Menu

donderdag 17 juli 2025

De meester en Margarita – Michail Boelgakov

 


In “Vrij spel” van Richard Powers komt een jongen voor die 'krankzinnige hoeveelheden obscure romans' leest, waaronder “De meester en Margarita” van de Oekraïens/Russische schrijver Michail Boelgakov (1891 – 1940): “… De goeie shit onthouden ze ons brother. Te gevaarlijk!...”.  Boelgakovs vertaler, Marko Fondse, noemt het 'een van de gecompliceerdste werken uit de Sovjetliteratuur'. Eigenlijk geldt voor “De meester en Margarita” hetzelfde als voor “Uitnodiging voor een onthoofding” van Nabokov: 'het absurde kan bevrijden'. Boelgakov begon vermoedelijk eind 1928 te schrijven aan zijn roman - waarin de duivel met zijn trawanten naar Moskou komt - en bleef er tot enkele weken voor zijn dood mee bezig: de periode van de ‘Grote Zuivering’ onder Jozef Stalin. Het boek is een parodie op Stalin en het leven in de Sovjet-Unie. De Rolling Stones  zouden er hun klassieker ‘Sympathy for the Devil’ op hebben gebaseerd. Gek genoeg deed het verhaal me ook een beetje aan “Alice in Wonderland” denken: zie de Hartenkoningin die om de haverklap ‘kop eraf’ roept en het optreden van een spooky kater. De roman, een hoogtepunt van onvoorspelbaar magisch realisme, zou pas voor het eerst – zwaar gecensureerd – gepubliceerd worden in het maandblad ‘Moskva’ in de nummers van november 1966 en januari 1967 (in mijn versie staan de afgekeurde fragmenten schuin gedrukt). De 150.000 exemplaren waren in nauwelijks enkele uren uitverkocht. Ook nu nog is “De meester en Margarita” volgens veel Russen het beste boek dat ooit werd geschreven. Elk jaar staat het bovenaan in de eindejaarslijst.

 

Als we niet geloven, wat geloven we dan?

Stalin voerde voor WO II een radicaal profaan beleid, waarbij religie werd gezien als een bedreiging inzake het communisme. Kerken werden gesloten, geestelijk leiders vervolgd en religieuze uitingen verboden. De staat probeerde religie volledig uit te bannen en te vervangen door het atheïsme. Het is alsof Boelgakov vond dat door het verdwijnen van God, de duivel zijn plaats in de gedachten en levens van mensen in was gaan nemen. Zie “Als we niet geloven, wat geloven we dan?” van Umberto Eco en Carlo Maria Martini: “… Ook dat is geloven: geloven in exacte wetenschappen, in de medische wetenschap, in een carrière, in de rechters, in de politie, in de verzekeringen: het leven van de hedendaagse mens is een voortdurende uiting van onconfessioneel geloof in zaken die soms veel duisterder, absurder en onzinniger zijn dan dingen die bij voorbaat op het mysterie (van Jezus Christus) zijn gebaseerd…”.

 

Vreemde snoeshaan

In het eerste hoofdstuk, met de titel ‘Spreek nooit tegen onbekenden’ (een ironische verwijzing naar de KGB en de spionage-obsessie die destijds in Moskou heerste), zitten tegen de avond van een snikhete meidag op een bankje bij het water Berlioz, de deftige hoofdredacteur van een letterkundig genootschap, en Ivan, een slordige dichter, uit te puffen. Ivan heeft de opdracht gekregen een ‘groots opgezet dichtwerk van antigodsdienstige strekking’ te fabriceren, maar het moet worden herschreven, want in plaats dat het voor altijd en eeuwig bewijst dat het bestaan van Jezus Christus ‘je reinste mythe’ is, komt Hij juist springlevend uit de verf. Zie ook het citaat uit “Faust” van Goethe, waarmee “De meester en Margarita” opent: “… Maar goed, wie zijt ge dan? / Deel van die kracht en sterkt’ / die steeds het kwade wil / en ’t goede toch bewerkt…”. Berlioz heeft een korte, beangstigende hallucinatie van een lang, mager figuur die in de zinderende hitte voor zijn ogen heen en weer deint, zonder de aardbodem te beroeren. Even later zit de surrealistische snoeshaan, die zich voorstelt als professor in de magie, echt op een bankje naast hen en begint zich vrijpostig met het gesprek te bemoeien. Of de heren atheïsten zijn. Zeker. Wie of dan wel het menselijk bedrijf bestiert, ‘alsmede de gehele op deze aarde bestaande orde in het ruimste verband’, aangezien de mens nog niet kan instaan voor zijn eigen dag van morgen en vaak ‘erg plotseling’ sterfelijk is (welnu: volgens de Bijbel is ‘de overste van deze wereld’ de duivel – maar dat zegt de vreemdeling niet). Tussen neus en lippen door voorspelt hij ook nog de dood van Berlioz: zijn hoofd zal afgesneden worden door een vrouw. De geplande vergadering van die avond gaat daarom niet door. Er bestaat een website, “masterandmargarita.eu”, waar de roman tot in de puntjes wordt geanalyseerd en te lezen valt dat de volkomen on-Rusische naam Berlioz refereert aan de Franse componist Louis Hector Berlioz (1803 – 1869). In zijn opera ‘La damnation de Faust’ figureren vier personages: Faust (tenor), de duivel Méphistophélès (bariton), Marguerite (mezzosopraan) en Brander (bas). In Berlioz’ Symphonie Fantastique’ droomt het hoofdpersonage zijn eigen onthoofding en ziet hij zichzelf op een heksensabbat, volgens een programmaboekje uit 1855, “… te midden van vreeselijke fratzen, heksen, gedrochten van allerlei aard, die zich tot de lijkstatie vereenigd hebben in helsche orgiën…”. Beide thema’s zijn in het vervolg van het boek erg belangrijk. Hector Berlioz studeerde trouwens net als Michail Boelgakov  geneeskunde voor hij zich aan de kunst wijdde.

 

De duivel gelooft wél in God

Over Jezus: “… ‘Het gaat hier helemaal niet om standpunten,’ antwoordde de zonderlinge geleerde, ‘hij heeft gewoon bestaan en daarmee is de kous af.’…”. Vervolgens begint hij een prachtig verhaal over Pontius Pilatus te vertellen, dat nogal afwijkt van het oorspronkelijke evangelie (in 1998 maakte de rock band Pearl Jam de song Pilate’, geïnspireerd op deze tekst). Hij is er zelf bij geweest, fluistert de intrigant geheimzinnig. Ze geloven zeker ook niet in de duivel? Natuurlijk niet. “… Je kunt nergens naar vragen, of het bestaat niet!...”, aldus de zich rot lachende professor (een zin die populair is geworden als satirisch commentaar op het ontbreken van koopwaar in winkels). Hij begint met een accent te spreken dat ‘nu eens verdween en zich dan weer manifesteerde’. Jozef Stalin sprak ook met een Georgisch accent, hoewel zijn taalgebruik officieel werd bestempeld als ‘perfect’. Het geeft voedsel aan de veronderstelling van sommigen dat Stalin het prototype voor de duivelse professor zou zijn geweest. Zowel Berlioz als de dichter beginnen te geloven dat de professor krankjorum is. Tot Berlioz opstaat om de politie te bellen, uitglijdt op de stoep, op de tramrails valt, en zijn hoofd door de naderende tram wordt afgesneden omdat de bestuurster niet meer op tijd kan remmen.

 

Schizofreen

De dichter eet van misère bijna zijn hand op. Daarna achtervolgt hij de professor die er vandoor gaat met een verlopen dirigent gekenmerkt door een snorretje ‘als van kippeveertjes’, een knijpbrilletje waarvan één glas gebroken en de ander ontbrekend, en een veel te korte, morsige ruitjesbroek, plus een zwarte kater ‘zo groot als een mannetjesvarken’ die later in het verhaal ‘Behemot’ wordt genoemd. Jawel. Hij raakt het ‘misdadigerstrio’ kwijt in de menigte, komt in een huis terecht waar een naakte vrouw aan het badderen is, steelt een paar builoftskaarsen en een papieren icoontje (tegen de kwade krachten die hem omringen), trekt zijn kleren uit die worden gestolen om een rondje te zwemmen in de Moskva, waarna hij zich genoodzaakt ziet zich in een voor zijn neus liggende lange onderbroek en een voddig Tolstoj-hemd te hijsen: hij kan moeilijk in zijn blootje door Moskou struinen. Het zwemincident wordt wel als een ‘doop’ gezien, omdat de dichter daarna helemaal veranderd is. De dichter komt tijdens zijn zoektocht naar de moordenaar van Berlioz, midden in de nacht bij een feestend schrijversrestaurant aan. Hij veroorzaakt er een enorme heisa en wordt gekneveld afgevoerd naar een inrichting waar ze hem plat spuiten. De voorlopige diagnose: schizofrenie.

 

Gastoptredens

Het verhaal verspringt naar het woonblok van de directeur van het Moskouse theater, Sjtopa, die met een geweldige kater in bed ligt. Wijlen Berlioz heeft er ook een appartement dat op dat moment afgesloten en verzegeld is. Er zijn al verschillende mensen op een raadselachtige manier uit het huis verdwenen (iedereen waarvan werd gedacht dat hij de partij tegenwerkte, kon destijds als ‘vijand van het volk’ gearresteerd worden als saboteur): “… als hekserij eenmaal begint, dan breng je die met geen kracht ter wereld meer tot staan, dat weten we nu wel…”. Wanneer de directeur het voor elkaar krijgt zijn ogen te openen ziet hij verbijsterd iemand naast zijn bed zitten die zich voorstelt als Professor Woland (de Germaanse naam voor Satan), deskundige in zwarte magie. Hij komt de details regelen aangaande de zeven gastoptredens waar ze gisteren een contract over hebben opgesteld. De directeur weet van niks. Ongerust belt hij in de gang zijn zakelijk leider, die vrolijk meldt dat de affiches er al aankomen. Als hij helemaal van de kook terug loopt naar zijn kamer ziet hij dat er nog twee figuren zijn opgedoken: een magere sladood in een ruitjespak en een zwarte kater van griezelige dimensies. Mijn gevolg, aldus Woland. Ze hebben woonruimte nodig, en wel dat van hem. Uit de wandspiegel stapt  nummer vier binnen, een kleine, maar uitzonderlijk breedgeschouderde kerel met een naar voren stekende slagtand en vuurrood haar: Azazello (volgens het apocriefe “Boek van Henoch” was Azazel de leider van de grigori, een groep gevallen engelen die met sterfelijke vrouwen gemeenschap had, waaruit de reuzen voortkwamen, ook bekend als de Nephilim. Azazel is de grigori die de mensen leerde wapens, juwelen en cosmetica te maken. Zijn lessen creëerden zoveel onrecht dat God besloot alle leven op aarde te vernietigen door de Zondvloed). De laatste bonjourt de directeur regelrecht naar Jalta, waar hij bijkomt aan het uiteinde van een in zee lopende pier. Opgeruimd staat netjes: dat rijdt toch maar rond in een staatswagen voor niks en niemendal, zuipt maar raak, knoopt banden aan met vrouwen, vreet niks anders uit dan zwijnerij, maakt misbruik van zijn positie, strooit zand in de ogen van de autoriteiten en kan niks.

 

Woningnood

Kort na de Russische Revolutie stelde Lenin een plan voor om privé-woningen te onteigenen, en bedacht het idee van het ‘gemeenschappelijke appartement’. Het particuliere huiseigendom werd afgeschaft in 1918. Er kwamen nieuwe wetten over wie waar kon wonen, en om dat te regelen kreeg elk appartementsgebouw een ‘bewonerscollectief’ onder leiding van een voorzitter. Velen van hen waren onopgeleide, omhooggevallen gezagsgetrouwen, die ondanks hun gebrek aan competenties, wel een grote macht hadden in hun quasi-officiële functie. Deze situatie maakte het leven erg onzeker. Wanneer een bewoner zes weken afwezig was kon hij worden uitgezet. Er zijn gevallen bekend van mensen die enkele weken op reis gingen, en bij hun terugkeer andere huurders in hun flat aantroffen. Niet zelden hadden deze nieuwe bewoners een of andere ‘gunst’ verleend aan de voorzitter van het bewonerscollectief: voor wat hoort wat. De huisbaas van het voornoemde woonblok heeft het dan ook moeilijk: steeds meer mensen melden zich voor de woonruimte van Berlioz. Zijn telefoon staat roodgloeiend: het lijkt Nederland anno nu wel. Als hij een kijkje gaat nemen in het vrijgekomen appartement treft hij er de uitgemergelde grootbek in zijn ruitjesjasje met knijpbrilletje en jockeypet (een kostuum dat overeenkomt met de duivel uit “De gebroeders Karamazov” van Dostojevski) achter het bureau van de ontslapene aan. Hij doet alsof hij de tolk van Woland is en zegt het appartement van Berlioz, plus dat van de theaterdirecteur, een weekje te willen huren voor de lieve som van vijfduizend roebels. Contant. Meneer valt niet dood over een paar centen meer of minder. Bovendien heeft hij gratis vrijkaartjes voor de komende voorstelling in de aanbieding en glipt er ook nog een knisperende envelop met vierhonderd dollar (vreemde valuta waren in de Sovjet-Unie streng verboden) zomaar in de tas van de voorzitter. Kassa! Zeg dan maar eens nee. Meneer de voorzitter is de deur nog niet uit of de zogenaamde tolk pakt de telefoon en verklikt hem aan de autoriteiten. Tijdens het avondeten staan er twee figuren aan zijn deur die naar het toilet vragen, een pakketje uit de luchtkoker halen en de malverseur arresteren.

 

De utopie van het communisme

De financieel directeur van het theater snapt niet dat er toestemming is gegeven inzake de, volgens de tekst op het aanplakbiljet, voorstelling over ‘zwarte magie, alle geheimen ontsluierd’. Het is ook heel raar voor een maatschappij die zweert bij het ‘sociaal realisme’. “… Het is juist een hele lepe zet. De kneep zit hem juist in de ontmaskering…”, aldus derden. Een en ander doet denken aan de Bijbelse parabel over een huis dat verlaten is door een boze geest en wordt schoongemaakt, waarna de boze geest er met zeven anderen in terugkeert (Mattheus 12 : 43-45). Tijdens de show laat Woland geld regenen. Het waanzinnige publiek begint te graaien. Bovendien mogen alle dames naar voren komen om zich in sjieke Parijse kleren te steken en tovert Woland parfums tevoorschijn die totaal ontoegankelijk zijn voor de gemiddelde Sovjetvrouw. De Moskovieten zijn niets veranderd, concludeert Woland. Een enorm subversieve opmerking, want volgens de communistische partijlijn heeft de bevolking van de Sovjet-Unie de ‘utopie van het communisme’ bereikt. Zij zijn nieuwe Sovjet mannen en vrouwen. De ‘Homo Sovjeticus’ is verschillend van gelijk welk ander volk op aarde. Zij werken harder, weten meer, en zijn gelukkiger dan wie ook. 

 

De held van het verhaal

Boelgakov heeft nog een appeltje te schillen met zijn collega’s van het literaire staatsapparaat. “… Toen hij eind jaren dertig een inventaris maakte van alle krantenknipsels die er ooit aan hem en zijn werk waren gewijd, constateerde hij dat er 298 negatief van toon waren en slechts 3 positief…” (Pieter Steinz in “Het web van de wereldliteratuur”). Zijn wraak is zoet: in “De meester en Margarita” worden de letterbonzen op hun allerdomst en –lafhartigst neergezet. Op het balkon van de kamer in de kliniek waar de dichter verblijft, verschijnt een geheimzinnige medepatiënt die hem met een bezoek komt vereren. De held van het verhaal, volgens Boelgakov. Oftewel de ‘Meester’, een alter-ego van hemzelf. Als de Meester informeert naar zijn beroep en Ivan vertelt dat hij gedichten schrijft, wordt hij daar bijna mee gecondoleerd: gedichten die in de Sovjet-Unie verschijnen zijn per definitie slecht. De ironie ten top: “… ‘Schrijft u niet meer!’ smeekte de bezoeker. ‘Dat beloof ik en zweer ik!’ zei Ivan plechtig. De eed werd met een handdruk bezegeld…”. De Meester is er van overtuigd dat Ivan in het park Satan himself heeft ontmoet: dat gezicht met die verschillende kleur ogen, die wenkbrauwen, precies als in de opera “Faust”. Onbegrijpelijk dat een belezen iemand als  Berlioz dat niet door had. De Meester vertelt dat hij een manuscript heeft geschreven over (ook al) Pontius Pilatus, dat nog voor verschijnen door drie critici de grond in is geboord. Eentje insinueerde dat hij een apologie van Jezus Christus de uitgeverij had willen binnen smokkelen. De ander beschuldigde hem van ‘pilatisme’. De derde noemde hem een ‘militante oudgelovige’. Bovendien wees de uitgever het verhaal af met het smoesje dat ze nog materiaal genoeg hadden voor de eerste twee jaar.  “… De monsterlijke mislukking van mijn roman had als het ware een moot uit zijn ziel weggesneden…”. Hij vertelt over zijn vriendin Margarita, die dwars door alles heen, vierkant achter hem was blijven staan. Hij zag haar op straat met een bos gele bloemen in haar armen, die ze had weg geflikkerd toen hij zei dat hij ze niet mooi vond (geel is voor de Sovjets de kleur van het gekkenhuis en het verraad.) “… De liefde overviel ons…”. Ze had geprobeerd het manuscript te redden toen hij het wilde verbranden. “…‘Manuscripten verbranden niet,’ luidt een van de symbolisch geworden uitspraken in “De meester en Margarita”. De pen is machtiger dan het zwaard, de verbeelding wint het uiteindelijk van terreur…” (Pieter Steinz in “Het web van de wereldliteratuur”). De Meester kreeg last van paniekaanvallen. Toen Margarita op een dag aankondigde dat ze haar wettige echtgenoot ging vertellen dat ze hem voorgoed verliet om voor altijd en eeuwig bij de Meester te kunnen zijn, heeft hij zich vrijwillig bij de kliniek gemeld. Hij wilde haar niet ongelukkig maken.

 

Magie

Wanneer de daaropvolgende show in het theater voorbij is, verschijnen de vrouwen spiernaakt dan wel in hun ondergoed op straat, wat een enorme consternatie wekt: de nieuwe kleren blijken fake. Zakelijk theaterdirecteur Rimski sluit zich op in zijn kantoor om zijn magische bankbiljetten eens goed te bekijken en wordt bezocht door een paar geestverschijningen die bij het vroege hanengekraai verdwijnen: vampieren kunnen niet tegen licht. Met de eerste de beste trein vertrekt hij als de wiedeweerga uit Moskou. Zijn haar is in één nacht wit geworden.

 

Dromen

De opgepakte voorzitter van het woonblok belandt na ondervraging door de geheime politie ook in het voornoemde psychiatrische hospitaal, waar hij droomt over een met ongeschoren mannen gevulde schouwburgzaal die er op de grond zitten (‘zitten’ doe je per definitie in de gevangenis). Een artiest in smoking prest hen hun buitenlandse valuta en andere kostbaarheden in te leveren. Allerlei dure goederen als juwelen, iconen, Fabergé eieren, porselein en zeldzame manuscripten werden destijds in beslag genomen en verkocht naar het buitenland, omdat het regime harde valuta nodig had voor het welslagen van het ‘Vijfjarenplan’. De droom zit vol verwijzingen naar elementen van de Sovjetstaat waar Boelgakov zich tegen kantte: de arrestaties van dissidenten, hun opname en ‘behandeling’ in psychiatrische instellingen, de showprocessen, de alom heersende vriendjespolitiek en corruptie, de monetaire politiek, de houding tegenover vreemde valuta en het huisvestingsbeleid (de hele droom werd weggecensureerd). De dichter droomt over de terechtstelling op Golgotha.

 

Ware liefde

De volgende dag onderzoekt de recherche de vreemde gebeurtenissen in het theater, maar er is geen spoortje van de duivel en zijn handlangers meer te vinden, terwijl de theaterdirectie gevlogen is. In Moskou wordt het leven evenwel hoe langer hoe gekker. De taxichauffeurs willen geen papiergeld meer aannemen omdat het verandert in wijnetiketten. Op een accountantskantoor zit een leeg kostuum achter een bureau te werken en barsten alle employe’s uit in hypnotische koorzang (volksliederen gemaakt door Siberische ballingen) die niet meer te stoppen is. Een oom  van Berlioz en een buffetchef die vanwege het valse geld in zijn kassa verhaal komen halen op Wolands logeeradres worden ongenadig afgepoeierd, waarna het ‘waarheidsgetrouwe relaas’ overgaat in deel twee en de schrijver oproept: “… Volg mij, lezer! Wie heeft u verteld dat er op aarde geen waarachtige trouw en eeuwige liefde bestaat? Dat men die leugenaar de gemene tong uitrukke! Volg mij, lezer, en mij alleen en ik zal u zo’n liefde tonen!…”.

 

Omkoperij

Vervolgens begint Boelgakov te schrijven over Margarita, de vriendin van de meester. Ze is mooi en intelligent. Ze is de kinderloze, dertigjarige vrouw van een hooggeplaatste specialist. Haar man is jong, knap, goed, fatsoenlijk en aanbidt haar. Samen bewonen ze de bovenverdieping van een betoverend herenhuis met tuin in een zijstraat van de Arbat. Ze heeft geen gebrek aan geld. Ze kan alles aanschaffen wat haar hartje begeert. Onder haar kennissen zijn zeer boeiende figuren. Ze heeft nog nooit een oliestel aangeraakt. Ze weet niets van de ontzettingen die de inwoning met zich meebrengt: “… Kortom… was zij gelukkig? – Maar dan ook geen moment!...”. Wat heeft deze vrouw nodig? De schrijver weet het ook niet. “… Blijkbaar had ze de waarheid gezegd: hem had ze nodig, de Meester, en allerminst een gotisch herenhuis, noch een privé-tuin, nog geld…”. Ze komt tot de ontdekking dat de Meester er niet meer is, denkt aan 'verbanning' en kan hem niet vergeten. Treurig en depressief zit ze op een bankje als ze wordt aangesproken door de roodharige Azazel met zijn vooruitstekende slagtand, die haar uitnodigt voor een feestje in de avond, waar ze meer over de Meester te weten kan komen. Hij geeft haar een gouden doosje met balsem waarmee ze zich om precies half negen moet insmeren (zie de cosmeticaverschaffer uit het boek Henoch). Om tien uur zal ze opgehaald worden. Ze beseft heel goed dat ze zich in een louche affaire stort, maar ze is bereid zelfs haar ziel aan de duivel te verkopen voor haar lief (het was een normale praktijk van de geheime politie om seks te gebruiken om buitenlanders te betrappen of hun geheimen te ontfutselen).

 

Harry Potter

Als Margarita zich met de verjongende crème heeft ingesmeerd ziet ze eruit als een twintigjarige. Het verandert haar niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk. Ieder vezeltje in haar lichaam bruist en ze kan plotseling vliegen. Een bezem huppelt de kamer binnen waar ze opspringt om door het raam in het nachtelijk zwerk te verdwijnen. Als ze langs het literatorenhuis komt, dringt ze de verlaten flat van een gehate criticus binnen, waar ze de boel kort en klein slaat. Daarna mept ze ook nog alle ramen van het appartementencomplex aan diggelen. Vervolgens zet ze koers naar een heksensabbat in een woud bij een rivier vol cognac. Ze is niet alleen in de lucht. Haar huishoudelijke hulp komt haar schaterend tegemoet op een vliegende ‘barg’, een mannetjesvarken, die de kop van haar buurman heeft. De werkster vertelt gierend van het lachen dat ze zich ook heeft ingesmeerd met de balsem en de respectabele benedenbuurman, die aan de deur stond, een lik over zijn neus heeft gegeven. De rit eindigt bij een kampvuurtje waar twee rijen dikke kikkers een opgewekte mars spelen op houten fluiten en doorschijnende waternimfen een reidans maken. Andere heksen komen Margarita begroeten. Een bokkenpotige figuur trakteert haar op champagne. De bokkenpoot vindt de bezemsteel maar een ongemakkelijk vervoermiddel en zorgt voor een open slee met op de chauffeursplaats een zwarte roek met een lange snavel, een pet van zeildoek en gehandschoende klauwtjes aan het stuur. Op naar Moskou! Harry Potter is er niets bij.

 

Weer zoals het was

Margarita wordt afgezet bij het appartement van Woland, die schaak speelt met Behemot. Ze gebruiken levende pionnen. Ook heeft hij een levende globe waarop te zien is wat er zoal in de wereld gebeurt. Margarita dient Woland als gastvrouw  te begeleiden tijdens het jaarlijkse Walpurgisnachtbal. De gasten (koningen, hertogen, zelfmoordenaars, gifmengsters, hoeren, beulen, woekeraarsters, cipiers, messentrekkers, verraders, waanzinnigen, rechercheurs, galgenbrokken, verleiders, losbollen, vampiers, bordeelhoudsters, spionnen, luistervinken, kortom een bonte mengeling uit de hel) glijden de zaal binnen via de schouw, wat een beetje aan ons Sinterklaasfeest doet denken. De Russen zagen de schoorsteen als een belangrijke rituele plaats. Het was de in- en uitgang voor bovennatuurlijke wezens, met inbegrip van duivels en heksen, naar een andere wereld. De ziel verdween na de dood door de schoorsteenpijp. Margarita komt weer tot haar positieven in de bescheiden huiskamer waar Woland zijn intrek heeft genomen. Als dank voor haar diensten mag ze een wens doen. Ze zegt dat ze wil dat alles weer wordt zoals het was. Daarop  tovert Woland de Meester terug, inclusief zijn manuscript over Pontius Pilatus. Degene die de Meester heeft aangeklaagd voor het in bezit hebben van illegale literatuur om zijn kelderwoning te bemachtigen, wordt er hardhandig uitgejaagd, met dank voor het witten en verven en installeren van een nieuwe badkamer. Dat is precies wat een overspannen zielszieke nodig heeft. Het verslag van het ziekteverloop wordt in de haard gesmeten: “… Zonder documenten is er ook geen mens…”, de naam van de onderhuurder uit het huurboekje van de huisbaas geblazen, en een nieuw persoonsbewijs tevoorschijn gegoocheld omdat de Meester geen enkel persoonsdocument meer bezit. Toch zullen de autoriteiten natuurlijk op enig moment lucht krijgen van het feit dat de Meester weer in zijn voormalige woning zit. 

 

Hypnotiseursbende

Ondertussen is het hele staatsapparaat op gang gekomen om de vreemde zaak in het theater te onderzoeken. Veel wijzer wordt men er niet van. Ieder schriftelijk bewijs ontbreekt en de mensen die er mee te maken hebben gehad, lijken ten prooi ie zijn gevallen aan hallucinaties. Het appartement van Berlioz gaat tijdens een  inval van een rechercheteam in vlammen op.  Een speciaal warenhuis voor buitenlanders en het restaurant voor de literatoren worden onveilig gemaakt. Uiteindelijk is de verklaring dat er een ‘hypnotiseursbende’ aan het werk is geweest.

 

Stilte

De Meester verschijnt aan Ivan, de dichter die nog steeds in het gekkenhuis verblijft, om zijn Margarita aan hem voor te stellen en afscheid te nemen. Hij gaat zijn boek niet afmaken, misschien moet de dichter dat dus maar doen. Hij heeft het boek in zijn hoofd zitten en zal er geen woord van vergeten, zegt hij. Veel dissidente schrijvers zetten hun verhalen of gedichten nooit op papier. Ze memoriseerden hun werk zodat de geheime politie nergens kopieën van geschriften vond. Sommige auteurs gaven aan diverse vertrouwde vrienden verschillende gedeelten van hun werk. Ivan blijkt niet meer de onbenul die hij in het begin van het boek was, maar is gaandeweg getransformeerd tot het prototype van de scheppende mens die in een psychiatrische kliniek belandt om ontdaan te worden van zijn persoonlijkheid: na de dood van Stalin en voordat de werkkampen ruime gastvrijheid gingen bieden aan te sterk uitgesproken, weerspannige persoonlijkheden, een normaal procédé . Als de Meester met zijn gade is verdwenen, roept Ivan een verpleegster en vraagt wat er in de kamer van zijn buurman aan de hand is: “… U kunt het me beter rechtuit zeggen, ik voel het immers allemaal dwars door de muur heen aan…”. Uw buurman is zoëven gestorven, fluistert de verpleegster. De Meester heeft zijn romanheld (Pontius Pilatus) de vrijheid gegeven, en verwerft daarmee zijn eigen vrijheid. De Meester en Margarita eindigen als geliefden op een zandpaadje waarop ze naar hun ‘eeuwige huis’ wandelen: “… ‘Luister naar de geluidloosheid,’ zei Margarita en het zand fluisterde onder haar blote voeten. ‘Luister en geniet van dat wat ze je tijdens je leven niet gunden – de stilte…”. Was dat Boelgakovs idee van ‘de hemel’?

 

Gesarde chroniqueur

Door de duivel de Meester en Margarita te laten helpen, geeft Boelgakov op een omzichtige manier aan dat de Sovjet-Unie erger was dan de hel. ‘Als mensen volkomen leeg geroofd zijn, zoeken zij hun heil bij machten aan gene zijde’, aldus Boelgakov (zie de hernieuwde belangstelling voor religie onder jongeren, waar ik eerder over schreef). ”De Meester en Margarita” is deels de op een artistiek niveau gebrachte autobiografie van een ‘gesarde chroniqueur’. Vertaler Marko Fondse: “… Ook in de gecastreerde uitgave immers is dit meesterwerk binnen sovjetrussische verhoudingen een brok geestelijk dynamiet, omdat het de negatie is van alle collectivisme, positivisme, vooruitgangsoptimisme en geloof in de veranderbaarheid van de mens, zowel collectief als individueel. “De Meester en Margarita” is de apotheose van de mens als individu, de verheerlijking van de vrije, dat is de scheppende mens, omdat eerst in het scheppen hij zich van de grenzen van de onvrijheid bewust wordt. Het is de verheerlijking van de liefde van één mens voor de andere, met voorbijgaan van de anderen, van de liefde over het sterven heen, een thema dat ook Toergenjev in “Klara Militsj” heeft uitgewerkt en waarmee de sovjetkritiek nog altijd in de maag zit. En daarmee is zo ongeveer alles gezegd wat de stanilistische theoretici jaar in jaar uit hebben geproefd als de ‘burgerlijke decadente’ haar in de sovjet-literaire soep, als ‘aan het volk vijandig’ of nog mooier: ‘van het volk vervreemd’ individualisme. In naam van het geabstraheerde ‘volk’ werden de kunstenaars aan banden gelegd, totdat zij ‘geen naam’ meer hadden, zoals de Meester. Boelgakov zet zich bovendien niet alleen middels zijn ‘fabel’ af tegen de gelijkgeschakelde literatuur, hij valt ook de producenten en theoretici rechtstreeks aan. Van de gehele georganiseerde schrijversbent blijft geen spaan heel en in “De Meester en Margarita” gaat hun clubhuis in vlammen op. Was Boelgakovs manuscript in die tijd ontdekt, hij zou zeker geen natuurlijke dood gestorven zijn…”. Even verder: “… Tegenover het soms gemakkelijke van de satire staat bovendien die heel lastige kunst van de humor, die slechts een heel sterk karakter onder de omstandigheden van de stalinistische samenleving nog kon opbrengen…”.  Ik denk dat de “De Meester en Margarita” een belangrijk boek blijft nu we in een maatschappij leven die steeds slechter uit de  voeten kan met ‘verschil’. Wanneer één van de gepolariseerde partijen het voor het zeggen krijgt, zitten we zo weer in dezelfde situatie die Boelgakov beschrijft.

 

Uitgave: Van Oorschot - 2023, vertaling Aai Prins & Marko Fondse, 520 blz., ISBN 978 902 823 315 7, € 27,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 6 juli 2025

Zen en de kunst van het motoronderhoud – Robert M. Pirsig

 


Subtitel: Een onderzoek naar waarden

 

In “Vrij spel” van Richard Powers (zie mijn één-na-laatste blog)  vertelt een student over zijn vriend die ‘krankzinnige hoeveelheden obscure romans’ leest, waaronder “Zen en de kunst van het motoronderhoud” (1974). Na honderdeenentwintig uitgevers die het boek afwezen, werd het een ongelooflijke bestseller. Het gaat om een semi-autobiografisch verhaal van de Amerikaanse schrijver en filosoof Robert Pirsig (1928-2017) over een roadtrip die hij tijdens een zomervakantie maakt met zijn dan elfjarige zoon Chris, dwars door Amerika, op een motor: “… We zijn echte secundaire-wegen-motorfietsmaniakken geworden…”. Pirsig heeft net een opname in een psychiatrische kliniek achter de rug waar hij een elektroshock-behandeling onderging vanwege paranoïde schizofrenie. Hij filosofeerde zich letterlijk ‘gek’. Tijdens het rijden denkt hij constant na en presenteert zijn gedachten als ‘chautauqua’s’: voordrachten die op het Amerikaanse platteland gebruikelijk waren toen film en televisie nog niet bestonden. Hij noemt de persoon die hij was vóór zijn opname Phaedrus, naar een jonge redenaar uit de Socratische dialoog ‘Gorgias’ van Plato: “… Hij onderhoudt met geen enkele groep banden. Hij geeft de voorkeur aan de eenzaamheid van het platteland boven de stad. Hij is op het gevaarlijke af agressief. Op een gegeven moment bedreigt hij Socrates met geweld. ‘Phaedrus’ betekent in het Grieks ‘wolf’. In deze dialoog raakt hij vervoerd door Socrates’ uiteenzetting over liefde en hij wordt getemd…”. Phaedrus lijkt steeds als een soort dubbelganger, een alter-ego, een schim, over zijn schouder mee te kijken. Tot mijn verrassing zag ik veel overeenkomsten tussen Pirsig en Alice, de hoofdpersoon in “Prachtige wereld, waar ben je” uit mijn vorige blog, die het heeft over haar ‘heilige onrust’: “… Ik heb behoefte aan een kern in mijn leven, een plek waar mijn gedachten tot rust komen. Ik weet trouwens wel dat de meeste mensen die behoefte niet kennen en ikzelf zou veel gezonder zijn als ik die ook niet had. Felix heeft geen behoefte om zijn leven rond een kernprincipe te rangschikken en jij waarschijnlijk ook niet. Simon wel, maar die heeft God. Als je dan toch een kern in je leven nodig hebt, dan lijkt God me wel een goede optie…”. Pirsig noemt die kern in zijn verhaal ‘Kwaliteit’ en volgens mij is wat hij er over schrijft niet ver van wat je als God zou kunnen duiden, af.

 

Twee werkelijkheden

Het eerste gedeelte van de tour maken Robert Pirsig en Chris met een bevriend echtpaar dat niets van technologie wil weten. Het bevreemdt Pirsig dat ze zelfs met de allersimpelste motormankementen naar een monteur gaan. Het is niet dat ze geen gevoel voor hun vervoermiddel hebben, het is meer dat ze de techniek als een ongedefinieerd, onmenselijk, mechanisch, levenloos, blind monster vrezen. Een dode kracht: “… Iets afschuwelijks waarvoor zij op de vlucht zijn, maar waar zij nooit aan kunnen ontkomen…”. Er zijn cliché’s en stereotiepen uitgedacht voor de antitechnologen: ‘beatnik’ of ‘hippie’. Maar individuen worden geen massamens door hen een massa-etiket op te plakken: “… Hun verzet is er juist tegen gericht een massamens te worden. En zij hebben het gevoel dat de techniek heel veel te maken heeft met de krachten die hen tot een massamens willen omvormen en dat willen ze niet…”. Wat zouden ze van de aanstormende AI-revolutie gevonden hebben? Pirsig maakt er een enorm probleem van, vind ik in eerste instantie, maar misschien was de tijdgeest in de jaren zeventig zo: “… Wat je hier ziet zijn ‘twee’ werkelijkheden, een met een directe artistieke verschijningsvorm en een met een onderliggende wetenschappelijke verklaring, en ze passen niet bij elkaar, en ze sluiten niet op elkaar aan, en ze hebben eerlijk gezegd nauwelijks iets met elkaar uitstaande…”.

 

Erlkönig

Wanneer ze in de middle of nowhere hun kamp opslaan en een strontvervelende Chris weigert te eten omdat hij maagpijn heeft, vertelt Pirsig als de jongen in het donker is weggelopen dat hij vaker zegt dat hij pijn heeft. Soms kunnen ze hem niet aanraken omdat hij dan begint te gillen. In het ziekenhuis hebben ze niets gevonden. Volgens de deskundigen zijn het de eerste symptomen van krankzinnigheid. Ook hij dus. Een oud gedicht van Goethe speelt door Pirsigs gedachten: “… Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater und seinem Kind…”. Waar het gedicht over gaat, vragen zijn vrienden: “… Ik probeer het me te herinneren. ‘Een man rijdt ’s nachts op een paard over het strand, door de wind. Het is een vader, met zijn zoon, die hij stevig in zijn armen houdt. Hij vraagt zijn zoon waarom hij zo bleek ziet en de zoon antwoordt: ‘Vader zie je het spook niet?’ De vader probeert de jongen gerust te stellen dat hij alleen maar een mistbank ziet langs het strand en dat hij alleen de bladeren hoort ritselen in de wind, maar de zoon blijft volhouden dat het het spook is en de vader jaagt almaar verder door de nacht.’ ‘Hoe loopt het af?’ ‘Slecht… het kind gaat dood. Het spook wint.’…”. Een en ander krijgt een hartverscheurende lading als je weet dat Chris twee weken voor zijn drieëntwintigste verjaardag op straat werd overvallen en vermoord.

 

Klassiek versus romantisch

Tijdens het rijden dringt Pirsig  steeds verder ‘de wereld van Phaedrus’ binnen. Het analytische universum van de ‘onderliggende vorm’ (theorie) die tegengesteld is aan de alledaagse werkelijkheid van de ‘directe verschijningsvorm’ (praktijk): “… Ik wil menselijk begrip onderverdelen in twee soorten – klassiek begrip en romantisch begrip…”. Het klassieke begrip bekijkt de wereld vanuit een rationeel kader, het romantische begrip aan de hand van het direct waarneembare. Zie de Bijbel waarin wordt verondersteld dat de aarde plat is.  “… De romantische wijze van beschouwen berust hoofdzakelijk op inspiratie, verbeelding, creatieve vermogens, intuïtie. Hier hebben gevoelens veeleer de overhand over feiten. ‘Kunst’ is vaak romantisch, wanneer je het stelt tegenover ‘wetenschap’. Het gaat niet te werk volgens beredenering of wetten…”. Dit behelst ook het verschil tussen wat je ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ denken zou kunnen noemen: “… Hoewel het rijden op motorfietsen romantisch is, is het sleutelen aan motorfietsen zuiver klassiek…”.

 

Polarisatie

Pirsig schrijft toch wel heel mooi over deze tegenstelling: “… Hoewel je zeer vaak oppervlakkige lelijkheid aantreft in de klassieke wijze van begrip, vormt het er geen onlosmakelijk geheel mee. Er bestaat een klassieke esthetiek waar de romantici vaak aan voorbij zullen gaan, omdat hij zo subtiel is. De klassieke stijl streeft recht op het doel af, zonder opsmuk, zonder emoties, efficiënt en met zorg afgemeten. Hij heeft niet tot doel voor emotionele inspiratie te zorgen, maar om orde te scheppen uit chaos en om het onbekende bekend te maken. Het is niet een esthetisch vrije natuurlijke stijl. Het is esthetisch aan banden gelegd. Alles wordt in de hand gehouden. Zijn waarde wordt afgemeten aan de bedrevenheid waarmee controle wordt gehandhaafd…”. Echter: “… Op een romanticus komt deze klassieke manier van beschouwen vaak over als saai, hinderlijk en lelijk, precies zoals de mechanische praktijk zelf. Alles wordt beschouwd als stukken en delen en componenten en onderlinge verbanden. Niets wordt aan het voorstellingsvermogen overgelaten voor het tientallen malen door een computer is gegaan. Alles moet worden gemeten en bewezen. Beklemmend. Zwaar. Mateloos grauw. De dode kracht…”. Maar de romanticus komt binnen de klassieke manier van beschouwen ook niet al te integer over: “… Frivool, irrationeel, warhoofdig, onbetrouwbaar, voornamelijk uit op pleziertjes. Weinig diepgang. Geen substantie. Vaak een parasiet die zijn eigen gewicht niet kan torsen. Een blok aan het been van de samenleving…”. Als we elkaars manier van denken en voelen verkeerd begrijpen of onderschatten, is dat een bron van moeilijkheden. Terwijl ik er over nadacht vroeg ik me af of hier ook de bron van polarisatie ligt in onze huidige samenleving: “… En zo hebben we in de afgelopen tijd een enorme kloof zien groeien tussen een klassieke cultuur en een romantische tegencultuur – twee werelden die van elkaar vervreemd raken en vol haat tegenover elkaar komen te staan, terwijl iedereen zich afvraagt of het altijd zo zal blijven, twee tegenstrijdige kampen binnen één huis…”. Links-rechts. Zwart-wit. Hip-square. Technisch-humaan. Klassiek-romantisch. Enfin, niemand luisterde indertijd naar Phaedrus. Aanvankelijk vond iedereen hem excentriek, daarna ongewenst, vervolgens een tikkeltje gek en tenslotte volkomen krankzinnig, waarna hij door de politie werd gearresteerd en blijvend verwijderd uit de maatschappij.

 

Saaier dan slootwater

Volgens Pirsig is de rationele aanpak in de klassieke oudheid gek genoeg ontstaan uit verveling en teleurstelling inzake de directe omgeving. Ook al lijkt het allemaal ‘saaier dan slootwater’: “… Weinig romantici komen daar ooit overheen…”. Zonder analyse kan echter niets echt worden gegrepen. Bij een analyse tellen alleen de feiten, is er geen ‘goed’ of ‘slecht’. De waarnemer wordt ook nog eens buiten spel gezet, doet er niet toe. Het analytisch vermogen is als een mes dat de holistische wereld verdeelt in steeds fijnere delen: “… Zelfs het specifieke gebruik van de termen ‘klassiek’ en ‘romantisch’ zijn staaltjes van zijn snijkunst…”. Gaat het om het mes van een moordenaar dan wel een dokter? Of is er geen verschil? “… Wanneer analytisch denken, het mes, wordt toegepast op ervaringen sterft er altijd iets tijdens dit proces. Dat is een betrekkelijk bekend verschijnsel, in ieder geval in de kunst. Mark Twains ervaring schiet me te binnen, waarin hij, nadat hij de analytische kennis die vereist was om als loods de Mississippi te bevaren onder de knie had, tot de ontdekking kwam dat de rivier zijn schoonheid had verloren. ‘Iets’ sterft er altijd. Maar wat minder bekend is in de kunst, er wordt ook altijd iets nieuws geschapen. En in plaats van stil te staan bij wat er is doodgegaan is het ook belangrijk om te zien wat er gecreëerd werd en dit proces te beschouwen als een soort eeuwige voortgang van geboorte en dood, die noch goed, noch slecht is, die er alleen maar ‘is’…”. Phaedrus, zijn ‘oude persoonlijkheid’, was een ‘griezelige solitaire intelligentie’, aldus Pirsig, en een verbeten jager op ‘het spook van de rationaliteit’. Een ‘lone wolf’. Deze persoonlijkheid is op een 'technisch onberispelijke manier vernietigd' door hem tijdens 'achtentwintig opeenvolgende gelegenheden bloot te stellen aan circa 800 milliampères gedurende 0,5 tot 1,5 seconde, wat met een technische term ‘Annihilation ECS’ wordt genoemd'. Toch doemen er steeds sporen van hem op in zijn geheugen, alsof hij ‘boodschappen ontvangt uit een andere wereld’.

 

Betere wereld, waar ben je

Eigenlijk denkt Pirsig niet anders dan wij, een halve eeuw later: “…Ik heb een visioen van een kwaadaardige aanhoudende maatschappelijke crisis waarvan niemand werkelijk begrijpt hoe diep hij geworteld is, laat staan dat iemand er een oplossing voor zou kunnen bieden…”. Na een uitgebreid referaat te hebben gehouden over hoe wetenschap werkt: “… Onze tegenwoordige vormen van rationaliteit sturen de samenleving niet in de richting van een betere wereld. Ze voeren haar steeds verder van die betere wereld vandaan…” (zie mijn vorige blog over een boek met de letterlijke titel “Prachtige wereld, waar ben je”). De hoogbegaafde Phaedres, die op zijn vijftiende al het eerste jaar wis- en natuurkunde voltooide, moest op zijn zeventiende de universiteit verlaten vanwege slechte resultaten en ‘onrijpheid’. Vervolgens zwalkte hij door de States, ging in het leger, vocht in Korea, keerde terug naar de universiteit om zijn studies af te maken en dompelde zich daarna onder in de Oosterse filosofie aan de Banaras Hindu-universiteit in India. Terug in het Midden-Westen haalde hij een diploma in de journalistiek, trouwde, woonde in Nevada en Mexico, had losse baantjes, maakte wetenschappelijke brochures, schreef reclameteksten voor de industrie, kocht een boerderij en werd vader van twee kinderen.

 

De Kerk van de Rede

Phaedres gaf een periode op een bijna ‘bezeten’ manier les aan de universiteit in retorica: “… Hij werd een veelbesproken, controversiële figuur. De meerderheid van de studenten mijdde zijn colleges als de pest. Ze hadden al te veel verhalen gehoord…”. Zijn stokpaardje was de ‘Kerk van de Rede’. Alles wees erop dat Phaedres helemaal niet zo zeker van zijn zaak was dan hij deed voorkomen: “… Niemand zal fanatiek lopen beweren dat morgen de zon opkomt. Ze ‘weten’ dat hij morgen zal opkomen. Wanneer mensen fanatiek zijn toegewijd aan politieke of religieuze overtuigingen, of andere soorten dogma’s en doelen, dan is het altijd zo dat deze dogma’s of doelen aan twijfel onderhevig zijn. De militante opstelling van de Jezuïeten waarmee hij enige overeenkomst vertoonde is ook een punt. Historisch gezien komt hun ijver niet voort uit de kracht van de Katholieke Kerk, maar vanuit haar zwakte tegenover de Reformatie…”. Even verder: “… Hij leerde hen (zijn studenten) dat je vertrouwen moest hebben in de rede omdat er niets anders is. Maar het was een vertrouwen dat hij zelf niet bezat…”. Hij kwam tot de conclusie dat het denken een volkomen nieuwe richting in moest slaan: “… Bijvoorbeeld naar wat er ligt voorbij de rede. Ik denk dat de tegenwoordige rede overeenkomt met de platte aarde van de middeleeuwer. Wanneer je je er te ver buiten begeeft, zul je er vast en zeker afvallen, in krankzinnigheid. En daarvoor zijn mensen erg bang. Ik denk dat deze angst voor krankzinnigheid heel goed te vergelijken is met de angst om van de rand van de wereld af te vallen, die de mensen vroeger hadden. Of de angst voor ketterij. De overeenkomst gaat erg ver…”. Even verder: “… Nu blijkt echter dat onze oude platte aarde van de conventionele rede ieder jaar minder in staat is de ervaringen die wij hebben op te vangen en dit zorgt voor een wijdverbreid gevoel dat de wereld op zijn kop staat. Als gevolg daarvan komen steeds meer mensen terecht in irrationele denkwerelden – occultisme, mystiek, drug-ervaringen en dergelijke – omdat ze wel voelen hoe ontoereikend de klassieke rede is, wanneer het erom gaat een kader te bieden voor wat zij als echte ervaring kennen…”. Zie bijvoorbeeld het fenomeen van de kwantummechanica.

 

Kwaliteit

Phaedres is een idealist die het liefst cijfers en universitaire titels wil afschaffen. Het knevelt de ‘creatieve intelligentie’. Als een collega het woord ‘Kwaliteit’ laat vallen, wordt hij bovenmate getriggerd. Niemand kan een definitie van ‘Kwaliteit’ geven. Het is een ‘irrationeel concept’ (is God dat ook niet?). Toch weet iedereen wat het is: “… Het hele idee van Kwaliteit was prachtig. Het werkte. Daar stond dan eindelijk op het schoolbord dat mysterieuze, individuele, innerlijke doel van ieder creatief mens…”. Hij denkt er steeds verder over door: “… Wanneer je Kwaliteit liet schieten, bleef alleen rationaliteit onveranderd. Dat was vreemd. Waarom zou dat zo zijn?...”. Even verder: “… De wereld kan zonder kwaliteit functioneren, maar het leven zou zo saai worden, dat het amper de moeite waard was om te leven…”. Zie communistisch Rusland en de satellietstaten, communistisch China, de "Heerlijke Nieuwe Wereld" van Aldous Huxley en het "1984" van George Orwell. Het tegenovergestelde van Kwaliteit is ‘dorheid’, aldus Phaedrus. Ontzieling. Onttovering. Is dus:“… Soul. Kwaliteit. Hetzelfde?...”. De wereld is samengesteld uit drie dingen, aldus Phaedrus: de metafysische drieëenheid van geest, materie en Kwaliteit. “… Kwaliteit is geen ‘ding’. Het is een ‘gebeuren’…”, waarbij het subject het object gewaarwordt.  “… Hij had nagedacht over de relatie van Kwaliteit tot geest en materie en hij had Kwaliteit aangewezen als de bron van geest en materie, als het verschijnsel waaruit geest en materie voortspruiten…”. Even verder: “… Degenen die het de minste moeite kost deze Kwaliteit te zien zijn kleine kinderen, mensen zonder schoolopleiding en cultureel minder bedeelden’…”. Zijn het ook niet precies deze groepen die de minste moeite hebben het evangelie aan te nemen? Kwaliteit is als een bron waaruit concentrische gedachtegolven worden opgewekt die zich in alle richtingen uitbreiden. Iedereen ziet Kwaliteit verschillend omdat het zonder vorm of gedaante is, dus onbeschrijflijk. Allemaal zaken die je ook over God kunt zeggen.“… Op een bepaalde manier, beweerde hij, geeft de student door zijn Kwaliteitskeuze een definitie van ‘zichzelf’…”. Godkennis is zelfkennis, zei Calvijn al. Kwaliteit is de reactie van een organisme op zijn omgeving, aldus Phaedrus. “… Zijn Kwaliteit was een metafysische entiteit, geen mystieke. Of misschien toch? Wat was het verschil?...”. Boeddha en Kwaliteit, God en goed, blijken identiek te zijn. Achteraf zegt Pirsig dat hij denkt dat de “… overstelpende aanwezigheid…” van alle “… irrationele elementen , die schreeuwen om opgenomen te worden in onze cultuurbeschouwing, de oorzaak is van de huidige slechte kwaliteit, de chaotische, losgeslagen geest van de twintigste eeuw…”

 

Manisch

Wanneer Phaedrus zich verdiept in de 2400-jaar oude “Tao Tsje-tsjing” van Lao-tse: “… Dat wat hij altijd Kwaliteit had genoemd was hier de Tao, de grote scheppende kracht van iedere religie, oosters of westers, uit heden en verleden van alle kennis, alles…”.  Het is alsof hij op eigen houtje het geheim van de wereld heeft ontdekt. En helemaal manisch: “… Toen ving zijn geestesoog zijn eigen beeld en hij besefte waar hij was en wat hij zag en… ik weet niet wat er werkelijk gebeurde… maar nu voltrok zich het gevoel dat de grond onder zijn voeten wegzonk plotseling steeds sneller, zoals rotsblokken van de berg afrollen. Voor hij het kon tegenhouden begon de opeens vergaarde massa van inzicht aan te zwellen en het groeide uit tot een onhoudbare lawine van gedachten en inzichten; en bij iedere volgende vlaag van aanzwelling rukte de omlaagstortende massa honderden malen zijn eigen volume mee naar beneden, en deze massa ontwortelde nogmaals honderden malen zijn volume en daarop nogmaals honderden malen, en zo steeds sneller in een aldoor breder wordende stroom tot er niets meer overbleef waarop hij nog kon staan. Niets meer. Alles was onder zijn voeten weggegleden…”.

 

Flow

Pirsig steekt een rede af over het ‘blijven steken’ tijdens je werk, in zijn geval dus het repareren van zijn motor, dat vooral niet uit de weg moet worden gegaan, omdat het geleidelijk de vastgeroeste patronen uitschakelt die op de traditionele rede stoelen. Daardoor krijgen creativiteit, originaliteit, vindingrijkheid, intuïtie en verbeelding weer een kans een oplossing aan te bieden uit je ‘subliminale zelf’ dan wel onbewuste. Kwaliteit is verbonden met harmonie en schoonheid.“… We hebben kunstenaars zonder wetenschappelijke kennis en geleerden zonder artistieke kennis en beide groepen ontbreekt het aan geestelijke diepgang en de gevolgen hiervan zijn niet alleen vervelend – ze zijn afgrijselijk…”. Pirsig heeft het over ‘gemoedsrust’, waardoor je gedachten niet afdwalen en je met hart en ziel ‘opgaat’ in je werk. ‘Arbeidsvreugde’ is iets wat boven alles op peil gehouden moet worden en wat altijd bewaard moet blijven: “… De Grieken noemen het ‘enthousiasmos’ waar ons ‘enthousiasme’ vandaan komt, en dat letterlijk ‘gevuld met theos’, of God, of Kwaliteit betekent. En zo is alles weer rond…”. Het is onze ‘psychische benzine’. “… De echte motorfiets waar je aan werkt, is een motor die jezelf heet. De machine die ‘daar voor me’ schijnt te staan en de mens die ‘in me’ schijnt te zitten, zijn niet twee afzonderlijke dingen. Ze groeien samen naar Kwaliteit toe, of raken samen steeds verder van Kwaliteit verwijderd…”.

 

Nachtmerries

Het gaat niet goed met Pirsig. Tijdens de reis begint hij naar te dromen. Chris schudt hem wakker uit een nachtmerrie waarin hij een verschijning die hem steeds dwars zit de keel dicht knijpt: “… Het is Phaedrus. Hij begint te ontwaken. Een geest die tegen zichzelf gespleten is… ik… ik ben de boze gestalte in de schaduw . Ik ben die walgelijke gestalte… Ik heb altijd geweten dat hij terug zou komen… Het is nu zaak me erop voor te bereiden…”. Hij beseft dat hij met zijn zoon moet praten. Hem misschien op de bus naar huis moet zetten.

 

Het 'Ene'

Ondertussen vertelt hij hoe Phaedrus met zijn gezin naar Chicago trok om aan de universiteit aldaar filosofie te kunnen studeren en tegelijk een volle baan als docent aannam op een andere universiteit: “… Hij geloofde erin dat hij een van de grootste raadsels van het universum had opgelost, dat hij een Gordiaanse knoop van het dualistische denken had doorgehakt met één woord, Kwaliteit, en hij was niet van plan dat woord nog door iemand aan banden te laten leggen…”. Even verder: “… En daarom interesseerde het hem helemaal niet hoe hij op anderen overkwam. Het was je reinste fanatisme. In die dagen leefde hij in een gesloten universum, afgesneden van iedere communicatie. Niemand begreep hem…”. Hij heeft het over Plato, de essentiële Boeddhazoeker die aldoor voortgaat en opgaat tot het ‘ene’ dat zozeer overeen komt met zijn Kwaliteit dat het bijna identieke ideeën lijken. “… Al die tijd had hij het gevoel dat hij werd voortgejaagd door krachten die hij niet begreep – Messiaanse krachten…”. Hij heeft het over het ‘Onsterfelijke Principe’ dat bij Thales water heette, “… Anaximenes noemde het lucht. De Pythagoreeërs noemden het getal en zij waren zodoende de eersten die het Onsterfelijke Principe als iets niet-materieels zagen. Heraclitus noemde het Onsterfelijke Principe vuur en introduceerde daarmee verandering als deel van het Principe. Hij beweerde dat de wereld bestaat als conflict en spanning tussen tegengestelden. Hij zei dat er het Ene is en dat er het Vele is en dat het Ene de universele wet is die in alle dingen tot uitdrukking komt. Anaxagoras was de eerste die het Ene in verband bracht met ‘nous’, en dat betekent ‘geest’…”. Hij heeft het over het Sanskriet-woord ‘dharma’ dat ook wel wordt omschreven als het ‘ene’: “… Kunnen het ‘dharma’ van de Hindoes en de ‘deugd’ van de Oude Grieken identiek zijn?...”. Hij ervaart het als een blikseminslag als hij leest dat ‘aretê’, wat wij vertalen met ‘deugd’, in het Grieks ‘voortreffelijkheid’ betekent. “… Kwaliteit! Deugd! Dharma!...”. De “… eerste leermeesters van de westerse wereld hadden ‘Kwaliteit’ onderwezen…”. Even verder: “… Wat Phaedrus altijd Kwaliteit noemde, blijkt Socrates te hebben omschreven als de ziel, de zelfbewegende bron van alle dingen…”. Socrates laat zien hoe individuen tot het Ene worden getrokken door een met twee paarden bespannen wagen: “… een wit, edel en temperamentvol dier, het ander nukkig, koppig, buiig en zwart. Het ene paard helpt hem steeds omhoog naar de poorten van de hemel, de ander beschaamt hem steeds…”. Het witte paard staat voor de beheerste rede, het zwarte paard voor de duistere passie.

 

Uitputting

Zijn docentenbaan en zijn inspannende poging het geheel van het westerse denken te overtroeven aan de Universiteit van Chicago dwingen Phaedrus ertoe twintig uur per dag te werken en te studeren. Langzaam raakt hij uitgeput. Op een dag komt hij het lokaal binnen waar hij les moet geven, gaat zitten en spreekt niet. Zijn vier uur slaap zijn teruggelopen tot twee en daarna tot geen slaap. Hij loopt met tollend hoofd door de straten. Zijn tijdsbesef begint te tanen. Daarna komt hij zijn flat niet meer uit. Staart drie dagen en drie nachten naar de muur van zijn slaapkamer. Laat zijn urine lopen. Merkt het niet als zijn sigaretten opbranden tot aan zijn vingers en blaren veroorzaken. Dan roept zijn vrouw hulp in.

 

Dat wist ik wel

Chris huilt veel. Zegt dat hij spijt heeft dat hij is meegegaan. Dat hij de reis haat. Dat zijn vader vroeger veel leuker was dan nu. Of hij nog weet dat ze een keer bedden gingen halen en hij Chris de weg naar huis liet vinden. In feite was Pirsig zo overspannen dat hij echt niet meer wist waar ze woonden. “… ‘Toen speelde je altijd met ons. Je vertelde altijd verhalen en we reden met de auto om dingen te gaan doen en nu doe je nooit meer iets.’ ‘Wel’ ‘Nee, níet! Je zit alleen maar stil voor je uit te staren en je doet níet meer!’ Ik hoor hem weer huilen. Buiten slaat de regen in harde vlagen tegen de ruiten, en ik voel een zware depressie over mij komen. Hij huilt om hém. Hij mist hém…”. Na een zoveelste confrontatie vertelt Pirsig zijn zoon dat hij bijna weer krankzinnig is: “… Ik stuur je niet naar huis omdat ik boos op je ben, maar omdat ik bang ben voor wat er gebeurt wanneer ik nog langer de verantwoording voor jou blijf dragen…”. Even verder: “… Dit wordt dus een afscheid, Chris, en ik weet niet of we elkaar nog zullen zien…”. Chris reageert niet. “… ‘Chris, ze zeggen het ook van jou.’ Hij staart mij aan. ‘Dat al die problemen in jouw hoofd zitten.’ Hij schudt nee met zijn hoofd. ‘Ze lijken echt en voelen echt aan maar dat zijn ze niet.’ Zijn ogen zijn nu wijd open. Hij blijft nee schudden maar begrip maakt zich van hem meester. ‘Alles is van kwaad tot erger geworden. Moeilijkheden op school, last met de buren, last met je familie, problemen met vriendjes… problemen waar je je maar vertoont. Chris, ik was de enige die ze altijd heeft tegengehouden door te zeggen: ‘Hem mankeert niets,’ en nu zal er niemand meer zijn. Begrijp je dat?’ Hij kijkt verbijsterd. Zijn ogen volgen me wel maar er komt een floers over. Ik bied hem geen kracht. Dat heb ik hem nooit gegeven. Ik vernietig hem. ‘Het is niet jouw schuld, Chris. Dat is het ook nooit geweest. Begrijp dat alsjeblieft.’…”. Als Chris na een wanhopige uitbarsting zijn tranen met een theedoek heeft afgeveegd, zet hij zijn helm op, snoert de riem vast en kijkt op: “… ‘Was je echt gek?’ Waarom zou hij dat vragen? Néé! Grote verbijstering. Maar Chris’ ogen stralen. ‘Dat wist ik wel,’ zegt hij. Dan klautert hij achterop en we rijden weg…”. Pirsig: “… Aan beproevingen komt natuurlijk nooit een einde. Ongeluk en droefheid zullen bestaan zolang mensen leven, maar er is nu een gevoel dat er niet eerder was, en het ligt niet alleen aan de oppervlakte van alle dingen, het dringt tot in het diepste door: we hebben gewonnen…”. 

 

Uitgave: Prometheus – 2022, vertaling Ronald Jonkers, 512 blz., ISBN 978 904 465 164 5, €25,-

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier