid. Joden liggen aan en drinken melk van een zeug, eten de uitwerpselen en kijken onder de staart. Er zijn afbeeldingen van Joodse vrouwen die biggetjes baren. Zelfs op speelkaarten staan afbeeldingen van Joden met een gele ‘Jodenlap’, achterstevoren rijdend op een varken en met een geldbuidel in de hand. Een van de oudste afbeeldingen stelt de Kerk, Ecclesia, voor als een fiere vrouw met kroon en staf, tegenover de Synagoge, een geblinddoekte vrouw met een gebroken staf, en met de in stukken gevallen stenen tafelen aan haar voeten. Ook in de populaire passiespelen werden de Joden gedemoniseerd. De theorie van de Joodse samenzwering bleef maar doorwerken. Tot in de weer stevig opgelaaide hedendaagse complottheorieën rond corona. De gemene deler is dat de Joden het altijd hebben gedaan. Zie Cees Zweistra in “Waarheidszoekers”. Om over het antisemitisme rond het Gaza-conflict (zie hierover Femke Halsema en Nausicaa Marbe) maar te zwijgen.

 

Vrijheid van geloof en geweten

De tolerante gereformeerde Republiek der Nederlander werd een vrijhaven voor de ‘conversos’. En ook voor gevluchte Duitse protestanten, Franse hugenoten, Engelse quakers, alsmede lutheranen, remonstranten en doopsgezinden. Voor de Hollanders was de religieuze status onbelangrijk. Men keek vooral naar de kwaliteit van het koopmanschap. Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt bepleitte vergaande vrijheid jegens de Joden. Raadspensionaris Hugo de Groot was daar weer vierkant tegen. Uiteindelijk besloten de Staten heel pragmatisch dat de steden de Joodse zaak zelf maar moesten regelen. Calvinistische hardliners als Johannes Hoornbeeck, Gisbertus Voetius en Antonius Hulsius bleven hun gal spuwen over de Joden, maar de meeste gereformeerde theologen volgden de lijn van Calvijn. Iemand als Jacobus Revius sprak zelfs met bijzonder veel respect over de Joden: zie zijn beroemde gedicht “Hy droech onse smerten” (1630). Al met al ging het de Nederlanden door hun komst economisch zeer voor de wind. Ons land was zijn tijd ver vooruit in zijn gedachten over vrijheid van geloof en geweten. De geschiedenis heeft geleerd dat zo gauw Kerk en overheid samenwerken het mis gaat.

 

Verlichting

In de 15de eeuw werd Polen een centrum van Joden. De pogroms begonnen weer toen de Oekraïners en Russen binnenvielen. Voltaire was, als een van de belangrijkste Franse ‘verlichters’, met zijn anti-Joodse ideeën redelijk dominant, en heeft het hele verlichtingsdenken een schaduwkant bezorgd. Lessing, de vertegenwoordiger van het Duitse idealisme, sprak zich echter duidelijk uit tegen elk anti-Joods vooroordeel. Zijn vriend, filosoof Moses Mendelssohn, werd het symbool van de Joodse Verlichting: de ‘Haskala’. De pauselijke staat hield het Romeinse getto nog het langst in stand. De verlichtingsgedachten werden opgeschreven in de Franse ‘Declaratie van de Rechten van de Mens en de Burger’. Eindelijk waren de Joden hetzelfde als iedereen. Napoleon bevestigde een en ander in zijn Code Civil. Voor de Joden betekende dit een identiteitscrisis. Hoe te assimileren en tevens Joods te blijven? De orthodoxe Joden zonderden zich af en bleven trouw aan de gebruiken van hun voorvaderen. De geseculariseerde Joden keerden zich naar het socialisme, het communisme of het zionisme. Daartussen bewoog zich het reform- dan wel liberale Jodendom.

 

Germaans christendom

In het midden van de negentiende werden de Joodse burgers overschaduwd door een nieuwe theorie gebaseerd op de ideeën van het Darwinisme: het Jodendom was niet alleen een kwestie van religie en volk, maar op de eerste plaats van ras. Het Semitische ras welteverstaan. Er kan maar één ras superieur zijn:  dat was het Arische ras. Het antisemitisme werd geboren. In Duitsland kwam een Germaans-christelijke godsdienst op die werd gezuiverd van Joodse trekjes. Volgens Ernest Renan was Jezus een Ariër. Ook Fichte twijfelde aan de Joodsheid van Jezus. Schopenhauer meende dat de echte wijsheid van het christendom uit het Arische India kwam. Paul de Lagarde vond de Joden parasieten die maar het beste naar Madagaskar gedeporteerd konden worden. Componist Richard Wagner liet Christus samenvallen met Wodan. Friedrich Nietzsche was absoluut geen antisemiet, maar diverse begrippen die uit zijn koker komen, ‘Herrenmoral’, ‘Sklavenmoral’ ,‘Übermensch’, ’Untermensch’, gingen een eigen leven leiden en kwamen het antisemitisme goed van pas. In 1880 verscheen het beruchte geschrift de “Protocollen van de Wijzen van Sion” waar “De begraafplaats van Praag” van Umberto Eco over gaat. De protestantse  patriarchale maatschappij onder Bismarck kon niet omgaan met de Joden als ‘ander’, een groep met een eigen identiteit. De ‘vervangingstheologie’ van de populaire lutherse predikant Adolf Stoecker had grote invloed op het antisemitisme van de nazi’s. Na 1880 waren ook de conservatieven en katholieken in Frankrijk het er over eens dat de Joden en vrijmetselaars de samenleving wilden ontwrichten. De schrijver van de bestseller “La France juive”, Edouard Drumont, werd de hoofdaanklager in de Dreyfus-affaire. Houston Stewart Chaimberlain publiceerde in 1899 zijn “Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts” in twee dikke delen, waarin Jezus voorgesteld wordt als een Arische profeet. Het werd al vrij snel verplichte literatuur op veel protestantse gymnasia. Ook keizer Wilhelm II was diep onder de indruk van Chamberlains verhaal. De laatste zag in Hitler van meet af aan de redder van Duitsland. Journalist Theodor Fritsch kwam met zijn “Handbuch der Judenfrage”, ook wel bekend als de “Antisemitische Katechese”, een inspiratiebron voor katholieke en evangelische scholen. Streicher schreef het kinderboek “Der Giftpilz”, met als kop boven de inleiding de uit zijn verband gerukte Bijbeltekst: ‘De vader van de joden is de duivel’. Op een Hegeliaanse manier moesten het christendom en Jezus opgeheven worden in het Germaanse. Daarop proclameerde Theodor Herzl, die ervan overtuigd was geraakt dat assimilatie geen optie meer was, het zionisme.  

 

Vernietiging

Vervolgens kwam de Duitse dictator Hitler op, die de Joden als parasieten zag en Duitsland ‘Judenrein’ wilde maken. Hij gaf de Joden de schuld van het verlies van WO I en de Russische Revolutie. De kerken maakten niet of nauwelijks bezwaar. De Evangelische Kirche onderschreef zelfs het nazi-beleid en transformeerde tot staatskerk. De ‘Bekennende Kirche’ scheidde zich af en werd een ondergrondse protestorganisatie met kopstukken als Dietrich Bonnhoeffer, Martin Niemöller en Karl Barth. Alleen Bonhoeffer kwam op voor de slachtoffers búiten de kerk, alhoewel hij volgens Wachters bleef vasthouden aan het aloude christelijke standpunt dat ‘het uitverkoren volk’ Christus had gekruisigd en daarom vervloekt was met een onafzienbare lijdensweg. In ruil voor politieke neutraliteit beloofde Hitler de katholieke kerk met rust te laten, maar deed dat niet. Honderden priesters belandden in concentratiekampen. De nazi’s bemoeiden zich voortdurend met allerlei katholieke organisaties en kerkelijke eigendommen werden in beslag genomen. Paus Pius XII zweeg in het openbaar over het antisemitisme maar heeft in het geheim wel duizenden Joden gered. Het is bijna demonisch te noemen hoe ondanks het tekort aan Duitse soldaten de vernietiging van de Joden gewoon doorging: “… Hitlers Jodenhaat en de vaste overtuiging dat hij het jodendom wereldwijd kon vernietigen, leidde bij hem niet alleen tot grote woedeaanvallen tijdens zijn toespraken, maar bleek langzamerhand ook tot een zekere waan te leiden die hem de werkelijkheid uit het oog deed verliezen…”. In Nederland redde een netwerk van dappere hulpverleners en studentengroepen minstens 4500 Joodse kinderen. Desondanks werden uit ons land, vergeleken met de rest van Europa, de meeste Joden gedeporteerd. In absolute aantallen en in proporties: 79 %.  Ik denk dat je wel kunt stellen dat Wachters vindt dat het christendom het Oude Testament van de Joden heeft afgepikt om daarmee vervolgens de poten onder de stoel van het Jodendom weg te zagen. In ieder geval is het duidelijk dat een bloeddorstige God, die zes miljoen mensen op een verschrikkelijke manier liet boeten voor een moord die 2000 jaar gelden gepleegd werd door ‘een regering van intriganten en stadsgepeupel’, eerder een bloeddorstige duivel is dan de Vader van Jezus Christus of de God van Israël.

 

Uitgave: Van Warven - 2021, 400 blz., ISBN 978 949 317 550 1, 24,50

Rechtstreeks bestellen bij bol.: klik hier