Menu

zaterdag 6 juli 2024

De komende Europeesche mensch – Walter Schubart

 


Terwijl ik verder zocht naar literatuur over de ziel in het christendom - zie mijn vorige blog - vond ik een oud boek uit 1938 van de Duitse jurist en cultuurfilosoof Walter Schubart (1897 – 1942). Ik heb het met lichte verbijstering gelezen. In 1930 trouwde Schubart met de Joods-Letse Wera Behrmann, aan wie hij zijn boek heeft opgedragen. Samen kregen ze twee kinderen. Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 vertrokken zij naar Riga. In 1940 werd Letland als gevolg van het Molotov-Ribbentroppact deel van de Sovjet-Unie. Wera en Walter stuurden hun kinderen naar Duitsland, waar ze de oorlog overleefden. Zelf konden zij Letland niet meer verlaten. In juni 1941 werd het echtpaar Schubart door de geheime politie van de Sovjet-Unie per trein vanuit Riga gedeporteerd naar Siberië. Walter stierf op 15 september 1942 in een gevangenenkamp in Kazachstan. Zijn vrouw stierf in 1943 in een vrouwenkamp in Kazachstan. Ik kon op internet maar twee Nederlandstalige artikelen over de vrij onbekende Walter Schubart vinden: van Hans Ester (2012) en Kees Doevendans (2022). “De komende Europeesche mensch” moet je wel in zijn context lezen. Schubart wist nog niet van de Tweede Wereldoorlog met zijn gaskamers. Zijn pathetische visie is uiterst zwart-wit, maar soms is dat niet verkeerd om iets heel duidelijk neer te zetten. Ik zal vooral díe dingen er uit pikken die nu nog aanspreken. Ik bedacht dat het boek misschien zo resoneert omdat veel opiniemakers zeggen dat onze tijd veel lijkt op de jaren dertig van voor de oorlog.

 

Overgangstijd

Schubart schrijft in zijn voorrede dat zijn boek over ‘de tegenstelling tussen de West- en Oost-Europese mens’ zal gaan, wat ondertussen weer een heftig issue is: de strijd tussen Rusland en ‘ons’ met Oekraïne als kop van jut ertussen (1500 doden en gewonden per dag heb ik mij laten vertellen, moet je je dat eens voorstellen, wanneer zijn de jongens ‘op’!?). Schubart ziet vier elkaar aflossende archetypen waar volken en tijdperken door worden beheerst: die van de harmonische (zie de oude Grieken uit de tijd van Homerus, de Chinezen uit de tijd van Confucius, de christenen uit de gotiek), heroïsche (zie de oude Romeinen, de Germanen, het moderne Westen), ascetische (zie de Indiërs en de Neo-Platonische Grieken) en messiaanse mens (zie de eerste christenen en de Slaven waaronder de Russen). Schubart meent dat hij in een ‘overgangstijd’ leeft van het ene archetype naar het andere, net als veel denkers heden ten dage: neem alleen al de opkomst van extreem rechts in heel Europa. “… Dit zijn de ‘tusschenperioden’, de apocalyptische oogenblikken der menschheid…”. De laatste overgang was die van de gotische/harmonische mens, die geheel gericht was op het goddelijke, naar de Prometheïsche/heroïsche mens rond 1450/1550, die zijn oog richtte op de aarde. Toen begonnen de grote ontdekkingen. De heroïsche mens wil zélf God zijn. Zie ook: “Het lege ik” van Jeffrey Satinover. Ondertussen breekt na vijfhonderd jaar het morgenrood van wederom een nieuwe periode aan, volgens een bijzonder optimistische Schubart: de messiaanse dan wel liefdevolle, broederlijke Johanneïsche tijd (naar het Evangelie van Johannes).

 

Genius loci

Ook het karakter van de landstreek dan wel de ‘genius loci’ heeft invloed op de mens, aldus Schubart. Godsdiensten ontkiemen op wijde vlaktes, waar de mens zich een stipje in de ruimte voelt: “… Hoeveel hebben de steppen van China en Rusland, de vlakten van Indië, de woestijnen van Syrië en Arabië niet beteekend voor de godsdienstige lotsbestemming der menschheid! Boeddha werd op de eindelooze vlakte van Patna de groote Verlichting deelachtig. De stichters van de andere godsdiensten – zoo bijv. de Christus – togen naar de woestijn om de Openbaring te ontvangen...”. In Azië zijn alle grote godsdiensten ontstaan, in Europa niet één. Voor hetzelfde geld kun je zeggen dat goden op bergen wonen, zie de Godsopenbaring op de Sinaï of de Olympus, de godenberg van de Grieken, maar daar heeft Schubart het niet over.

 

De Russische ziel

Er begint zich voor het eerst wat te roeren in de Prometheïsche cultuur met het optreden van Rousseau en Schopenhauer. Een pessimistische ondertoon die voortdurend toeneemt. Zie Nietzsche, Spengler en Klages. Herder had het al over de ‘cultuurmoeheid’ van Europa. Een gemis dat volgens Leibnitz en Goethe kan worden overbrugd door ons naar het Oosten te richten. Nietzsche ‘schreed eenzaam en door niemand begrepen’ door de Prometheïsche cultuur die in zijn tijd op het toppunt van haar kunnen, kracht en zelfbewustzijn stond. Maar het doodde haar ziel. De veroveringen op technisch en natuurwetenschappelijk gebied werden steeds groter. De Prometheïsche cultuur zag zichzelf als het eindpunt en tegelijk de afsluitsteen van alle beschavingen, en doet dat nog steeds, volgens iemand als filosoof Ad Verbrugge. Zie ook “Het einde van de geschiedenis en de laatste mens”(1992) van politiek denker Francis Fukuyama. ‘We’ kunnen ons gewoon niet voorstellen dat een Rus echt een ‘andere ziel’ heeft dan wij, volgens Schubart. Anders denkt. Anders voelt. De westerse filosofie is ingekrompen tot geschiedenis: “… Zij heeft geen woord te zeggen tegen onze, naar licht en waarheid hongerende generatie; onze brandende begeerte naar vernieuwing van de mens ontgaat haar…”. Rusland kan voor nieuwe impulsen zorgen. Rusland kan ons van ons onbehagen ‘verlossen’. Rusland heeft de taak het Westen haar verloren ziel terug te geven. Rusland is ‘messiaans’ van aanleg, ook al is het in zijn tijd door ‘bolsjewistische krampen’ bevangen, aldus Schubart. Rusland wordt beheerst door een andere ‘genius loci’, een ander mensentype, dan het Westen. De tegenstelling tussen Rusland en Europa is op de allereerste plaats een vraagstuk van de ziel, en niet van buitenlandse politiek. De tegenpartijen moeten tot verzoening komen, wil zich  een harmonische Europese toekomst openen. Het conflict is oeroud. Schubart profeteert: “… Het zal het laatste en grootste conflict in den geest van het Avondland zijn…”. Volgens Beatrice de Graaf ziet Poetin het huidige conflict dan ook als een ‘heilige oorlog’.

 

Ten oorlog

Voor Schubart heeft oorlog zo zijn voordelen. Het is een manier om elkaar te beïnvloeden. Waar was het christendom geweest zonder de veroveringstochten van Ceasar en Germanicus?! “… Haat kan in liefde omslaan, onverschilligheid kan dat niet…”. Schubart noemt Napoleon ‘de meest volstrekte incarnatie van de Prometheïsche mens’ en tegelijkertijd ‘de grootste belichaming van het westerse verlangen naar de verborgen mystiek van het Oosten’: “… Het kwam hem voor als lag achter Moskou het paradijs…”. Napoleon noemde Europa een ‘molshoop’ en Parijs drukte hem als ‘een mantel van lood’. Volgens Schubart is de communistische wereldrevolutie een samentrekking van alle krachten tégen Europa die “… den toon aangeeft over den geheelen aardbol…”. Schubart: “… Alle ontevredenen, getrapten, door Europa onderdrukten, allen die er een onrecht op te wreken hebben – en hoevelen zijn dat niet – kunnen zich onder deze vaan scharen…”. Zie het antikolonialisme en de wokegedachten van nu. Volgens Schubart ziet Rusland het als zijn historische taak zich tegen Europa te keren en het zo mogelijk te vervangen, wat de leiding der mensheid betreft. De Russen zijn er “… diep van overtuigd dat onze planeet een zucht van verlichting zal slaken als mettertijd de Prometheïsche cultuur in de schoot der eeuwigheid terugzinkt…”. Misschien is dat nog steeds zo. Zonder het bolsjewisme zou er nooit zoiets als het fascisme of nationaal-socialisme zijn ontstaan, meent Schubart, want dat was er een verweer tegen. Het kent haar eigen ‘vader’ niet: “… Het voert Europa naar den algemeenen oorlog en daardoor naar den chaos welke het Russische bolsjewisme rechtstreeks trachtte te verwekken…”. Schubart: “… De roode vuist welke Rusland het dreigend onder den neus houdt, wordt van Salamanca tot Riga, van Aken tot Athene, beantwoord met den groet van Ceasar. Het nam zijn toevlucht tot het Romeinsche ideaal van een staat welke door geweld bestuurd wordt. Het offerde de heiligste goederen van vrijheid en recht op, uit angst voor het Russische monster. Dat was het eenige gebaar van afweer waartoe Europa nog in staat bleek…”. Wat is er veranderd?

 

Het gotische tijdperk

De mens van het Avondland heeft nooit zoveel op de Rus geleken als in het gotische tijdperk dat zich kenmerkte door harmonie. De mens voelde zich geborgen in het volmaakte Godsrijk dat de wereld was. Het te willen veranderen was hem een gruwel. Eén groepje mensen paste niet in dit nederige wereldbeeld: de alchimisten, voorlopers van de huidige natuur- en scheikundigen. “… Zij waren er zich van bewust dat zij den heerweg verlaten hadden en gevaarlijke zijpaden bewandelden. Zij wilden – wat de scholastici verafschuwden – God’s geheimen blootleggen en zoo mogelijk achter de drijfveeren der schepping komen. Het waren uitzonderingen, geen typische verschijningen, van hun tijd. Door de kerk gedaagd en door de maatschappij vermeden, verscholen deze zonderlingen, die eer nog aanzien genoten, zich in hun kloostercellen of in andere afgelegen oorden en experimenteerden daar, schuw, bedreigd en met een slecht geweten, achter geblindeerde ramen…”. De gotische mens leek op de oude Griek. Al schiet de laatste wortel in de aarde en klemt de eerste zich aan de hemel vast. Zie de kathedralen en het Gregoriaans. De gotische voorstelling van de schepping was zo ruim dat daarin zelfs probleemloos plaats werd gemaakt voor de duivel en het lijden.

 

Hervorming

Volgens Schubart heeft de Hervorming het Prometheïsche tijdperk ingeleid. Hij noemt het een protest van het verstand tegen het gevoel. De mens wordt zich bewust van zichzelf. De nieuwe mens richt zich niet meer op zelfovergave, maar zelfbestendiging. Alles gaat om het eigen ‘ik’ draaien. Dat maakt de mens eenzaam. Oervertrouwen verandert in oerangst, wat een streven naar macht ontketent. Het verworven bezit maakt de mens niet eerbiedig, maar trots. De liefde tot God en het eeuwige maakt plaats voor liefde tot de aarde en het tijdelijke. De broederliefde verwordt tot  ‘ieder voor zich’. Eenheid en saamhorigheid gaan verloren. De kerk komt tot scheuringen. “… Luther wilde den godsdienst vernieuwen door deze te verinnerlijken, hij wilde hem voor de wereld, wier zondigheid hij huiverend aanschouwde, in veiligheid brengen…”. Maar daardoor splitst het protestantse leven in een goddelijk en een werelds deel en het goddelijke krimpt naarmate het wereldse zich breed maakt. Het veroorzaakt schrille tegenstellingen tussen leer en leven, waardoor het religieuze tenslotte uit het autonome hart verdwijnt. De pausen grepen ter grondvesting van hun kerkelijke almacht terug op de ‘Romeinse Caesar’ en de ‘Hebreeuwschen Jahweh’, aldus Schubart: “… Beiden zijn nauw verwant en gaan van overheersching en logica uit. Beiden regelen de verhouding van den mensch tot God als die van schuldenaar tot schuldeischer, als een contractueele overeenkomst met nauwkeurig omschreven rechten en plichten. Niet de liefde doch de rechtvaardigheid is punt van uitgang…”. Deze  geest is in Europa door de Reformatie en in de zuidelijke landen door de Renaissance machtig geworden – zie Machiavelli. Schubart vindt Luther met zijn onverwoestbare kracht het evenbeeld van de Oud-Testamentische profeten, maar kan hem nauwelijks een christen noemen vergeleken met de Jezus uit het evangelie van Johannes.

 

Prometheïsche vernieuwingen

Hij betrekt de antithese tussen de harmonische, organische Grieken en de heroïeke, mechanische Romeinen op de verschillende wegen die de christelijke kerk insloeg. Nog steeds speelt ze op in de tegenstelling Rusland-Europa: “… Het moderne West-Oostersche probleem heeft zijn wortel in het conflict tusschen de beide antieke cultuur-uitingen van de Middellandsche Zee. Wanneer men dit niet inziet, kan men er de diepte niet van peilen…”.  Het Romeinse recht verdrong het gemeenschapsrecht van de gotiek omdat het het recht van de welgestelden was, een recht dat op macht steunde. De barok, romantiek en het expressionisme hebben zich tegen de Prometheïsche vernieuwingen verzet: “… Het expressionisme eindelijk is hopelooze waanzin, een schreeuw van vertwijfeling, een verloren gaan van vorm…” (Kandinski, Archipenko). Even verder: “… De Prometheïsche mens wil de wereld niet vereeren als de vrome, niet doorgronden als de wijsgeer en niet afbeelden als de kunstenaar, maar hij wil haar regeeren als staatsman, uitbuiten als koopman en voordeel van haar trekken als homo faber. De plaats van de priester, den denker en den musicus wordt ingenomen door den technicus, den werkman en den soldaat…”. Barok is ‘bewuste’ gotiek. In weerwil van zijn protestantse geloofsovertuiging bestempelt Schubart Bach als het prototype van de gotische mens: “… Daarom schreef hij Passionen en geen opera’s…”. Schubart: “… Naarmate het Prometheïsche oerbeeld krachtdadiger op den voorgrond trad, werd de mens gezonder, ondernemender en banaler…”. De laatste verheerlijkt de techniek en veracht de godsdienst. Tegelijk met de godsdienst verdwijnt ook de sociale structuur. Het liberalisme baart de concurrentiemaatschappij. Wil de staat daardoor op den duur niet veranderen in chaos dan zal deze door dwangmaatregelen bestuurd moeten worden. Er staat ons dus nog wat te wachten!

 

Liefdesgedachte boven rechtsgedachte

Vervolgens doet Schubart de geschiedenis van het Russische christendom uit de doeken. Hij vertelt hoe gruwelijk het lijden van de Russen onder de Tartaren is geweest, wat de oprispingen van wreedheid verklaart. Geweld leidt tot meer geweld. Op de meest verlichte geesten heeft dit lijden echter een gunstige werking uitgeoefend; namelijk in de visie dat de ‘liefdesgedachte’ boven de ‘rechtsgedachte’ gaat. Het is volgens Schubart het kern-idee van het christendom, dat aan gene zijde van recht en onrecht, van schuld en wraak, het milde gebaar van alles vergevende en alles zuiverende goedheid bestaat. Zie mijn vorige blog over de Bergrede. De Prometheïsche wereldopvatting, die Schubart zonder meer aanduidt als ‘westers vergif’, rolde herhaaldelijk over Rusland heen, maar het harmonische karakter van de gewone Rus had er niets mee. De oude Rus heeft een aangeboren gevoel voor het al. Op de Prometheïsche idealen reageert hij eerder ‘messiaans’ dan ‘ascetisch’. De Rus gaat gebukt onder de disharmonie van zijn ziel – zie het werk van Dostojewski. Hij legt het accent op het hiernamaals. Hij houdt onverbreekbaar voeling met het eeuwige. Hij wordt door het goddelijke aangegrepen en bewogen. Hij zal de disharmonische buitenwereld proberen om te bouwen naar de harmonische binnenwereld. Hij wil een goddelijke woning in de wereld vinden. Hij heeft een roeping: “… Wat de harmonische mens als reeds verwerkelijkt ziet, moet de messiaansche nog verwerkelijken…”.

 

Russisch nihilisme

De Rus is niet tevreden met het erkennen van de waarheid, hij wil haar léven. Voor hem kunnen waarheid en werkelijkheid geen verschillende wegen gaan. De Rus luistert naar de stem van zijn geweten en offert zich op voor zijn overtuiging. Daarom komt de Rus tot de conclusie dat als de wereld slecht is, zij ten onder moet gaan. Zo wordt de apocalyptische ziel geboren en ontstaat het Russische nihilisme, dat vervuld is van een tomeloos verlangen naar de ondergang. Schubart noemt dit nihilisme de ‘ontaarding’ van het Russische messianisme. Soms wordt de Rus een bandeloze vernieler. Uit de afgrond van het lijden kan een eschatologische oerhaat tegen het leven opstijgen: “… Zoo veranderen de Russen van een volk van boeren en heiligen in een volk van revolutionairen en fantasten…”. Het ‘nee’ zeggen tegen de wereld neemt het karakter van vernietiging van die wereld aan. Het Russische nihilisme is religieus van aard. Het omverwerpen van de bestaande orde maakt een toekomstige en betere mogelijk. Het gaat om wedergeboorte. Het vernietigen van het oude is een offer. “… Het komt slechts op het temperament aan of men den ondergang van de wereld aan God overlaat of hem zelf tracht te bewerkstelligen, de grootere activiteit van het laatste standpunt wijst op een hoogeren graad van innerlijke onrust…”. Je kunt dus nooit weten met welke sentimenten Poetin is bevangen, bedacht ik: het Westen speelt met vuur.

 

Warme mystiek, koude dogma’s

De Westerling is iemand van het midden, de Rus is iemand van uitersten. De Rus gaat het om geestelijke vrijheid. ‘Wat komt het aardse leven er nu op aan’, denkt de Rus heimelijk en met ware doodsverachting. De rijke Rus schaamt zich voor de arme: “… Wanneer het ‘Domina sancta paupertas’ van de Franciskanen ergens op aarde uit het diepst der ziel beaamd wordt, is dat wel onder het Russische volk. Vrijheid is onafscheidelijk met nederigheid verbonden. De Rus is vrij omdat hij nederig is, en nederig is de mensch, die zich met God verbonden voelt…”. Biecht en berouw brengen hem verlichting. Lijden verlicht zijn schuldgevoel. Zonder offer geen wedergeboorte. Zonder dood geen opstanding. Pasen is het grootste Russische kerkfeest, niet het kerstfeest. De Rus verzoent zich met zijn lot, de Prometheïsche mens strijdt er tegen: het allerergste is een ‘looser’ te zijn. Daarom kent de Rus vrede en de Prometheïsche mens angst: zie de koperdruk ‘Melancholica’ van Dürer. Het is het verschil tussen de nomade en de landbouwer. “… De nomaden, niet door dagelijksche zorgen om het bestaan gekweld, hadden tijd te over voor een beschouwend leven en zijn dus droomerige, peinzende overdenkers van de eeuwige dingen geworden…”. Zie bijvoorbeeld het werk van Sholeh Rezazadeh. Zonder angst echter geen dapperheid: daarom is de Westerling heroïsch. De Rus heeft diep wortel geschoten in het eeuwige en leeft uitgelaten bij de invallen van het ogenblik. Zijn waaghalzerij komt voort uit goddelijke lichtzinnigheid. De Russische kerk geeft zich over aan de warme mystiek, de protestantse kerk aan het koude dogma.

 

Oerangst en oervertrouwen

Waar weinig godsdienst is, zal de staat steeds meer gaan regelen, wat eindigt in een totalitair regime. Zie onze totaal uit de klauwen lopende bureaucratie zou ik zeggen. Naarmate de wetten meer beknellen en benauwen nemen de overtredingen echter toe. Russen verafschuwen macht, laten die graag aan anderen over. Russen haten wetjes en regeltjes, wat haar neiging tot anarchie verklaart. Vanwege overspannen bezorgdheid wordt de organisatie van de westerse maatschappij het doel van de politiek, beheersing van de natuur het doel der techniek en voorraden produceren het doel der industrie. En zo ontstaat als vanzelf de ‘rubberen-tegel-generatie’. Wij durven niet te léven. In zijn oerangst verlangt de Prometheïsche mens naar autoriteit: de dictatuur van de rede. Van het intellect. Van het doel-gericht-zijn. “… De Westersche mensch is moreel, omdat hij het zijn moet, de Rus omdat hij niet anders zijn kan. De eerste gehoorzaamt aan een bevel van buiten, de tweede aan een innerlijke aandrift…”. Dat is tot mijn verbazing precies waar de Bergrede over gaat volgens Dallas Willard (zie mijn vorige blog). De Europeaan “… wordt onvatbaar voor ingevingen, zijn bevindingen zijn nooit openbaringen. Hij stelt zich in het bezit van waarheden. ‘Ik wil mij een genadig God veroveren’, zegt Luther, alsof God een buit is waarop men zich storten kan…”. De Rus wacht in stille overgave af wat hem toebedeeld wordt. Zijn schaduwzijde: zelftucht ontbreekt en zijn grote fantasie wordt met veel dwalingen betaald. De Europese individualist is niet in staat tot een helicopterview: hij ziet door de bomen het bos niet meer. Gaat in het detail ten onder. Alles treedt op als tegenstelling: God en de wereld, ik en de wereld, politiek en cultuur, waarheid en schoonheid, geloof en weten, leven en leer. Oordelen is een vorm van delen. Tellen betekent delen. De Europeaan ziet niet het geheel dat de som der delen is. Het Prometheïsche ‘activisme’ staat lijnrecht tegenover de Russische ‘beschouwelijkheid’. Door zich rot te werken ziet de Europeaan de kosmische leegte niet die hem bedreigt: “… De bewoner van het Avondland houdt geen rekening met God en ziet den mensch daarom heel groot, de Rus ziet hem als steeds staande voor het Aangezicht van God en daarom heel klein. De Europeaan kan niet wachten en de Rus wacht te lang, oer-angst maakt den mensch overhaast en oer-vertrouwen traag. De eerste ontbreekt het aan geduld, de tweede aan vastbeslotenheid…”. De Europeaan krijgt de zenuwen van zijn ik-besef. Hij heeft geen tijd te verliezen omdat hij niet voortgewiegd wordt op de stroom der eeuwigheid. Schubart noemt het voortjakkerende tempo van het moderne westerse leven ‘de vloek van de godloosheid’. De Rus heeft eeuwig de tijd, omdat hij zich bewust is een eeuwig wezen te zijn. Tijd is geld. Europa is de zetel der zakelijkheid. Angst maakt verzot op geld. Het Europese kapitalisme komt voort uit angst.

 

Russisch atheïsme

Ik-besef uit zich als zelfzucht. De Europeaan ziet zijn medemens niet als broeder maar als vijand: ‘Homo homini lupus’. Hij slaagt er nooit in zichzelf weg te cijferen. Kan niet ‘luisteren’. “… De mensch van het Avondland verplaatst zich in een ander door zich met hem te vergelijken…”. Daarom is hij óf verwaand, óf jaloers. Eigenschappen waarop de sociale media drijven, toch?! Iedereen spant zijn uiterste krachten in om niet achter te blijven. Niemand lijdt zo hevig als de berooide mens in Europa, want hij moet zijn ellende verbergen. Zie: “Moeder van 40.000 kinderen” van Jasper van den Bovenkamp. De Europeaan is altijd luidruchtig aanwezig. Kan niet stil zijn. Over het zwijgen: wat men niet met de ogen van het lichaam ziet, vermag de tong nauwelijks uit te spreken. Het woord ontheiligt en profaneert, het  onthult de geheimen der wereld. Wanneer je dingen snel begrijpt, kom je er ook achter dat ze weinig te betekenen hebben. Eerbied veronderstelt onbegrijpelijkheid. Bij het heilige en het irrationele hoort het zwijgen. Alleen zwijgend kun je je open stellen voor de stem van God. Het bolsjewisme is volgens Schubart een geloofsstrijd. God zélf vormt de tegenstander. Het is opstand tegen God, geen afval. Haat, geen onverschilligheid. Daarin verschilt het Russische atheïsme van het Westen. De Rus kan de overmaat aan leed niet met Gods goedheid in overeenstemming brengen. Uit medelijden met de gekwelde vervloekt de Rus God: “… Er zijn bolsjewisten geweest, die voor Judas een standbeeld opgericht hebben als voor een heilige van een onheilig rijk…”. Bij de Russen is álles religieus: tot het atheïsme toe: “… Een kruistochtstemming vaart door de Russische god-loosheid…”. Het Russische noodlot leert dat mensen bovenmenselijke waarden nodig hebben. Zie de zinloze slachting ter wille van verwerpelijke doeleinden. “… Aan het einde van de weg welke door de positivisten begaan wordt, staat niet de mensch als redelijk wezen, maar de bestie…”.

 

Wetticisme

Niet het Griekse ‘charitas’ maar het Romeinse ‘justitia’ is de leidraad voor de kerk in het Westen geworden. Door zijn handelwijze in overeenstemming met de wet te brengen, hoopt de westerse christen uit handen van zijn Rechter te blijven. De bekering moest in het Noorden met geweld worden afgedwongen, wat wijst op niet-aangeboren christelijke neigingen. Zie de "Heliand" waarin Christus wordt voorgesteld als een strijdbare aanvoerder van hemelse heerscharen. “… De religie der naastenliefde gaat in de cultus van het zwaard over, welke men met de Mithras-dienst vergelijken kan, den godsdienst van de Romeinse legioenen…”. Zie ook de christelijke ridderorden. Dat in het gotische tijdperk, ondanks de Germaanse tegenstand, zuiver christendom kon ontstaan, is te danken aan de Keltische invloed. Zie: “Eiland van geleerden en heiligen” van Niek Bakker. Niet uit liefde, zoals bij Augustinus, maar uit grilligheid onttrekt de God van Calvijn enige uitverkorenen aan de eeuwige straf. De God van de reformatoren is een grimmige Vader die door zijn kinderen meer gevreesd dan geliefd wordt. Hij vertoont de trekken van de goden der heidense angstreligies. Dat verhaastte de aftocht naar de godloosheid, volgens Schubart. Calvijn maakte ook nog eens uiterlijke waarden als macht en bezit tot kenteken van goddelijke genegenheid. Van Calvijn voert een directe lijn via het Engelse puritanisme naar het economisch kapitalisme, aldus Schubart. De ik-mens haakt naar de sekte. Elke splitsing van een kerkorganisatie verengt het godsbegrip. Door de priesters uit te schakelen, stelden de hervormers de mens onmiddellijk voor Gods Aangezicht en maakte de protestantse kerk zich in feite overbodig. Schubart heeft het over het ‘metafysich egoïsme’ van het calvinisme, gespitst als zij is op het ‘eigen heil’. Daar kan iemand zijn hele leven mee bezig zijn. Naarmate het godsbegrip enger wordt opgevat, geldt het voor steeds kleinere kring: “… Een boven alles verheven God, kan aanbeden worden door alle menschen, hoe verschillend zij onderling ook zijn…”. De ik-mens is niet in staat tot zorg voor de ziel en ook niet tot  naastenliefde. Over de steriele, onvruchtbare christen van het Westen: ‘hem ontbreekt de doornenkroon’.

 

Het eeuwig-vrouwelijke

De Rus was al christen voor hij zich tot het christendom bekeerde. De leer viel in Rusland zonder geweld in vruchtbare bodem. Het was of men haar verwacht had. De Orthodoxe Kerk is helaas ten onder gegaan door de staat. Er gaapt een diepe kloof tussen haar en de vroomheid van het volk. Maar naarmate men dieper valt, kan men hoger stijgen: “… Uit den afgronden van boosheid en pijniging voeren steile wegen naar de toppen der heiligheid…”. De gelovigen gaan door de hel van het bolsjewisme: “… De Antichrist woedt; de kerkklokken zwijgen…”. Velen blijken echter bereid hun leven voor Christus op te offeren. Schubart noemt Franciscus van Assisi de meest Russische geest binnen de katholieke Moederkerk, waarvan hij hoopt dat de Russen er ooit naar zullen terugkeren. Hij duidt het oosterse christendom als vrouwelijk en het westerse als mannelijk. Tot mijn verrassing: “… De kiemcel van alle moraal is de liefde van de moeder voor het kind. En van daaruit gezien kan men zeggen, dat de vrouw het edelste deel van de menschheid is…”. Zij is de gevoelvolle bewaarder en hoeder van het leven, de wijsheid (Sofia) en schoonheid. De rationele man staat voor testosteron, agressie en dood. Volgens Schubart is alleen in het christendom de vrouw gelijkwaardig aan de man, elders is zij altijd zijn dienares en de prooi van zijn lusten.

 

Dostojewski

Prachtig schrijft Schubart over Dostojewski: “… Zijn helden zijn vertegenwoordigers van de intelligentie en in hun verscheurde ziel strijdt de oude geest van het Oosten op leven en dood, met den nieuwen geest van het Westen…”. Dostojewski had nooit een figuur als Oblomov in het leven kunnen roepen. In “Schuld en boete” rekent hij af met de übermensch: Raskalnikov wil de wereld bewijzen dat hij niet zo’n ellendige luis is als alle anderen. Hij vermoordt een woekeraarster omdat ‘hij een Napoleon wil worden’. Maar in plaats van zich te ontwikkelen tot een godenzoon, belandt hij als berouwvolle boetedoener in de cel, waar hij ‘het leven op een andere wijze leert aanschouwen’. Het thema draait om ‘Caesar of Christus’. In “Demonen” rekent Dostojewski profetisch af met de geweldstaat. Het socialisme wil een aards hemelrijk: het is een surrogaat-religie die de broedergedachte verraadt. Alhoewel de bolsjewisten volgens Schubart wel in hoge mate hebben bijgedragen aan het doen afnemen van de westerse invloed door de uitroeiing van de hogere standen, want zij waren aanhangers van de westerse beschaving. Ook Dostojewski geloofde aan de speciale roeping van het Russische volk een ‘broeder voor alle mensen te zijn’. In de ogen van de Orthodoxie is Europa door en door verrot en Rusland het ware godsvolk dat het kan verlossen en/of vervangen. Christelijk messianisme kan echter veranderen in politiek messianisme en doodeng uitpakken wanneer het idee postvat God een handje te moeten helpen. Zie de kruistochten. Voor je het weet identificeren gelovigen zich met de apocalyptische ruiters. Al heel lang blijken slavofielen en Russische anarchisten het met elkaar eens over dat de mensheid bevrijd moet worden van Europa. Dostojewski - hevig teleurgesteld in het Westen - koos al voor de Aziaten. Hij was een voorloper van de ‘Eurazische beweging’. Poetin richt zich ook op Azië: zie de BRICS.  

 

Autonome mechanismen

Het is alsof Schubart het over nu heeft als hij schrijft: “… Er is nog nooit een cultuur geweest welke, als de Prometheïsche, met zooveel energie en eenzijdigheid gestreefd heeft naar het zinnelijk welbehagen, naar de bevrediging van de lusten van het lichaam, met verwaarloozing van de belangen der ziel en nog nooit is er een cultuur geweest welke de menschen zoo nameloos ongelukkig gemaakt en in zoo diepe ellende gestort heeft als deze…”. Hij betoogt dat de machine de mens onvrij heeft gemaakt. Dat de mens angstig is omdat hij voelt dat hij wel eens het onderspit kan gaan delven ten opzichte van het apparaat en de mega-organisaties, die hij zelf in het leven heeft geroepen. Hij is een anoniem en vervangbaar nummertje geworden. “… De mechanismen worden autonoom; het worden baarlijke duivels…”. Honderd jaar geleden dacht iedereen dat de machine de bevrijding van de arbeider zou bewerkstelligen, zodat hij zich eindelijk met geestelijke zaken kon gaan bezig houden. Maar mensen hebben juist veel minder tijd overgehouden, aldus Schubart. De machine jaagt hen als slaven voort: “… Wij zijn den gang der zaken niet meer meester…”. Vul voor het woord ‘machine’ het woord ‘kunstmatige intelligentie’ in, en je zit in onze tijd. Schubart waarschuwt al voor moderne oorlogsvoering die niet meer te stoppen is: “… De techniek is in het stadium van zelfvernietiging getreden…”. Volgens hem leidt wapenproductie onvermijdelijk tot oorlog: “… de Westerse cultuur streeft naar haar eigen vernietiging en roept die nabij…”.

 

Nieuw hartje

Bijna grappig somt Schubart de typische kenmerken van de Europeanen op: “… De Engelschman ziet de wereld als fabriek, de Franschman ziet haar als salon, de Duitscher ziet haar als kazerne, de Rus ziet haar als kerk…”. Even verder: “… De Engelschman zoekt buit, de Franschman roem, de Duitser macht, de Rus wil het offer brengen…”. En ook: “… De Engelschman wil van zijn medemenschen profiteeren, de Franschman wil hen imponeeren, de Duitser wil hen commandeeren, en alleen de Rus eischt niets van hen…”. Al met al: “… De Prometheïsche mensch is ten doode opgeschreven, de Johanneïsche mens wordt geboren!...”. Het doet me aan de uitspraak van de rooms-katholieke theoloog Karl Rahner denken, die ooit zei: “… De christen van de toekomst zal een mysticus zijn, of zal er niet meer zijn…”. Schubart heeft mij wel een antwoord gegeven op de vraag waarom het traditionele christendom in het Westen vaak zo uitermate ‘zuur’ wordt beleefd: zie bijvoorbeeld Jan Siebelink in “Knielen op een bed violen”, Franca Treur in “Hoor nu mijn stem” en Jane Gardam in “De dochter van Crusoe”. Misschien is de calvinistische idee van ‘bekering’ vooral een ‘paradigmaverandering’ van oerangst naar oervertrouwen (zie ook William James in “Vormen van religieuze ervaring”). Vroeger werd ik geleerd te bidden voor een ‘nieuw hartje’. Nu denk ik: dat was zo gek nog niet…

 

Uitgave: De Librije Haarlem – 1939, vertaling W.J. Merckens, 276 blz.

Niet verkrijgbaar bij bol

 

zondag 30 juni 2024

Gods geheime plan – Dallas Willard

 


Subtitel: De herontdekking van een leven met Jezus

 

In het christendom speelt Jezus voornamelijk de rol van verlosser. Maar hij was óók een grote wijsheidsleraar. Een aspect dat tot voor kort weinig aandacht kreeg, aldus de Amerikaanse hoogleraar filosofie en autoriteit op het gebied van spirituele vorming, wijlen Dallas Willard (1935 – 2013). Zelf ontwaar ik daar wel een kentering in. Zie bijvoorbeeld psychiater Esther van Fenema in haar boek “Het verlaten individu”. Of het YouTube-platform “De Nieuwe Wereld” waarin Marlies Dekkers onlangs in gesprek ging met rechtsfilosoof Andreas Kinniging over de relevantie en waarde van de Bijbel in onze tijd. Volgens mij wordt een en ander vooral getriggerd doordat wij (of in ieder geval ik) ons af en toe dood schrikken van de constante mediaberichtgeving over de ontaarding die zich voltrekt in de westerse wereld. Het gaat niet goed met ons. Het gaat niet goed met onze kinderen. Of is het altijd al zo geweest maar worden we simpel door informatie overspoeld? We weten tegenwoordig immers álles? Ik denk dat er een grote behoefte is aan leiders die een pad naar het goede wijzen. Jezus heeft dat gedaan in zijn beroemde “Bergrede”, het onderwerp in “Gods geheime plan”: een ietwat pretentieuze titel - echt Amerikaans. Ik kwam het boek tegen tijdens het volgen van een cursus bij de ‘School van spiritualiteit’ van Jos Douma (dat doe ik regelmatig: het verruimt mijn leven enorm). Willard: “…  De zaligsprekingen behoren tot de literaire en religieuze schatten van de mensheid. Samen met de Tien geboden, Psalm 23, het Onze Vader en nog een klein aantal andere Bijbelpassages worden ze door vrijwel iedereen erkend als hoogstaande uitingen van religieus inzicht en morele inspiratie…”.

 

Het absurde denken

Universiteiten zijn bepalend voor de wereldcultuur. Ideeën die door een hoogopgeleide top worden ontwikkeld, sijpelen langzaam maar zeker  door in de maatschappij: “… De slagvelden van Cambodja zijn het resultaat van filosofische discussies in Parijs…”. Het is een heersende opvatting geworden dat niemand kan weten wat goed en kwaad is. Wij kunnen daar dus ook niet ons handelen op baseren. Of op deze grond mensen verantwoordelijk houden voor hun daden. Willard: “… Nadat de absurditeit van ons bestaan een paar generaties lang door de intellectuele en artistieke elite is uitgedragen, wordt op dit moment de grote massa getroffen door een gevoel van zinloosheid…”. Even verder: “… De elite heeft in het verleden de grootste moeite moeten doen om de vermeende zinloosheid van het leven tot uitdrukking te brengen, tegenwoordig wordt deze door de popart en media nonchalant overgedragen op honderden miljoenen mensen…”. Het is of ik een echo hoor van Peter Gay die het in “Het Modernisme. De schok der vernieuwing” zelfs had over ‘het einde van de kunst’: “… de scheppers en consumenten op het terrein van de popcultuur…”, hebben de kunst laten verworden “… tot een economisch bedrijf dat slechts bij toeval zo nu en dan iets te maken heeft met kunst. Kunstvoorwerpen worden tegenwoordig door iedereen die ermee omgaat ‘producten’ genoemd en ze komen alleen in het nieuws als ze verkocht worden voor absurd hoge bedragen of als ze gestolen worden. De kunst is ten onder gegaan in popart, zoals de sport ten onder is gegaan in beroepssport…”. Willards conclusie: “… Het absurde denken regeert en we zijn zo in verwarring dat we het nog mooi vinden ook…”.  Uiteindelijk blijft in een absurde wereld maar één wet over: “… Doe grappig of ga dood…”.

 

Het ‘gewone’ leven: een ontvangstruimte

Toch gloort er een sprankje licht in de duisternis: we worden uitgenodigd voor een aloude pelgrimsweg.“… De weg waarover we het hebben, is Jezus, de ‘lichtverspreidende Nazarener’, zoals Albert Einstein Hem eens heeft genoemd. Tweeduizend jaar geleden werd Hij samen met twee dieven door de overheid geëxecuteerd. En toch – door middel van talloze schilderijen, standbeelden en gebouwen, door de literatuur en de geschiedenis, door personen en instituten, door vloeken, popsongs en amusementsprogramma’s, door belijdenis en polemiek, door legenden en rituelen – staat Jezus nog steeds rustig in het middelpunt van de tegenwoordige wereld, zoals Hij zelf al voorspelde…”. Jaoslav Pelikan: “… Jezus van Nazaret is bijna twintig eeuwen lang de toonaangevende figuur geweest in de westerse cultuurgeschiedenis. Als het mogelijk was om met een soort supermagneet elk stukje metaal uit die geschiedenis omhoog te halen dat op zijn minst een spoor van zijn naam draagt, hoeveel zou er dan nog over blijven?... “. Willard: “… Jezus biedt zichzelf aan als Gods toegang tot het leven dat werkelijk leven is…”. Even verder: “… Het best bewaarde geheim van ‘het gewone leven’ is zonder twijfel dat het gemaakt is als ontvangstruimte, een woning voor het goddelijke, een plaats waar het leven van God stroomt. Maar het goddelijke dringt zich nooit op…”.

 

Een vooruitgeschoven post van het goddelijke

Toen Jezus ongeveer dertig jaar oud was, nam Hij binnen de traditie van Israël de bekende rol van rabbi of leraar aan: “… Zijn neef, Johannes de Doper, was in die tijd de leidende figuur op religieus gebied. Hij werd door iedereen erkend als een ware profeet volgens het patroon van het Oude Testament, de eerste sinds honderden jaren. Doordat Johannes in het openbaar zijn steun betuigde aan Jezus, werd voor Hem de weg vrijgemaakt om zijn eigen werk te beginnen…”. Jezus nam de fakkel van Johannes de Doper over. Johannes functioneerde nog helemaal binnen de beperkte traditie van ‘de wet en de profeten’. Jezus bracht iets nieuws: het ‘Koninkrijk der hemelen’. Hij vestigde “… een vooruitgeschoven post van het goddelijke leven…” in het gewone menselijke bestaan. “… We kunnen nu gaan leven binnen de dynamische wereld van Gods eeuwige bedoelingen, waarbij ons leven wordt opgenomen in zijn leven…”. Door ons te ‘bekeren’. We kunnen ons van Jezus afkeren of Hem ongegeneerd aanbidden. Zie het verhaal over de prostituee die zijn voeten zalfde met kostbare Nardus-olie: ze was geobsedeerd door Jezus. “… Als we in onze persoonlijke behoeften op Jezus vertrouwen, kunnen we zomaar in Gods koninkrijk terechtkomen…”. Met de komst van Jezus brak de heerschappij van God door op aarde. Dat kan het fundament onder ons leven worden. Gods onzichtbare aanwezigheid verandert iemand van een ‘tinnen soldaatje’ in een ‘levend mens’, aldus C.S. Lewis. Er is een grote kracht beschikbaar voor gelovigen. Een kracht die met hen meewerkt. Een beetje zoals de stuurbekrachtiging van een auto. “… De apostel Paulus omschrijft het ergens gewoon als ‘rechtvaardigheid, vrede en blijdschap’ van een soort dat alleen tot stand komt ‘door de bezieling van de heilige Geest’ (Rom. 14:17)…”. Het koninkrijk van God is ‘nabij’ gekomen, al zijn er ook nog steeds andere koninkrijken actief. Wij kunnen dragers worden van Gods bewind, zegt Willard. Hij trekt een vergelijking met de komst van het elektriciteitsnetwerk, waarop iedereen zich destijds al dan niet kon aansluiten.

 

Afwezige leraar

Waarom merk je dan zo weinig ‘verandering’ bij christenen? “… Helmut Thielicke geeft aan dat we ons vaak afvragen of de beroemdheden die reclame maken voor bepaalde voedingsmiddelen, zelf wel eten wat ze verkopen…”. Willard legt de oorzaak bij de eenzijdigheid van zowel de rechter- als linkervleugel binnen de kerk. In orthodoxe hoek draait het geloof voornamelijk om de vergeving van zonden, zodat je ‘straks’ in de hemel komt. In de meer vrijzinnige hoek is religie versmald tot sociale ethiek. Zie bijvoorbeeld de burgerrechtenbeweging. Het doet me ook denken aan de Gaza-protesten die sommige studenten bijna beleven als een religieus zingevingsfenomeen. God krijgt gestalte in de menselijke liefde. Maar in de wereld worden veel dingen liefde genoemd. Welke daarvan is de liefde die God is? Willard: “… dit ‘evangelie’ blijkt in de praktijk weinig meer te zijn dan een nieuwe versie van de wereldberoemde Amerikaanse droom…”. God ís liefde: “… Dit blijkt heel anders uit te pakken dan wanneer we een gehavende menselijke versie van ‘liefde’ in een mentale leegte persen waar God zou moeten zijn en vervolgens dat bestempelen als God…”. In voornoemde visies blijft de mystieke 'wedergeboorte' die ‘van boven komt’, buiten beeld: “… De hele bijbelse overlevering spreekt van begin tot einde over de intieme betrokkenheid van God bij het leven van de mens – en anders over onze vervreemding van deze betrokkenheid…”. Abraham geloofde niet in een of andere rechtvaardigheidsleer, maar dat ‘God met hem in contact stond’. De nieuwtestamentische geleerden zijn het er unaniem over eens dat het ‘koninkrijk van God’ het centrale thema was van Jezus’ onderwijs. Waar is dat koninkrijk gebleven?

 

Bewustwording: onze wereld is vol van God

Volgens Willard is de hemel niet ver weg, maar om ons heen: “… Wat in de bijbel de eerste hemel wordt genoemd, staat gewoon voor de atmosfeer of de lucht die je lichaam omgeeft…”. Zie de talloze ingrepen van God vanuit deze dimensie in de Bijbel: Hagar die een verborgen waterput wordt aangewezen als Ismaël bijna omkomt van de dorst, het offer van Abraham. Zie Paulus die op de Areopagus tegen zijn Griekse ondervragers zegt dat we ‘in’ God ‘leven en bewegen en bestaan’. “… Van boven af opnieuw geboren worden, zoals dat in het Nieuwe Testament wordt genoemd, houdt in dat we een betekenisvolle verbinding aangaan met een dynamisch, onzichtbaar systeem van goddelijke realiteit waarin alle mensen zich bevinden – of ze dat nu weten of niet…”. De hemel is hier. De hemel is hetzelfde als het koninkrijk van God. Soms ervaren mensen daar iets van. “… De romanschrijver Vladimir Nabokov beschrijft hoe een van de personen in zijn boeken een moment van bewustwording heeft als hij een oude prostituee op straat een haar aangeboden kop koffie ziet drinken: ‘(Ik) werd me bewust van de tederheid van de wereld, de diepe weldaad van alle dingen die me omringen, de zalige band tussen mij en de hele schepping; en ik besefte dat alles om me heen vreugde ademde: de snelle geluiden van de straat, de zoom van een jolig opgetilde rok, het metaalachtige, maar tedere ruisen van de wind, de dikke herfstwolken die bol stonden van de regen. Ik besefte dat de wereld helemaal niet staat voor strijd of een vernietigende reeks toevallige gebeurtenissen, maar voor stralend geluk, een weldadige trilling, een geschenk dat we hebben gekregen zonder het te waarderen.’…”. Zie ook Willemijn Dicke in “De sjamaan en ik”. Theoloog Gustave Martelet in “The risen Christ and the Eucharistic World”: “… Hoewel de mens zijn thuis heeft bij de dieren en de sterren, is hij ook de kosmische buurman van de absolute…”. Filosoof Max Picard in “De vlucht voor God”: “… In de wereld van het geloof is de hemel boven de stad vriendelijk en dichtbij: het is de bovenkamer van ieder huis…”.

 

Zalig

Hoe wij in deze geestelijke werkelijkheid kunnen leven heeft Jezus uitgelegd in wat wij ‘de Bergrede’ zijn gaan noemen, de eerste grote leerrede die Jezus hield te midden van een menigte op een heuvel in Galilea. Hij begint met de woorden: ‘Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen’. Een andere vertaling heeft het over ‘gelukkig zijn de nederigen van hart’. De ‘zaligsprekingen’ moeten niet worden opgevat als een ‘beloning’ dan wel ‘instructies’, zoals vaak wordt gedacht, maar simpel als constatering. Jezus haalt een aantal voorbeelden aan van mensen voor wie zijn woorden zijn bedoeld. Willard: “… Hij zei dus: ‘Gezegend zijn de geestelijke nullen – degenen die geestelijk failliet, misdeeld of onvolwaardig zijn, de geestelijke bedelaars, mensen zonder een greintje ‘religie’ – wanneer het koninkrijk der hemelen over hen komt.’…”. Oftewel: degenen zonder ‘dikke ik’. Het doet me denken aan Andreas Burnier die in “Ruiter in de wolken” schreef: “… Misschien zijn atheïsme en agnosticisme wel noodzakelijke fasen waar iemand doorheen moet, om van haar kinderlijke, projectieve godsvoorstellingen af te komen…”. Ons ego zit ons danig in de weg. God lijkt ons pas te kunnen ‘vullen’, als we ‘leeg’ zijn, zoals in feite álle spirituele scholen leren. “… Door een zegen uit te spreken over degenen die naar menselijke maatstaven in een uitzichtloze situatie verkeren en juist die mensen te beklagen van wie gedacht wordt dat ze goed af zijn, stelt Jezus het koninkrijk der hemelen dus open voor iedereen…”. Zie zijn tijdgenoten die verontwaardigd over Jezus zeggen: ‘Deze man ontvangt zondaars en eet zelfs met hen’.

 

Spirituele revolutie

De Bergrede geeft een totaalbeeld van de volmaakte, morele schoonheid, gevoed door waarachtige goedheid en universele liefde. Wat Jezus te zeggen had over goed en kwaad domineert al tweeduizend jaar de Europese cultuur. Iemand als Nietzsche begreep heel goed dat als de moderne wereld losraakte van haar wortels in de christelijke traditie van morele goedheid, dit zou leiden tot catastrofale veranderingen – zie zijn parabel over “De dwaas”. Dat voorzegt precies wat er nú aan de hand is. Willard wijst op het belang de Bergrede te lezen als één gedachtegang: het een volgt op het ander. De Bergrede gaat niet over een serie onmogelijk te praktiseren eisen, maar over hoe gelukkig je kunt worden als je ziel verlicht wordt door het goddelijke. Jezus bespreekt de opeenvolgende fasen in de ontwikkeling van de bovennatuurlijke liefde of agape. Wanneer we hebben afgerekend met onze boosheid en dwangmatige begeerten en niet meer proberen anderen te misleiden om onze zin te krijgen, is bijvoorbeeld het liefhebben en helpen van mensen die ons haten een vanzelfsprekende stap. De Bergrede is de basis voor een praktische strategie om de mens te worden zoals God heeft bedoeld. De menselijke behoefte om te weten hoe we moeten leven is van alle tijden. Deze bijna wanhopige vraag wordt nog dringender als er sprake is van sociale instabiliteit. Zie Plato’s “Republiek”, waarin de optimaal te bereiken toestand wordt omschreven met het woord ‘gerechtigheid’. Dezelfde term die Jezus centraal stelt in de Bergrede en het beste vertaald kan worden als ‘echte innerlijke goedheid’. De Bergrede gaat over de óórzaak van onze fouten: verkeerde daden zijn slechts een symptoom. De wet van God is wel de ‘weg’ van de gerechtigheid, maar niet de ‘bron’. De Tien Geboden laten zien hoe Gods koninkrijk functioneert. Maar de vraag is: hoe kun je ze vervullen? Wel, door innerlijk te veranderen: ‘Een goede boom brengt goede vruchten voort, een slechte boom slechte vruchten’ (Jak. 3:12). Onze daden komen niet zomaar uit het niets tevoorschijn.

 

Menselijke keuzes

“… Als we verkeerde daden herleiden tot de wortels in het menselijk hart, ontdekken we dat er in de overgrote meerderheid van de gevallen sprake is van een zekere vorm van boosheid…”. Even verder: “… Zoek iemand die heeft toegegeven aan zijn boosheid en je vindt iemand met een verwond ego…”. Voor mensen die hun boosheid voeden en koesteren kan elk incident een uitbarsting van woede worden. Jezus presenteert het uitroeien van boosheid, minachting en verbale mishandeling als de eerste, fundamentele stap op weg naar de gezindheid van het koninkrijk. Samen met hebzucht en seksuele begeerte, vormen deze bittere emoties een giftige brij waarin de mensheid zit vastgezogen: “… Als we deze emoties eenmaal zien zoals ze zijn, kunnen we ook de voortdurende stroom menselijke rampen waarmee we door de geschiedenis en het leven worden geconfronteerd, zien zoals zij is: het logische resultaat van menselijke keuzes, van mensen die ervoor kiezen om boos te zijn en anderen te minachten…”. Iemand ‘wiens ogen voortdurend op zoek zijn naar overspel’ (2 Petr. 2:14) is geen willoos slachtoffer die niets te zeggen heeft over wat er gebeurt: “… Niemand hoeft dit te doen, niemand hoeft zo te zijn, tenzij hij of zij wellicht al in het stadium verkeert dat er sprake is van een dwangstoornis of bezetenheid. In dat geval heeft iemand uiteraard hulp nodig…”. Je kunt wel je rechteroog uitrukken om verleiding tegen te gaan, of je rechterhand afhakken (Mat. 5:29,30) om te voorkomen dat je zondigt, maar een verminkte stumper kan nog steeds een hart vol maniakale begeerte hebben:  “… Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en maken de mens onrein (Mark. 7:21-23)…”. Volgens Willard is ‘zweren’ een vorm van manipulatie dan wel anderen onder druk zetten. Laat je ja gewoon ja, en je nee gewoon nee zijn, zegt Jezus. Gerechtigheid houdt ook het respecteren van ieders diep-menselijke behoefte in om een eigen oordeel te vormen en uitsluitend beslissingen te nemen op grond van wat je zelf denkt dat het beste is. Zo zijn wij geschapen. Pas als we een bredere kijk op ons leven en op onze plek in Gods wereld hebben zijn wij in staat om te bidden: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’. ‘De andere wang toekeren’ (Mat. 5:39), ‘Sta hem dan ook je bovenkleed af’ (Mat. 5:40). ‘Loop er dan twee met hem’ (Mat. 5:41) en ‘Geef aan wie je iets vraagt’ (Mat. 5:42) zijn geen wetten van ‘rechtvaardig gedrag’ maar voorbeelden van een bepaald type mens: de verlichte bekeerling of het ‘koninkrijkstype’, zoals Willard hem/haar aanduidt. Deze leeft in een nieuwe realiteit, een omgekeerde orde, vanuit een ander perspectief, waarin kwaad met goed wordt vergolden en waar mensen anderen meer helpen dan ze verplicht zijn. Kinderen van God 'jagen de liefde na', aldus Paulus (1 Kor. 14:1). Een liefde die zich uitstrekt naar alle mensen met wie ze te maken hebben. Dan komt alles goed.

 

Belemmeringen en blokkades

In Matteüs 6 gaat het over de verleiding van status en rijkdom. Volgens Jezus zijn de twee grootste belemmeringen of blokkades voor een leven met God: het verlangen naar goedkeuring van anderen (Willard heeft het nog niet over de funeste rol die de sociale media op dit gebied spelen: zie “Generatie angststoornis” van Jonathan Haidt ) en het verlangen naar materiële rijkdom oftewel alles waarmee we ons ‘godvormige gat’ vullen (naar de Franse filosoof Blaise Pascal: “… Er is een godvormig gat in elk menselijk hart…”). ‘Waar uw schat is, zal uw hart zijn’ (Mat. 6:19): “… We kunnen gewoon geen twee ‘hoogste’ doelen of referentiepunten hebben voor ons handelen. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar…”. We kunnen niet God dienen én de mammon. “… Dat is de reden waarom 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben' het eerste van de Tien Geboden is…”. Willard schrijft prachtig over ‘Gods verborgen omgang vinden’: wat me direct doet denken aan het indrukwekkende interview dat presentator Annemiek Schrijver ooit had met gnosis-deskundige Gilles Quispel.

 

De balk en de splinter

Er is geen handiger manier om iemand diep te kwetsen dan hem ‘veroordelen’ – wat heel wat anders is dan ‘beoordelen’. In Matteüs 7 gaat het over ‘de balk en de splinter’. De balk ís jouw veroordelingsrepliek. Oordeel niet, zegt Jezus. Ons wezen vormt een eenheid en onze ware aard komt naar buiten door wat we doen. De gerichtheid van ons hart tegenover God kan daarom niet fundamenteel anders zijn dan tegenover mensen. Je kunt niet tegelijkertijd ‘God zegenen en mensen vervloeken, die God heeft geschapen als zijn evenbeeld’ (Jak. 3:9). De relatie die Jezus voorstaat met God en anderen heeft altijd iets van ‘vragen, zoeken, kloppen’. Is voorzichtig en bedachtzaam. Dringt zich niet op. Het heeft geen zin ‘paarlen voor de zwijnen te gooien’, wat niet betekent dat een ander als een varken wordt gezien (wat er wel vaak van gemaakt is), maar dat een zwijn geen parels kan verteren en een hond geen Bijbel of crucifix: “… De reden waarom deze dieren zich uiteindelijk ‘omkeren en u verscheuren’ als je ze op een dag weer een lading bijbels of parels komt brengen, is dat jij in elk geval eetbaar bent…”. Over christelijke bekeringsdrang: door een ander, die daar misschien helemaal niet op zit te wachten of aan toe is, met jouw heilige dingen onder druk te zetten, maak je jezelf tot een probleem waar die ander geen raad mee weet.

 

Gebed

Willard noemt gebed ‘niets anders dan een passende vorm van interactie’. Het idee dat de hele materiële werkelijkheid ondergeschikt is aan Gods wil is misschien te begrijpen als hoe ons eigen lichaam in belangrijke mate onmiddellijk onderworpen is aan onze gedachten, onze verlangens en onze wil. Materie blijkt niet ongevoelig voor persoonlijkheid. Willard: “… we leven in een trinitarisch heelal, waarin een oneindige energie van persoonlijke aard de ultieme werkelijkheid is…”. Even verder: “… Wanneer we bidden, gaan we de echte wereld binnen, dat is de onzichtbare werkelijkheid van het hemelse koninkrijk…”. Sinds de jaren 1980 zijn er meer dan 130 wetenschappelijke studies naar het resultaat van gebed verschenen, vertelt Willard. In het boek “Healing Words” bespreekt Larry Dossy  het opmerkelijke verschil tussen een groep hartpatiënten waarvoor wel en niet gebeden werd: bij de eerste groep waren er duidelijk minder sterfgevallen, minder mensen hadden de zwaarste medicatie nodig en niemand hoefde kunstmatig in leven gehouden te worden. “… Dossey doet ook verslag van gebedsexperimenten met niet-menselijke levensvormen, zoals ontkiemende zaden, planten en bacteriën (p. 190, 218-21). Afstand bleek geen invloed te hebben op de resultaten van het gebed. Het gebed was even effectief voor dingen aan de andere kant van de wereld als voor dingen die in de buurt waren. Het gebed bleef ook effectief wanneer het object in een met lood beklede kist werd gelegd, waardoor alle bekende vormen van fysische energie worden buitengesloten – golven, deeltjes, enzovoorts…”. We bevinden ons op totaal nieuw terrein, stelt Dorsey, die zelf niet gelovig is. Volgens hem bestaat er geen ‘externe God’, maar zit het object waar ons gebed op gericht is, in onszelf. Dat is precies wat mystici beweren, bedacht ik. God is in en om ons. Nadat Willard het gebed dat Jezus ons leerde, het ‘Onze Vader’ heeft besproken, geeft hij er een hedendaagse vertaling van: “… Lieve Vader die altijd bij ons bent, / laat uw naam worden gewaardeerd en geliefd / laat uw heerschappij in ons worden vervuld - / laat uw wil hier op aarde worden gedaan / op dezelfde manier als in de hemel. / Geef ons vandaag de dingen die we vandaag nodig hebben, / en vergeef ons onze zonden en overtredingen tegenover u, / zoals wij ook iedereen vergeven die ons op welke manier dan ook kwaad doet. / Laat ons alstublieft geen beproevingen doormaken, / maar verlos ons van alles wat slecht is. / Want u bent degene die het voor het zeggen heeft, / en u hebt alle macht, en ook de heerlijkheid is alleen van u – voor altijd - / en dat is precies wat we willen!...”.  De laatste zin is een fraaie  parafrase van het woord ‘Amen’.

 

Duisternis en wonderbaarlijk licht

Uiteindelijk draait de leer van Jezus om de goddelijke liefde, agape, die de kern van onze persoonlijkheid kan worden. Het onderhouden van de wet vloeit daar op natuurlijke wijze uit voort. Het  is niet de bron van iemands goedheid, maar wel een onvermijdelijk gevolg ervan. Zie 1 Korintiërs 13: “… Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal…”. Of 1 Petrus 2:9 waarin het gaat over ‘geroepen zijn uit de duisternis tot zijn wonderbaarlijk licht’, dat diep in je schijnt. “… De belofte om te leven in een heilige kracht die van buiten onszelf komt…”, zegt Paulus, “… was niet bedoeld voor de kleine groep discipelen uit die tijd. Ze was ook bedoeld voor alle inwoners van Jeruzalem, en voor hun kinderen, en voor anderen, hoe ver weg ook, die de Heer tot zich trekt. (Hand. 2:39)…”. Het is weet hebben van een andere dimensie: “… Het koninkrijksleven is een innerlijke realiteit, een verborgen leven met de ‘Vader die in het verborgene is’…”. Iedereen kan een leerling van de wijsheidsleraar Jezus te worden. Je kunt leren alles te doen op de manier waarop Hij alles deed. Een van de zwakste punten in ons onderwijs is volgens Willard dat we tegenwoordig heel veel tijd steken om mensen te laten doen wat goede mensen behoren te doen, zonder te veranderen wat ze werkelijk geloven. Het sturen van gedrag werkt niet, al is het alleen al omdat slechts een heel klein gedeelte van ons wezen wordt geregeld door onze bewuste gedachten en maar weinig van onze daden voortkomen uit onze gedachten en bewust gekozen intenties. Misschien begint geloven wel met de aanname dat ons heelal van God is en dat ons bestaan een onderdeel vormt van zijn schepping, wat heel wat anders is dan de middeleeuwse idee dat de wereld plat was of de maan van kaas. Wanneer mensen een andere overtuiging aannemen, wordt iemand ook echt anders. Dan volgen de daden vanzelf: “… We richten ons leven altijd naar wat we geloven – of niet geloven, afhankelijk van de omstandigheden…”. Onze overtuigingen zijn de rails waarop ons leven zich voortbeweegt. Daarom is het onderzoeken van de verschillende visies van mensen ook zo fascinerend.

 

Zorg voor de ziel

Welnu, wat is dé boodschap die Jezus  volgens de oude apostel Johannes, op grond van zijn levenslange, directe ervaring met Hem, bracht? “… God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis (1 Joh. 1:5)…”. Het is volgens hem ook de boodschap die ‘we u verkondigen’. Het leven is bedoeld om de goedheid van God te ontdekken. We kunnen er voor kiezen ons lijden niet tot het middelpunt van ons leven te maken. Om voorbij onze godsvervreemding te komen door op zoek te gaan naar het licht. Om zélf goed te zijn. De dingen die in ons leven verkeerd gaan bestaan vaak uit verkeerde gewoontes die doorbroken kunnen worden. Het kwaad ligt niet buiten onszelf. Willard pleit voor regelmatige perioden van afzondering en stilte: “… Troebel water wordt vanzelf helder als je het een tijdje met rust laat…”. Even verder: “… Je zult ongelooflijk goede dingen ontdekken. Eén ding is dat je een ziel hebt. Iets anders is dat God dichtbij is en dat het heelal bruist van goedheid. Nog iets anders is dat anderen niet zo slecht zijn als je vaak denkt…”. Daarna kunnen studie en aanbidding volgen. Willard eindigt het boek met een bespreking van de oude profetieën over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en wat de Bijbel zegt over onze onsterfelijke geest. Zie Plato over de laatste uren van Socrates in “Phaedo”: “… Als de ziel onsterfelijk is, heeft ze niet alleen onze zorg nodig voor dat gedeelte van de tijd dat we ons leven noemen, maar voor alle tijd: en het lijkt me ontzettend gevaarlijk om dat te negeren. Als de dood ons overal van zou bevrijden, zou dat een zegen betekenen voor slechte mensen. Maar aangezien de ziel duidelijk onsterfelijk is, kan ze alleen ontsnappen aan of veilig zijn voor het kwaad door zo goed en wijs te worden als ze maar kan. Want ze neemt niets mee naar de andere wereld dan haar onderwijs en training: en men zegt dat deze dingen de pasgestorvene enorm kunnen helpen of juist schade berokkenen aan het begin van zijn reis daar…”.

 

Uitgave: Inside Out Publicers -2008, vertaling Petra de Haak-Geertse, 496 blz., ISBN 9789077992104

Op dit moment niet verkrijgbaar bij bol