Menu

woensdag 10 maart 2021

Die nacht zag ik haar – Drago Jančar

 


 

Op verzoek. “Die nacht zag ik haar” (2010) van een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers: Drago Jančar (1948). Een roman die zich afspeelt tegen het decor van de Tweede Wereldoorlog. Het verbaast mij steeds weer hoe dit onderwerp de literatuur onverminderd blijft bezig houden. Na het onovertroffen “De Welwillenden” van Jonathan Littell dacht ik dat het laatste woord er wel over was geschreven, maar daarna kwam toch weer de megabestseller “HhhH” van Laurent Binet. Het doet me denken aan de uitspraak van filosofe Hannah Arendt: “… Er is iets voorgevallen wat we geen van allen ooit kunnen verwerken…” (zie: “Ogenblik & eeuwigheid” van Joke Hermsen). Van de week las ik een artikel, ik weet niet meer precies waar, van iemand die zei dat sinds wij de Bijbel niet  meer lezen we goed en kwaad afmeten aan ’40 – ‘45. Daar zou best veel waars in kunnen zitten. In ieder geval worden deze werelden in “Die nacht zag ik haar” op een ongelooflijk subtiele manier onderzocht. Alle romanpersonages hebben hun goede en foute kanten. Jančar toont haarscherp dat het heden absoluut niet op een objectieve manier is te overzien. Wij kunnen dat ook niet wat betreft de coronacrisis. Je staat met je beide benen in je eigen realiteit, je kunt niet bevatten wat er om je heen gebeurt, je probeert zo goed mogelijk je vege lijf te redden en zonder kleerscheuren uit een overrompelende situatie te komen. Oorlog is nooit zwart-wit en altijd afschuwelijk.

 

Naar jóuw beeld en gelijkenis

“Die nacht zag ik haar” is gebaseerd op een waar gebeurde geschiedenis, die de vertaler in een nawoord uit de doeken doet. De roman begint dan ook met een citaat van H.C. Andersen: “… Onze gefantaseerde vertellingen, geschapen uit de werkelijkheid…”. Het geraamte van het verhaal staat als een huis: een ongelooflijk rijk stel verdwijnt in de oorlog. Waar zijn ze gebleven? Vijf bekenden vertellen in vijf hoofdstukken wat ze over hen weten. In jouw hoofd komen de verhaallijnen samen, waaruit de werkelijkheid over wat er gebeurd is langzaam vorm aanneemt. Let wel: naar jóuw beeld en gelijkenis. Dat is ook weer zo’n puntje. Je verhalen maak je zelf. Ik lees boeken altijd twee maal. De eerste keer, zou je kunnen zeggen, met mijn hoofd. Dan weet ik waar het over gaat. De tweede keer met mijn hart. Dan proef ik de sfeer, die in “Die nacht zag ik haar”, is gedrenkt in dat verbluffend ongrijpbare melancholische aroma van de Balkan, dat ook bijvoorbeeld “Gloed” van Sándor Márai kenmerkt.

 

Voor koning en vaderland

De eerste verteller is Stevo, een militair, die anno 1945 zijn dagen slijt in een door de Engelsen beheerd krijgsgevangenkamp voor het leger van voormalig Joegoslavië. Hij heeft gedroomd van zijn lief, Veronika, die hij zeven jaar geleden voor het laatst zag: “… Die nacht zag ik haar…”. Zijn commandant had hem opgezadeld met een buitengewone opdracht: of hij de vrouw van een vriend van hem, een stinkend rijke patser, paardrijles wilde geven - de upper ten moeten ze te vriend houden. De vrouw bleek een jonge, hoog ontwikkelde, adembenemende schoonheid, met wel heel excentrieke trekjes, veel flair en een grenzeloze vrijheidsdrang. Ze kon auto rijden. Ze had een vliegbrevet. Veronika. Tijdens de eerste ontmoeting hadden ze het al gelijk stevig met elkaar aan de stok: “… Dat u paarden in een oorlog meesleept is toch onvoorstelbaar, zei ze, of eigenlijk onverantwoordelijk, want ze kunnen door een bom worden getroffen. Nee, niet door een bom, zei ik, maar door een granaat…”. Paarden op de vijand afsturen: ze vond het niet kunnen. Ze had de vloer met hem aangeveegd: “… Ik zei kwaad dat we dat ook met onszelf deden, tijdens de slag aan de Kolubara waren er duizenden mensen omgekomen. Maar waarom? vroeg ze op een quasionschuldige, maar heel venijnige toon. Voor de koning, zei ik, voor koning en vaderland. Ze snoof een paar keer als een paard en begon hard en spottend te lachen…”. En even verder: “… Paarden zijn vrije schepsels, zei ze, nog vrijer dan mensen. We zouden ze de kans moeten geven om door de bossen en de velden te rennen…”.

 

Hij begrijpt me echt

Later ging het beter: “… Het werd voor mij een stuk gemakkelijker toen we op een middag in het gras zaten en ze vroeg of ik haar iets meer over paarden kon vertellen. Wat moest ik vertellen? Alles wat ik wist. Dat wordt dan een lang verhaal, zei ik, want ik weet heel veel. Vertel dan ook maar heel veel, zei ze, is het waar dat het paard in de prehistorie net zo klein was als een hond? Jazeker, vroeger was het een klein beestje dat leefde in de wouden van Siberië en Midden-Europa….”. En even verder: “… Denkt u dat ze echt iets begrijpen? Vroeg ze, want ze kijken je aan alsof ze je begrijpen. Als een alligator een mens kan begrijpen… zei ik voorzichtig, dan kan een paard dat helemaal…”. Stevo heeft gehoord dat ze een alligator als huisdier hield. Het beest zou haar man hebben gebeten en daarna zijn afgemaakt en opgezet. “…  Ik kon me nog wel voorstellen hoe mevrouw met het alligatortje aan de lijn over de promenade liep en hoe dat dier, dat van nature een andere omgeving gewend was, achter haar aan waggelde, terwijl iedereen toekeek, maar ik vond het een ronduit walgelijk idee dat zo’n moerasdier bij hen in de badkuip lag. Ik kon zulke mensen en de wereld waarin ze leefden niet begrijpen…”. En daarbij: “… vond ik het feit dat zo’n alligator in hun luxueuze woning had geleefd in tegenspraak met haar opvattingen dat paarden zulke vrije schepsels waren. Ik zei dat maar niet…”.  Het scheen haar ook niet te storen dat haar man, Leo, een stel jachtgeweren op de achterbank van zijn auto had liggen. Om herten en wilde zwijnen te schieten. Enfin; binnen no time had Veronika het paardrijden onder de knie: “… Toen ze zag dat hij haar gehoorzaamde en na een oefening met zijn hoofd een vriendelijk en speels duwtje tegen haar schouder gaf, was ze echt ontroerd. Hoe is het mogelijk, zei ze, hij begrijpt me echt!...”.

 

Wat is dan die vrijheid

Stevo en Veronika waren hele dagen samen geweest. Al gauw vertelden ze elkaar van alles over hun leven. Veronica miste haar vriendinnen in Berlijn, waar ze ooit studeerde. Soms was ze rusteloos: “… Een mens is helemaal niet vrij, zei ze, dus ik ook niet…”. Toen ze op een dag na een wilde rit uitrustten in het gras, had Veronika haar hoofd in zijn schoot gelegd: “… Als je mij toestaat, zei ze…”. Het was van kwaad tot erger gegaan: “… Streel mijn haren, beval ze…”. Ze wilde zijn kamer zien en bleef tot middernacht. Ze haalde hem op een schandalige manier aan, onder de ogen van de met open mond toekijkende bezoekers van een lunchtent. Als een houten klaas had hij erbij gezeten. Op een nacht bleef ze bij hem slapen. Stevo liet zich verleiden en vergat al zijn soldateneer en –principes. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Toen hij op het matje werd geroepen plaatste zijn meerdere hem over naar een grensstadje in the middle of nowhere. Maar Veronika zat op het station op hem te wachten om zijn verbanning te delen. Ze kwamen in een gat terecht waar het niet gewoon was dat vrouwen ‘onbemand’ over straat liepen. Natuurlijk hield Veronica zo’n ingeperkte en armoedige levenswijze niet vol. Stevo ging van de spanningen drinken en werd gewelddadig. Veronika’s moeder was komen opdagen en had  haar net zolang bepraat tot ze weer naar haar wettige man vertrok, waarmee ze op ludieke wijze opnieuw in het huwelijk trad: ze liet zich met een kettinkje aan haar echtgenoot vastklinken, “… van wie ze misschien minder houdt dan van mij, maar met wie ze wel liever haar leven wil delen…”. Ondertussen ging Stevo kopje onder in de zinloze gruwelen van de oorlog. Ze streden tegen de nazi’s. Werden in de rug aangevallen door de partizanen. Ergo, de nieuwe communistische leider, maarschalk Tito, gaf hen en de zijnen de schuld van de oorlog. Waar is al zijn patriottisme goed voor geweest? Overweldigd door herinneringen kijkt Stevo tijdens het scheren naar zijn gezicht in een gebarsten spiegel en vraagt zich af : “… Of ik dat nog wel ben, majoor Stevan Radovanovic, commandant van het cavelerie-eskadron van de eerste brigade, destijds kapitein van de Drava-divisie die in Maribor door zijn vrouw werd verlaten en achter zijn rug door zijn manschappen werd uitgelachen…”.

 

Wachten op Veronika

De tweede verteller is de demente moeder van Veronika, die iedere dag voor het raam van haar appartementje zit om een drukke straat in de gaten te houden. Ze wacht (eindeloos) op haar verdwenen dochter. Ooit woonde ze op het landgoed van Leo en Veronika, maar daar is ze uitgezet. Ze praat tegen een foto van haar overleden echtgenoot. Ze slaapt slecht. Voelt zich schuldig omdat ze Veronika weggehaald heeft bij haar soldaat. Als ze haar had laten begaan, was ze er misschien nog. Ze was duidelijk gekker met die armoedzaaier dan met Leo. Wanneer er een uitgelaten en vrolijke optocht van mensen met spandoeken en portretten van hun leiders langskomt, is er een gedrongen man die naar haar opkijkt. Ze herkent iets in hem. Waarom slaat hij zijn ogen neer onder haar onderzoekende blik? Als ze haar fotoalbums doorspit, komt ze er achter dat hij hun vroegere klusjesman was. Zou hij misschien weten waar Veronika is?

 

Platgereden kikker

De derde verteller is Horst, een door de oorlog geknakte Duitse legerarts, die zijn dagen thuis uitzit in een lege woning. De nachten zijn het ergst: “… Nu lig ik op bed naar het plafond te staren. Straks wordt het ochtend. Voor de zoveelste maal. En daarna weer avond. En dan komt de nacht, waarin de ratten zich een weg naar mijn hart of mijn hersenen vreten, en uiteindelijk zal alles uit zijn verband raken, scheefzakken en loslaten, en wegglijden in de richting van het niets, waar we allemaal zullen eindigen…”. Hij krijgt een brief met de vraag of hij kan vertellen wat er met het Sloveense echtpaar Leo en Veronika is gebeurd. Hij verscheurt het papier in duizend stukjes. Die vraag slaat nergens op; of toch? Hij blijkt Veronika te hebben leren kennen toen ze de verloofde van de klusjesman bij het ziekenhuis afleverde met een blindedarmontsteking. Ze was de enige op haar landgoed die auto kon rijden. Of hij zin had om haar op te zoeken: “… Er komt een pianist, we gaan naar Beethoven luisteren…”. Natuurlijk. Eindelijk ‘normale mensen’ in die hel van een oorlog. Ze had net zo goed een alligator in huis kunnen nemen: dacht ze niet aan haar reputatie? Was ze niet bang de aandacht van de partizanen te trekken? Horst herinnert zich hoe ze een kikker hadden overreden toen hij bij Leo en Veronika achter in hun auto zat. Met tranen in haar ogen gelastte Veronika Leo te stoppen: “… Ach, kijk eens naar die oogjes, fluisterde ze, het is alsof ze nog leven. Daarna draaide ze zich naar mij: ja dokter, daar is zeker niets meer aan te doen. Ik wist niet of dat een vraag of een constatering was. Ik zei voor de grap dat ik geen dierenarts was. Waarop ze me misprijzend aankeek en naar de auto liep. Ik werd er een beetje moedeloos van. Wat had ik allemaal niet gezien, ik hoefde maar te denken aan de man die in zijn buik geschoten was, zodat de darmen eruit hingen. Of een paar ogen die op het ene moment nog leefden, en dan ineens uitdoofden. In elk geval vond ik het zinloos dat ze om een platgereden kikker zo’n theater opvoerde en beledigd was als iemand niet met haar meevoelde…”. Hij herinnert zich hoe hij zélf als een kikker vastzat in een Oekraïens moeras van modder, water, bloed en angst. De kikker staat symbool voor alle mensen die in de oorlog meedogenloos werden afgeslacht.

 

Zaken gaan voor

Horst ging regelmatig op het landgoed langs. Evenals een bont gezelschap anderen: Duitse officieren, kunstenaars, zakenlui. Maar ook “… mensen die door ons als bandieten werden beschouwd en zichzelf partizanen noemden; die naar ons idee een troep misdadigers waren en in hun eigen ogen een bevrijdingsleger vormden…”. Leo was een echte netwerker: “… ze kwamen daar om hem in ruil voor zijn gastvrijheid diverse kleine diensten te bewijzen, zoals reis- en werkvergunningen, allemaal dingen waardoor hij zijn zakelijke activiteiten ongestoord kon voortzetten…”. Horst vertelt hoe hij op een keer door Leo werd opgebeld met het verzoek of hij zich in kon zetten voor (alweer) zijn klusjesman, die was opgepakt vanwege het vermoeden dat hij met de partizanen collaboreerde: “… Ik zei dat ik waarschijnlijk niets voor hem kon doen, vooral niet als hij was opgepakt door de Gestapo, een dienst waar wij zelf ook huiverig voor waren…”. Hij herinnert zich de merkwaardige naam: Jeranek. Veronika nam de telefoon over en smeekte hem om interventie. Horst was inmiddels zo van haar gecharmeerd, dat hij haar niets kon weigeren. Dus ging hij met lood in zijn schoenen naar de psychopathische Gestapo-chef. “… Daarom besloot ik het zwaarste geschut in te zetten, al wist ik dat ik daarmee vrij hoog spel speelde: ik zei dat ik als militair ‘des deutschen Reiches’ met mijn eer als officier voor deze man kon instaan…”, wetend dat als zou uitkomen dat hij loog hij in zijn folterkamer zou belanden. Met kille (kikker)oogjes stemde de veiligheidsman, die even daarna gelukkig werd overgeplaatst, toe: “… Daardoor kwam hij nooit te weten dat Jeranek enkele maanden na zijn vrijlating niet meer naar het kasteel kwam en ook uit zijn dorp bleek te zijn verdwenen. Waarschijnlijk had hij zich bij de partizanen aangesloten…”.

 

Plicht

Horst: “… We leven in een tijd waarin de mensen - of ze nog leven of al dood zijn - alleen gerespecteerd worden als ze zich bereid tonen om voor een gemeenschappelijk ideaal te strijden of zich daarvoor op te offeren. Zo denken zowel overwinnaars als overwonnenen. Niemand heeft meer waardering voor al de mensen die niets anders wilden dan simpelweg leven, die van andere mensen hielden, van de natuur, van dieren en van de hele wereld, en zich daar goed bij voelden. Dat is in deze tijd niet meer voldoende…”. Veronika was anders. Ze hield zich verre van de oorlog. “… Ze wilde niets anders dan leven. In harmonie met zichzelf, en ze wilde zichzelf en de mensen om zich heen begrijpen…”. Veronika had hem verteld dat ze in Berlijn een tijdlang als vrijwilligster met een ambulance door de stad reed: “… Er waren te weinig mensen die zieken en gewonden konden vervoeren, daarom had iemand haar gevraagd en zij had het gedaan. Daar zat geen enkele politieke overtuiging achter. Zelf deed ik als legerarts die in de Oekraïne, in Kranj en in Italië gewonden moest opkalefateren, niet meer dan mijn plicht, zonder iets voor het nazigedachtengoed te voelen…”. Wat is goed? Wat is fout in deze krankzinnige oorlog (zie ook: “De herinnerde soldaat” van Anjet Daanje)? Horst vertelt hoe hij in een terugtrekkende colonne legervoertuigen in een bocht werd beschoten: “… Het was een onbetekenende aanval van een paar plaatselijke strijders die daar pas tegen het einde van de oorlog de moed voor bij elkaar hadden geraapt, of die op het laatste moment tot de overwinnaars gerekend wilden worden…”. Alleen één maat had een schampschot langs zijn bil. De commandant werd echter gek van woede, gebood alle mannen uit een gat dat amper een dorpje kon worden genoemd op te sporen en neer te knallen. Ze vonden vijf bejaarden. De rest was opgeroepen door het leger. Tijdens het incident bleven de motoren van de voertuigen ronken. Zo terloops, zo zinloos: “… Een mens vermoorden was even vanzelfsprekend als een kikker doodrijden…”. Horst wordt gekweld door de gedachte dat hij niet ingreep. Dat hij te bang was een conflict aan te gaan met een doorgedraaide vent: “… Een mens wordt niet alleen achtervolgd door de dingen die hij heeft gedaan, maar ook door wat hij niet heeft gedaan. En niet eens heeft geprobeerd…”.

 

Boerenpummel

De vierde verteller is de huishoudster. Ze stelt dat Veronika en Leo goede mensen waren, die geen vlieg kwaad deden. De laatste verteller is Jeranek, de klusjesman zelf. Hij biecht zijn jaloezie op de vrienden en het paard van Veronika op. Hij adoreerde haar heimelijk, zoals alle mannen in haar buurt, terwijl hij haar tegelijk haatte omdat ze in hem duidelijk niet meer dan een boerenpummel zag, die in het kerkkoor prachtig ‘halleluja’ zong. Zo stom was hij toch niet. Hij las veel en speelde toneel bij de plattelandsvereniging. Jeranek vertelt hoe hij werd geronseld door de partizanen om het landgoed van Leo en Veronika te bespioneren. Over een bejaarde, doodzieke kameraad, die hij bezoekt en met wie hij oude herinneringen ophaalt: “… Verdomme nog aan toe, zei hij, dat is toch niet eerlijk. Nog geen drie jaar geleden zwierf ik door de bergen, en nu haal ik met de grootste moeite de badkamer. Ik snapte niet waarom dat oneerlijk zou zijn, ik kom uit een boerenfamilie en weet dat alles onbezorgd opgroeit, dan rijpt en daarna verrot of verdort, dus waarom zou het met ons anders gaan?...”. Wat ze in de bossen hadden uitgevreten was niet te verteren: “… We waren jong, zei hij, en ze achtervolgden ons als beesten. En wij sloegen terug als honden…”. Is dat een excuus? Alles is allang vergeten: “… Hebben we hier nu voor gestreden: dat niemand onze offers nog respecteert?...”. Niemand die hun inzet nog waardeert: “… Zijn die vuile fascisten tegenwoordig nog meer waard dan wij?...”. Vroeger was alles beter: “… Ik heb op een hele muur in de kamer een bos laten schilderen met een groep partizanen die op een zomeravond rond het kampvuur zitten…”. Jeraneks zoon vindt het ‘belachelijke tafereel’ te ‘bezopen voor woorden’. “… Hij begrijpt het niet, zoals hij wel meer dingen niet begrijpt. Als ik alleen ben, sla ik een boek open, ik schenk een glas wijn in en zoek een plek tussen mijn kameraden, die op de muur zitten of rondlopen, ik luister naar de partizanenliederen die ik heb opgenomen en ik voel me gelukkig en triest tegelijk…”.

 

Doodsangst

De klusjesman vertelt dat hij nooit van zijn leven zo bang is geweest dan toen hij werd opgepakt en drie dagen en nachten in de gevangenis doorbracht, luisterend naar de kreten van zijn gemartelde medegevangenen. Hij was er van overtuigd dat hij als gijzelaar zou worden doodgeschoten. Door het raam zag hij de Duitse legerarts konkelen met de gevreesde Gestapochef. Hij heeft nooit geweten dat hij zijn vrijheid te danken had aan Veronica’s banden met de legerarts. “… Ik kwam helemaal gedesoriënteerd thuis. Een paar dagen lang praatte ik met niemand. Ik was blij dat ik leefde en tegelijk doodsbang. Dat was ook hun bedoeling: dat degenen die weer op vrije voeten kwamen zo de schrik te pakken zouden hebben dat ze het niet meer in hun hoofd haalden om op enige manier samen te werken met de bandieten, zoals de Duitsers de partizanen noemden…”. Toen Jeranek de legerarts bij Veronica aantrof kon hij niets anders dan bibberend denken: ‘vuile moffenhoer’: “… Mijn oren hadden in die Gestapo-cel kunnen horen hoe onze mensen werden mishandeld door een stel officieren die niemand in dit land had uitgenodigd. En mijn ogen hadden de arme stakkers gezien die grondig waren afgetuigd en dan als voddenbalen weer naar binnen werden gesmeten. En zij nodigde die kerels uit op Podgorska en richtte de mooiste diners voor hen aan, en soms ging Leo samen met hen naar zijn jagershut om een paar herten neer te knallen. Zoals ze achter de gevangenismuren een aantal van onze mensen neerknalden…”. Weet hij meer over het lot van Veronika en Leo?

 

Retardatie

Het boek doet me denken aan een zeldzaam openhartig interview van Enny de Bruin met de conservatieve historicus Bart Jan Spruyt, een Wilders- en Baudetaanhanger met spijt (RD 06.03.2021), die zegt: “… Ik las gisteren een meditatie van Oepke Noordmans. Die ging over retardatie. Teruggang. Je wordt gesnoeid. Er wordt een rem op je leven gezet. Je hebt fouten gemaakt, er zijn dingen misgelopen, en het is allemaal je eigen schuld hè…”. Vervolgens gaat Spruyt verder, waar Jančar stopt: “… Als je daaronder bukt, is dat heel heilzaam. Je wordt gedwongen tot gebed, eenvoud, concentratie. Het leven wordt kleiner, maar geconcentreerder. En je kunt op veel manieren iets voor andere mensen betekenen, dat besef ik ook …”. Al is het alleen al door de lessen die anderen uit jouw relaas kunnen trekken…

 

Uitgave: Querido – 2018, vertaling Roel Schuyt, 256 blz., ISBN 978 902 140 694 7, 20,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 5 maart 2021

Een weg door het water – Timothy Dalrymple


 

Subtitel: Zoeken naar het hart van God in tijden van crisis

 

In mijn blog over “Ogenblik & eeuwigheid” van Joke Hermsen schreef ik dat ik niet weet waar de wereld van religie ophoudt en de wereld van kunst begint. Toevallig kwam ik er achter dat in deze veertig-dagen-tijd de St. Jacobskerk in Vlissingen iedere woensdagavond een vesperviering online zet, die gecentreerd is rond de ‘zeven werken van barmhartigheid’. Steeds speelt een afbeelding, omgeven door prachtige muziek de hoofdrol – zie hier. Kunst zegt vaak zó veel meer dan woorden! Timothy Dalrymple (1967) heeft dezelfde verbinding gezocht in een bundel van dertig meditaties die bedoeld zijn als troost in coronatijd. Zelf weet hij als geen ander wat lijden is. Als veelbelovend internationaal turner brak hij in 1996 zijn nek, waardoor zijn Olympische droom in één klap in duigen viel. Het bijzondere is dat hij bij elke overdenking een tekening van Rembrandt heeft geplaatst, plus een muziekstuk dat op Youtube te vinden is. Ik heb het allemaal bij elkaar gescharreld; de muziek die hij ons voorschotelt raakt mij enorm. Zie de links. Misschien beurt het jou net zo op als mij! De omslagafbeelding van “Een weg door het water” stelt Rembrandts ‘Christus in de storm op het meer van Galilea’ (1633) voor. Het schilderij hing in het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston totdat het doek in 1990 werd gestolen en nooit meer is teruggevonden. Aan het eind van elk hoofdstuk, dat Dalrymple naar aanleiding van de coronapandemie als directeur wekelijks schreef op de website van het Amerikaanse tijdschrift ‘Christianity Today’,  vermeldt hij hoeveel besmettingen er op dat moment zijn en hoeveel mensen er wereldwijd zijn overleden. Daar word je wel even stil van. Ik denk dat in de kerk, waar de woorden na tweeduizend jaar sleets zijn geraakt, de kunst ons kan redden. Misschien moeten we, net als Job (40:4), tijdens deze crisis onze hand eens op onze (grote) mond leggen. Een keertje zwijgen en alleen maar luisteren. En kijken.

 

Uit de diepten roep ik

Hoofdstuk 1  refereert aan het begin van de pandemie: “… Het komt steeds dichterbij. De wereld vertraagt, valt stil. We houden onze adem in. We luisteren. We kijken toe. Als een duistere vloed overspoelt het onheil ons land…”. Bij een ets van Rembrandt waarop Eva de verboden vrucht aan Adam geeft: “…. We zijn verdwaald in een woud van informatie, zonder wegwijzers. We reiken naar de appel van de kennis in de hoop dat die rust zal brengen, maar opgerold als een worm in de appel ligt de angst. We eten de appel; de appel eet ons…”. Toch haalt Dalrymple er Psalm 23:4 bij: “… Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed…”. Muziek: “Verses” door Ólafur Arnalds & Alice Sara Ott, zie ook de dansversie van Robert Bandara.

Hoofdstuk 2 gaat over dat als álles om en in ons wegvalt - “… Terwijl we het virus zich een weg zien banen, worden we bestormd door vragen. Hoe lang gaat dit duren? Hoeveel levens gaat dit kosten? Hoe dichtbij zal het onheil bij onszelf komen?...” - alleen nog Gods liefde overblijft (1 Johannes 4:16 en Romeinen 8:38-39): “… Liefde is het ordeningsprincipe van het heelal…”.  Muziek: “Saturn” van Sleeping at Last.

Hoofdstuk 3: “… Maar in Christus, in het liefhebben van God en elkaar, zullen we lijden…” (Jesaja 48:10).  “… Lijden is angstwekkend en afschuwelijk. Het sleept zich ondraaglijk lang voort en kost ons al onze kracht…”. Muziek: “Rain, in Your Black Eyes” van Ezio Bosso, met een dans onder water van Julie Gautier“… Uiteindelijk laat het lijden ons achter in de diepte, alleen met God in stilte en roerloosheid…”.

Hoofdstuk 4: over de vreugde in het lijden (Romeinen 8:31-32 en Filippenzen 1:21). “… Vreugde weet dat het lijden tijdelijk is, maar de liefde van God eeuwig. De vreugde is zo goed als uitgedoofd om ons heen, maar in ons kan ze niet worden geblust…”. Muziek: Vivaldi's “Vier jaargetijden” door Max Richter met Mari Samuelsen op viool (“… Je zult de kwaliteit van de opname vergeven als je de passie van de uitvoering ziet…”).

Hoofdstuk 5:  “… We voelen ons, Heer, als de Israëlieten die door de zee trokken. We zijn uitgeput en verbijsterd. Gevaar loert van alle kanten. Een angstwekkend leger achtervolgt ons. We weten dat er hoop is aan de overkant, maar we zijn nog niet eens aan de klim omhoog begonnen…” (Exodus 14:13-14 en Exodus 14:21-22). Muziek: “Stay and Wait” van Hillsong UNITED.

 

De drinkbeker

Hoofdstuk 6: Zullen we ooit weer lachen (naar aanleiding van Genesis 18:13-14 en Romeinen 4:17-18)? Muziek: “O Brother” door Cyrus Reynolds en Gregg Lehman, met zang door Novo Amor.

Hoofdstuk 7: “… De pandemie heeft ons geestelijke isolement concreet en tastbaar gemaakt. We bevinden ons in een afgedwongen eenzaamheid, waar onze angsten en zorgen echo-en in leegte…”. Quarantaine. Isolatie. “… In zijn boek ‘The crucified God’ schrijft Jürgen Moltmann, ‘Het lijden in het lijden is het gebrek aan liefde, en de wonden in de wonden zijn de verlatenheid, en de krachteloosheid in de pijn is ongeloof’…”. Toch was God bij Sadrach, Mesach en Abednego in de vurige oven, zie Daniël 3:24-25. Muziek: “Der Klang der Offenbarung der Göttlichen” door Kjartan Sveinsson.

Hoofdstuk 8 schrijft Dalrymple op het moment dat er in de Verenigde Staten meer gevallen van COVID-19 zijn dan in welk ander land ter wereld ook (ruim 86.000). Hij haalt de woorden van de ‘dodelijk bedroefde’ Jezus in de Hof van Gethsemane aan: “… Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals ik wil, maar zoals u het wilt…”. Zie Matteüs 26:27-28 en Matteüs 26:38-39. Muziek: “Experience” door Ludovico Einaudi.

Hoofdstuk 9: aan de hand van Rembrandts 'Abraham liefkoost Isaak' (ook wel 'Jakob liefkoost Benjamin'). Zie Romeinen 8:15 en Openbaring 22:20. Het  gaat over de troostrijke gedachte dat wij hoe dan ook geadopteerde kinderen van God zijn: “… U zult ons brengen naar het huis waar we altijd al voor zijn gemaakt. Even gescheiden, eeuwig samen…”. Muziek: "S.T.A.Y." van Hans Zimmer uit de soundtrack van de film “Interstellar” (2014).

Hoofdstuk 10: de bezorgdheid over onze kinderen. “… Kinderen kijken hoe hun ouders het ziekenhuis in gaan, om ze vervolgens nooit meer terug te zien. Vaders zeggen vaarwel door het raam. Een moeder sprak haar laatste woorden tot haar kinderen door een walkietalkie. Zelfs diegenen die zelf geen kinderen hebben bidden voor de kinderen die ze kennen…”. Naar aanleiding van het offer van Abraham (Genesis 22:9-12): “… Elk kind ligt op het altaar. Maar we weten dat u, Heer, glimlacht als we u geven wat altijd al van u was. Ze zijn veiliger op uw altaar dan ze waren in onze bescherming, en meer geliefd in uw handen dan ze waren in de onze…”. Muziek: “Flight from the City” van Jóhann Jóhannsson.

 

Opstanding

Hoofdstuk 11: “… We zullen wereldwijd al snel over een miljoen bevestigde gevallen heen gaan en vijftigduizend dode…”. Toch roept de Bijbel keer op keer op niet bang te zijn (Psalm 27:1 en Lukas 12:11-26). Muziek: “Spiegel im Spiegel” van Arvo Pärt.

Hoofdstuk 12: over de opluchting een trauma overleefd te hebben. “… Temidden van de pandemie heb ik deze vraag gehoord: Is het oké om je blij te voelen? Is het acceptabel dat ik vreugde vind in extra tijd voor stilte of voor het gezin, terwijl zovelen lijden? Is het verkeerd als ik  ontdek dat ik vreemd genoeg blij ben te midden van de beperkingen?...”.  Dalrymple: “… Juichen in de morgen is wellicht de beste manier om een lange reeks nachten vol tranen te overleven…” (Psalm 30:6 en Johannes 15:11). Muziek: “De Zwaan” van Camille Saint-Saëns uitgevoerd door Yo-Yo Ma en Kathryn Stott.

Hoofdstuk 13: over 'The Passion of the Christ' Matteüs 16:21. Muziek: “Agnus Dei”, Samuel Barbers eigen koorbewerking van “Adagio for Strings”, door het Rotterdam Symphony Chorus.

Hoofdstuk 14: over ‘kruisdragen’Lukas 14:25-30. Muziek: Tweede deel, Adagio uit “Concert in d mineur BWV 974 (Marcello/Bach) door Víkingur Ólafsson.

Hoofdstuk 15: over ‘sterven aan jezelf’ en ‘opstanding’ (Filippenzen 3:10-11). “… Kerkdeuren zijn gesloten. Er is geen school. Bedrijven zijn dicht. Restaurants en cafés leeg, bioscoopschermen zwart, concertzalen stil. Bijeenkomsten en vergaderingen, bruiloften en begrafenissen, conferenties en evenementen zijn gecanceld. De opstanding is niet gecanceld…”. Muziek: Beethovens ode “An die Freude” uit de Negende Symfonie, in een flashmob-versie.

 

De God van kleine dingen

Hoofdstuk 16: over Goede Vrijdag, naar aanleiding van Jesaja 53:3-6. Muziek: een onthaaste versie van het Lacrimosa van Mozarts “Requiem”, door het koor van de Weense Opera en de Wiener Philharmoniker o.l.v. Karl Böhm.

Hoofdstuk 17: Kijk omhoog (Numeri 21:8-9)! Muziek: Andrea Bocelli,  “Amazing Grace”, gezongen voor de kathedraal van Milaan.

Hoofdstuk 18: “… Als ons bestaan niet noodzakelijk is en ook niet verdiend, dan is het een geschenk. De God die liefde is schept uit liefde. Hoewel hij ons niet hoefde te scheppen, verlangde hij er blijkbaar wel naar. God wilde dat we er zouden zijn, zodat we een relatie konden hebben met hem…” (Genesis 1:1 en Jakobus 1:17). Muziek: Peter Gregsons her-compositie van de prelude uit J.S. Bachs “Cellosuite No. 1”.

Hoofdstuk 19: Voor alles is een tijd, zie Prediker 3:1-8. “… We leven in ‘een tijd om af te weren’. Wanneer zal het weer ‘een tijd om te omhelzen’ zijn?...”. Muziek: de herkenningsmelodie van “The Mission” van Ennio Morricone door het Radio-orkest van München.

Hoofdstuk 20: over de God van kleine dingen (Zacharia 4:8-10 en Matteüs 6:25-26, 28-30). Muziek: Franz Schuberts “Ave Maria” door Anastasiya Petryshak met het Orchestra Cantelli.

 

Hij zal alle tranen afwissen

Hoofdstuk 21: “… De HEER heeft gegeven en de HEER heeft genomen…” (Job 1:20-22). Muziek: opnieuw Ezio Bosso, nu met “Bitter and Sweet”.

Hoofdstuk 22. Bij de prachtige ets van Rembrandt 'Een geleerde in zijn werkkamer': “… Dit is je ziel op Zoom…”.  Over het geluk van de moderne technologische uitvindingen waardoor we ondanks alle beperkingen toch contact met elkaar kunnen hebben (Exodus 35:30-35). Muziek: Sunshine (Adagio in d) van John Murphy, uit de film ‘Sunlight’.

Hoofdstuk 23: “… We denken in deze dagen veel na over onze sterfelijkheid. In de VS zijn we het aantal van meer dan een miljoen bevestigde gevallen van het coronavirus gepasseerd. Het begon aan de andere kant van de planeet. Het heeft in Amerika al meer slachtoffers gemaakt dan de hele jarenlange oorlog in Vietnam…”. Toch is het duidelijk dat God vierkant tegenover de dood staat: 1 Korintiërs 15:51-54. “… We vertrouwen er op, Heer, dat de zielen van onze geliefden de weg naar uw vaderarmen weten, zoals een vogel zijn nest vindt tussen de takken…”. Muziek: “Song for Athene” van Sir John Tavener, gezongen door het Westminster Abbey Choir.

Hoofdstuk 24: “… Er zal een dag komen waarop de laatste traan valt…” (Psalm 56:9 en Openbaring 21:4). Muziek: een eenvoudige versie van “Give Me Jesus” door Sara Watkins.

Hoofdstuk 25: “… Als vandaag je laatste dag zou zijn, zou je dan terug kunnen kijken op alle dagen die voorbij zijn en ‘amen’ kunnen zeggen?...” (Jesaja 55:12 en Lukas 19:40). Muziek: 'The UK Blessing–Churches sing "The Blessing” over the UK'. Meer dan 65 kerken en bewegingen zingen online de zegen.

 

Verandering

In hoofdstuk 26 vertelt Dalrymple over zijn twijfelen aan en zoeken naar geloof (Markus 9:23-25). Muziek: “Melancholy” door Alexey Kosenko.

Hoofdstuk 27. “… In het eerste deel van ‘In de ban van de ring’ treurt Frodo over het grote kwaad dat is losgebarsten in zijn generatie. Hij zegt: 'Ik wou dat dit niet had hoeven gebeuren in mijn tijd.' Gandalf reageert met evenveel medelijden als wijsheid: ‘Dat geldt ook voor mij, en voor allen die zulke tijden moeten meemaken. Maar wij gaan daar niet over. Het enige wat wij dienen te beslissen, is wat wij doen met de tijd die ons gegeven is.’…”. Dalrymple: “… Net als de ‘fellowship’ in ‘In de ban van de ring’, zeggen we ‘ja’ tegen Gods aanbod om een wereld in nood te helpen – en we kunnen alleen succes hebben als we samen dromen, werken en wandelen…” (Markus 6:7 en Esther 4:14). Muziek: “The Painted Veil” door Jean-Philippe Rio-Py.

Hoofdstuk 28. Over Romeinen 8:35-39: “… Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus…”. Muziek: “A Certain Lightness” door Mark Jaeger, met cellist Gautier Capuçon.

Hoofdstuk 29. Over trouw en ontrouw aan de hand van Hosea 2:21-23. “… Als komende generaties terugkijken op deze pandemie, wat zullen ze dan zien?...”. Muziek: “Porz Goret” van Yann Tiersen met dans van Tarek Rammo & Kami-Lynne Bruin.

Hoofdstuk 30. Als deze bijzondere tijd voorbij is, zullen we dan veranderd zijn? Zullen we ons leven anders leven (Ezechiël 37:1-3)? Muziek: een hoopvolle afsluiting met "De aankomst van de vogels" door The Cinematic Orchestra, van hun Flamingo-CD The Crimson Wing.

 

Uitgave: Van Wijnen / Franeker – 2021, vertaling Monica van Bezooijen, 144 blz., ISBN 978 905 194 594 2, 14,95

Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 2 maart 2021

Het duivelselixer – Ernst T.A. Hoffmann

 


 

In "De herinnerde soldaat" van Anjet Daanje (zie mijn vorige blog) speelt de klassieker "Die Elixire des Teufels" (1816), van de zwarte romanticus E.T.A. Hoffman een bescheiden rol. Geen wonder, want dit verhaal draait ook om het dubbelgangermotief. Was Amand dan toch een lookalike van de verdwenen man van Julienne? Maar hoe zit het dan met dat litteken onder zijn haar? Wilde ze hem zó graag terug dat ze de werkelijkheid naar haar hand zette? Voor wie meer over Hoffmann wil weten: de eminente biograaf Rüdiger Safranski schreef zijn debuut, "E.T.A. Hoffmann. Het leven van een sceptische fantast", over hem. Toevallig had ik "Het duivelselixer" hier liggen. Het leek me hét moment om het nog eens te herlezen.   

 

Hoffman: romantisch genie

De jurist annex ambtenaar Ernst Theodor Amadeus Hoffmann (1776-1822) uit Königsberg in Pruisen  was een geniale romanticus, die naast zijn officiële baan aan de weg timmerde als componist en musicus, zich de woede van de hoge heren op de hals haalde met het tekenen van karikaturen tijdens een carnaval waarmee hij zich een verbanning aandeed, en vanwege doorlopend geldgebrek ook nog eens schreef als een gek. Zijn derde voornaam heeft hij dan ook zelf veranderd: van Wilhelm naar Amadeus, à la Mozart. Hoewel zijn hart uitging naar muziek - hij gaf muziekles en schreef veel muziekrecensies - kon hij eigenlijk beter schrijven. Zijn leven was een aaneenschakeling van mateloos drankgebruik, conflicten, goklust, affaires, roem en schandalen. Hoffmann was nogal creepy. Ook uiterlijk, volgens degenen die hem kenden. Hij werd geobsedeerd door het kwaad en de menselijke waanzin, wat niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn nerveuze hang naar liederlijkheid tot uiting kwam. Zijn verhalen zijn dreigend, onrustbarend en geheimzinnig, en waren van invloed op  andere romantische horrorauteurs, zoals Edgar Alan Poe.

 

De schaduw

Hoffmann komt de eer toe voor het eerst in de literatuur een romanfiguur te hebben gecreëerd met een gespleten persoonlijkheid. De Italiaanse kunstcriticus Mario Praz in “Het verdrag van de slang”, over het thema van de persoonsverdubbeling tijdens het Mesmer-tijdperk (zie ook de prachtige roman “Het oog van de engel” van Nelleke Noordervliet): “… Men merkte op dat er bij gevallen van hypnose impulsen verschenen bij de patiënt, waarop de hypnotiseur geen enkele invloed had, en die een tweede persoonlijkheid onthulden, verschillend en vaak tegengesteld aan de normale persoonlijkheid, en de onderzoekers kwamen tot de conclusie dat deze tegenstrijdige karakters latent waren gebleven in een deel van de geest dat ontoegankelijk is voor het redelijke bewustzijn. Zo werd een sluier opgelicht van een hele nachtelijke kant van de psyche, en in deze opening stortten zich de romantische vertellers die werden aangetrokken door de overeenkomst tussen de betoveringen van de fabels en de wonderen van de nieuwe psychologie van het onbewuste…”.  Zie bijvoorbeeld “The strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde” (1886) van Robert Louis Stevenson. Gaat het hier om het fenomeen van ‘de schaduw’ van Jung, waardoor ook Amand in “De herinnerde soldaat” in ogenblikken van overmatige stress overweldigd werd?

 

Das Unheimliche

Martijn van Boven in een artikel over Hoffmann in “8 weekly” (05. 12. 2004): “… Hoffmann bevindt zich met zijn verhalen dan ook midden in een ontwikkeling waarbij de demonische dreiging van spoken, heksen en andere griezels zich verplaatst van de bovennatuurlijke schemerwereld naar het menselijke innerlijk. De mythologische figuren die het ongrijpbare kwaad representeren worden zo steeds meer binnen de menselijke psyche zelf gesitueerd. Aan het eindpunt van deze ontwikkeling staat de opkomst van de moderne psychologie van Sigmund Freud. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Freud zijn essay “Das Unheimliche” grotendeels gebaseerd heeft op Hoffmanns verhaal 'Klaas Vaak'…”. Het is fascinerend dat volgens de moderne kwantumtheorie ál onze uiterlijke omstandigheden projecties zijn van ons innerlijk. Van Boven: “… Ondanks het feit dat zijn psychoanalytische duiding te geforceerd is om geheel te overtuigen, zijn Freuds ideeën over het unheimliche nog steeds uiterst relevant. Volgens Freud wordt iets unheimlich als de grens tussen werkelijkheid en fantasie vervaagt. Het unheimliche is niet zozeer angstaanjagend omdat het vreemd en onbekend is, maar omdat het juist op vreemdsoortige wijze aan ons verwant is, terwijl we onszelf er niet zomaar van kunnen losmaken. Het is een spiegel waarin we geconfronteerd worden met onze eigen duistere kanten die we veelal zorgvuldig verdrongen hebben…”.  Hoffmans verhalen vertrekken dan ook altijd uit een ‘normale’ wereld die steeds ‘vreemder’ wordt, terwijl je niet weet of de gebeurtenissen zich in de werkelijkheid afspelen of in het hoofd van een verknipt persoon (zie bijvoorbeeld ook: “American Psycho” van Bret Easton Ellis).

 

Het borrelt en gist in zijn bloed

Het verhaal. Aan de hand van een manuscript dat Hoffmann zou zijn toegevallen, vertelt hij de geschiedenis van de Kapucijner monnik Medardus, die geboren werd in klooster annex bedevaartplaats de heilige Linde, waar zijn ouders een pelgrimsreis naar ondernamen, omdat zijn vader, die daar sterft, boete wilde doen voor een doodzonde. Een onbekende schilder zou de kerk in aanbouw prachtig hebben geschilderd, en nadat de klus was geklaard weer met de noorderzon zijn vertrokken. Medardus schrijft dat hij zich ook nog herinnert hoe een lange bejaarde man met een grijze baard hem vaak op zijn arm droeg en met hem speelde. Op een dag had hij een leeftijdsgenootje van Medardus bij zich. Met kleurige steentjes maakte het jongetje prachtige figuren in de vorm van een kruis (Jezus?): “… De oude pelgrim zei tot mijn moeder: ‘Vandaag heb ik voor u een bijzonder kind meegebracht, met de bedoeling dat hij in uw zoon de vonk van liefde zal ontsteken. Maar ik moet hem weer van u wegnemen en u zult hem noch mijzelf ook wel niet meer zien. Uw zoon is veelzijdig begaafd maar de zonde van zijn vader borrelt en gist in zijn bloed. Toch kan hij zich ontwikkelen tot een voorvechter van het geloof, als u hem zich geestelijk laat ontwikkelen.’…”. Zijn moeder is erg onder de indruk, en besluit rustig af te wachten wat het lot in petto heeft: zonder geld kom je immers nergens.

 

Het litteken

Als Medardus met zijn moeder terugkeert naar hun boerderijtje, in de buurt van een Cisterciënzerklooster, worden ze uitgenodigd door de vorstelijke abdis. De abdis drukt de kleine Medardus - die dan nog Franz heet - aan haar hart, waardoor zijn blanke halsje beschadigd wordt door het diamanten kruis om haar nek, wat een litteken veroorzaakt dat nooit meer verdwijnt (zie ook het litteken van Amand in “De herinnerde soldaat” van Anjet Daanje). De abdis staat verstelt van zijn vrolijke verhalen over de schilderijen in de heilige Linde en de vrome geschiedenissen die daarbij horen. Hij zou alles van het mooie jongetje hebben gehoord. Daarop vraagt de abdis zijn moeder of ze Franzje als haar pupil mag aannemen. Huilend van geluk keren ze huiswaarts. Eindelijk komt er een einde aan hun armoede, krijgt Franz betere kleren en les van de pastoor, onder wiens bezielende leiding hij het tot koorknaap en misdienaar schopt. Op zijn zestiende is Franz zover dat hij onder de hoede van de progressieve (want hij weet een uitstekende balans tussen het seculiere en heilige te bewaren) prior van een Kapucijnerklooster, Leonardus, in het seminarium van een nabijgelegen stad theologie mag studeren. Leonardus heeft schik in de leergierige jongen, geeft hem les in Italiaans en Frans, en leent hem allerlei boeken om zijn nieuwsgierigheid te stimuleren. Gaandeweg groeit bij Franz het verlangen de pij aan te trekken. Maar de prior heeft geen haast. Franz moet eerst nog maar wat in de wereld rondkijken. En of Franz nog ‘onschuldig’ is? Nou, met een kop als een boei moet hij wel erkennen dat hij per ongeluk de zus van de kapelmeester tegen het navenant blote lijf is gelopen. Zij en haar giechelende vriendinnen hebben hem daarna ook nog eens uitgelachen: “… Het was of ik door de grond zonk, ik werd ijskoud van binnen en rende radeloos weg naar het collegium en in mijn cel. Daar wierp ik mij vertwijfeld op de grond, hete tranen kwamen in mijn ogen, ik verwenste, ja vervloekte het meisje en mijzelf en daarna bad ik en lachte als een gek. Overal om mij heen hoorde ik stemmen die mij uitlachten en ik stond op het punt uit het venster te springen, maar gelukkig verhinderden ijzeren staven mij dit. Ik was er werkelijk afschuwelijk aan toe…”. De volgende dag weet hij zeker dat hij zo gauw mogelijk het klooster in wil, waar geen verzoeking hem meer kan treffen. En zo geschiedt en wordt Franz dus broeder Medardus.

 

Relikwieën

Na vijf jaar krijgt Medardus het toezicht over de kamer met relikwieën. De oude Cyrillus, van wie hij de zaak overneemt, maalt er niet om dat de voorwerpen onecht zijn: “… Is het niet heerlijk dat onze kerk ernaar streeft de geheimzinnige draden te grijpen die het aanschouwelijke met het bovenaardse verbinden…”? Het gaat om de suggestie: “… Maar de gelovige die zonder erover na te denken zich eraan overgeeft wordt vervuld van de bovenaardse verrukking die voor hem het rijk der zaligheid ontsluit dat hij op aarde slechts kan vermoeden. Op die manier wordt ook door een vermeende relikwie de invloed van de heilige opgewekt en de mens in staat gesteld kracht des geloofs te ontvangen van de hogere geest die hij om troost en bijstand heeft aangeroepen. En deze kracht zal zelfs in staat zijn om zijn lichamelijk lijden te overwinnen. Dat is de reden waarom deze relikwieën wonderen veroorzaken, die niet ontkend kunnen worden omdat zij vaak voor de ogen van het verzamelde volk geschieden…”. Dan laat broeder Cyrillus hem een kistje zien met een fles, waar volgens een legende, duivelselixer in zit, die de heilige Antonius aan de satan himself heeft ontfutseld. Zelfs de geur van de drank zou al helse visioenen opwekken. Onnodig te vermelden dat broeder Medardus de raad krijgt de fles goed op te bergen en nooit te ontkurken. Ondertussen bekwaamt broeder Medardus zich in de verkondiging van het heil. Al gauw preekt hij de sterren van de hemel, en trekt hij massa’s volk. Het maakt hem trots en hoogmoedig. Hij begint op zijn medebroeders en de prior neer te kijken: “… Ik wilde dat zij in mij de heilige erkenden die hoog boven hen verheven was…”.  De prior waarschuwt hem voor de verkeerde toon die hij in zijn preken hoort, maar broeder Medardus negeert alle kritiek…

 

De wereld in

Tot op de dag van de heilige Antonius de kerk zo stampvol is dat de deuren wijd openstaan zodat het toegestroomde volk hem buiten het gebouw ook kan horen, en Medardus een ongelooflijke engerd in een om hem heen geslagen paarse mantel tegen een pilaar geleund ziet staan, die hem met grote, zwarte, diepliggende ogen in een lijkbleek gezicht aanstaart: “… De hele verschijning had iets verschrikkelijks, iets ontzettends! Ja, het was de onbekende schilder uit de heilige Linde. Het leek wel of ijskoude vuisten mij aangrepen, druppels angstzweet stonden op mijn voorhoofd, ik verloor de draad van mijn betoog, mijn woorden werden verwarder, er klonk gefluister en gemurmel in de kerk…”. Uiteindelijk valt hij flauw, en komt hij bij in bed met de oude broeder Cyrilles op een stoel naast zich, die denkt dat zijn koortsige fantasie een drogbeeld heeft geschapen. Alle inspiratie en iedere bezieling is Medardus kwijt. Als een jonge graaf en een gouverneur de relikwieën van het klooster willen zien, halen dezen de schouders op over het verhaal rond het duivelselixer, denken dat het eerder om een ongelooflijk oude fles Romeinse wijn gaat, openen de fles en nemen een slok, waarna ze bevestigen dat de drank hemels is. Van de geur alleen al kikkert Medardus op. In een zoveelste slapeloze en gekwelde nacht besluit Medardus ook een slokje duivelselixer te gaan nemen. Om weer spraakwater op te doen. En inderdaad, binnen no time is hij weer de preektijger die hij was. Alleen zijn moeder en de abdis zijn minder te spreken over hem. Zijn woorden zouden ijdel en werelds zijn. Dan komt er een gesluierde vrouw bij hem biechten die hem onder tranen belijdt dat ze hem onuitsprekelijk lief heeft. Gaat het om een verleidelijk drogbeeld van de boze? Weg is zijn gemoedsrust. Alles wat hij weet is dat ze op de heilige Rosalia lijkt aan wie in de kerk een altaar is gewijd, waarvoor hij zich tot afgrijzen van zijn medebroeders, huilend en jammerend tot bloedens toe met een touw vol knopen geselt. Prior Leonardus maakt een einde aan deze vertoning door Medardus met een opdracht naar Rome te sturen: “… Ik geloof zelfs dat de wereld je beter van je dwalingen zal kunnen genezen dan het klooster, als je die wereld met vroomheid doortrekt…”. En zo slaat de kloosterpoort achter Medardus dicht, is hij vrij en kan hij “… haar, zonder wie geen rust en geen heil voor mij op aarde te vinden was net zo lang volgen tot ik haar gevonden had…”. De rest van de geheimzinnige wijn heeft hij in een mandenfles op zak. 

 

Tweede ik

Terwijl Medardus door schier onbegaanbaar gebergte trekt, ziet hij een slapende man op een uitstekende rotspunt boven een afgrond zitten. Als hij hem vanwege zijn gevaarlijke rustplaats wakker wil schudden, schrikt de man zo hevig dat hij zijn evenwicht verliest, en schreeuwend in de diepte valt. Daarop begint de duivel te dansen. Een jager komt uit het struikgewas tevoorschijn die Medardus duidelijk aanziet voor de man die in het ravijn is gestort. Medardus besluit het spelletje mee te spelen en laat zich mee tronen naar een groot kasteel, waar een adellijke familie door zoveel ingewikkelde verbanden met elkaar is verknoopt, dat je je hersens er goed bij moet houden. Volgens mij zit het zo: de oude baron is een voormalig weduwnaar met twee kinderen, de depressieve Hermogen en de maagdelijke Aurelie, die de voor haar in vuur en vlam uitbarstende Medardus aan de heilige Rosalia herinnert. De oude baron heeft een nieuwe vrouw getrouwd, die echter verliefd is op de in de afgrond gestorte man, graaf Victorin, wiens plaats Merdardus dus heeft ingenomen. Ze denkt dat Victorin zich heeft verkleed als geestelijke. Echter, voor de rentmeester en goede vriend van de baron, Reinhold, is Medardus wel degelijk de monnik, onder wiens gehoor hij ooit heeft gezeten, en die misschien in staat is Hermogen uit de put te praten. Medardus gaat mee in de foute affaire met de barones, wat op den duur een ontzettend complexe zaak wordt, maar het gaat mij natuurlijk om Hoffmanns beschrijving van het dubbele. Medardus: “… ik ben dat wat ik schijn te zijn en schijn niet te zijn wat ik ben, ik ben twee in één en een ondoorgrondelijk raadsel voor mijzelf…”. Alleen de gekke Hermogen schijnt wat in de gaten te hebben. Hoffmann: “… Het is typerend voor waanzinnigen dat zij in nauwer contact met de geest staan en, onbewust geïnspireerd door de invloed van een ander, vaak het verborgene in ons doorzien en op merkwaardige manier uitspreken zoals wij de angstaanjagende stem van een tweede ik horen…”. Een en ander resulteert in moord en doodslag, terwijl in alle ontstane paniek zelfs de bloederige gestalte van de verongelukte Victorin opduikt. Medardus kiest wijs het hazenpad.

 

Belcampo

Vervolgens komt Medardus in een dorpje terecht waar hij zich moet verantwoorden voor de rechter omdat hij sprekend op een bendehoofd lijkt. Daarna verzeilt hij in een handelsstad, waar hij in een herberg een potsierlijk, klein, broodmager mannetje ontmoet: de kapper van het huis. Hij stelt zich voor als Peter Schoonfeld, alias Pietro Belcampo. Daar haalde ‘onze’ Belcampo dus zijn pseudoniem vandaan!  Hij gaat naar een expositie waar allerlei schilderijen te maken hebben met zijn vroegere leven. Als hij uiteindelijk de anonieme schilder ontmoet blijkt hij de vreselijke onbekende in de paarse mantel uit de kerk te zijn. De schilder beschuldigt Medardus en plein public van moord, maar met behulp van Belcampo weet hij per postkoets te ontsnappen. Tijdens een hevig onweer krijgen ze panne in een donker woud en wordt hij opgevangen door een houtvester, die een krankzinnige monnik in huis heeft, die warempel ook weer onder Medardus’ identiteit leeft: “… Meer dan ooit met mijzelf in tweestrijd kwam het mij voor alsof ik twee wezens was, wat mij deed huiveren…”. Tijdens een jachtpartij schiet Medardus tot ieders stomme verbazing zonder te mikken in het wilde weg twee vogels uit de lucht: “… Het leek wel alsof ik in de duisternis het geweer in een heel andere richting had gehouden en toch waren de patrijzen geraakt…”. Het is duidelijk: de duivel speelt met hem. Als hem wordt verteld dat een schilderij van een vrouw die sprekend op zijn pleegmoeder, de abdis, lijkt in feite haar zuster is, de vorstin, is hij niet meer te houden. Misschien kan zíj hem van de kwade macht die in hem huist afhelpen.

 

Gokverslaving

Aan het hof is iedereen welkom die iets met wetenschap of kunst heeft. Al gauw nodigt de vorst hem uit voor een gokspel (faro). Eerst verliest Medardus, maar de kaart van de vrouw, die - serieus - op Aurelie lijkt, bezorgt hem bergen goud. Medardus: “… Ik begreep dat niet ik die ongewone voorvallen had veroorzaakt, maar de onbekende macht die in mijn wezen was gedrongen en dat ik niet meer was dan een willoos werktuig waarvan die macht zich bediende met bedoelingen die ik niet kende. Maar dat ik die tweespalt in mijzelf erkende troostte mij ook, omdat zij het bewijs was van eigen kracht die, sterker wordend, de duivel zou weerstaan en bestrijden…”. Even verder: “… ik ben er zeker van dat het werkelijke gevaar van het spel niet schuilt in de kans door veel te verliezen in een moeilijke positie te raken, maar in de zorgeloosheid waarmee men het opneemt tegen de geheimzinnige macht die uit de duisternis tevoorschijn komt en ons als een verleidelijk drogbeeld weg lokt naar een plek waar zij ons grijpt en vernietigt. Juist de strijd met die macht is het verlokkende waagstuk dat de mens, die kinderlijk op zijn kracht vertrouwt graag wil ondernemen en waar hij tot zijn dood niet meer buiten kan als hij er eenmaal mee is begonnen…”. Hoffmann was zélf vatbaar voor verslavingen (zie ook: “De speler” van Dostojewski). Aan het hof komt Medardus er achter wie zijn vader in werkelijkheid was, en hoe hij zonder het te weten exact in zijn voetsporen is getreden. Het is een en al ‘determinisme’ wat de klok slaat. Tot overmaat van ramp arriveert er ook nog eens nieuwe hofdame: Aurelie. Ze wordt niet goed als ze Medardus herkent, volgens haar de moordenaar van haar broer, waardoor hij in de gevangenis belandt. Op het nippertje ontsnapt hij aan de doodstraf als de gekke monnik die bij de houtvester bivakkeerde, opduikt, en zijn plaats inneemt, waarop Aurelie en Medardus een verpletterende verliefdheid voor elkaar opvatten, die - alweer - eindigt in moord en doodslag, en dat nog wel op hun huwelijksdag. Net als in “De herinnerde soldaat” wordt ook in dit verhaal een en ander getriggerd door een - in dit geval nogal verdorven – roman: “De Monnik” (1796) van Matthew Gregory Lewis. Tussendoor schudt Hoffmann een heel referaat over het verschil tussen kunst en kitsch, tussen echt en onecht uit zijn mouw.

 

Sterk als de dood is de liefde (Hooglied 8)

Medardus vindt zichzelf na maanden terug in een krankzinnigeninrichting van de ‘Broeders van Barmhartigheid’ (zie het Guislaingesticht in "De herinnerde soldaat"). Belcampo, het rare kappertje, die hem in apathische toestand heeft gevonden, is geen moment van zijn zijde geweken. Als Medardus eindelijk is opgeknapt, hervat hij zijn pelgrimstocht naar Rome. In een daar vlakbij gelegen klooster biecht hij al zijn zonden op, doet op vreselijke wijze boete, heeft ondertussen visioenen waar de schilderijen van Jeroen Bosch bij verbleken, en krijgt het schildersboek in handen van de enge, oude schilder in de paarse mantel die hem overal onzichtbaar heeft gevolgd (de laatste was zelfs een gewezen leerling van Leonardo da Vinci). Daarin wordt Medardus’ uiterst ingewikkelde familiegeschiedenis uit de doeken gedaan. Merdardus blijkt uitverkoren te zijn om het gevecht tussen de goede en kwade machten in hun bloed definitief te beklinken. Als je het hebt over de erfzonde... In Rome valt Merdardus boetvaardigheid zo op dat hij al gauw door het volk ‘Il Santo’ wordt genoemd. Hij moet zelfs bij de paus op het matje komen, die hem maant zich niet zo aan te stellen. Wanneer de paus hem beter leert kennen wil hij Medardus als zijn biechtvader aanstellen, omdat hij denkt dat Merdardus hogere inzichten heeft, die hij zich eigen wil maken. Zo zuiver op de graat lijkt mij die paus dus niet. Medardus weet op het nippertje te ontsnappen aan een stel jaloerse geestelijken, en gaat tenslotte weer op weg naar het klooster waar hij vandaan komt, waar hij nog net Aurelie’s inauguratie als non mee mag maken, vóór ze wordt vermoord door zijn krankzinnige dubbelganger. Ze fluistert hem toe dat ze samen ‘de zonden der vaderen’ hebben uitgeboet. Eind goed, al goed. Na haar dood is ze Medardus meer nabij dan ooit. Als dat niet het toppunt van romantiek is!

 

Uitgave:  L.J. Veen – 1981 (Amstelpaperback), vertaling Johan van der Woude, 285 blz., ISBN 902 045 379 3, alleen nog tweedehands verkrijgbaar