Menu

maandag 12 december 2022

Het Evacomplex – Jeroen Windmeijer & Jacob Slavenburg

 


Ondertitel: Een dode man, een vermiste vrouw en een slang in een Leids hofje…

 

De godsdienst, zegt de Joodse denker Heschel in mijn vorige blog, raakte niet in verval omdat hij werd weerlegd, maar omdat hij saai, benauwend en geestloos werd. Nou, daar kun je antropoloog en voormalig leraar godsdienst en maatschappijleer Jeroen Windmeijer niet van betichten. Hij  schreef een aantal fascinerende ‘reli-thrillers’ die altijd een zeker gehalte aan religiegeschiedenis bevatten, waardoor je er in één moeite door van alles van opsteekt. Eerder besprak ik van hem “Het Pilgrim Fathers complot” dat zich ook in Leiden afspeelt, waar een groep pelgrimvaders in 1609 neerstreek. Aan de hand van zijn boek is een stadswandeling uitgezet die ik een tijdje geleden met een paar mensen heb gelopen: echt heel leuk om te doen. “Het Evacomplex” schreef Windmeijer samen met Jacob Slavenburg, een cultuurhistoricus die is gespecialiseerd in de hermetische gnosis. Spannender kun je het wat mij betreft niet maken!

 

Naturalis

Het boek begint met een proloog. Een opgerolde ratelslang ligt op de borst van een dode man… Vervolgens trapt het verhaal af met een scène in Naturalis, het natuurhistorisch museum in Leiden, waarin het bijna mis gaat als de internationaal befaamde slangendeskundige Frank van As een grote Koningspython om de nek van de juf van een klas achtstegroepers legt. De wurgslang begint zijn spieren te spannen. De juf wordt steeds roder. Frank weet de kinderen met een bijdehante opmerking de zaal uit te sturen en de vrouw ternauwernood van het dier te bevrijden. “… ‘Ik kan er niet nóg een dode bij hebben deze week,’  mompelde hij voor zich uit…”. Dat belooft wat. Een andere verhaallijn volgt Magda, journalist bij het Leidsch Dagblad, die naar het achtuurjournaal zit te kijken, waar op dat moment de brand in de Notre-Dame in Parijs een ‘hot’ item is. Het gaat erover dat iedereen zo geïmponeerd is door het gebeuren. Dat was ook zo; ik herinner mij dat wij op een leeskring besloten “De klokkenluider van de Notre Dame” van Victor Hugo te lezen. Uit compassie en eerbetoon.

 

Slangenkerk

Frank mag er dan uitzien als een hipster met zijn tattoos en knotje, hij blijkt een pas bekeerd en daarom nogal fanatiek lid te zijn van een extreem conservatieve pinkstergemeente. De voorganger komt hem op een late avond ophalen voor een wandelingetje met zijn zoon Aäron, student theologie, die te zijner tijd in de voetsporen van zijn vader hoopt te treden. Wat de voorganger dwars zit, is dat de radicale navolging van Christus in de praktijk nogal lastig is. Hij zag een documentaire over een slangenkerk in de Verenigde Staten. Of Frank daar weleens van heeft gehoord. Frank vertelt dat hij ooit begonnen is aan “De kleine vriend”, een roman van Donna Tartt, waar het fenomeen in voor schijnt te komen. Ik heb het ooit gelezen, maar ik kan het me niet meer herinneren. Op internet vond ik wel het een en ander over deze bizarre  cultus: zie hier en hier. Het doet me denken aan de literatuur ‘bevolkt met een heksensabbat van zonderlingen’ die Paul Theroux voor het voetlicht haalt in zijn wervelende roadmovie “Het diepe Zuiden”. Zie ook het werk van Flannery O’ Connor vol religieuze gekte en godsdienstfreaks. In ieder geval zijn de gelovigen er van overtuigd dat als je maar genoeg vertrouwt op God, je met giftige slangen kunt rondsjouwen zonder dat ze je bijten, en als dat wél gebeurt, het gif je niets doet. Zie het laatste hoofdstuk van het evangelie van Marcus, aangevuld met de geschiedenis van de schipbreuk van Paulus die aanspoelde op Malta en het Bijbelfragment over de koperen slang van Mozes in de woestijn. Mocht het toch mis gaan, welnu, dan is dat de wil van God. Je voelt hem al aankomen; de voorganger haalt Frank over binnen een kleine Bijbelkring te gaan experimenteren met zijn slangen, wat helemaal fout gaat natuurlijk. Om de clou niet weg te halen, ga ik niet teveel over het verhaal zelf zeggen, maar wel over de spannende religieuze notaties die passeren.

 

Verboden vrucht

Magda blijkt veel Bijbelkennis te hebben omdat ze een boek schrijft over vrouwen in de Bijbel, plus een column over de levensbeschouwelijke groepen die er in Leiden floreren. In een item over Adam en Eva en de zondeval, vertelt ze dat er in de Bijbel helemaal niet gerept wordt over een ‘appel’. “… In de Bijbel staat gewoon ‘vrucht’, maar de eerste vertaler van de Bijbel naar het Latijn, Hiënorymus, heeft gekozen voor de appel. En dat was om de eenvoudige reden dat ‘malum’ in het Latijn niet alleen ‘appel’ betekent, maar ook ‘het slechte’ of ‘het kwaad’, dus als vertaler vond Hiëronymus dat een mooie vondst…”. Zelf denkt Magda dat het om een vijg ging, omdat Adam en Eva in Genesis rokken van vijgenbladeren maakten toen ze in de gaten kregen dat ze naakt waren. De vijg wordt trouwens  in veel culturen in verband gebracht met seksualiteit en vruchtbaarheid, omdat de rijpe vrucht aan een baarmoeder doet denken. “… En de vijgenboom is van oudsher ook verbonden met wijsheid. De prins Siddhartha Gautama bijvoorbeeld zou verlichting hebben bereikt, terwijl hij onder een vijgenboom zat te mediteren. Vanaf dat moment werd hij de Boeddha…”. Magda refereert aan een schilderij van Peter Paul Rubens, “Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva”, die hij samen met Jan Brueghel de Oude maakte. Een forse om een dikke boomtak gekronkelde slang kijkt toe hoe Eva Adam een appel voorhoudt. Een collega van haar laat haar een illustratie van een beeldhouwwerk van Adam en Eva uit de Notre Dame zien, waar de kop van de slang een vrouwenhoofd heeft.

 

Wederhelft

Het beeld laat Magda niet los. Ze gaat naar de rabbijn van een Leidse synagoge voor tekst en uitleg. Deze vertelt over de twee scheppingsverhalen in Genesis, waarbij de volgorde de Bijbelgeleerden door de eeuwen heen veel hoofdbrekens heeft bezorgd: “… In die tweede versie bijvoorbeeld schept God de mens, een man, en daarna pas volgen de dieren, de vogels, de vissen et cetera. In de eerste versie is de mens juist het allerlaatste wat God schept, als echte kroon op de schepping…”. In de tweede versie wordt eerst Adam geschapen en daarna Eva, als zijn hulpje. Geboetseerd uit een van zijn ribben. “… In de Bijbel wordt het met rib vertaald, maar in het Hebreeuws staat er toch echt ‘tsela’ en dat betekent ‘zijde’. Nergens anders in de Bijbel wordt het woord ‘tsela’ met ‘rib’ vertaald, alleen in dat vers dus. De ‘zijde’ staat ook voor de helft, een van de twee zijden dus. Dat duidt op gelijkwaardigheid, wat niet het geval is bij de rib…”. De rabbijn: “… Maar als je naar de eerste versie kijkt van de schepping van de mens, dan staat er: ‘God schiep de mens als Zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.’ Daar schept Hij man en vrouw tegelijkertijd, dus daar is de man niet eerder en dus niet belangrijker en wordt de vrouw niet als helper geschapen. Volgens sommige rabbi’s was de eerste mens zelfs mannelijk én vrouwelijk, een soort androgyn wezen. En je hebt helemaal niet veel fantasie nodig om dat erin te lezen. Datzelfde idee vind je later terug bij Plato. Hij vertelt een legende waarin de eerste mensen bolvormig waren, aan de ene zij een man en aan de andere een vrouw. Ze werden doormidden gekliefd en gescheiden. Vanaf dat moment was je als mens letterlijk op zoek naar je wederhelft, naar de persoon met wie je ooit één was…”. Zo valt de hiërarchie tussen man en vrouw ook weg. Magda: “… Dan heb je Adam en een vrouw in die eerste schepping, en in die tweede schepping heb je Adam en Eva. Dus Adam had al een vrouw vóór Eva?...”. Dat heeft ze goed gezien, aldus de rabbijn. De eerste vrouw op aarde was ‘Lilith’.

 

Lilith

Haar naam komt niet voor in het Genesis-verhaal maar in een anonieme tekst uit de Middeleeuwen, vertelt de rabbijn: “Het Alfabet van Ben Sira”. Het wordt daarom niet tot de traditionele literatuur van de rabbijnen gerekend, en ook niet tot de Talmoed, de commentaren van belangrijke rabbijnen en schriftgeleerden op de Tenach – voor christenen het Oude Testament. Het wordt ook niet beschouwd als een midrasj, een commentaar op een vers in de Bijbel. Je zou het kunnen beschouwen als een soort apocrief geschrift van het Nieuwe Testament, dat ook niet officieel deel uit maakt van de heilige geschriften van het christendom. De rabbijn leest Magda het verhaal van Ben Sira voor die bij koning Nebukadnezar wordt geroepen om zijn ernstig zieke zoon te genezen. Als hem dat niet lukt zal hij vermoord worden. Onmiddellijk schrijft Ben Sira de Heilige Naam op een amulet met de namen van de engelen die verantwoordelijk zijn voor de geneeskunde: Senoi, Sansenoi en Semanglof. Dat waren tevens de engelen die op zoek gingen naar Lilith die weggevlogen was na een ruzie met Adam. Ze wilde namelijk niet onder liggen tijdens de seks. “… De Heilige, gezegend zij Hij, zei tegen Adam: ‘Als ze ermee instemt om terug te komen, prima, zo niet dan moet ze weten dat honderd van haar kinderen elke dag zullen sterven.’ De engelen achtervolgden Lilith en vonden haar midden in de zee, in de machtige wateren, waarin de Egyptenaren waren bestemd te verdrinken. Ze vertelden haar het woord van God, maar ze wilde niet terug…”.

 

De kracht van verhalen

De rabbijn: “… In dergelijke geschriften laten de schrijvers hun fantasie de vrije loop, en voelen zich niet meer gebonden aan de conventionele regels van de theologie. Om die reden zijn ze vaak ook lastiger te volgen… Je ziet dat ze de Bijbelse verhalen vermengen met sprookjes en oude mythen, met volksverhalen vol fantastische figuren en demonen. Maar als mensen elkaar maar lang genoeg zulk soort verhalen vertellen, dan krijgen ze als vanzelf een soort ‘waarheidsgehalte’. Mensen gaan er een zeker geloof aan hechten en ernaar handelen…”. De gestalte van Lilith is veel ouder dan de joodse overleveringen. Ze komt al voor in het oude Mesopotamië: “… In een beroemd reliëf wordt ze weergegeven als jonge, verleidelijke vrouw met roofvogelklauwen, staande op een leeuw en geflankeerd door twee uilen. In de Babylonische Talmoed wordt voor haar verschijning gewaarschuwd: ‘Men mag niet alleen slapen in een huis, want wie in een huis alleen slaapt wordt door Lilith overvallen.’ Lilith verschijnt ook onder andere namen, soms als soortnaam voor nachtdemonen, haar ‘dochters’. Zo komen ze ook voor in ‘De Apocalyps van Baruch’, een joods epigrafisch geschrift uit de eerste eeuw. In de Talmoed lezen we daarover ook, en wel dat de op seks beluste ‘dochters’ van Lilith er steeds op uit waren om met weerloze alleen slapende mannen te copuleren. Naar het voorbeeld van hun moeder Lilith gingen de ‘lilim’ boven op hun slachtoffers zitten. Ze bleven in de dromen van deze mannen hangen tot er een zaadlozing kwam, en dan slurpten ze al dat kostelijke zaad op. Daar maakten ze nog veel meer demonenkinderen van…”. Lilith komt één keer in de Bijbel voor, en wel in Jesaja 34 vers 13 en 14 waarin ze in de woestijn huist. “… De woestijn was van oudsher het terrein waar kwade geesten zich ophielden. Jezus wordt volgens de evangeliën niet voor niets uitgerekend in de woestijn door de duivel verleid…”. In het volksgeloof is haar invloed echter heel groot geweest: “… De mensen hebben altijd geloofd dat je je met spreuken en amuletten tegen haar kon beschermen. Tot ver in de achttiende eeuw bestond de traditie om jonge moeders met pasgeboren kinderen een amulet om te hangen waarop de namen van de drie engelen stonden geschreven om haar zo te beschermen. En christenen tekenden op de wand van de kamer waar de vrouw baarde met vitriool of houtskool een kruis waarin geschreven stond: ‘Adam en Eva. Weg met Lilith.’ Ook in de kinderkamer werden zulke amuletten en beschermspreuken geplaatst tegen Lilith, die naar men geloofde met name ’s nachts actief was. Tot op de dag van vandaag worden in Israël zulke amuletten nog gedrukt…”. Tot mijn verrassing krijgt Magda van de rabbi een boekje mee van de joodse Bijbelwetenschapper Pinchas Lapide: “Was Eva overal de schuld van?”. Ik heb namelijk een stel titels van dezelfde schrijver gevonden in een doos met theologische boeken die ik onlangs van iemand kreeg.

 

Het summum van zondigheid, zinnelijkheid en minderwaardigheid

De rabbijn vertelt dat hij niet in de christelijke versie van de zondeval gelooft: “… Deze oerzonde is later, door onder meer de kerkvader Augustinus, uitgewerkt tot het dogma van de erfzonde: ieder mens wordt geboren met deze zonde – met uitzondering van Jezus natuurlijk en van Maria, de moeder van Jezus, die anders geen zondeloze zoon op de wereld had kunnen zetten…”. Volgens de grote kerkvader Augustinus gold de vrouw als hulp van Satan en in de vierde eeuw werd er op een concilie serieus gedebatteerd over de vraag of de vrouw eigenlijk wel een ziel had. Volgens een andere kerkvader, Thomas van Aquino, was de vrouw een ‘met gebreken behepte man’, die voor hem ‘als tweede in de schepping maar als eerste in de zonde’ aan de kaak werd gesteld. Tertullianus uit de tweede eeuw na Christus maakt het in zijn geschrift “De cultu feminarum” helemaal bont: “… Dochters van Eva, Gods oordeel werkt nog steeds door over jullie soort. Jullie blijven schuldig! Jullie zijn de invalspoort van de duivel. Jullie hebben het zegel van de boom geschonden. Jullie hebben het eerste goddelijke gebod genegeerd. Jullie zijn het ook die alle moeite deden de man over te halen, terwijl de duivel niet bij machte was hem aan te vallen. Jullie hebben het beeld van God, de man, wat al te gemakkelijk verbrijzeld. Door jullie ongehoorzaamheid… moest zelfs de Zoon van God sterven…”. Eva en haar dochters verwerden tot “… het summum van zondigheid, zinnelijkheid en minderwaardigheid. En tot wat een ellende en achterstelling van de vrouw hebben die opvattingen binnen het christendom voor honderden miljoenen vrouwen geleid – tot op de dag van vandaag… ”. Volgens de rabbijn had het weggestuurd worden uit de Tuin van Eden onder andere ten doel van de mens een vrij en zelfstandig wezen te maken, die kon kiezen tussen goed en kwaad. Van marionetten werden ze ‘wetende’ mensen. Daarom is er ook geen verlossing door Jezus nodig. God vergeeft de mens direct: zie Psalm 32 vers 5 en Psalm 51. Wat je je dan wel af kunt vragen is wat die enorme offercultus er in het Oude Testament toe doet. Verder projecteert het Jodendom de duivel niet in de slang, al is hij wel een sluw dier dat in dit leerverhaal de rol van verleider speelt.

 

Kabbala

Ondertussen gaan de voorganger en Frank bij een medegelovige langs die grote vraagtekens zet bij de slangencultus en er achter is gekomen dat de meeste Bijbelgeleerden er over eens zijn dat het stuk over het demonen uitdrijven, het spreken in vreemde talen, en het oppakken van slangen aan het eind van het Marcusevangelie er later aan toegevoegd is. Sterker, ze wil uit de groep stappen. Dat wordt niet gewaardeerd. En Magda maakt kennis met een collega van de rabbijn, Sophie, die gespecialiseerd is in de joodse mystiek: “… In het onderwijs is de kabbala van Isaäk Luria (1534 – 1572), een joodse mysticus uit Israël, de standaard geworden. Hierbinnen streeft men naar wat men noemt ‘bevrijding’ van de goddelijke vonk die in de materie vast is komen te zitten. Op die manier hoopt men de oorspronkelijke toestand van het goddelijke te kunnen herstellen. De schepping is een gebroken schepping en de ‘zondeval’ bestaat eruit dat het goddelijke licht als het ware ‘verstrikt’ is geraakt in de materie zoals de mens…”. Ik ben de kabbala in verschillende boeken tegen gekomen - zie mijn blogs over “Joodse mystiek. Een inleiding” van Sjef Laenen, “Donker woud” van Nicole Krauss en “Het boek van het licht” van Chaim Potok -  maar niemand schrijft er zo helder en begrijpelijk over als  Windmeijer. Het is dan ook ingewikkeld terrein: “… Het is een oude filosofie. Ze kwam in de dertiende eeuw tot bloei, zo’n zevenhonderd, achthonderd jaar geleden dus. Nu is het hip geworden bij mensen als Madonna en Hollywoodsterren als Ashton Kutcher, Britney Spears, Demi Moore en zelfs Mick Jagger… Maar dat heeft allemaal niets met de echte kabbala van doen…”.

 

De Zohar

Als voorbeeld: “… Ze tekende een middelste kolom met vier bollen, die verbonden waren met twee kleinere kolommen, één rechts, één links met ieder drie bollen. ‘Zo krijg je als het ware een boom,’ legde Sophie uit. ‘De kabbalisten noemen dat de levensboom. De bollen zijn een soort uitstralingen, waarin het woord, de energie van God wordt uitgestort. God zelf is onzichtbaar, maar Zijn krachten openbaren zich in Wijsheid en krijgen als het ware vorm en inhoud in deze tien bollen, die ‘sefirot’ worden genoemd.’ Met de punt van haar pen wees Sophie een paar bollen aan, ‘Je zou kunnen zeggen dat de mens de onzichtbare God kan ‘zien’ in de schepping,’ zei Sophie. ‘Gods krachten openbaren zich via de bovenste tot de onderste. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met wat soms op een bruiloftsfeest gebeurt. Dan worden er toch ook glazen op elkaar gestapeld, in de vorm van een piramide? In het bovenste glas wordt champagne ingeschonken,’ zei Sophie, ‘en als dat glas vol is, loopt de champagne over de rand heen waardoor de glazen daaronder worden gevuld. En omdat er maar ingeschonken blijft worden, vindt de champagne vanaf boven zijn weg helemaal naar het onderste glas.’…”.  Ze vertelt dat Lilith vaak voor komt in de kabbala: “… In de Zohar bijvoorbeeld, het belangrijkste boek van de kabbala. De Zohar houdt zich met een mystieke uitleg van de Bijbel bezig, over wat de betekenis is van de openbaringen in de Bijbel. Zo wordt ook het scheppingsverhaal naverteld. De schepping van de Mens gebeurt volgens de kabbala in verschillende stadia. De ‘geestelijke’ Mens - vaak aangeduid met ‘Adman Kadmon’ -  vloeit voort uit de goddelijke wereld. Deze heeft nog geen geslacht – denk aan de zin: ‘Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.’ In de volgende fase wordt dit prototype van de aardse mens gesplitst: de ene zijde wordt Adam, de andere zijde Eva…”. Even verder: “… ‘Over Lilith staat in de Zohar geschreven,’ ging Sophie verder, ‘dat ze een hete vrouwelijke geest was, die zich met de man verbond totdat deze een ziel kreeg en zij naar de zeekust vluchtte, waar ze de mensheid kwaad trachtte te doen.’ ‘Dus eigenlijk een eng mens, die Lilith?’ ‘Nee hoor. Zoals ik al zei: mystiek aangelegde joden zoeken naar de zin en betekenis van de dingen om hun eigen leven en de wereld om hen heen beter te begrijpen. Want in hetzelfde derde boek van de Zohar, hoofdstuk negenenzestig om precies te zijn, komt een ander prachtig verhaal voor. Ik zal het je opsturen. Daarin zendt God zijn vrouwelijke zijnskracht, hier ‘Sjechina’ genoemd, naar de aarde om de mensheid te helpen en bij te staan. En Lilith wordt opgenomen op de troon van God. Lilith neemt de plaats van Sjechina in aan Gods zijde…”.

 

Vrouwe Wijsheid

Vervolgens wijst Sophie erop dat Michelangelo het kabbalistische scheppingsverhaal heeft uitgebeeld in de Sixtijnse Kapel van het Vaticaan, dat dus al eeuwen ‘in het volle zicht is verborgen’: “… In het hart van de katholieke kerk zie je een fenomenaal fresco en daar zie je God die mijn hemelse naamgenote, Sophia, omarmt, te midden van de tien sefirot, uitgebeeld als engeltjes…”. Sophia, Wijsheid, wordt in oude joodse geschriften als de vrouwelijke kant van God gezien: “… Alles wat is, alles wat was en alles wat zal worden, zit als het ware in de gedachten van God. Maar Sophia is de uitvoerster daarvan. Zij brengt het in de vorm, in de materie…”. Sophie over de verschillende samenwerkende kanten van God: “… In Genesis staat ook ‘Elohim’, het meervoud van ‘El’, dat God betekent. Nu heb je allerlei fantasievolle figuren die daarin hebben willen zien dat er meerdere goden bij de schepping betrokken waren. Maar grotere nonsens heb ik nog nooit gehoord! En dat proberen ze nota bene met de bijbel in de hand te bewijzen. Te bizar voor woorden. Die Elohim slaat heel eenvoudig op de meervoudige identiteiten van God…”. De Bijbelse traditie kent diverse zogenoemde ‘Wijsheidsgeschriften’ vertelt Sophie, zoals Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied, maar ook boeken als Wijsheid van Jezus Sirach en Wijsheid van Salomo die niet in de traditionele canon zijn opgenomen: “… Kijk, hier in dit laatste geschrift lees je wat koning Salomo over Wijsheid, Sophia, schrijft: ‘Alles heb ik leren kennen, zowel wat zichtbaar als wat verborgen is. De wijsheid, maakster van alles, heeft mij onderricht. Ze heeft een geest die verstandig en heilig is, uniek, veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder, rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol, scherpzinnig, onstuitbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig, alles overziend en alle geesten doordringend, hoe scherp, zuiver of subtiel ze ook zijn.’…”. Even verder: “… De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met zuiverheid. Ze is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige…”. Philo, een joodse geleerde die leefde ten tijde van Jezus van Nazareth, noemde de vrouwelijke kracht binnen de schepping zelfs ‘de vrouw van God’. Alle goden hadden echtgenotes: Zeus en Hera, Osiris en Isis. Het traditionele Jodendom heeft het beeld van de getrouwde God nooit helemaal uit kunnen wissen: “… In de Hebreeuwse cultuur was El, god van de hemel, verbonden met Asjera, godin van de zee. In een latere ontwikkeling werd Asjera zijn gemalin…”. Een traditie die terug te vinden is in de kabbala. 

 

Michelangelo

Via Sophie komt Magda weer in contact met iemand die van alles vertelt over Michelangelo’s Schepping op het plafond van de Sixtijnse Kapel, dat bestaat uit negen centrale vlakken: 1. De schepping van het licht 2. De schepping van de sterren en planeten 3. De scheiding van water en land 4. De schepping van Adam 5. De schepping van Eva 6. De zondeval van de mensen en de verdrijving uit de Hof van Eden 7. Het offer van Noach 8. De zondvloed en 9. De dronkenschap van Noach. “… Het was bijna niet voor te stellen dat het hele plafond door één man was gecreëerd. Michelangelo had er vier jaar lang aan gewerkt, liggend op een steiger, twintig meter boven de grond, en op nog geen halve meter van het plafond vandaan. Het kalk en de verfspetters kwamen in zijn ogen terecht, terwijl zijn nek en rugspieren verkrampt raakten van het urenlang in dezelfde houding werken…”. Even verder: “… Het ironische is dat uitgerekend het iconische beeld van de handreiking tussen God en Adam niet door Michelangelo is geschilderd,’ vertelde Esther. ‘Een paar jaar nadat Michelangelo het plafond had voltooid, viel er namelijk een stuk van het pleisterwerk naar beneden. Dit was het stuk waar de handen van God en Adam bij elkaar kwamen. Michelangelo was toen al dood en dus schilderde Domenico Carnevale de inmiddels wereldberoemde handen opnieuw.’…”. De rode achtergrond van de schepping van Adam heeft ook nog eens de vorm van een baarmoeder. Het lint erbij figureert de navelstreng. “… ‘Maar hoe wist Michelangelo hoe een baarmoeder eruitzag?’ had Magda gevraagd. ‘Michelangelo had via een bevriende abt van het klooster Santo Spirito toegang tot de lijken van de armen die in het kloosterziekenhuis waren gestorven. ’s Nachts sneed hij ze bij kaarslicht open. Zo leerde hij het binnenste van het menselijk lichaam kennen.’ ‘Wat een gruwelijk beeld.’ ‘O, het kon nog veel erger,’ had Esther gezegd. ‘Michelangelo had het nog relatief gunstig getroffen. Op religieuze gronden was het in die tijd eigenlijk verboden lichamen te ontleden. Kunstenaars als Leonardo da Vinci en Sandro Botticelli huurden daarom professionele grafschenders in. Die gingen ’s nachts naar kerkhoven, op zoek naar verse graven waar ze de lijken van die dag geëxecuteerde misdadigers opgroeven.’…”. Esther wijst er op dat de Adam  in het beroemde beeld van de handen totaal niet lijkt op de Adam in het tafereel met Eva of op de Adam van de zondeval. Op de schildering van de zondeval heeft Eva bovendien een Italiaanse vijg in haar hand en eet Adam óók van de boom. Plus dat de slang een vrouwenhoofd heeft. Michelangelo schilderde overduidelijk de alternatieve versie.

 

Binnen de letter van de wet

Aan het eind van het boek zijn er vijf doden te betreuren. Hoe waar zijn de woorden van Maimonides (zie mijn vorige blog): “ … Het is mogelijk om in naam van de tora een moord te plegen; men kan een schurk zijn en binnen de letter van de wet blijven…”.

 

Uitgave: HarperCollins – 2022, 432 blz., ISBN 978 940 270 954 4, € 15,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier

donderdag 8 december 2022

God zoekt de mens – Abraham Joshua Heschel

 


Subtitel: Een filosofie van het jodendom

 

Een tijdje geleden kreeg ik van iemand een doos oude theologische boeken waaruit ik “God zoekt de mens” (1954) opdiepte.  Ik las het in de vertaling van H. de Bie. Bij Bol.com is het nieuw alleen verkrijgbaar in de vertaling van D. Mok. Abraham Joshua Heschel is een van de belangrijkste joodse denkers van de 20e eeuw. De godsdienst, zegt Heschel, raakte niet in verval omdat hij weerlegd werd, maar omdat hij saai, benauwend en geestloos werd (zie Maarten ’t Hart die zich ‘de eeuwigheid’ in “Magdalena” voorstelt als ‘grenzeloze, onophoudelijke, eeuwige verveling’). De worsteling van de hedendaagse mens is de worsteling van de geestelijk onvolwassen mens, aldus Heschel. We kunnen onze onvolwassen egocentrische natuur overwinnen door ‘sympathie’, medegevoel voor en betrokkenheid bij de ander. Zo leren we zelfovergave, dat ons bevrijdt van ons ego, en eindigt als ultieme zelfovergave in de dood: aan het goddelijke. Zelden heb ik zo’n wijs en poëtisch boek gelezen.

 

Vergeten vragen

Heschel: “… Godsdienst is een antwoord op de uiterste vragen van de mens. Zodra wij de uiterste vragen vergeten, verliest de godsdienst zijn belang en begint de crisis…”. Even verder: “… Als zijn diepte is verdwenen en zijn majesteit vergeten is, wordt zijn waarde twijfelachtig…”. Heschel’s boek is een speurtocht naar ‘vergeten vragen’. In het denken is een antwoord zonder vraag levenloos. Dood. Met andere woorden: het zal zich niet ontwikkelen tot een ‘scheppende kracht’. En daar gaat het toch om. Dat er een vlam in ons ontstoken wordt, waardoor wij al denkend ‘op pad gaan’. Verder komen. Dat er een geestelijke ontwikkeling in gang wordt gezet. Heschel: “… Scheppend denken wordt niet bevorderd door willekeurige kwesties maar door persoonlijke problemen…”. Door grenservaringen. Zie mijn blogs over “Wormmaan” van Mariken Heitman en “Ziel zoekt zin” van Pauline Weseman. In de joodse traditie gaan rede en openbaring samen op: “… Wij hebben de geest nodig om te weten wat we met de wetenschap moeten doen…”. Godsdienst gaat de grenzen van wetenschap te buiten en te boven: “… Zijn betekenis dient te worden opgevat in termen verenigbaar ‘met het gevoel voor het onuitsprekelijke’…”. Echter: “… Zonder de rede wordt het geloof blind…”. De wijsbegeerte van het Jodendom is een wijsbegeerte van zowel ‘ideeën’ als ‘gebeurtenissen’, die plaatsvinden in de werkelijkheid. Gods goedheid is geen onpersoonlijke kosmische kracht, maar wordt ervaren als een bijzondere daad van mededogen die de individuele mens in een bepaalde situatie kan overkomen.

 

Mysterie

De Bijbel heeft verschillende woorden voor de zoektocht naar God: ‘darash’, ‘bakkesh’, ‘shahar’. Heschel: “… Aan de andere kant moet men altijd de mogelijkheid van mislukking onder ogen zien, met het gevaar ingesloten te raken in ruimten zonder licht. Zonder beweging…”. De Bijbel gaat over de worsteling van de mens met God en van Gods worsteling met de mens. De Bijbel ziet de wereld in categorieën als ‘het verhevene’, ‘de verwondering’, ‘het mysterie’, ‘het ontzag’, ‘de luister’: “… als de wereld een mysterie is, dan is de meest dringende vraag, wat hij betekent. Wat is zijn zin?...”. De mens kan zichzelf overtreffen, zijn geest verheffen en zich verbinden met het absolute. We kunnen de wereld uitbuiten, we kunnen haar genieten en we kunnen haar in ontzag aanvaarden. De mens is een ‘gereedschappen makend dier’ geworden. We gebruiken de wereld als een reusachtige gereedschapskist voor de bevrediging van onze behoeften: “… De Grieken leerden om te begrijpen. De Hebreeën leerden om te vereren. De hedendaagse mens leert om te gebruiken…”. De mens van nu verafschuwt het mysterie, aldus Heschel. “… Hij stelt waarde gelijk aan hetgeen voordeel brengt. Hij voelt, handelt en denkt alsof de enige opzet van het heelal zou zijn om zijn behoeften te bevredigen…”. Heschel gelooft dat de moderne mens zich langzamerhand herstelt “… van de schok, veroorzaakt door het besef dat hij – verstandelijk gezien – niet meer het recht heeft om te dromen; niet meer het recht heeft om te treuren over het verlies van zijn verlangen naar hetgeen hij nodig zou kunnen hebben, maar waarvoor hij onverschillig geworden is…”. Zie ook het citaat van Mariken Heitman in “Wormmaan” (zie mijn vorige blog): “… Een geloof in God belijd je in stilte, verzonnen verhalen zijn verdacht. We hebben het niet door, maar het vermogen het ons anders voor te stellen, is al heel lang tanende. We weten namelijk bijna alles en al het andere is bewezen uitgesloten. We zijn, trouwens, nog steeds ongelukkig…”.

 

Ontzag

Als ik naar de enorme toename van hedendaagse mentale problematiek kijk, waag ik het mijn vraagtekens te zetten bij dat ‘herstel’.  “… Een huiver waart door onze nachten…”. We zijn bang voor onze eigen macht: “… Wat hebben we met de wereld gedaan? De stortvloed van jammer sleurt onze monsterlijke eigendunk mee…”. Even verder: “… Ondanks onze trots, ondanks onze hebzucht, worden we gedreven door een besef dat iets van ons gevraagd wordt…”.  Maar wat? “… De dode leegte in het hart is voor de levende mens inderdaad ondraaglijk…”. We moeten ons gevoel voor verwondering, ontzag en het verhevene weer terug zien te krijgen, aldus Heschel. Zonder dat wordt de wereld plat en de ziel een vacuüm. Welnu, “… Het verhevene kan zowel in mooie dingen als in daden van goedheid en in het zoeken naar waarheid bespeurd worden. De gewaarwording van schoonheid kan het begin zijn van de ervaring van het verhevene…”. Al is dat niet het uiteindelijke. Het besef van het goddelijke begint met ‘radicale verbazing’. Het maakt ons nederig. Ons bestaan is een raadsel dat we niet kunnen bevatten: “… Geen verlichting, zegt Joseph Conrad in ‘The Arrow of Gold’, kan alle mysterie uit de wereld wegvagen. Als de duisternis vertrokken is, blijven de schaduwen achter…”. God woont ‘in donkerheid’. Verblijft in het ‘verborgene’: “… God is niet een god maar een naam voor de kosmische duisternis. De God wiens tegenwoordigheid we in de wereld bespeuren, is naamloos, geheimzinnig. Wellicht kunnen we voelen dat Hij is, niet wát Hij is…”. Priesters sluiten hun ogen als ze de zegen uitspreken namens de ‘Onuitsprekelijke naam’. Wie zijn wij tegenover de grootsheid van de natuur en de geschiedenis?! Het geloof begint met ‘yirah’: eerbied. “… Aldus is er maar één weg tot wijsheid: ontzag. Verbeur uw gevoel voor ontzag, laat uw eigendunk uw vermogen tot aanbidding verminderen en het heelal wordt een markt voor u…”.

 

Denken als achteraf-geloof

De hele wereld is vol van Gods ‘heerlijkheid’, zijn ‘tegenwoordigheid’, een onzichtbare ‘macht’ die in het Jodendom ‘Schechinah’ wordt genoemd. Maar wij zijn meestal blind voor deze dimensie. De profeten worden niet ‘betoverd’ door de natuur. De aarde is eerder een ‘zuster’ dan een ‘moeder’: “… De mens en de aarde zijn gelijkelijk scheppingen van God…”. De natuur is een ‘heenwijzing’ naar God. De wereld is een ‘poort’. Onze ratio is veel te beperkt om God te kunnen bevatten. Eigenlijk halen we God met onze teksten alleen maar naar beneden: “... Het is een feit van grote betekenis dat we meer voelen dan we kunnen zeggen. Wanneer we oog in oog staan met de grootsheid van de wereld, lijkt elk onder woorden brengen van onze gedachten een anticlimax…”. Door een geloofsbelijdenis of dogma te formuleren brengen we slechts een overweldigende werkelijkheid terug naar het niveau van het denken. “… God is per definitie vormeloos…”, zegt de dominee in “Wormmaan” van Mariken Heitman (zie mijn vorige blog).  “… Het is een doorlopende oefening in ontvankelijkheid voor het onbewijsbare, voor het mysterie. Dat schept wat haar betreft ruimte. De mens, die maakt er dogma’s omheen, als houvast, dat is ze met me eens. ‘Maar ben jij anders? Ben jij niet ook op zoek naar houvast, wetmatigheden?’…”. Heschel: “… Ons denken is slechts een achteraf-geloof…”. Begrip voor de werkelijkheid van God ontstaat niet via verstandelijk redeneren maar in gebeurtenissen van diepe ontroering. Glimpen van inzicht komen en gaan. Is er een God? “… Hoe dieper we mediteren, des te duidelijker beseffen we dat de vraag die we stellen, een vraag is die aan ons wordt gesteld; dat ‘de vraag van de mens naar God, de vraag is van God naar de mens…”.

 

Vergeten land

Om God te vinden moeten we ons zelf verliezen: “… Er is een eenzaamheid in ons die luistert. Als de ziel het gezelschap van het ego en zijn gevolg van onnozele ideeën verlaat…”. Even verder: “… Ongevoeligheid voor het mysterie is ons grootste struikelblok. In het kunstlicht van trots en zelfgenoegzaamheid zullen we de glans nimmer zien…”. Over de ‘nacht van de ziel’:  “… We moeten eerst in de duisternis turen, ons gewurgd en begraven voelen in de hopeloosheid van het leven zonder God, voordat we gereed zijn om de tegenwoordigheid van Zijn levende licht te ervaren…”. Het gaat om een geestelijke ‘inkering’ of ‘omkering’ of ‘bekering’. Zie Eric-Emmanuel Schmitt die in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus” een kind laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…. ”. Zie de Joods-Spaanse dichter en filosoof Yehida Halevi die schrijft: “… Ge zult Uw God in uw boezem vinden. Vriendelijk wandelend in uw hart…”. Zie Psalm 51 vers 8: “… maar U wilt dat waarheid mij vervult, U leert mij wijsheid, diep in mijn hart…”. Heschel: “… We hoeven de wereld van het geloof niet te ontdekken; we hoeven haar slechts terug te vinden…”. Het licht is in ons. Het is geen onbekend land; het is een vergeten land. Rabbijn Aäron van Karlín naar aanleiding van Psalm 36 vers 10: “… Er is een goddelijk licht in elke ziel, het sluimert en wordt verduisterd door de dwaasheden van deze wereld. Eerst moeten we dit licht wekken, dan zal het licht van boven op ons komen. In Uw licht, dat binnen in ons is, zullen wij licht zien…”. De Baäl Shem legt uit: “… De stem die van boven opklinkt, bereikt niet het stoffelijk oor van de mens…”. Even verder: “… Zij uit zich niet in geluiden maar in gedachten, in tekenen die de mens moet leren waar te nemen…”. De mens heeft het in zijn macht om God te zoeken; hij heeft het niet in zijn macht om Hem te vinden: “… Maar het initiatief ligt, geloven wij, bij de mens. Het grote inzicht wordt niet gegeven, tenzij wij gereed zijn om te ontvangen. God voltooit, maar wij beginnen. ‘Elkeen die begint zichzelve te reinigen wordt uit den hoge bijgestaan.’ De ‘Schechinah’, de aanwezigheid van God, wordt niet gevonden in het gezelschap van zondaren; maar wanneer een mens zich inspant om zich te reinigen en om tot God te naderen, dan rust de ‘Schechinah’ op hem…”.

 

Openbaring

We kunnen God nooit omschrijven, zegt Heschel. Zijn wezen is ongrijpbaar voor ons. God is niet te vinden in flauwe concepten, “… niet in geslepen, dorre of beschroomde meningen, en niet in liefde, die schraal en ongedurig is…”. We kunnen Zijn tegenwoordigheid wél voelen. In de schaarse momenten waarin we boven onszelf uitstijgen. Hij knaagt aan ons geweten. Iets wordt van ons verwacht. Maar wat? “… De uiteindelijke vraag die onze ziel beweegt, is  anoniem, geheimzinnig, krachtig, maar onuitsprekelijk…”. Wij zijn blijkbaar het voorwerp van Gods nooit verflauwende aandacht. Hoe herkennen we Zijn stem? Goddelijke inzichten zijn altijd uitdrukkingen van ‘één-zijn’ of ‘liefde’: “… Als zich in de naglans van een godsdienstig inzicht een mogelijkheid voordoet om onze uiteengevallen levens te herenigen, om bijeen te brengen wat met elkaar strijdt, dan weten we dat het een handwijzer is op Zijn weg…”. Heschel: “… De taal van de ‘Zohar’ noemt deze wereld ‘alma deperuda’, ‘de wereld van de scheiding’…”. Even verder: “… Wanneer een gedachte hoogmoed voortbrengt, een zich afwenden van het lijden van anderen, onbewustheid van de gevaren van het kwaad, dan weten we dat het een afwijking is van Zijn weg…”. Heschel: “… We hebben geleerd te luisteren naar elk ‘ik’ behalve het ‘Ik’ van God. De hedendaagse mens kan fier verklaren: niets dierlijks is mij vreemd, maar wel alles wat goddelijk is…”. Het probleem van de mens is ernstiger dan we ons een generatie geleden konden voorstellen. We hebben ontdekt dat het verstand verdorven kan zijn. Dat wetenschap geen veiligheid biedt. Dat vrijheid zonder rechtvaardigheid niets voorstelt: “… er is een hartstocht en een aandrift om wrede daden te bedrijven, die alleen het ontzag en de vrees voor God kan stillen; er is een verstikkende zelfzucht in de mens, die alleen heiligheid kan verdrijven…”.

 

Profetische inspiratie

Omdat de goddelijke vonken die voor ons oplichten weer doven, en wij terugvallen in een duisternis die bijna even zwart is als die waarin we tevoren waren, laat het Jodendom zich leiden door de profeten, waaraan God zich heeft geopenbaard. Profetische inspiratie is een ‘onverklaarbare en buitengewone gebeurtenis’: “… De stem spreekt tot de geest van profetische mensen in zeldzame ogenblikken van hun leven en schreeuwt tot de massa’s door de verschrikkingen van de geschiedenis. De profeten gehoorzamen, de massa’s wanhopen…”. Heschel: “… Na de dag waarop de stem van God op de Sinaï ons overweldigde, zijn we nooit meer de ouden geweest…”. De grote profeten hadden één ding gemeen: “… openbaring kwam tot hen als een verrassing, als een plotselinge uitbarsting…”. De profeten zelf waren de eerste critici van de zogenaamd ‘valse profeten’. Openbaring  is een mysterie dat zich onttrekt aan wetenschappelijk onderzoek. Openbaring kan betwijfeld noch bevestigd worden, maar evenmin ontkend of bewezen. “… De daad van de openbaring is een mysterie, maar het verslag van de openbaring is een literair feit, verwoord in de taal van de mens…”. De profeten schreven de Tenach: “… Alles wat we hebben is een Boek en alles wat we kunnen doen is proberen om het woordeloze dwars door de woorden heen te voelen…”. Want de stem van God is geen menselijke stem: “… De zekerste manier om openbaring niet te begrijpen is haar letterlijk te nemen, zich voor te stellen dat God de profeet per interlokale telefoon toesprak…”. Even verder: “… En toch is er een soort lezer die wanneer men hem vertelt over de ladder van Jakob, naar het aantal sporten zou vragen…”. Geloof ín de profeten kan uitgroeien tot geloof mét de profeten:  “… Wat een beeldhouwer doet met een blok marmer, doet de bijbel met onze fijnste intuïtie…”. De Bijbel is “… een drama om aan deel te nemen…”. De Bijbel is het woord van God én mens: “… een weergave van openbaring en de reactie daarop…”. Heschel: “… De godslasterlijke taal van de farao. De opstandige uitlatingen van Korach, de slimmigheid van Efron en de woorden van de soldaten in het kamp van Midian kwamen voort uit de geest van de mens…”. God openbaart Zichzelf niet; Hij openbaart enkel Zijn weg. De canonisatie en de bewaring van de Bijbel zijn het werk van Israël.

 

Tussen fundamentalisme en vrijzinnigheid

Prachtig schrijft Heschel over het ‘onvolledige’: “… De onvolledige ervaring van de dood is de slaap; een onvolledige vorm van profetie is de droom; de onvolledige vorm van de komende wereld is de sabbat; de onvolledige vorm van het hemelse licht is de zon; de onvolledige vorm van de hemelse wijsheid is de tora…”. Zo zijn de geschiedenissen van de Tora ook slechts een ‘opperkleed’. De Bijbel heeft op veel meer dan één niveau betekenis. “… Het oerlicht is verborgen…”. Niet elke uiting in de Bijbel moet worden beschouwd als een maatstaf of een model voor gedrag, waarschuwt Heschel. “… Ons wordt verteld dat Mozes, Elia en Jesaja door God berispt werden voor het uiten van harde woorden over het volk, hoewel deze woorden een deel van de bijbel zijn (Ex. 4:1, 1 Kon. 19:14, Jes.6:5)…”. En even verder: “… In onze ontmoeting met de bijbel kunnen we hetzij een fundamentalistische houding aannemen, die elk woord letterlijk opvat, geen onderscheid maakt tussen het eeuwige en het tijdelijke en geen ruimte laat voor een persoonlijk of historisch verstaan of voor de stem van het geweten. Maar we kunnen ook een rationalistische houding aannemen die, met de wetenschap als toetssteen van de godsdienst, de Schrift beschouwt als een dichterlijk werk of mythe, nuttig voor mensen behorende tot een minderwaardige beschaving en dus achterhaald voor iedere latere periode in de geschiedenis. De filosofie van de godsdienst moet op twee fronten strijden; zij tracht enerzijds de onjuiste denkbeelden van fundamentalisten uit te ziften en anderzijds de al te grote vrijmoedigheid van de rationalisten te temperen. De uiteindelijke opdracht is om ons te leiden naar een hoger niveau van kennis en ervaring, naar toewijding door begrijpen…”. Een en ander is nooit bedoeld als ‘plaatsvervangend denken’. Dan wordt de Bijbel een struikelblok: “… Het is mogelijk om in naam van de tora een moord te plegen; men kan een schurk zijn en binnen de letter van de wet blijven (Maimonides). Er is inderdaad zoveel vroom misbruik geweest, dat de bijbel vaak gered moet worden uit de handen van zijn bewonderaars…”. Heschel:  “… Haar oogmerk is niet om begrip te vervangen, maar om het te vergroten. De profeten trachtten de horizon van ons bewustzijn te verruimen …”. Even verder: “… De bijbel is een zaad, God is de zon, maar wij zijn de grond…”.

 

Orthopraxie

In het Jodendom gaat het vooral om doen: “… De juiste manier van leven kan leiden tot de juiste manier van denken…”. Even verder: “… In ‘daden’ gaat de mens beseffen wat zijn leven werkelijk is, dat hij kwaad kan doen en verwonden, dat hij kan vernielen en te gronde richten; dat hij in staat is om vreugde te smaken en die aan anderen te schenken; om de spanningen van hemzelf en van anderen te verlichten of te vergroten. Door het gebruik van zijn wil en niet door nadenken ontmoet hij zijn zelf zoals het is, niet zoals hij zou willen dat het was. In zijn daden toont de mens zowel zijn bewuste als zijn verdrongen begeerten, waarbij hij zelfs datgene uitspelt wat hij niet kan begrijpen. Wat hij wellicht niet durft te denken, uit hij dikwijls in daden. Het hart wordt in daden geopenbaard…”. De nasleep van onze daden kan onmetelijk zijn: “… Zelfs één enkele daad veroorzaakt een eindeloos aantal gevolgen en zet meer in gang dan de machtigste mens kan beheersen of voorzeggen…”. Heschel: “… Door de wil alleen wordt de mens de meest verwoestende van alle wezens. Dit is ons lot: onze macht kan onze ondergang worden. Het is zo gemakkelijk om te kwetsen, te vernietigen, te doden. Het baren van één kind is een mysterie; het doden van miljoenen is slechts een vaardigheid…”. Wat op het spel staat is Gods schepping. De mens is echter niet alleen, hij kan ‘wandelen met God’ (Micha 6:8). “… Alleen de egoïst is opgesloten in zichzelf, een geestelijke kluizenaar…”. Het leven kan een schakel tussen mens en God worden. “… Wij leven in de overtuiging dat daden van goedheid het verborgen licht van Zijn heiligheid weerspiegelen…”. Mitswot zijn geen idealen of geestelijke waarden die voor altijd in de eeuwigheid zweven. Het zijn geboden waarzonder de samenleving niet mogelijk is. De tweedeling tussen geloof en werken, die in de christelijke theologie zo’n belangrijk probleem vormt, is in het Jodendom geen issue. Zie Fichte die uitriep: “… Ik zou mijn woord niet breken zelfs als ik de mensheid daardoor zou kunnen redden!...”. Heschel: “… Zijn redding en gerechtigheid waren voor hem blijkbaar zoveel belangrijker dan het lot van alle mensen dat hij de mensheid vernietigd zou hebben om zichzelf te redden. Bewijst een dergelijke houding niet de waarheid van het spreekwoord ‘De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens’?...”. Even verder: “… God vraagt om het hart en wij dienen ons antwoord te spellen in daden…”. Het leven is ondeelbaar. “… Zij die ons oproepen om op onze innerlijke stem te vertrouwen beseffen niet dat er meer dan één stem in ons is, dat de macht van zelfzucht gemakkelijk de stem van het geweten kan smoren…”. Het geweten is geen gids, maar een rem: “… Het verheft zijn stem nadat een verkeerde daad is gepleegd, maar geeft ons dikwijls géén aanwijzing vóór onze daden…”.

 

Leer

De wet is echter niet bedoeld als juk, of toom, of dwangbuis: “… Alle vervulling is een oefening in de kunst van de liefde…”. Het ware doel van de mens is te ‘zijn’ wat hij ‘doet’. Het  doel van het verrichten van rituele daden is het veranderen van de ziel. De vertalers van de Septuagint vergisten zich dan ook door het woord ‘tora’ te vertalen als ‘wet’; het betekent veeleer ‘leer’. Dogma’s zijn geen vervanging van het geloof. Dogma’s alleen zijn onvoldoende. “… Men moet opzettelijk verhard zijn om voor altijd ongevoelig te blijven voor de geest van daden die men dag na dag, jaar na jaar volvoert. Hoe kan men de vreugde van barmhartigheid anders leren dan door haar te doen?...”. Even verder: “… De daad kan tevoorschijn brengen wat in het gemoed sluimert, en handelingen waar een denkbeeld in tot leven komt…”. Heschel: “… De mens wordt door al zijn handelingen beïnvloed; zijn hart en al zijn gedachten volgen de daden die hij pleegt, hetzij goede of slechte…”. Geheiligde daden hebben tot doel het leven ‘in overeenstemming’ te brengen ‘met ons gevoel voor het onuitsprekelijke’: “… Zolang de mens godsdienst ziet als een bron van bevrediging van zijn eigen behoeften, dient hij niet God maar zichzelf…”. Het is niet ‘nuttigheid’ die wij zoeken in godsdienst, maar ‘eeuwigheid’. Godsdienstige werken zijn als kunstwerken. Hun geestelijke betekenis is niet altijd helder. Maar ze kunnen ons leiden naar bronaders van opwellende betekenis, naar ervaringen, die vol zijn van de gloed van het heilige die plotseling in onze gedachten opvlamt. “… Misschien is dit het wezen van de menselijke ellende: te vergeten dat het leven ons zowel geschonken als toevertrouwd is…”.

 

Over de verwarring van goed en kwaad

Heschel: “… Aan Israël werd geleerd hoe Hem aan te spreken die het mysterie overstijgt. Voorbij de geest is mysterie, maar voorbij het mysterie is genade. Uit de duisternis klinkt een stem die onthult dat het uiteindelijke mysterie geen raadsel is, maar de God van genade; dat de Schepper van het al de ‘Vader in de hemelen’ is…”. Er is geen kloof tussen het geluk van de mens en de plannen van God: “… De wereld wordt verscheurd door conflicten, door dwaasheid, door haat. Het is onze taak om te reinigen, te verlichten, te herstellen. Elke daad is hetzij een beletsel, hetzij een bevordering van het streven naar verlossing…”. Een geheiligde daad is een ontmoeting met het goddelijke. Een manier om in broederschap met God te leven. “… We moeten vriendelijkheid geven om goedheid te verwerven; we moeten het goede doen om het heilige te bereiken…”. Het kwaad staat in onze wereld niet op zichzelf. Goed en kwaad zijn in elkaar verward. Vermengd. Hoe vaak is vroomheid niet gebruikt als werktuig van macht. De meest weerzinwekkende uiting van monsterlijke boosaardigheid is als zij gemaskerd optreedt als het goede. “… Het hedendaagse denken lijkt op een begraafplaats van afgedankte idealen. Men gevoelt dat de mens met zijn zedelijk streven slechts luchtkastelen bouwt. Al onze maatstaven zijn niets anders dan vermomde begeerten…”. De Joodse traditie gelooft dat het kwade alleen wijkt door het goede te doen: “… Leven in het licht van Gods aangezicht verleent de mens een liefdevolle kracht die hem in staat stelt de machten van het kwade te overwinnen…”. Het kwaad is niet alleen een bedreiging, het is ook een uitdaging.

 

Het dierlijke, het verstandelijke, het geestelijke

“… De mens leeft in drie gebieden: het dierlijke, het verstandelijke en het geestelijke…”. Heschel: “… Wij geloven dat het ego veranderd kan worden in een vriend van de geest…”. Het oogmerk van de Joodse opvoeding is “… hoe de onuitsprekelijke verrukking van goede daden te leren voelen…”. Het gaat erom “… alle verspreide daden te verbinden met de Ene…”. Hij bestempelt het ego zonder meer als ‘de boze aandrift’. “… Zijn we in staat om het gevaar te overwinnen van trots, eigengerechtigheid, ijdelheid en superioriteitsgevoel, ontleend aan zogenaamd aan Gods toegewijde handelingen?...”. Vaak vereren we ‘de vreemde God in onszelf’. “… De ‘ik’ staat tussen God en mens…”. Daarom spoort de Joodse traditie aan om onze handelingen van barmhartigheid voor anderen te verbergen (zie ook woestijnmoeder Syncletica in “Woestijnvaders” van Mattias Rouw). “… Men kan alle wetten naleven en tegelijk een vermomd veelgodendom aan hangen. Want als iemand een godsdienstige handeling verricht met de bedoeling een menselijk wezen te behagen dat hij vreest of waarvan hij hoopt te profiteren, dan is het niet God die hij eer bewijst, maar een menselijk wezen…”. Het gaat er niet om onze behoeften te onderdrukken, volgens Heschel, maar om onze behoeften om te zetten. Te richten op een hoger ideaal. Een doel voorbij onszelf. “… Als wegcijfering van zichzelf op zichzelf deugdzaam zou zijn, zou zelfmoord het toppunt van zedelijk leven zijn. Het is de Moloch die het offer van het leven verlangt; het is militarisme dat de dood op het slagveld als het hoogste ideaal verheerlijkt. De profeten van Baäl gingen zich meer te buiten aan zelfvernedering dan de profeten van Israël…”. Het is niet onze taak om afstand van het leven te doen, maar om dicht bij God te komen. Dat kan door ‘een blijvende voorstelling te ontwikkelen van het niet-zelf’. Voor ‘de waardigheid van de medemens’. Het zelf is geestelijk ‘onrijp’. Het rijpt in de bewogenheid om het niet-zelf. “… Er is geen vreugde voor het zelf in het zelf…”. Vreugde wordt meer gevonden in geven dan krijgen, in geven dan nemen. “… We zijn allen begiftigd met talenten, begaafdheden, vaardigheden; maar talent zonder toewijding, begaafdheid zonder roeping, vaardigheid zonder geestelijke waardigheid eindigen in ontgoocheling…”.

 

Flow

Wat Heschel bedoelt is volgens mij dat je jezelf vergeet als je je met heel je hart op God richt, waardoor je zelfs in een ‘flow’ kunt raken: “… In het ogenblik waarin een kunstenaar opgaat in het spelen van een concert, is de gedachte aan applaus, roem of beloning verre van hem. Zijn volledige aandacht, zijn hele wezen is één met de muziek…”. De negatieve vorm: “… Bij de meeste mensen komt een gevoel op van contact met het uiteindelijke wanneer hun zelfvertrouwen door een verschrikkelijke beproeving wordt weggevaagd… “. Even verder: “… We hebben gezegd dat de grote vooronderstelling van de godsdienst is dat de mens zichzelf kan overtreffen…”. Een dergelijk vermogen is het wezen van ware vrijheid: “… Vrijheid sluit een keuze in, maar zij wortelt in het besef dat het zelf geen soeverein is, in het misnoegen over de tirannie van het ego…”. Er is méér dan het zelf. Voorbij het zelf ligt het domein van de geest: “… Als hij kiest voor het kwade, geeft hij zijn verbondenheid met de geest op…”. Tegelijk is het onmogelijk om de geest als zodanig te vatten: “… Geest is een ‘richting’, het zich wenden van alle wezens tot God…”. Een gaan van Hier naar Ginds: “… Onze weg is hetzij een pelgrimstocht, hetzij een vlucht…”. Heschel krijgt wel wat voor elkaar bij mij: de vreugde van zijn geloof tintelt door me heen.

 

Uitgave: Abraxas – 2005 (Fenomenologische bibliotheek 5), vertaling D. Mok, 479 blz., ISBN 978 908 073 005 2, 17,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier