Menu

dinsdag 18 mei 2021

Bij ons in Auschwitz – Arnon Grunberg

 


Subtitel: Getuigenissen

 

Het interview van Tijs van den Brink met Arnon Grunberg op j.l. maandag 12 april voor het eo-programma ‘Adieu God’ maakte diepe indruk op mij. Vorig jaar januari, de zevenentwintigste, was het 75 jaar geleden dat kamp Auschwitz werd bevrijd. Grunberg stelde vanwege dit feit een bundel met Auschwitz-verhalen samen. In zijn essay dat aan de bloemlezing voorafgaat, betoogt Arnon Grunberg dat de poging van de nazi’s om een heel volk te vernietigen erfgoed is dat onze cultuur en ons mensbeeld drastisch heeft gewijzigd. Het is een vrij moeilijke tekst, waarin hij diep in gaat op de literaire kant van kampverhalen. “… Deze genocide wordt vaak het onbeschrijflijke genoemd, het onvoorstelbare, het onzegbare; geen wonder dat de bekendste begrippen waarmee deze volkerenmoord wordt aangeduid, Holocaust en Shoah, religieuze termen zijn. De kerkvaders gebruikten het woord ‘holocaustum’ vooral om offers van de Joden mee aan te duiden en ‘shoa’ wordt in Jesaja 10:3 genoemd als verwoesting, catastrofe, de dag van vergelding. In het ene geval is het dus een offer aan God, in het andere een straf van God; beide woorden lijken bedoeld om het feit dat we hier met mensenwerk te maken hebben, van mensen voor mensen, aan het zicht te onttrekken…”. Kunnen we wel woorden vinden om Auschwitz te omschrijven? Verstommen we niet bij zoveel gruwel? Veel slachtoffers hebben gedacht dat de mensen het niet zouden geloven als ze vertelden wat ze hadden gezien en meegemaakt. Misschien is Auschwitz zo grotesk dat het ons begrip te boven gaat, maar Auschwitz heeft wél bestaan en bestaat nog stééds. Auschwitz hing – wie weet hoe lang al – in de lucht… Wij zijn post-Auschwitz-mensen. Daar zullen we mee moeten leren leven. Auschwitz is niet de maatstaf voor de mens. Onder zulke extreme omstandigheden als in Auschwitz kun je niet verwachten dat de beschaving overeind blijft. Maar de beschaving heeft Auschwitz wél voortgebracht en kan Auschwitz opnieuw baren. Auschwitz is een permanente mogelijkheid. Grunberg: het leven is geen bezigheid van heiligen. Auschwitz-overlevende en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel stelde ooit dat de lezer al lezend een getuige moet worden. Voor Zalmen Gradowski, lid van het Sonderkommando in Auschwitz, is de ultieme wraak dat iedereen weet heeft van de hel die de nazi’s hebben proberen te verdonkeremanen. We moeten het ongehoorde van de daken schreeuwen! Dan is er nog een slag te maken: één op de twintig Europeanen heeft namelijk nooit van de Holocaust gehoord…

 

Helicopterview

De Italiaanse schrijver Primo Levi stelt dat de overlevenden, waaronder hijzelf, een niet-representatieve minderheid zijn: “… we zijn degenen die door misbruik of handigheid of geluk het ergste niet hebben gekend…”. Levi over de Joden die uitgekozen werden om met de nazi’s te collaboteren en het ‘smerige werk’ te doen: “… Het bedenken en realiseren van de Sonderkommando’s is de meest demonische misdaad van het natinaalsocialisme geweest…”.  Werkploegen, bestaand uit Joden die de lichamen uit de gaskamers moesten verwijderen, de lijken naar de crematoria moesten vervoeren, en het goud uit de gebitten van de vermoorde Joden moesten trekken. In ruil daarvoor kregen ze beter voedsel en andere privileges dan de rest van de kampbewoners. Een ‘medeplichtigheid’ die met de ergste terreur werd afgedwongen. Na een paar maanden werden ze vrijwel altijd vermoord, om praatjes voor te zijn en sporen te wissen. “… Door middel van dit instituut probeerde men op anderen, en wel op de slachtoffers zelf, de last van de schuld af te wentelen, om hun zelfs de troost zich onschuldig te weten te ontnemen…”. Op hen ligt in dit boek de nadruk. Het is verre van ons, buitenstaanders, een oordeel over hen te vellen, stelt Gunberg. Lijfsbehoud is een instinct dat vóór alles gaat. De bewakers in het kamp, kapo’s, waren vaak (zorgvuldig uitgezochte) beroepscriminelen dan wel politieke gevangenen. De opslagruimte waar de kleding en andere eigendommen van de slachtoffers terecht kwam werd ‘Canada’ genoemd. Evenals er vier evangelisten zijn die vanuit vier verschillende perspectieven het optreden van Jezus beschrijven, laat Gunberg ook de teksten van verschillende schrijvers over een en hetzelfde onderwerp de revue passeren. Op die manier ontstaat er een soort van helicopterview.   

 

Aankomst

Het eerste deel gaat over de aankomst van de slachtoffers. In “Hierheen naar de gaskamers, dames en heren” beschrijft Tadeusz  Borowski hoe hij, omdat er te weinig mensen zijn, de gelegenheid krijgt met een Canada-ploeg het transport betreffende de binnenkomende treinen te begeleiden. Het ergste wat hij ziet is misschien wel hoe een panische moeder doet alsof een snikkend kind, dat achter haar aanloopt, niet van haar is. Grunberg heeft het daar ook over in het voornoemde interview. We hebben (gelukkig) geen idee waartoe we in doodsnood gedreven kunnen worden. Elie Wiesel beschrijft in “Nacht” zijn ontsteltenis als hij bij aankomst in Auschwitz geconfronteerd wordt met de dood: “… Niet ver van ons stegen vlammen, reusachtige vlammen, op uit een grote kuil. Er werd iets in verbrand. Er reed een vrachtwagen naar het gat die zijn lading erin stortte: het waren kleine kinderen. Baby’s! Ja, dat zag ik, met mijn eigen ogen… Kinderen in de vlammen. (Is het gek dat de slaap mij sindsdien ontvlucht?)…”. Hij is dan vijftien jaar. “… Iemand begon de kaddisj, het gebed voor de doden, op te zeggen. Ik weet niet of het ooit eerder is voorgekomen in de lange geschiedenis van het Joodse volk dat mensen het gebed voor de doden voor zichzelf opzegden…”. Wiesel: “… ‘Jigadal ve jitkadasj sjme raba… Moge Gods Naam geloofd en geheiligd worden…’ prevelde mijn vader. Voor het eerst voelde ik woede in me opwellen. Waarom moest ik Zijn Naam heiligen? De Almachtige, Eeuwige en Verschrikkelijke Heer der Schepping zweeg, waarvoor zou ik Hem dankbaar zijn?...”. Filip Müller vertelt in “Sonderbehandlung. Drei Jahre in den Krematorien und Gaskammern von Auschwitz” hoe een groep Joden gerustgesteld en nietsvermoedend de gaskamer in loopt, in de veronderstelling dat het douches zijn. “… De dienstdoende ss-onderofficieren hadden zich inmiddels naar het platte dak van het crematorium begeven, van waaraf de ss-leider de menigte had toegesproken. Van zes gecamoufleerde openingen haalden ze het deksel af en schudden, beschermd door gasmaskers, de groenblauwe kristallen van het Zyklon B-gas de gaskamer in. Nu werden de motoren van de vrachtwagens die nog altijd in de buurt stonden, aangezet. Het lawaai dat ze maakten moest verhinderen dat men in het kamp het geschreeuw van de stervenden in de gaskamer en hun gebonk op de deuren kon horen…”. De prelude voor de Endlösung was al lang daarvoor ingezet. In augustus 1941 waren 70.273 verstandelijk gehandicapte personen in Duitsland gedood, het merendeel door vergassing, eufemistisch aangeduid met ‘Gnadentod’. “… De familieleden kregen een brief dat ‘alle inspanningen van de artsen om de patiënt in leven te houden helaas vergeefs waren geweest.’ Het lijk was ‘overeenkomstig de politievoorschriften’ al verbrand…”. Deze grootschalige vorm van euthanasie riep wat protesten op van kerken en enkele familieleden, maar de meeste nabestaanden accepteerden de ‘verdwijning’ van hun dierbaren stilzwijgend. Hannelore Grünberg-Klein (de moeder van Arnon Grunberg), schrijfster van “Zolang er nog tranen zijn”: “… Onze zorgen wat wij bij menstruatie zonder verband moesten doen, waren overbodig geweest. De allesoverheersende angsten veroorzaakten bij ons allemaal het constante wegblijven van de periode. De ondervoeding was er ook een oorzaak van…”.

 

Bed, straf en selectie

Het tweede deel. Tadeusz Borowski, student literatuurgeschiedenis, had de mazzel uitgekozen te worden voor een verplegerscursus: “… Verrukkelijke dagen: geen appèls, geen plichten…”. Hij vertelt over ‘de puff’, een bordeel. Tien vrouwen voor duizend mannen (kampprominenten natuurlijk). Over wat hij noemt de ‘vrouwenpsychose’: “… Het hele kamp spreekt, wanneer het gegeten en uitgeslapen is, alleen over vrouwen, het hele kamp droomt van vrouwen, het hele kamp zit achter de vrouwen aan…”.  Ergens anders zijn er ook nog vrouwen: “… in blok 10, het proefblok. Daar worden ze kunstmatig bevrucht (zegt men), met tyfus en malaria besmet en er worden chirurgische ingrepen uitgevoerd. De man die dit werk leidt, heb ik vluchtig gezien: hij droeg een groen jagerspak, een Tiroler hoed vol sportinsignes en hij had het gezicht van een goedmoedige sater. Hij schijnt professor aan de universiteit te zijn. De vrouwen zijn beschermd met tralies en planken, maar toch gebeurt het vaak dat men inbreekt en ze verre van kunstmatig bevrucht. De oude professor moet dan ziedend zijn…”. Hoe krijgen de nazi’s het zonder toverkunsten, zonder vergif, zonder hypnose voor elkaar duizenden mensen zonder protest of verzet  de gaskamers in te sturen? “… dat is mystiek. Het is een vreemde bezetenheid van de mens door de mens. Het is een wilde passiviteit, die door niets te breken is…”. Het komt door de hoop, volgens Borowski. Nog nooit heeft de hoop zoveel kwaad aangericht: “… Juist die hoop gebiedt de mensen apathisch de gaskamer binnen te gaan, geen opstand te riskeren, die hoop doet mensen verstarren, verbreekt de familiebanden, doet moeders haar kinderen verloochenen, doet vrouwen zichzelf verkopen voor brood en doet mannen anderen doden…”. Hij luistert naar de verhalen over monsterachtig ontwikkelde marteltechnieken: “… kilometers kopjeduikelen zoals in Sachsenhausen, urenlang over de grond rollen, honderden kniebuigingen maken, dagen en nachten achter elkaar op dezelfde plaats staan, maandenlang in een betonnen doodskist zitten, in een bunker, aan de handen vastgebonden aan een paal hangen of aan een stang tussen twee stoelen in, springen als een kikker en kruipen als een slang, emmers water drinken totdat men erin stikt, geslagen worden door duizenden verschillende zwepen en stokken, door duizenden verschillende mensen…”. Dat dit gebeurd is mag nóóit vergeten worden. Over de dwangarbeid: “… We leggen de grondslagen van een nieuwe, monsterachtige civilisatie. Eerst nu heb ik de waarde van de oudheid ontdekt. Wat een beestachtige misdaad zijn de Egyptische piramiden, de tempels en de Griekse standbeelden! Hoeveel bloed moet er zijn gevloeid over de Romeinse wegen, de grenswallen en de gebouwen in de steden! Die oudheid, die een reusachtig groot concentratiekamp was, waar de slaven het eigendomsteken op het voorhoofd werd gebrand en waar vluchten werd gestraft met kruisiging. Die oudheid, die een grote samenzwering van de vrijen tegen de slaven was!...”. De dichters, advocaten, filosofen en priesters? Plato? Cicero? Laat met niet lachen! Ik moet vanzelf denken aan het dodenstadion van Qatar waar tijdens het WK van 2022 onze ‘godenzonen’ zich ongetwijfeld weer de hemel in zullen voetballen. Een herinnering: “… Eens marcheerden wij in commando’s naar het kamp. Het orkest speelde en gaf de maat aan. Toen kwam het DAW en tientallen andere commando’s, die voor de poort bleven wachten: tienduizend mannen. En toen kwamen er uit het vrouwenkamp vrachtauto’s vol naakte vrouwen. De vrouwen strekten hun armen uit en schreeuwden: ‘Red ons! We gaan naar de gaskamer! Red ons!’ En zij reden ons voorbij onder het diepste zwijgen van de tienduizend mannen…”.

 

Sonderkommando

Het derde deel. Degenen die zich verzet hebben tegen een aanstelling in een Sonderkommando - de ‘aasvogels van het crematorium’ - zijn allemaal vergast. Eén Sonderkommando heeft crematorium III in de lucht laten vliegen en de strijd aangebonden met de ss. Geen van hen heeft het overleefd. Elke aanstelling was een rigide of-of: onmiddellijke gehoorzaamheid of de dood. Sommige personen hebben hun aantekeningen begraven in de grond van Auschwitz. Iemand beschrijft dat hun Sonderkommando zoveel mogelijk tanden van de slachtoffers over het terrein heeft verspreid zodat de wereld later tastbare bewijzen zal kunnen vinden van de miljoenen mensen die er zijn vermoord. Ze hebben grote ashopen opgegraven teneinde de as in de lucht te verspreiden dan wel in het water van de Weichsel te laten wegstromen om sporen te wissen. Zalmen Gradowski, schrijver van “In het hart van de hel”: “… Deze zwarte nacht is mijn vriend, de gil en de snik zijn mijn lied, het vuur van de verbrande slachtoffers is mijn licht, de geur van de dood mijn aroma: de hel is mijn huis…”. Niet iedereen is lijdzaam de doodsfabrieken ingegaan. Er is een vrouw geweest die haar van bloed druipende, dode kind in het gezicht van de moordenaar heeft gesmeten. Er is een vrouw geweest die een pistool van een ss-er heeft weten te ontfutselen en hem dood heeft geschoten. Er is een vrouw geweest die een bewaker in het gezicht heeft geslagen. Er zijn diverse vrouwen geweest die hun mond hebben opengetrokken en hun beulen een ergere dood dan die van hen hebben toegewenst. Er zijn groepen geweest die al zingend - de Internationale, het Hatikvah-lied – de dood tegemoet traden. Er waren dappere rebbes’s die met hun woorden de mensen die naar de slachtbank werden gedreven in heilige vervoering wisten te brengen.

 

Schuld, schaamte wrok en verlangen

Het vierde en laatste deel. Jean Améry schrijft in “Schuld en boete voorbij. Verwerking van een onverwerkt verleden” dat Jood-zijn voor hem maar één ding betekent: blootstaan aan de dood. Hij heeft moeite zijn waardigheid te hervinden. Zijn sociale onrust. Zijn angst. Vervreemding: “… Wat zou er niet gebeuren als de Arabische landen, die tegenwoordig door Oost en West met wapenleveringen worden gesteund, het kleine Israël onder de voet liepen?...”. Dat zijn bezorgdheid meer dan terecht is, bewijst de situatie heden ten dage. Ik heb op tv de spandoeken met 'fuck de Joden, verkracht de dochters ' alweer voorbij zien komen. In een Europese hoofdstad welteverstaan. Joodse gemeenschappen kunnen hun borst nat maken, schrijft columniste Kitty Herweijer in De Telegraaf. Volgens Sartre is antisemitisme geen mening maar een bereidheid tot genocide. “… Als overlevenden en gevluchten naar Frankrijk terugkeerden en hun woningen opeisten, kwam het voor dat eenvoudige huismoeders met een rare mengeling van spijt en voldoening zeiden: ‘Wel, wel! Daar zijn ze weer. Ze hebben ze ginds dus toch niet allemáál van kant gemaakt.’ Zelfs in landen als Nederland, die voorheen zo goed als geen antisemitisme gekend hadden, ontstond als overblijfsel van de Duitse propaganda plots een ‘Jodenprobleem’. Terwijl er nog nauwelijks Joden woonden. Engeland ontzegde in zijn mandaatgebied Palestina de toegang aan Joden uit de kampen en gevangenissen die wilden immigreren. Binnen de kortste keren moest ik toegeven dat er bitter weinig was veranderd en dat ik een terdoodveroordeelde bleef, weliswaar met uitstel van executie, ook al hield de potentiële beul zich gedeisd of verkondigde hij luidkeels zijn heilige verontwaardiging over wat gebeurd was…”. Hij vat Jood-zijn op als een ‘natuurramp’. De Franse filosoof Robert Misrahi in zijn boek “La condition réflexive de l’homme juif”: “… De nazi-catastrofe is voortaan de absolute en radicale referentie voor iedere Jood…”. Dat is ongetwijfeld waar, zegt Améry, maar alleen de slachtoffers kunnen deze rampzalige gebeurtenis echt voelen en doordénken. De rest zijn blinden die het over kleuren hebben. M.S. Arnoni, schrijver van “Moeder was niet thuis voor haar begrafenis”: “… We hebben eigenlijk geen sociologen, antropologen en psychologen nodig om ons aan het verstand te brengen hoe de mens en de mensheid zijn. Alles wat deze wetenschappers gedaan hebben is het leveren van een terminologie, een systeem van etiketten dat het meer dan gemakkelijk maakt het terrein snel en eenvoudig te overzien, een snelheid en eenvoud die met de authenciteit betaald wordt (een waarheid is een koe: zie de falende jeugdzorg). Het ware portret is echter meer dan driedimensionaal. Hier staat het voor ons en verraadt waar we echt toe in staat zijn en toe neigen, in heden en verleden: de mens en het mensdom is de diersoort die het plan voor de Holocaust gemaakt heeft en uitgevoerd, of er getuige van geweest is en hem heeft laten plaatsvinden. Een wetenschappelijker onderzoeksresultaat zal lang op zich laten wachten, niettegenstaande ambitieuze beweringen over knappe semantische formules en definities…”.

 

Uitgave: Querido – 2020, 496 blz., ISBN 978 902 142 004 2, 24,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 14 mei 2021

De brief voor de koning – Tonke Dragt

 


Per jaar verlaat een groeiende groep van ongeveer 3.500 leerlingen de basisschool met onvoldoende taalvaardigheid. En dát terwijl alle kinderen kunnen leren lezen, als er maar voldoende aandacht aan wordt besteed. Zo'n 18 procent is laaggeletterd op 14-jarige leeftijd. Daarom heeft de leesbevorderingscampagne ‘Geef een boek cadeau’ als missie om alle kinderen in Nederland en Vlaanderen te laten opgroeien tussen de mooiste boeken uit de jeugdliteratuur. Boekhandels en diverse landelijke organisaties bundelen hun krachten om elk jaar een jeugd- en een prentenboek klassieker op een toegankelijke manier beschikbaar te maken. Het jeugdboek van 2021 is “De brief voor de koning” uit 1962 van Tonke Dragt (Djakarta, 1930). Voor maar 3,50 verkrijgbaar in iedere gerenommeerde boekhandel.

 

Wie leven zoekt gaat alleen

Tonke Dragt heeft mijn leven gered. Toen ik jong was had ik last van depressies, waar ik op de een of andere manier helemaal overheen ben gegroeid. Ik weet nog dat ik tijdens zo’n zwarte periode in bed “De zevensprong” las. Ik belandde erdoor in een andere wereld, en het besef dat dat mogelijk was, dat je kon switchen tussen de rotwereld waarin je leeft en een gelukkiger wereld die je zelf kon creëren,  heeft me nooit meer verlaten. Je hebt altijd een keuze, stelt concentratiekampoverlevende Edith Eger. Van de week las ik een oud boek van prof. dr. J.H. van den Berg, een psychiater, over “De reflex” (1973). Daarin zet hij de massamens, de ‘spinale’ mens, die ‘denkt met zijn ruggenmerg’ en daardoor reflexmatig, als een robot, op een manier zoals je automatisch auto rijdt, willoos  reageert op de buitenwereld, af, tegen de individualist die een ‘binnen’ kent: “… Sinds de overweldiging van het eeuwenoud binnen is de mensheid thuisloos. Ze zwerft rond. Sjokt voort. Welnee, ze rijdt. Ze snelt heen op het brede pad van de spinale vehikels. Verlaat dit pad, tijdgenoot. Het kan nog. Kies een ander pad. Het is niet te laat. Kies het pad, dat te smal is voor een spinale massa. Alleen moet men gaan, getweeën, gedrieën. Slechts in een kleine groep, of in eenzaamheid, is leven te vinden. Aan de kleine groep, aan de enkeling, openbaart dit bestaan zijn bezit, zijn bestemming. In het gaan van de massa is geen richting te onderscheiden. De massa verplaatst zich onder elkaar. Wie leven zoekt gaat alleen. Hij verlaat de brede weg, die naar het verderf voert, en kiest het smalle, ongeplaveide pad, dat bij elke stap aandacht vraagt…”. Zie Ferdinand Céline die in “Reis naar het einde van de nacht” vertelt hoe hij zélf een machine werd, aan een lopende band van de Fordfabrieken in Detroit. Zie Lale Gül in mijn vorige blog. Dat gaat toch allemaal over hetzelfde? Volg je hart! Vind je ‘zelf’! En dat in een wereld waarin de wetenschap ontkent dat je ook maar iets als een ‘kern’, een ‘ziel’ of hoe je het dan ook maar mag noemen, bezit. Zie “Wij zijn ons brein”. Zie Franca Treur in “Hoor nu mijn stem”: “… ik geloof helemaal niet in een authentieke kern. Ik weet niet eens waar mijn navel zit, en het kan me ook niks schelen. Vergeef me dat ik klink als een socioloog, maar we zijn alleen iemand in onze relatie tot anderen. Het is niet anders…”. Waarschijnlijk is het geen kwestie van of/of, maar en/en. ‘Wij  moeten een zelf worden, al is het maar een klein zelf’ schreef de legendarische schrijfster Carry van Bruggen ooit. Hoe belangrijk een en ander is benadrukte de Duitse bondskanselier Angela Merkel maar weer eens tijdens een videoverbinding met jonge Nederlanders op 5 mei, waarin ze hen op het hart bond mensen te zien als individu en niet als lid van een groep met vaste eigenschappen. Tonke Dragt, zélf een individualist bij uitstek, laat in “De brief voor de koning” als geen ander zien hoe dat gaat: tegen alles in trouw blijven aan je ‘zelf’.

 

Befehl ist Befehl?

Het  verhaal. Vijf aspirant-ridders doorstaan in het holst van de nacht hun laatste proef in een kleine kapel: “… Daar liggen hun zwaarden voor het altaar, en zijzelf, in witte gewaden gekleed, knielen neer en bezinnen zich op de grote taak die voor hen ligt. Ze nemen zich voor als Dagonauts ridders hun koning trouw te dienen; en zijn rijk, dat hun vaderland is. Ze beloven zichzelf altijd eerlijk en behulpzaam te zijn, en te strijden voor wat goed is. De hele nacht moeten ze waken en denken, en bidden om kracht voor hun taak. Ze mogen niet slapen of praten, en niet luisteren naar een stem uit de buitenwereld, totdat ze om zeven uur in de morgen door een afvaardiging van ridders worden gehaald om voor de koning geleid te worden…”. De jongste onder hen is pas zestien: Tiuri. Plotseling wordt er geklopt. De knapen verroeren zich niet. Is het een valstrik? Dan hoort Tiuri nagels tegen een raam krassen, vlak bij hem, en een stem die zacht smeekt: “… In Gods naam, doe de deur open!...”. Tiuri ontbrandt in hevige tweestrijd: “… Hij mocht de deur niet openen… maar als hij nu eens mens was die in nood verkeerde, een vluchteling die een vrijplaats zocht?...”. Een ridder is toch verplicht ieder mens die in de knoei zit te helpen? Wat zou jij doen? Tiuri’s hart wint het van zijn verstand. Hij sluipt in het donker naar buiten waar een oude man met een kap over zijn hoofd een geheime brief aan hem kwijt wil, bestemd voor de Zwarte Ridder met het Witte Schild, die in een herberg drie uur gaans vertoeft. Het welzijn van een koninkrijk hangt er van af. De man is uitgeput. Zijn vijanden zitten hem op de hielen. Tiuri loopt niet in de gaten. Niemand kent hem. Hij is dapper, anders zou hij de ridderslag niet waardig zijn. Alsjeblieft?! Het is tegen Tiuri’s riddereer te weigeren. De onbekende geeft hem een wachtwoord en vertelt waar een paard klaar staat.

 

Dingen die sluipen en slopen

Na een wilde rit, op een gestolen paard zoals later blijkt, en de nodige actie vindt Tiuri de Zwarte Ridder met het Witte Schild. En wel dodelijk gewond op de grond in het bos. Voor hij sterft vraagt de ridder aan Tiuri of hij zélf de brief naar zijn bestemming wil brengen: koning Unauwen, in het buurland aan de andere kant van het Grote Gebergte. Als bewijs dat Tiuri zijn bode is, geeft de ridder hem zijn ring. Diep bedroefd kijkt Tiuri toe hoe de ridder zijn laatste adem uitblaast: “…Toen verborg hij zijn gezicht in zijn handen en bad voor diens ziel…”. Dan begint zijn queeste. Het bos wemelt van de belagers van de Zwarte Ridder met het Witte Schild: de Rode Ruiters. Tiuri weet ternauwernood uit hun handen te blijven. Onderweg wordt hij vriendjes met het prachtige ros van de Zwarte Ridder met het Witte Schild. Op zijn rug maakt hij de nodige kilometers, tot hij scheel ziet. Zijn dorst lest hij met water uit heldere beekjes. Zijn honger met appels en bessen. ’s Nachts rolt hij zich in een deken, dat hij onder het zadel vindt, om te slapen. De raarste types komt Tiuri tegen. Zie de ‘Dwaas van de Boshut’, met zijn merkwaardige praatjes, die voedsel voor hem jat uit de voorraadkast van zijn moeder en ‘voelt dat er dingen sluipen en slopen’. “… Ik denk niet, ik denk niet, zeggen ze – daarom ben ik een Dwaas. Maar ik wéét… ik weet een heleboel wat niemand wil weten…”. De Dwaas waarschuwt hem niet van de ‘donkere poel’ te drinken, want ‘die is alleen van de bosgeesten’. Hij leert Tiuri welke planten eetbare wortels hebben. Tiuri rijdt verder en verder. “… Langzamerhand werd het terrein heuvelachtiger en woester. De bomen groeiden grilliger en het onderhout was dichter. Tiuri zag varens zo groot als mensen en kronkelige klimplanten die als gordijnen van de takken naar beneden hingen…”.

 

Ik kan jullie alleen helpen met zoeken; je zult het zelf moeten vinden

Tiuri wordt overvallen door een roversbende die hem zijn prachtige paard afneemt. In een grot luistert hij een troep grauwgrijze ridders af. Ze hebben het ook al op hem gemunt. De hele wereld lijkt tegen hem. Waarom? Hij stuit op een paar monniken die hem een vrijplaats aanbieden in hun klooster. Hij vraagt de abt om zijn zegen. Deze legt zijn hand op Tiuri’s hoofd: “… ‘Moge God je bijstaan, mijn zoon,’ zei hij, ‘op je verre, moeilijke reis.’…”. Na een goed maal en een flinke nachtrust trekt Tiuri, gecamoufleerd als pelgrim in een bruine pij,  gesterkt en vrolijk verder. Soms rijdt hij een eindje mee op de hooiwagen van een vriendelijke boer. Zijn beproevingen zijn nog lang niet ten einde. Hij wordt gevangengezet in een kasteel. Een schone jonkvrouw - jazeker - helpt hem mede uit de penarie. Hij sluit zich een tijdje aan bij een troep zwervende ridders. Waarom heeft een gluiperige knecht in een herberg zoveel belangstelling voor hen? Tijdens een afgeslagen overval raakt hij licht gewond. Uiteindelijk trekt hij weer alleen en  te voet richting de bergen. Eindelijk doemen ze op. In een rotswand onder een kruisbeeld: “… Gij, pelgrim, klimmend naar de hoogten, moge Gods liefde u vergezellen, en bid voor ons die in de dalen zijn…”. Goden verblijven altijd op bergen: zie de Olympus en de Sinaï. Met gevaar voor eigen leven redt Tiuri een eigenaardige medepelgrim, die struikelt en bijna in een kloof stort. Ze stuiten ze op de hut van een heremiet: “… ‘En wat brengt jullie hier?’ vroeg de kluizenaar. ‘Wat zoeken jullie? Iets dat ik je moet geven? Ik kan jullie alleen helpen met zoeken; je zult het zelf moeten vinden’...”. De kluizenaar wéét niets, maar vermoedt veel.

 

Bang zo slecht te worden als hij

De heremiet regelt een gids voor de reizigers die de bergen op zijn duimpje kent: een veertienjarig schaapherdertje. De eigenaardige medepelgrim neemt al snel afscheid. Hij blijkt een spion te zijn die het niet over zijn hart kan krijgen Tiuri nog langer kwaad te bejegenen. Voor hij verdwijnt, waarschuwt hij voor de duivel zelve: Slupor. “… Hoe hij eruitziet? Niet groot, niet klein, niet oud, niet jong, blond nog donker… Alleen zijn ogen kunnen hem verraden; die zijn vals als een slang… ja, soms waren we bang dat we net zo slecht zouden worden als hij!...”. Met de jonge schaapherder trekt Tiuri over de bergen. Ze doorstaan immense kou, mist, ijzel, een sneeuwjacht. Ze slapen in een grot en trotseren een gletsjer. De gevaren verdiepen hun vriendschap en al gauw ziet de schaapherder zichzelf als de schildknaap van Tiuri. Hij wijkt geen moment van zijn zijde en wil niet over naar huis gaan weten. Als ze aan de overkant van de bergen in een stad terechtkomen waar een vijandige burgemeester hen gevangen neemt, weet Tiuri niets beters te verzinnen dan de tekst van de brief in zijn hoofd te stampen, en de brief zelf te verbranden. Dat valt nog niet mee, want de woorden staan in geheimschrift. Hij kan er niets mee. Hij leert ze ook aan de herdersjongen, zodat als hem wat overkomt in ieder geval nog iemand de boodschap kent. De herdersjongen verzint als een ware minstreel een wijsje waarop  ze de tekst kunnen neuriën. Dat helpt tegen het vergeten. Steeds weer staan ze voor schier eindeloze moeilijkheden en uitdagingen. Ze lijden schipbreuk. Ze moeten over een brug zien te komen waarvoor ze drie goudstukken als tol moeten betalen, terwijl ze platzak zijn. Ze komen aan in streken waar duidelijk iets broeit, raken verzeild in een moordzaak en krijgen het aan de stok met een klagende bedelaar.

 

Je hoeft geen schild en zwaard te dragen om ridder te zijn

Persoonlijk vind ik een van de intrigerendste figuren in het boek de nar van koning Unauwen: “… de dwaasheid die de wijsheid dient…”. Midden op een plein met veel mensen om zich heen: “… Hij zong voor hen, en bewoog daarbij zijn hoofd en handen zó, dat de bellen aan zijn kap en handschoenen een begeleiding klingelden bij zijn lied…”. Zie ook de schitterende nar van Herodus in “Het kindeken Jezus in Vlaanderen” van Felix Timmermans. “… Hij kon de mensen opvrolijken als ze bedroefd waren, en dat was iets waar niet velen toe in staat waren…”. Even verder: “… ‘Ik kan gedachten lezen,’ zei de nar. ‘Pas maar op voor mij; ik ben gevaarlijk.’…”. In zijn rede tegen de ridders die ten strijde trekken tegen het kwaad: “… Als u maar onthoudt dat u, als u tegen het kwaad vecht, zelf nog niet ‘goed’ bent! Goed en kwaad zijn elkaars vijanden, maar ze kunnen dicht bij elkaar liggen…”. In het werk van Tonke Dragt wemelt het van tweezijdigheid: ik en mijn schaduw. Ze zegt dat ze geobsedeerd is door tweelingen. Welke wapens denkt de nar mee te nemen in de strijd, vraagt een ridder spottend. Een ander ernstig: “… ‘Zijn narrenstok om ons op de vingers te tikken,’ zei Marwen van Iduma, ‘en zijn narrenpraat om ons voor hoogmoed te bewaren.’…”. Ook de herdersjongen raakt in een enorm dilemma: zal hij na gedane zaken in de bergen blijven of met Tiuri meegaan het avontuur tegemoet? Eigenlijk is hij heel modern. Ooit hoorde ik een filosoof uitleggen hoe in de ontwikkeling van de mensheid het punt kwam waarin deze zijn uiterlijke conflicten leerde verleggen naar innerlijke. Zie de verlichte moslims die de jihad zien als een ‘geestelijke’ strijd. Dat is precies de les die Tonke Dragt haar jonge lezers meegeeft. Iedereen levert een strijd tussen de goede en kwade machten in zijn leven: “… Je hoeft geen schild en zwaard te dragen om ridder te zijn…”.

 

Uitgave: Leopold – 2015, 456 blz., ISBN 978 902 586 844 4, normale prijs  € 10,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 4 mei 2021

Ik ga leven - Lale Gül

 


Lale Gül (1997, Kolenkitbuurt, Amsterdam) heeft heel wat pennen in beweging en tongen in beroering gebracht met haar autobiografische debuut over haar ontworsteling aan een ultraconservatief islamitisch milieu. Het is een imponerend verhaal over een puber die de strijd aanbindt met een autoritaire, door haar geloof geobsedeerde moeder. Ik vond het bepaald verrassend dat niet haar vader, maar haar moeder thuis de broek aan heeft, omdat Gül de islam waarmee zij is opgegroeid neerzet als een bij uitstek patriarchale religie, die zo’n beetje draait om de verering van de fallus. Als twee zulke sterke persoonlijkheden als moeder en dochter Gül zich van elkaar gaan losmaken kun je er vergif op innemen dat de knetterende ruzies niet van de lucht zijn. Ik heb me rot gelachen, maar was ook gechoqueerd. Hoe kun je het nu van meet af aan over je ouders hebben als ‘mijn verwekkers’; of is dat standaard taal binnen de moslimgemeenschap? Ik heb geen idee. Ik ben er niet mee bekend. Lale Gül scheldt haar strenge moeder voortdurend uit voor ‘karbonkel’, ‘kakkerlak’, ‘droogstoppel’, ‘hofmaarschalk’, ‘zeverzak’, ‘takkewijf’, ‘potentaat’ en weet ik wat allemaal, dus dat haar familie op z’n achterste benen staat na verschijning van het boek, vind ik persoonlijk niet zo verwonderlijk. De mijne zou ook niet blij zijn. Al gaan doodsbedreigingen natuurlijk weer veel te ver. De waarheid is dat haar gulle moeder, aan de andere kant, haar laatste broodje aan je zou geven als je zonder zit, om vervolgens zelf honger te lijden. Dat moet dochterlief toegeven. Gül: “… De sterkste haat is de haat die ooit liefde was. De sterkste haat is ontgoochelde liefde…”. Een waarschuwing vooraf: wie zich stoort aan vloeken en seks in boeken kan “Ik ga leven” maar beter dicht laten.

 

Een ‘arm, ingebakerd kind’

In mijn vorige blog schreef ik over de opkomst van het Greta Thurnberg-archetype in de literatuur. Zie bijvoorbeeld het Asterix-album “De dochter van de veldheer”. Of Lisbeth Salander in de "Millennium-trilogie" van Stieg Larsson. Woedende, superintelligente en vaak bloedirritante meiden die zich niet ontslaan “… van de morele plicht om alles met macht te krenken en met enige regelmaat te provoceren…” (voor alle duidelijkheid: I love them!). Daar reken ik Lale Gül, alias Büsra, zeker toe. Verder fascineert het mij mateloos hoe vrouwen van mijn leeftijd, zoals de moeder van Büsra, rücksichtlos vast blijven houden aan overduidelijk achterhaalde en totaal niet meer ter zake doende principes. Onvermurwbaar en meedogenloos als het moet. In de bevindelijk gereformeerde wereld, waar ik uit stam, wemelt het ook van dergelijke types. Redeloze schepsels die van geen wijken willen weten en waarmee niet valt te praten. Zie Lisette Thooft die in haar bijzonder onderhoudende “De onverzadigbare vrouw (en de afwezige man)” schrijft dat het de vrouwen zijn die in China tot voor kort de voetjes van meisjes inbonden en in Afrika de vrouwenbesnijdenis in stand houden. Vrouwen als hoedsters van de traditie. Ze doen me denken aan de Bijbelse vrouw van Lot, die omkeek en terstond veranderde in een zoutpilaar. Lale Gül begint haar verhaal met een aantal citaten van wie ik deze, van Multatuli, wel een hele mooie vind: “…  Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zo’n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt… als ze, heel onderworpen, haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed… als ze behoor-lijk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven – dat noemen de zeden braaf! – dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zoveel braafheid, door ’n aanstelling tot opzichtster over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!...”. Tsja; zo gaat dat soms.

 

Jeugdcultuur

Büsra brengt elk vrij weekend tussen haar zesde en zeventiende op de Koranschool van de stichting Mili Görüş door. Ze weet dus waar ze het over heeft. Volgens Büsra is de jeugdcultuur binnen de Turkse islam een profane, materiële en oppervlakkige hiphopcultuur die niets meer te maken heeft met het geloof. “… De jeugd luistert naar drillrap van kleurgenoten als de onvolprezen Boef en Lijpe, die een agressief, promiscue, crimineel en nihilistisch bestaan prediken. Dat wordt bij het rappen samengebracht met speerpunten uit de geloofsleer, dat is al helemaal een giftige melange die mijn bevattingsvermogen te boven gaat, aangezien de leer überhaupt muziek verbiedt…”. De allerergsten zijn degenen die de leer combineren met het bewieroken van straatcultuur en criminaliteit en daarmee een soort gangsterislam aanhangen. Sommige kinderen lopen rond in de meest onbetaalbare merkkleding terwijl hun ouders zo arm zijn als luizen. Hoe komen ze daaraan? Zelfs meiden met een hoofddoek, die nauwelijks huid blootgeven, gaan systematisch naar de zonnebank, want een lichtgetinte huid is het summum van trots. Ook ouderen zijn zo hypocriet als de neten, volgens Büsra. Vrouwen zijn verslaafd aan Turkse en Arabische dramaseries over verboden liefdes; terwijl in de praktijk Turkse vrouwen niet eens met Turkse mannen kunnen praten zonder dat ze van bijbedoelingen worden verdacht. De regels en wetten worden pragmatisch in praktijk gebracht. Transacties waarbij rente om de hoek komt kijken zijn een onvergeeflijke zonde terwijl veel moslims toch een hypotheek nemen. Kortom; de vlag dekt de lading niet meer. Hoe lang zal dat nog goed gaan, denk ik dan als westerling.

 

Individualisme

Büsra gebruikt even makkelijk de meest stuitende schuttingtaal als intellectuele quotes van bijvoorbeeld Nietzsche: “… de zekerste manier om een jongeling te bederven, is hem ertoe brengen gelijkgezinden hoger te achten dan andersdenkenden…”. Een overtuiging voedt zich immers het liefst met eenzijdigheid, aldus Büsra. Ze houdt gelukkig zielsveel van haar oma, die grommend en snoepend in bed ligt, en veel te veel met zichzelf te stellen heeft om zich hoe dan ook met wat voor religieuze voorschriften dan ook bezig te houden. Dat is fijn, want de twee zijn op elkaar aangewezen. Büsra woont namelijk bij haar in het krappe driekamerflatje tegenover dezelfde soort armetierige woonruimte van haar ouders, broer van achttien en zusje van acht. De laatste tracht ze als oude en wijze zus op te voeden aan de hand van haar eigen verlichte maatstaven. “… Verder zou ik haar bijbrengen dat het niet manhaftig was om te pesten, om baldadig, cynisch en uitlokkend te zijn, zaken waar je aanzien mee verwierf in de Marokkaanse hiphopcultuur op ‘zwarte’ scholen. Dat dat niet van bravoure maar dieptriestheid getuigde…”. Turken hebben meestal drie kinderen, vertelt ze. Marokkanen vaak een stuk of zes, en die wonen met z’n allen op dezelfde paar vierkante meters. Vandaar dat jongens hun heil op straat zoeken. “… In de bajes hebben ze meer leefruimte dan bij ons thuis. Als er visite kwam, kon je geen dwarsfluit meer spelen, dan moest je in de lengte staan…”. Gastvrijheid is een onderdeel van de cultuur waar Büsra geen boodschap aan heeft; ze haat de domme mensheid om zich heen: “… Ik heb wel wat beters te doen dan mijn tijd te verdoen met deze geborneerde rasintellectuelen die vooral hardnekkig lichtgeraakt zijn. Het tegendeel is trouwens ook waar: bij ons moslims zullen ze je reet nog afvegen als je de juiste dingen zegt, vooral als blanke….”. Büsra vertelt over het geloof in het boze oog. Van een ander, welteverstaan. Als er dingen mis gaan in je leven heb je een misgunnende mol in je omgeving. Vandaar de amuletten als de alomtegenwoordige ‘nazar boncuk’, een hanger met een blauwe, ronde tegel eraan en in het midden een stip, die een oog moet voorstellen. Marokkanen hebben een hand als symbool. Al is al dat heidense bijgeloof op de Koranschool ten strengste verboden. Je kunt je alleen voor het boze oog behoeden door Koranverzen te reciteren. Het is je geraden de ander hoe dan ook te vriend te houden. Volgens Büsra is het hedendaagse individualisme nog een brug te ver voor de moslimgemeenschap. Gelukkig is oma net zo’n kluizenaar als zij.

 

Leer en leven

Het boek is het verslag van een lange, eindeloze oorlog tussen moeder en dochter. Over de lengte van haar soepjurken die wijd genoeg moeten zijn om haar vormen te verdoezelen, te korte mouwen, geen jeans maar pantalons, te sexy kleding in de wasmand, plukken haar die uit haar hoofddoek hangen, blote voeten in teenslippers, pumps, make-up, sieraden, niet aanwezig zijn als er familie komt, werken in de avond, te veel buiten zijn, te laat thuis komen, het niet beantwoorden van appjes, en ga zo maar door. Zelfs haar tantes vinden op een gegeven moment dat haar moeder een beetje doorslaat. Het herinnert me aan de verhalen van meiden op refoscholen waar leraren de lengte van hun minirokken meten, waarin ze er trouwens honderdduizend keer schandaliger uitzien dan in welke jeans dan ook: dat hebben die heren daar in ieder geval goed in de smiezen. “… God gaat mij op de dag des oordeels vragen hoe het komt dat ik mijn dochter niet naar behoren heb opgevoed, hoe ik haar heb toegestaan de duivel achterna te trekken voor mijn ogen, wat zal dan mijn weerklank zijn?...”. Dat is exact hetzelfde argument dat een behoudende refomoeder haar kroost voorhoudt. “… Zoals Antoine Bodar zo mooi zei: ‘Er is de leer en het leven, en daar bestaat spanning tussen’…”. Zowel Büsra als haar broer zijn buitengewoon intelligente tieners die achter elkaar hun vwo-diploma halen. Terwijl hun moeder geen woordje Nederlands spreekt en hun vader - die de zich een slag in de rondte werkt met ongeschoold werk: post rondbrengen en treinen schoonmaken - slechts het hoognodige, studeert Büsra nota bene Nederlands aan de VU. Als ze geen college loopt, werkt ze bij de Albert Heijn of bij een ‘Grieks’ restaurant waarvan, zoals elk Grieks en Italiaans restaurant in de Randstad, de eigenaren Turken zijn. Als er tijd over is gaat ze naar Freek, haar ‘Germaanse’ lief, waar niemand van mag weten, want dat kan haar op excommunicatie, uithuwelijking of een enkele reis Turkije komen te staan. Moslims mogen niet met een vriendje of vriendinnetje thuis komen voor ze getrouwd zijn. De randstedelijke hotels worden rijk van de jonge moslimheren. Wat het vrijen betreft: als het maagdenvlies maar heel blijft. “… Wij moslims benaderen alles holistisch: het individu bestaat niet…”, dus een onteerd meisje betekent een onteerde familie. Vandaar dat de meisjes niets mogen, en de jongens alles. Vandaar het geklooi met nepbloed in zakjes tijdens de huwelijksnacht. Haar moeder verbood haar toen ze jong was zelfs te fietsen of tampons te gebruiken in verband met haar kwetsbare maagdelijkheid.

 

Een echte vent

Büsra heeft haar menstruatie zolang mogelijk verborgen gehouden, omdat ze vanaf dat moment een hoofddoek moest dragen, geen snoep met varkensgelatine mocht eten, moest vasten tijdens de ramadan, niet meer mocht zwemmen of met jongens spelen. “… Ik had meermaals in m’n leven het gevoel gehad dat het een schande was om überhaupt vrouw te zijn, terwijl het bij jongens aangemoedigd werd om je masculiniteit te botvieren. Als kleuter zag ik al hoe familieleden grappend Halil instigeerden om zijn besneden jongeheer te etaleren zodat ze konden beoordelen of hij al groot genoeg was om hem een echte vent te noemen. Waar hij zich eerst nog schaamde voor verzoeken van dat genre, kwam er een punt dat hij zijn broek omlaag deed om met uitgelaten trots zijn derde been uit te stallen, soms zonder dat dat verzoek er kwam, waarna ooms en tantes met theatrale verbazing duidelijk maakten dat ze weggevoerd waren van ontzag en ovationeel applaudiseerden. Hij was een echte kerel, hij had stalen ballen en een ijzeren pik, hij zou de vrouwen binnenkort verslinden. En ik dan? Dacht ik…”. Ze vertelt over het besnijdenisfeest van haar broertje die als een keizer op een gouden troon werd gezet om geld en goudstukken in ontvangst te nemen van iedereen. Allemaal wilden ze met hem op de foto, terwijl zijn moeder hem met tranen in haar ogen haar ‘leeuw’ dan wel ‘ram’ noemde. Duidelijk: ‘een echte vent’. Die dag werd er uitbundig gelachen, gedanst en gegeten, en dat gebeurt zelden tot nooit. “… Ook in de jaren na onze kindertijd bemerkte ik opmerkingen van dit kaliber aan Halils adres, zelfs als hij met familie in Turkije belde was de standaardvraag hoe het ging met de mooie meiden, of hij er nou drie of dertig heeft, of hij wel kon kiezen straks. Ze gaven hem tips over wat onontbeerlijk was in een vrouw; als ze brede heupen had kon ze gezonde tijgers baren, als ze grote tetten had kon ze voldoende melk produceren straks, als ze wat vlees aan het bot had, zou ze hem beter behagen tussen de lakens…”. De discrepantie tussen zonen en dochters is enorm.

 

Charmante kritiek

Büsra vraagt in haar boek om ‘charmante’ kritiek. Ik kan niet zeggen dat ze zich zelf aan deze kwalificatie houdt – integendeel. Het enige middelbare schooluitje dat ze mee mag maken is de befaamde ‘Rome-reis’, omdat haar mentor naar huis belt dat er opdrachten en proefwerken aan vastzitten waar ze automatisch een één voor krijgt bij absentie. Van het taalgebruik tussen de scholieren staan je oren te klapperen. Hoe grover hoe stoerder blijkbaar. Maar het blijven vwo-ers. De manier waarop ze ‘s nachts de wereldpolitiek ontleden, vond ik buitengewoon interessant. Ik heb ook wel hoop. De integratie tussen ‘wit’ en ‘zwart’ (volgens Büsra zijn op haar ‘zwarte’ school de meeste leerlingen trouwens ‘zandkleurig’) mag dan officieel zijn mislukt, de veelkleurige nationaliteiten buiten de ‘witten’ om praten wel met elkaar. En niet zo voorzichtig ook. Zo leer je de ander in ieder geval kennen. Daar kan een ‘witte’ nog een hoop van leren. Ik ben ervan overtuigd dat de enige manier om elkaar te leren waarderen het face to face gesprek is. Büsra vertelt hoe ze homoseksualiteit gaat accepteren als ze in aanraking komt met een echte ‘handtasjeshomo’, die al gauw zijn heil bij de orthodoxe meiden zoekt, omdat zijn klasgenoten er niet tegenop zien hem van de trap te donderen. Zij weten wat uitsluiting is. Dat is het begin van haar twijfel aan de orthodoxe leer, en ik moet je bekennen, dat het mij precies zo is vergaan. Als homoseksualiteit een keuze is, zouden er trouwens geen heteroseksuele vrouwen bestaan, voegt ze er aan toe. Dat denk ik ook wel eens, als ik mijn portie gruwelijkheden uit de ochtendkranten weer tot mij genomen heb. Büsra over een ‘Germaanse’ roeptoeter in Scheveningen die haar hoogst geagiteerd adviseert haar hoofddoek af te doen: “… Het liefst zei ik: ‘Ja, ik wil hem ook afdoen, ik heb het g.v.d. ook tyfusbenauwd en het liefst zat ik hier ook in mijn bikini en met mijn jetsers volop in de zon, maar ik kan hem niet afdoen, balzak.’…”. En het oude meneertje in de verder lege trein die pal tegenover haar komt zitten om haar te vertellen dat ze mag zijn die ze is. Moet ze zich daar dankbaar over voelen of zoiets? Alsof ze er helemaal zelf voor heeft gekozen. Het is niet normaal wat Büsra te verduren heeft vanwege haar hoofddoek. Het blijft niet alleen bij nors aankijken, ze wordt bespuugd en verrot gescholden, ze krijgt een bak water over zich heen en een blikje bier naar haar hoofd. De zich dominant voelende Nederlander kent geen gêne. Als ze met haar Germaanse vent aan het flaneren slaat, doen de allochtonen er nog een schepje boven op. Zo word je vanzelf wel zo hard als staalplaat.

 

Penisnijd

Büsra beschrijft het seksleven met haar lief tot in detail. Ik heb me echt in alle preutsheid afgevraagd of ik het boek daarom wel zou bespreken. Ik laat eventuele banaliteiten graag aan de tokkies dezer wereld over. Ik geloof met heel mijn hart in het door Ali Smith in al haar wijsheid opgevoerde meisje Florence in “Lente” (zie mijn vorige blog). Om de haverklap antwoordt ze op impertinente vragen: dat is privé. Dát maakt haar pas sterk en onafhankelijk. Jouw intieme leven gaat anderen geen bal aan, en alles wat je daarover loslaat maakt je alleen maar kwetsbaar. Het respect van anderen is overduidelijk gerelateerd aan zelfrespect. Datzelfde geldt natuurlijk evenzeer voor de man. Waarom laten ze het zich aanleunen dat ze door vrouwen neergezet worden als sneue, willoze, door seks bezeten stumperds, gedreven door een goor reptielenbrein? Alsof je niets anders bent dan je apparaat? Zo kijkt de moeder van Büsra er tenminste tegen aan. Haar moraal stoelt op de wil haar dochters te behoeden voor alle geile apen en beren in hun omgeving. Niets meer en niets minder. Tot ik bedacht dat Büsra met haar opening van zaken waarschijnlijk een dikke middelvinger wenst op te steken naar de Turkse machocultuur waarin ‘iemand met een snikkel’ alle voordelen van de wereld heeft, en iemand zonder alle nadelen. Haarfijn doet ze de anatomische en fysiologische voordelen van het vrouwenlichaam uit de doeken: “… God hield meer van de vrouw, dat was me duidelijk. Onder andere omdat ik het dubbele aantal zenuwuiteinden had beneden, maar ook omdat onze orgasmes vijftien seconden konden duren, in tegenstelling tot de vijf van het geprivilegieerde geslacht…”. Lekker puh…  Okay. De emancipatie begon bij ons ook met seksuele bevrijding: zie de literatuur van de jaren zestig. Waarschijnlijk is dat een fase waar elke zich ontwikkelende beschaving doorheen moet. Het punt is dat aan de andere kant van de grens destijds heel wat likkebaardende scrupuleuze mannetjes met open armen klaarstonden om de bevrijde vrouwtjes op te vangen, waarmee ze immers konden doen wat ze wilden. En zo belandde menigeen van de regen in de drup, zo niet van de wal in de sloot. Zie het prachtige sprookje over de driehonderdjarige vrouw dat Ali Smith in “Lente” opdist en ik hier nog maar eens ten overvloede citeer:  “… Vertel eens iets over jezelf, liefie, zei ze met haar eeuwenoude stem. Maar het meisje lachte alleen. Zoals u weet, oude dame, zou dat de eerste stap zijn naar mijn totale verdwijning, zei ze. Want zodra jullie mij iets over mezelf horen zeggen, zal ik ophouden mij te betekenen. Zal ik beginnen jullie te betekenen. Er ging een gemompel door de menigte. Mijn moeder zei tegen me, ‘ze zullen willen dat je ze je verhaal vertelt’, zei het meisje. Mijn moeder zei, ‘niet doen. Je bent niet iemands verhaal’…”. Evenzo: als ik Lale Gül bij ‘Cafe Weltschmerz’ zie zitten denk ik oprecht, meis, pas toch op dat je van de weeromstuit niet de mascotte wordt van populistisch Nederland, want voor je het weet zit je wéér vast in andermans verhaal.

 

Bid maar normaal, dan bid je al gek genoeg

Büsra is goed op de hoogte van de verschillende vormen van de islam. De nalatenschap van Mohammed is namelijk verworden tot een oneindigheid aan clusters en schisma’s die elkaar rauw lusten en letterlijk elkaars bloed wel kunnen drinken. Ze heeft het over Atatürk die de islam met geweld salonfähig probeerde te maken: “… bid maar normaal, dan bid je al gek genoeg was het mantra…”. En Erdogan die hard bezig is al die vrijheid weer rigoureus de nek om te draaien.  Het is echt verbazingwekkend hoe de leer op de Koranschool van Büsra overeenkomt met die van de SGP, waar de jongerenafdeling een paar weken geleden nog rollebollend over straat schijnt te zijn gegaan omdat de heren daar toch wel vinden dat ze zelf een graadje hoger staan in Gods’ ogen dan het vrouwvolk. Met uitspraken als deze, over eerwraak: “… Ik raad u sowieso aan om overal weg te blijven waar dadendrang en overtuigingskracht samenkomen…”, zie ik absoluut een veelbelovend schrijver in Gül. Het gaat over de indoctrinatie op de Koranschool. Midden in een cursus ‘Hoe romantiseer je huiselijk geweld’ komt een gemillimeterde PvdA-vrouw verkiezingsfolders uitdelen. De schrijfster breekt haar staf over de onnozelheid van linkse salonsocialisten die geen poot uitsteken om meiden te steunen in hun strijd tegen het ultraconservatisme, integendeel, deze richting juist faciliteren, subsidiëren en contribueren, zodat het alleen maar nog moeilijker wordt om je aan hun macht te onttrekken. Büsra maakt ruzie met haar vader die wil dat ze op Kuzu stemt. Ze legt uit hoe een Turkse bruiloft in zijn werk gaat en vertelt over de zomervakanties bij haar puisant rijke opa en oma (daar hebben hun zes gastarbeidende zonen voor gezorgd) in een armoedig boerengat in Turkije, waar ze uit moet kijken dat ze niet geschaakt wordt door de testosteronbommen die er rondlopen, omdat een verkrachting maakt dat ze geclaimd kan worden als bruid. De wanhopigen onder de trouwlustige heren hebben er letterlijk álles voor over om in het rijke westen te geraken. Ze weet precies hoe ze haar tantes, die hardnekkig blijven proberen haar aan de man te brengen, door het lint kan krijgen: voet bij stuk te houden dat ze met een hoogopgeleide wil trouwen, net als zij. De manier waarop Büsra vertelt over haar ontdekking van de openbare bibliotheek ontroert me diep. Het is liefde op het eerste gezicht. Al gauw leent ze de maximale hoeveelheid van acht boeken op haar eigen pas en nog eens acht exemplaren op de pas van haar broer. Ik was precies zo. Ik woonde bijna in de bibliotheek. Boeken openen de wereld, verbreden je horizon, en brengen je naar de uithoeken van het denken.

 

Het koninkrijk van God is binnen in u

Op den duur raakt Büsra totaal uitgeput door de spagaat waarin ze verkeert. Ik heb dat ook ervaren als tiener. Zo’n schizofrene toestand is onmogelijk vol te houden en dwingt je tot drastische maatregelen. Haar lief, die geen ‘aangeharkt’ gezin kent, zweert hoogdravend bij gemeenschapszin, terwijl Büsra hunkert naar individuele vrijheid. Eigen keuzes maken, je eigen gang kunnen gaan, onbelemmerd door een verstikkende gemeenschap waar geen plaats is om jezelf te zijn. Ze kan de spanningen die haar geheime relatie oplevert niet langer aan en zet er een punt achter. Soms lijken de grote liefdes in ons leven vooral bedoeld als tijdelijke gidsen in het ontzagwekkende proces van heel worden, denk ik wel eens. Tevens weigert Büsra nog langer een hoofddoek te dragen, ook al betekent dat dat de hele familie zich tegen haar keert. In een nacht waarin haar wanhoop en eenzaamheid een dieptepunt bereiken, heeft ze een droom waarin God verschijnt – en ik geloof serieus in deze vorm van persoonlijke Godsontmoetingen (zie ook de vele moslims die dromen over Jezus): “… “Waarom zoekt gij mij niet, mijn kind?’ vroeg Hij. ‘Ik ken jou niet meer, ik heb je verlaten. Ik ken hooguit de grenzen van mijn ongeloof, die ik al had op het moment dat ik een bliksemafleider zag op het dak van de moskee. En die zijn niet meer te overschrijden.’ ‘Maar je hebt toch niets te verliezen als je in mij blijft geloven?’ ‘Ik vind het leven besteed als gelovige een verspild leven,’ antwoordde ik. ‘ Van mij mag je leven zoals je wenst, als je maar blijft geloven,’ zei Hij. ‘Je volgelingen op aarde zeggen van niet.’ ‘Maar ik ben de baas. Laat hen maar kletsen. De duivel is trotser op hen die zich vroom achten dan op de ongelovigen. Mijn religie is als Frankrijk, waarvan men zegt dat het jammer is dat er Fransen wonen. Jij bent gelovig, ook nu je jezelf wijsmaakt van niet. Anders hadden we dit gesprek niet. En wie niet leeft naar de kleur van z’n ziel en diens verlangen, zal z’n ziel geleidelijk zwart kleuren. Blijf geloven. En wees gelukkig. Je eigen morele regels stellen, daarnaar leven en als een gerespecteerd burger sterven, dat is deugdelijk, dat is levenskunst,’ zei Hij. ‘Maar de voorschriften dan?’ vroeg ik verbaasd. ‘De kracht van ware moraal zit in de ruimte die zij biedt aan eigen verantwoordelijkheid, mijn kind,’ antwoordde Hij. ‘Ik ga leven,’ zei ik. Ontgoocheling doet wonderen. De gapende afgrond tussen mij en mijn dierbaren is mij vanaf nu zeer dierbaar. Ik had de zegen van God gekregen. Niets kon mij meer wat maken…”.

 

Uitgave: Prometheus – 2021, 304 blz., ISBN 978 904 464 687 0, 20, -

Rechtstreeks bestellen: klik hier