Menu

dinsdag 20 oktober 2020

Eiland van heiligen en geleerden – Niek Bakker

 


Subtitel: De Iers-Christelijke kerk in de vroege middeleeuwen

 

Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik vind onze tweede semi-lockdown erger dan de eerste. Gingen we tijdens de vorige de zomer tegemoet en konden we tenminste nog naar buiten waar het steeds lichter en warmer werd, nu gaan we met weinig positieve vooruitzichten ook nog eens richting winter. Wordt het steeds donkerder en kouder. Een manier om niet af te zakken in algehele somberheid is, voor mij althans, op zoek te gaan naar schoonheid. Misschien is het mooiste boek dat er in de wereld bestaat wel het "Book of Kells" (ca. 800 na Chr.): de grootste kunstschat uit de Keltische geschiedenis. “… Jaarlijks komen mensen uit alle delen van de wereld naar Trinity College in Dublin om het wondere boek te zien…”. Umberto Eco schreef: “… Dit oude manuscript, dat al meer dan duizend jaar oud is, spreekt ons over iets dat ons heel diep raakt. Het spreekt over een wereld opgebouwd uit paden die zich vertakken in tegenovergestelde richtingen, over avonturen van de geest en van de verbeelding die niet verhaald kunnen worden…”. Niek Bakker: “… Bijna alle 680 bladzijden zijn kunstwerken. De inhoud van het boek wordt gevormd door de vier evangeliën, die uitbundig en weergaloos kunstzinnig zijn geïllustreerd. In dit oude boek hebben het heilig Woord en de mooiste kunst elkaar gevonden. Meer dan dertig bladzijden zijn enkel afbeeldingen, waarin menselijke figuren, dieren, planten en geometrische vormen voorkomen. Wie goed kijkt ziet steeds meer. Letters monden uit in tekeningen en tekeningen worden letters of blijken bij nader inzien letters te zijn… “. En even verder: “… Een vakman verklaarde dat enkel een bepaald stuk sierrand van zes vierkante centimeter al veertien dagen werk moet hebben gekost. Aan het boek hebben verschillende verluchters gewerkt. Een ervan, door de Franse kunsthistorica Françoise Henry de ‘Illustrator’ genoemd, heeft misschien zijn hele leven eraan gewerkt. Van de grootste verluchter, ‘de Goudsmid’, wordt vermoed dat hij bijziend was en zijn handicap uitbuitte door werelden in miniatuur te scheppen, zo ingewikkeld dat iemand met een normaal gezichtsvermogen ze niet had kunnen maken…”.  Ik kwam het "Book of Kells" op het spoor toen ik een aantal schitterende reportages zag die een priester, Roderick Vonhögen, voor de KRO/NCRV maakte over de mysterieuze Keltische Kerk, waaruit het boek is voortgekomen: 'Pelgrim in Ierland',  'Veerkracht van Ierland', 'Bij de Kelten I', 'Bij de Kelten II' en 'Bij de Kelten III'. Tussen mijn boeken bevond zich een zeer lezenswaardige verslag over de Keltische Kerk van anglist, docent en cultuurwetenschapper Niek Bakker (1939 – 2002).

 

De Galaten van Paulus

Oude geschiedschrijvers uit de vijfde eeuw vertellen hoe de Kelten vanaf de bronnen van de Donau, een uithoek van de beschaafde wereld, al rovend en vechtend uitwaaierden over het Europese vasteland naar het einde van de wereld: de eilanden Brittannië en Ierland. “… De Grieken noemden hen: Keltoi en Galati, de Romeinen Celti en Galli. De Galaten aan wie Paulus schreef, de Galliërs in West-Europa en de bewoners van Brittannië (nu Engeland), zijn Keltische volken die door de Romeinen werden verslagen, overheerst en onderdrukt. Ierland vormde een uitzondering. Het is een Keltisch land dat nooit door de Romeinen werd veroverd…” (zie ook: de stripboeken over Asterix en Obelix). De oude verslagen over de Kelten moeten we niet met een korreltje, maar met een hele pot zout nemen. De Romeinse geschiedschrijvers hebben hun informatie meestal ook maar van horen zeggen en objectief zijn ze al helemaal niet. De Kelten waren er in 390 voor Christus in geslaagd Rome te plunderen, wat een onvergetelijke schande was. Van wat er is overgeleverd rijzen je haren ten berge.

 

Bosduivels

Volgens de Griekse schrijver Diodorus – eerste eeuw voor Christus – zijn de Kelten bijzonder groot. “… Hun kleding vindt hij verbazingwekkend: ze dragen felgekleurde geborduurde blouses en mantels die aan de schouder met een speld zijn vastgemaakt. Hun haar is blond, maar niet van nature. Ze maken het wit in kalk en kammen het vanaf hun voorhoofd naar achteren. ‘Ze zien eruit als bosduivels, met hun haren dik en ruig als de manen van een paard.’ Afschrikwekkend is hun wijze van vechten. Naakt gaan ze in de strijd. Met zwaarden wordt ritmisch op schilden geslagen, onwelluidend wordt op hoornen geblazen en er is een enorm geschreeuw van harde ruwe stemmen. Zo zwepen ze zich op tot de strijd. Hij vertelt dat ze ook dichters hebben die ze barden noemen. Ze zingen begeleid door instrumenten die op lieren lijken. ‘Ze hebben ook zekere filosofen en theologen, die ze speciale eer geven en die ze Druïden noemen.’ Diodorus noemt, evenals andere schrijvers hun gewoonte om de afgehouwen hoofden van de vijanden boven de deuren van hun hut te spijkeren, en hij vertelt over een andere ‘vreemde en ongelooflijke gewoonte. Iemand wordt met de dolk in de streek boven het middenrif gestoken, en wanneer hij gevallen is wordt de toekomst voorspeld uit de wijze waarop hij viel, uit de stuiptrekkingen van de ledematen, en het stromen van het bloed.’…”. Schrijvers als Strabo en Julius Ceasar hebben het over “… de furor (zoals de Romeinen het noemden) waartoe ze zich opwerkten, een soort trance waarin de ‘blonde reuzen’ door magische riten geraken, waarna ze zich één voelen met hun goden en waardoor de angst voor de dood wordt verdreven…”. Ene Solinus (anno 253) weet te melden dat de Kelten in Ierland het vee uit de wei moeten halen omdat het zich anders te barsten vreet. Verder zijn er weinig vogels en geen slangen. De bewoners zijn ongastvrij en oorlogszuchtig. “… Overwinnaars drinken het bloed van de verslagenen en smeren het bovendien op hun gezicht. De Ieren varen in boten opgebouwd uit een vlechtwerk van hout en bedekt met de huiden van ossen…”: de currach. “… Dat  wondere scheepje waarin de heilige en geleerde Brandaan zijn avontuurlijke tocht maakte, een reis waarop hij, naar Ieren ons graag willen doen geloven, Amerika heeft ontdekt…”. Hieronymus (370-420), vertaler/schrijver van de Vulgaat, beweert dat hij in Gallië ‘Scots’ (zo noemden de Romeinen de Keltische stammen in Ierland) heeft gezien. Kannibalen van het ergste soort die de billen van loslopende herders en de borsten van hun ega’s beschouwen als een bijzondere lekkernij. Bovendien hebben ze geen eigen vrouwen, maar seksen ze met alles en iedereen die ze tegenkomen: “… Ze volgen elk hun begeerte en vermaken zich als de dieren in het veld…”.

 

Koude en onverschillige goden

De prachtige manuscripten en unieke voorwerpen die zijn gevonden, vertellen een ander verhaal. De conclusie van Niek Bakker: “… Eeuwenlang hadden de Kelten getracht in harmonie te komen met het eeuwige, met de ‘andere wereld’. Hiervoor was geen offer te zwaar. Gedreven door onzekerheid, door angst, op zoek naar de wereld achter de werkelijkheid, kwamen de druïdische leiders ertoe mensen te offeren aan de goden. De goden waren grillig, onberekenbaar en veeleisend. Waar is mijn god? Hoort hij mij? Is mijn offer voldoende? De goden van de Kelten waren koud. Ze stonden onverschillig tegenover het geroep om hulp van de aardbodem. De Keltische kunst laat het ons zien, eerlijk en duidelijk: de goden, met hun starre ogen en opgetrokken mondhoeken houden de mens op afstand. Met lichte spot zien ze neer op de ijver van hun volgelingen…”. De Kelten ontwikkelden geen geschreven taal. De overdracht van hun kennis vond uitsluitend mondeling plaats. Bovendien waren ze constant op pad zodat ze geen indrukwekkende steden hebben nagelaten. Vandaar dat er zo weinig over hen bekend is.

 

De vroege Hallstattkunst

George Ramsauer vond in de zoutmijnen van Hallstatt, bij Salzburg in Oostenrijk, bijna duizend graven gevuld met oorringen, broches, gespen, speerpunten, bijlen, potten en vazen, veelal gemaakt van een materiaal dat nieuw was: ijzer. “… Uit de vondsten blijkt dat de Kelten prachtige kunstvoorwerpen konden maken die een hoog ontwikkelde cultuur aangeven. Veel motieven in deze kunst zijn aan de natuur ontleend, maar met vormen zo gestileerd en schetsmatig, dat ze bijna abstract zijn. Het is een kunst van zigzaglijnen, concentrische cirkels, spiraalvormen, met vogel- en andere dierfiguren…”. De kunst uit de Hallstattperiode (vroeg-Keltisch, 750 – 500 v. Chr.) is strak en sober: “… De ogen uit de Hallstattkunst kijken niet, maar staren. De gezichten zijn maskers. Het zijn zozeer maskers dat we, gelet op Keltische gebruiken, met enige zekerheid mogen aannemen dat deze echt zo bedoeld zijn. Het dragen van maskers was een gebruik onder de Kelten. Het gezicht, het hoofd van iemand was meer dan het oog kon zien. Van de ogen, de mond, het hele gezicht ging kracht uit. In het hoofd schuilde iets onzichtbaars, iets dat niet alleen een geheimzinnige macht had over de persoon zelf maar ook op anderen. Op allerlei voorwerpen in de Keltische kunst komen we hoofden tegen. In de strijd werd bij voorkeur het hoofd eraf gehakt. Met het bezit van het hoofd had men ook macht over de krachten die daarbinnen onder de schedel schuilden. Een kracht die meer, en ook wat anders was dan het geheel van hersenen, beenderen, vlees en bloed. De goden hadden in deze stoffelijke zaken een geheimzinnige, magische energie gelegd. Het masker kon iemand een ander gezicht geven en de daarachter verborgen kracht verhullen. De ware aard kon verborgen worden achter een andere vorm. Maar het is ook mogelijk dat aan de nieuwe, door het masker geschapen vorm op zich een magische betekenis werd gegeven…”. Eeuwen later beelden de christelijke kerken in hun evangelieboeken het gezicht van de mens nog steeds niet natuurgetrouw af: “… Raadselachtige mensen met strak starende ogen kijken ons onbewogen aan…”.

 

De late La Tènekunst

In 1857 daalt het meer van Neuchâtel in Zwitserland tot een ongewoon laag peil en wordt er een groot aantal Keltische artefacten, waarschijnlijk offeranden aan de goden, naar boven gehaald. “… De versiering op de voorwerpen is minder strak en minder geometrisch dan de decoratie op de voorwerpen uit de Hallstattperiode. Het is sierlijke kunst met lijnen die als ranken en slangen over de kunstvoorwerpen slingeren en kronkelen…”. Alle objecten die elders in Keltisch Europa worden gevonden en hierop lijken heten voortaan naar de eerste vindplaats in Zwitserland ‘La Tène’ ( laat-Keltische periode, 500 v. Chr. – 150 n. Chr). “… Het is een kunst met menselijke wezens, goden en dieren. Maar dan niet in natuurgetrouwe afbeeldingen, maar in – soms beangstigende – vervormingen. Het zijn mensen (of goden?) met gemaskerde gezichten, uitpuilende ogen en grimmig naar beneden getrokken mondhoeken. De gemaskerde gezichten zijn tot op de kleinste gebruiksvoorwerpen als gespen en spelden te vinden, soms tot enkele lijnen, tot enkele details teruggevoerd, waardoor de afbeelding van de mens tot de weergave van een gedachte aan de mens, tot een idee, is teruggebracht. De metaalsmeden uit deze periode hebben het materiaal meestal tot de allerlaatste millimeter benut. La Tène is een kunst waarin, zoals iemand kernachtig beschreef, schoonheid en afschuwelijkheid samengaan. Ineens zien we, verpakt in minutieus uitgewerkt filigraanwerk, een afgehakt mensenhoofd, of een katachtig roofdier dat niets vermoedende eenden bespringt…”. Vergeleken met het oude Griekenland: “… Voor de Grieken is een spiraal een spiraal en een gezicht een gezicht, en het is altijd duidelijk waar het ene eindigt en het andere begint, terwijl de Kelten de gezichten ‘zien in’ de spiralen en ranken: dubbelzinnigheid is een karakteristiek van de Keltische kunst. (…) Het is het mechanisme van dromen, waar dingen vloeiende omtrekken hebben en in andere overgaan…”. De vroegmiddeleeuwse religieuze Ierse kunst stoelt op deze motieven en zie je ook in het “Book of Kells” terug.

 

Voorchristelijke ideeën

De Kelten vereerden zeker 400 goden  waarvan de meesten gelukkig alleen maar plaatselijk aanwezig waren: “… Slechts een klein aantal had bredere bekendheid, zoals de god Lug, waarvan we de naam nog tegenkomen in plaatsen als Lyon (Fr.), Léon (Sp.) en Leignitz (Silezië)…”. Als je de Romeinen mag geloven, werden ze met een grote intensiteit gediend. Via Julius Caesar weten we dat de druïden, de middelaars tussen goden en mensen, een lange opleiding kregen en het ‘onbetamelijk vonden hun studies aan het papier toe te vertrouwen’. “… De cultusdiensten werden gehouden in heilige wouden, bij een  specifieke heilige boom (meestal een eik), bij bronnen en aan rivieren. Hierbij werden ook mensenoffers gebracht. Na de strijd werden de hoofden van de verslagen vijanden aan het zadel gehangen of op een speer omhoog gestoken, daarna wel met olie gebalsemd en als schatten in kisten bewaard. Toch waren de Kelten geen koppensnellers zonder meer. Uit alles blijkt dat er ook meer aan de hand is dan de vergroting van status en macht door het bezit van veel hoofden. Maar wat is dat meerdere? Het is aan de hand van de kennis die we nu nog bezitten en vanuit onze eigen gedachtewereld onmogelijk de Keltische geest binnen te dringen, om zo van binnenuit te begrijpen wat hen ertoe bracht de meest gruwelijke offers te brengen…”. In de Keltische kunst komen ook afbeeldingen van goden met twee of drie hoofden voor. Een voorchristelijk idee van de goddelijke drieëenheid? De Kelten geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel en dat er een dag zou komen dat vuur en water de overhand krijgen (zie Jesaja 24: ‘Oordeel over de aarde’). De christelijke filosoof Willem Ouweneel schreef ooit dat als de wereld zich vanuit één oeropenbaring heeft ontwikkeld (zie het Bijbelse verhaal over Adam en Eva of specifieker Noach) het niet verwonderlijk is dat overal Bijbelse echo’s gehoord worden.

 

De macht van taal

De oude Ierse verhalen zijn anders dan de verhalen die over hen de ronde doen via de Grieken en Romeinen. In de oude verhalen zijn de goden afwezig: “… Er zijn andere wezens gekomen, bovennatuurlijke wezens die in heuvels wonen, (…) schimmige figuren, die erg gevaarlijk kunnen worden, en die je te vriend moet zien te houden…”. De magie van de druïde moet helpen in harmonie te komen met deze bovennatuurlijke ‘andere wereld’. Alleen de druïde kent de weg in dit magische labyrinth waarin men gedoemd is angstig rond te dwalen. De politieke eenheid in de Ierse samenleving is de stam of tuath en de belangrijkste persoon is de koning die als in een huwelijk met de vrouwelijk geachte tuath is verbonden. De welvaart van de stam is afhankelijk van de volmaaktheid en rechtvaardigheid van de koning. Het gewijde karakter van de koning hangt samen met allerlei taboes of gessa. “… Nog groter dan de macht van de koning was de macht van de taal. Zo groot dat de fili, de wetenschapper en dichter in het oude Ierland, met een smaadgedicht de ondergang van de koning kon bewerken…”. Omdat kennis mondeling wordt overgedragen moeten de fili enorm veel weten. Ze zijn wandelende encyclopedieën. In de latere kloosterscholen leren de religieuzen nog steeds hele stukken uit de Bijbel en alle psalmen uit het hoofd. Het oude Ierland kent ook het pleegouderschap. Vanaf hun zevende tot hun zeventiende, en meisjes tot hun veertiende, krijgen welgestelde kinderen hun opvoeding in het pleeggezin van een aite en muime (papa en mama). De band tussen pleegkind en pleegouders is heel sterk, net zoals dat later tussen de abt van een christelijk klooster en zijn pupillen het geval zal zijn.

 

Saint Patrick

Er zijn boekenkasten vol geschreven over Saint Patrick, de heilige die het christendom naar Ierland heeft gebracht. Twee documenten van hem hebben de tand des tijds doorstaan. Zijn “Bekentenis”: een in moeizaam Latijn geschreven levensgeschiedenis. En zijn “Brief aan Coroticus”: een felle aanklacht tegen slavernij.  Patrick blijkt op zestienjarige leeftijd door Ieren te zijn gekidnapt uit Brittannië, waarna hij als slaaf zes jaar lang in extreme weersomstandigheden schapen heeft gehoed. In die tijd is het geloof, dat hij van huis uit meekreeg, veel voor hem gaan betekenen. In een droom gebiedt God hem te vluchten en aan te monsteren op een schip, dat hem waarschijnlijk ergens op het Europese vasteland afzet. Van daaruit lukt het hem thuis te komen. Wederom krijgt hij dromen waarin hem gevraagd wordt naar Ierland terug te gaan om er het evangelie te prediken. Patrick lijkt in een geschiedkundig vacuüm te hebben geleefd. Pas twee eeuwen na zijn dood begint zijn naam hier en daar op te duiken: “… In het ‘Book of Durrow’ (7de eeuw) staat een aantekening van een kopiist die hem ‘priester’ noemt…”. Muirchú en Tírechán komen met zijn levensbeschrijvingen: “… Maar deze verhalen zijn in hoge mate onbetrouwbaar. Want wat is de waarde van Muirchú’s verhaal wanneer hij ons komt vertellen dat Coroticus aan het eind van zijn leven (letterlijk) in een vos veranderde?...”. En over Patrick’s vermeende mirakels, waar hij het nergens over heeft: “…Twee eeuwen later blijkt hij ontelbare wonderen te hebben verricht: hij genas zieken, wekte doden op, en zette de natuur op allerlei wijze naar zijn hand…”.  Bakker: “… Talrijke rooms-katholieke kerken, scholen en andere gebouwen dragen de naam van Patrick. Het is de meest voorkomende naam voor vooral katholieke jongens en meisjes. Namen als Pat, Patricia, Patsy, Paddy, zijn van Patrick afgeleid…”.

 

Op avontuur voor Christus

“… De kerk van Ierland na Patrick is de oud-Ierse of Keltische kerk…”. Het kerkelijk leven speelde zich af in kloosters, centra van wetenschap en cultuur, op het platteland. Van daaruit vertrokken veel missionarissen naar Europa om ‘op avontuur te gaan voor Christus’ (de ingekakte Rooms-Katholieke kerk op het vasteland maakte zich in die dagen niet druk op het gebied van zending). “… ‘Wat is het beste ter wereld dat iemand kan doen?’ vraagt zendeling Columbanus. Het antwoord is: ‘De wil te doen van zijn Maker. Wat is die wil? Dat we doen wat hij bevolen heeft, dat betekent, dat we rechtvaardig zullen leven en vol toewijding het eeuwige zullen zoeken. Hoe komen we daartoe? Door studie.’ Deze zin voor studie heeft ertoe bijgedragen dat er in Europa beroemde klooster-cultuurcentra zijn ontstaan, met hun grote en bekende bibliotheken, zoals Luxeuil in de Vogezen en Bobbio in Noord-Italië, beide door Columbanus gesticht…”. De Keltische kluizenaars hadden een opmerkelijke en fijn afgestelde antenne voor de natuur: “… Wanneer we onder spiritualiteit de wijze verstaan waarop mensen hun geloof beleven en tot uitdrukking brengen, dan zien we bij de Ierse vromen een krachtige spiritualiteit, verankerd in een diepe persoonlijke verbondenheid met God. Gelijktijdig is er een sterke band met de natuur, met de dieren en plantenwereld; met heel Gods schepping, waarover in talrijke gedichten met ontzag en verwondering wordt gesproken. Spiritualiteit is een levenshouding geworden. Het is de wijze waarop met de medemens en de schepping wordt omgegaan…”. Er ontstonden allerlei conflicten tussen de Keltische en Rooms-Katholieke geestelijken. Bijvoorbeeld over de Paasdatum. De Keltische kerk liet de Pasen samenvallen met het joodse pascha. De roomse kerk zorgde ervoor dat de Pasen nooit op de dag viel dat het joodse pascha werd gevierd. De roomse geestelijkheid knipte hun tonsuur in een rand ter herinnering aan Christus’ doornenkroon. De Keltische geestelijkheid knipte het haar van oor tot oor weg en liet het van achteren lang. Volgens boze tongen de haardracht van de heidense druïden.

 

De Keltische geest

Niek Bakker schrijft uitgebreid over de heilige Columba van het eilandje Iona en bisschop Aidan van het eilandje Lindisfarne. Over Columbanus die helemaal naar Frankrijk en Italië trok. Over Gallus die als heremiet in Zwitserland leefde. Over Willibrord, de apostel der Friezen. En Bonifatius, de apostel der Duitsers, die de Keltische kerk in de Rooms-Katholieke trachtte te laten opgaan. Heeft hij meer Ieren ‘hervormd’ dan heidenen ‘bekeerd’? In ieder geval: “… Op het Europese vasteland hebben Columbanus en zijn leerlingen meer dan honderd kloosters gesticht, waarvan sommige de grootste burchten der wetenschap in de middeleeuwen waren…”. Ze vestigden zich als kluizenaar in de rimboe, of zoals zij dat noemden ‘woestijn’, en vervolgens trokken ze leerlingen dan wel studenten aan. Echter, “… Nadat Rome de Keltische geest uit de kerk had gehaald, komen de Noormannen om het lichaam te gronde te richten. In 795 wordt Iona door de Noormannen verwoest…”. Niek Bakker: “… De geschiedenis van de Keltische kerk lost op in de geschiedenis op het continent. De regel van Columbanus verdwijnt. Eigen Keltische traditie, eigen gewoonten, eigen kerkelijke organisatie, eigen vormen van geloofsbeleving, dat alles sterft uit of wordt geïntegreerd in het vanuit Rome geleide kerkverband. De oud-Ierse kerk wordt verleden tijd. De Keltische kerk verdwijnt. Maar niet zonder ons enkele grote verrassingen te hebben nagelaten. Zoals de geheimzinnige en schitterende boekschilderkunst…”. Magische werken die volgens overleveringen zelfs in water niet ten gronde gaan en vee kunnen genezen. Toverboeken bijna…

 

Uitgave: Oosterbaan & Le Cointre – 1990, 224 blz., ISBN 978 906 047 937 7, alleen tweedehands verkrijgbaar

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

woensdag 14 oktober 2020

De wijde Sargassozee – Jean Rhys

 


Het antwoord van Jean Rhys op de monumentale roman van Charlotte Brontë dus (zie mijn vorige blog). Onlangs bracht uitgeverij Orlando “De wijde Sargassozee” uit 1966 opnieuw uit. Na jaren schrijven, schaven en schrappen, voltooide Jean Rhys op 76-jarige leeftijd het boek dat haar wereldberoemd zou maken. Toen het eenmaal gedrukt was, mopperde ze dat er nog te veel in stond – ze was twéé overbodige woorden tegengekomen! In een onderhoudend voorwoord vertelt Jan Brokken over de achtergrond van de roman. Hij schreef er zelfs een boekje over: “Het eiland van Jean Rhys. Een reis naar de bron van haar schrijverschap”. In een vpro-programma vertelt hij daar onderhoudend over: zie hier. De zeer door hem bewonderde Jean Rhys geeft in haar boek een stem aan Bertha, de eerste, gek geworden en op zolder opgesloten vrouw van mr. Rochester uit “Jane Eyre”. Haar verhaal heeft het nodige te maken met het koloniale en slavernijverleden, wat heden ten dage weer bijzondere actueel is. Net als Jean Rhys is Bertha een ‘witte creoolse’: afstammelinge van slavenhouders die zowel door de gekleurde bevolking als de Europeanen met een scheef oog werden bekeken. Ze hoort nergens bij. Is de eeuwige buitenstaander. Het boek begint in 1844, tien jaar na de afschaffing van de slavernij op Jamaica. In de praktijk is er weinig tot niets veranderd. De voormalige slaven kunnen niet van het eiland af en geld of bezit hebben ze ook niet. De planters weigeren hen een stukje grond te geven. Zelf kunnen ze veelal fluiten naar de herstelbetalingen die hun moederland Engeland heeft beloofd.

 

Witte kakkerlak

Het eerste deel gaat over de kindertijd van Bertha, die dan nog Antoinette heet. Haar vader heeft zich dood gezopen. Samen met haar moeder en haar gehandicapte broertje verblijft ze in een zeer onveilige situatie op hun verwilderde landgoed, Colibrie, dat van de wereld lijkt te zijn afgesneden. Niemand werkt er meer. “… Sluit de gelederen, zeggen ze als het broeit, en dat deden de witte mensen. Maar wij hoorden niet in hun gelederen…”. Want haar prachtige moeder is een meisje van Martinique. Hun buurman en enige vriend heeft zelfmoord gepleegd: “… Meneer Luttells huis bleef leeg, met blinden die klapperden in de wind. Algauw beweerde de zwarte bevolking dat het er spookte, zij waagden zich niet in de buurt…”. Haar moeder rijdt elke dag paard, ook al jouwen groepjes zwarte mensen haar uit. Tot het paard op een dag vergiftigd onder een boom ligt. Daarna wordt ze steeds magerder en zwijgzamer en wil geen voet meer buiten de deur zetten. Het huwelijkscadeau van haar vader aan haar moeder, de ex-slavin Christophine, die door menigeen gezien wordt als een ‘oude toverkol’, is haar moeder trouw gebleven. Evenals de oude Godfrey en de jonge Sass. Waar zouden ze anders moeten eten en slapen? Ook al voeren ze geen slag uit, haar moeder peinst er niet over ze weg te jagen. Ze denkt dat ze dan zullen proberen háár uit huis te zetten. Ze wil geen slapende honden wakker maken. Christophine: “… Geen slavernij meer! Ze moest lachen! ‘De nieuwen hebben hun wetboeken. Precies hetzelfde. Zij hebben een rechter. Zij hebben boete, zij hebben gevangenis en gevangenen aan een ketting. Zij hebben tredmolens waar je je voeten aan flarden loopt. De nieuwen zijn erger dan die van vroeger – alleen meer gewiekst.’…”. Kinderen schelden Antoinette uit voor ‘witte kakkerlak’. Christophine ziet hoe eenzaam ze is, en bezorgt haar een zwart vriendinnetje uit haar kennissenkring, die na een zwempartij haar jurk - “… niet mijn ondergoed, dat droeg ze niet…” - steelt.  Als haar moeder aanpapt met een stel jonge nieuwkomers verdwijnt ze ’s morgens vroeg om pas de dag daarop weer te komen opdagen. Doodmoe van het dansen of een picknick in de maneschijn. Al gauw is Antoinette het bruidsmeisje tijdens haar tweede huwelijk.

 

De duivel en zijn verzetje

Antoinette: “… De zwarten haatten ons niet zo intens toen we nog arm waren. We waren wit maar wij hadden ons niet weten te redden en binnenkort zouden we dood zijn want ons geld was op. Wat viel er te haten?...”. Dat verandert als haar puissant rijke stiefvader Colibrie begint op te knappen. Haar moeder voelt de sfeer veranderen. Wil weg. Haar nieuwe man lacht haar uit. Volgens hem zijn de zwarten veel te lui om gevaarlijk te zijn. Hij begrijpt er niets van, waarschuwt haar moeder. Haar nieuwe man haalt zijn schouders op. Maar op een nacht staat er wel degelijk een krijsende horde elkaar opzwepende zwarten op de stoep. Ze zetten het huis in de hens. Het broertje van Antoinette overlijdt vanwege ingeademde rook. Haar vroegere vriendinnetje smijt een steen tegen haar hoofd. De familie weet ternauwernood in een rijtuig te ontsnappen. Antoinette wordt na zes weken met een verband om haar hoofd, ziek en kaal wakker, in het bed van haar tante. Haar moeder verblijft vanwege een zenuwinzinking in een inrichting, waar pesters haar mee confronteren als ze de eerste dag op weg is naar de nonnenschool: “… Zij heeft ogen van een zombie en jij hebt ook ogen van een zombie…”. In de beschutting van het klooster voelt Antoinette zich eindelijk geborgen. “… Ik leerde, net als de anderen heel snel te zeggen: ‘dragen we al onze gebeden op, het werk en het lijden van deze dag’. Maar het geluk dan, dacht ik in het begin, is er dan geen geluk? Dat moet toch wel? Och, natuurlijk wel, geluk, nou ja, geluk…”. Als ze overstuur is, wrijft een non haar koude handen warm en geeft haar een kop warme chocolademelk – dat is geluk. “… ‘Er gebeuren zulke verschrikkelijke dingen,’ zei ik. ‘Waarom? Waarom?’ ‘In dat mysterie moet je je niet verdiepen,’ zei zuster Marie Augustine. ‘Wij weten niet waarom de duivel zijn verzetje moet hebben. Nog niet.’…”. Als Antoinette zeventien is haalt haar stiefvader haar van de nonnenschool.

 

Goed terechtgekomen

Het tweede deel wordt merendeels verteld vanuit het perspectief van mr. Rochester (zie mijn vorige blog). Om aan geld te komen, stuurde de verarmde Engelse adel nogal eens een zoon naar de Caraïben, met de bedoeling een rijke plantagedochter te schaken. Zo ook de jonge mr. Rochester. Trots schrijft hij in een brief aan pa dat hij hem niet beschaamd heeft, terwijl hij de ontheemde, vervreemde, buitengesloten, eenzame en gestreste toestand waarin hij verkeert, verzwijgt. Na vier weken Jamaica, van wie hij er drie ziek is geweest, trouwt hij met Antoinette. Hij heeft niets gemeen met haar. Weet amper hoe zijn bruid er uitziet. Over de kerk waarin het huwelijk wordt ingezegend, sarcastisch: “… Marmeren gedenkplaten aan de muren die de verdiensten van de vorige generatie planters vermelden. Allemaal ‘menslievend’, allemaal slavenhouders. Allemaal rustend in vrede. Toen we de kerk uitkwamen pakte ik haar hand. Die was zo koud als ijs in de hete zon…”. De tantes die hem feliciteren lijken voor zijn gevoel allemaal op elkaar. De uitdrukking op hun gezichten: “… Nieuwsgierigheid? Medelijden? Spot? Maar waarom zouden ze medelijden met me hebben? Met mij, die zo goed terechtgekomen was?...”. Het blijkt dat Antoinette op het allerlaatste moment het huwelijk niet aandurfde. Hij heeft alles uit de kast moeten halen om haar over te halen. De wittebroodsweken vieren ze in een vakantiehuisje, midden in de rimboe van Dominica. De indrukwekkende hulp Christophine treedt weer aan, plus de verontrustend mooie Amélie. Zonder dat mr. Rochester het beseft staat hij daarmee al 2.0 achter. Hij snapt niets van hun gewoonten. Zijn vrouw blijkt onbereikbaar. Ze zegt dat ze te lang in het maanlicht heeft gelegen: “… Voor ik jou kende, had ik geen verlangen om te leven. Mij leek het altijd beter toe als ik kon sterven. Het duurt zo lang eer we aan het eind zijn…”. Ze heeft het veel te vaak over de dood. Ze hebben uitzinnige seks, maar hij houdt niet van haar: “… En wat het geluk aangaat dat ik haar gaf, dat was erger dan niets. Ik had haar niet lief. Ik hunkerde naar haar, maar dat was geen liefde. Ik voelde heel weinig tederheid voor haar, ze was als een vreemde, een vreemde die niet dacht of voelde zoals ik…”. Om het maar niet te hebben over de gemelijke types die te pas en te onpas opduiken, volgepropt worden met eten, geld krijgen als ze daarom vragen en weer vertrekken met een fiks glas rum achter de kiezen. Het verhaal ademt dezelfde unheimliche sfeer als “De stille kracht” van Louis Couperus: “… Nu en dan werd ik onaangenaam getroffen door een zijdelingse of een sluwe, alwetende blik…”.

 

Voodoo

Mr. Rochester raakt pas echt uit zijn evenwicht als hij een paar brieven ontvangt van een zogenaamde halfbroer van Antoinette, waarin deze hem meedeelt dat zijn zus ‘bezeten’ is. Als hij de briefschrijver ontmoet blijkt zijn motief afpersing te zijn. Hij verdwaalt in het oerwoud. Wordt gevonden door een bediende. Ziet de schim van een doodsbang kind. Leest een boek over West-Indië dat over ‘obeah’ gaat, ‘zwarte magie’: “… Een zombie is een dode in de gedaante van een levende, of een levend mens die de indruk maakt dood te zijn. Een zombie kan ook de geest van een huis of plaats zijn, meestal vijandig gezind, maar hij kan soms gepaaid worden met offeranden van bloemen of vruchten…”. En even verder: “… Hun stem is de huilende wind, hun toorn de razernij van de zee. Dit werd mij verteld, maar het is me opgevallen dat de zwarte gewoonlijk weigert uit te weiden over de duivelskunstenarij waarin hij met vele anderen gelooft. Op Haïti heet het voodoo, op andere eilanden wordt het obeah genoemd, in Zuid-Amerika heeft het weer een andere naam. Als men hun het vuur na aan de schenen legt gaan ze de zaak verdraaien, waardoor het allemaal nog verwarrender wordt. De witte mensen – er zijn er die erin geloven – doen of zij dit soort toverij naar het land van de sprookjes verwijzen. Gevallen van plotseling of geheimzinnig overlijden worden toegeschreven aan een gif dat alleen aan zwarten bekend is en dat geen spoor nalaat. De zaak wordt nog gecompliceerder doordat…”. Ik kwam er achter dat het om bizarre toestanden gaat die vandaag de dag nog steeds bestaan, toen ik toevallig het programma 'Oplichters Aangepakt' van Kees van der Spek zag. Daarin spoorde hij drugsmokkelaars op die in de weer waren met voodoo, waarbij babylijkjes werden gebruikt om onzichtbaar te blijven (zie een item van RTL Boulevard - tere zieltjes kunnen beter niet kijken…).   

 

East is East and West is West

Als mr. Rochester Antoinette steeds openlijker vernedert en aanspreekt met Bertha, de naam van haar gestoorde moeder, vraag je je af wie er gekker aan het worden is: hij of zij. Er is sprake van mishandeling, van misbruik, van veel te veel rum, van elkaar naar het leven staan (ik las net tussen alle coronanieuws door dat zes op de tien vermoorde vrouwen gedood worden door hun ex of partner). Mr. Rochester: “… Mijn arm bloedde en deed pijn en ik wikkelde mijn zakdoek om de wond, maar ik had het gevoel of alles om me heen me vijandig gezind was. De telescoop deinsde achteruit en zei: raak me niet aan. De bomen leken een bedreiging en hun schaduwen, die traag over de planken van de veranda kropen sloten me in. Het groene gevaar. Ik had die groene dreiging al gevoeld toen ik hier voet aan wal zette. Niets wat ik kende, niets wat me troostte…”. Het doet denken aan Conrad’s “Hart der duisternis”. Het personeel, vol opgestapeld ressentiment uit het verleden, ontgaat niets, minacht hem, maakt hem belachelijk in spotliedjes, roddelt achter zijn rug: “… kijk daar komt Jo-jo, wat die hoort vertelt hij aan iedereen verder. Dat joch is net een kalebas met gaatjes…”. Volgens hen heeft mr. Rochester zijn vrouw enkel getrouwd vanwege haar geld. En nu hij dat heeft ingepikt is hij van plan haar kapot te maken. Jean Rhys focust mijn inziens veeleer op de onmacht van beide kampen. Mr. Rochester ziet geen andere uitweg dan van het eiland te vertrekken. Uit pure jaloezie neemt hij zijn vrouw mee. Ze is van hem. Niemand anders zal haar hebben. “… Ik was deze mensen beu. Ik had het land aan hun gelach en gehuil, hun gevlei, hun afgunst, hun arrogantie, hun bedrog. En ik verafschuwde het eiland. Ik haatte de bergen, de heuvels, de rivieren, de regen. Ik haatte de zonsondergang, groen of niet groen. Ik haatte de schoonheid, de betovering van het eiland en het geheim dat ik nooit zou kennen. Ik haatte de onverschilligheid, en de wreedheid die deel uitmaakten van de schoonheid. Bovendien haatte ik haar. Want ook zij maakte deel uit van die betovering en die schoonheid. Ze had een dorst in mij gewekt zonder die te stillen en de rest van mijn leven zou een dorsten, een verlangen zijn naar wat voor mij verloren was gegaan voor ik het had gevonden…”. Oh, East is East and West is West, and never the twain shall meet

 

Ze zit maar te trillen en te beven en ze is broodmager

Het derde deel speelt zich af op de zolder van Thornfield, waar mr. Rochester zijn vrouw gevangen houdt. Ze kan niet geloven dat ze in Engeland is, want voor haar heeft Engeland iets van het paradijs uit een sprookje. We komen alle figuren uit “Jane Eyre” tegen (zie mijn vorige blog). Grace Poole, die gevraagd wordt haar te bewaken en verzorgen. Eerst weet ze niet wat ze van het meisje moet denken: “… Ze zit maar te trillen en te beven en ze is broodmager. Als ze opeens doodblijft, wie krijgt dan de schuld?...”. Als haar dubbel loon wordt beloofd gaat ze overstag. In “De wijde Sargassozee” regeert het geld. Jane Eyre zelf komt voorbij, evenals Adèle en Leah – een personeelslid. Op een bijzonder knappe manier grijpen de gebeurtenissen in “Jane Eyre” en “De wijde Sargassozee” in elkaar. Ik ken geen ander boek waarin je de culturele sfeer zo bijna aan den lijve voelt. Wat me verbaasde is dat de tekst op de achterflap niet klopt. Ik weet niet wie dat geschreven heeft; ik vraag me af of diegene het boek wel (goed) gelezen heeft. Het schilderij op de omslag is trouwens van Charles Camoin: Jeune Creole - 1904.

 

Uitgave: Orlando – 2020, vertaling W.A. Dorsman-Vos, 192 blz., ISBN 978 949 308 145 1, 22,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 10 oktober 2020

Jane Eyre – Charlotte Brontë

 


Onlangs viel de heruitgave van Jean Rhys’ “De wijde Sargassozee” (1966) op mijn deurmat. Sinds ik “De eenzaamheid van de waanzin. Tweehonderd jaar psychiatrie in romans en verhalen” (2013) van Ranne Hovius heb besproken, zit ik er al op te azen. Hovius vertelt dat “De wijde Sargassozee” het verontwaardigde antwoord is van Jean Rhys (1890 – 1979) op de manier waarop Charlotte Brontë in “Jane Eyre” (1847) een gek geworden vrouw opvoert, die als een dier gevangen zit op zolder. Ziedaar: het resultaat van een eeuw groeiend psychologisch inzicht. Brontë (1816 – 1855) suggereert dat haar eigen liederlijkheid de vrouw in handen van de duivel heeft gedreven: eigen schuld, dikke bult. Ten einde “De wijde Sargossozee” beter te begrijpen, leek het mij goed eerst de klassieker “Jane Eyre” te lezen, wat ik – schandalig genoeg – nog nooit had gedaan. Inmiddels snap ik ook waar Virginia Andrews haar inspiratie voor “Bloemen op zolder” vandaan heeft.

 

Niet normaal

Allereerst moet mij van het hart dat “Jane Eyre”, na bijna twee eeuwen, een nog steeds uitermate leesbaar en schitterend verhaal is. Het speelt zich af in victoriaanse, patriarchale tijden, waarin de Engelse maatschappij iets weg heeft van het kastenstelsel in India. De kloof tussen rijk en arm, meesters en knechten, notabelen en werkvolk, man en vrouw, kind en volwassene,  is schier onoverbrugbaar en van een niet-discussieerbare, want goddelijke beschikking. Jane Eyre, een inmiddels tienjarig weesje, werd ooit met frisse tegenzin opgenomen in het gezin van haar deftige tante. Een weduwe. Haar psychopatische neef van veertien treitert haar constant en zoveel als hij kan. Hij 'draait duiven de nek om', 'doodt jonge pauwtjes', 'hitst honden tegen schapen op', 'stroopt druiven van de wijnstokken in de broeikas', 'breekt de knoppen van de mooiste planten', 'noemt zijn moeder beste meid' en 'scheurt haar zijden kleding'. Nou, dan is er toch best wat mis in je bovenkamer. Als Jane op een gegeven moment van zich af mept, sluiten ze haar op in een slaapvertrek ver van het gezinsgewoel, wat een beetje doet denken aan de kamer waar de kinderen uit Virgina Andrew’s “Bloemen op zolder” bivakkeren. Het verhaal ademt dezelfde sfeer.  Brontë wijst maar weer eens op het enorme belang van het verbreden van je horizon door middel van lezen: “… ‘Gemene rotjongen!’ zei ik. ‘Je lijkt wel een moordenaar. Je lijkt wel een slavendrijver. Je lijkt de Romeinse keizers wel!’ Ik had Goldsmiths Geschiedenis van Rome gelezen en mij een mening over Nero, Caligula enz. gevormd. Ik had ook in stilte parallellen getrokken, waarvan ik nooit gedacht had dat ik ze zo hardop zou uiten.’ …”. Ondanks haar jonge leeftijd weet Jane heel goed dat het ‘niet normaal’ is wat haar overkomt en dat haar tirannieke neef zich ‘raar’ gedraagt.  Het lezen geeft haar een referentiekader. Compleet overstuur maakt Jane zichzelf wijs dat de geest van haar oom in de kamer rondwaart – hij is er immers gestorven. Ze krijst alles aan elkaar en valt tenslotte flauw, wat zo’n beetje haar redding bewerkstelligt. De apotheker, die voor armoedzaaiers als dokter functioneert, wordt opgetrommeld, en voor het eerst luistert er iemand naar haar kant van het verhaal.

 

De vonk van de geest

Een steile predikant komt erbij, de beschermheer van een liefdadigheidsinstelling voor wezen, waar haar tante haar dropt. Er zou geen land met Jane te bezeilen zijn. Evenals de oma in “Bloemen op zolder” dreigt de dominee psychologisch met straffen als een vroege dood en eeuwig branden in de hel, die stoute kindjes als Jane zeker zullen treffen, wanneer ze ongehoorzaam zijn. De kinderen op de kostschool annex weeshuis krijgen zoveel te eten dat ze nog net niet doodgaan. Ze worden mishandeld en zijn ‘s winters ziek van de kou. Toch is de directrice een adellijke, mooie en aimabele lady. De leerlingen vereren haar als een engel. Jane papt aan met een dromerig, hoogbegaafd en ouder meisje, die er zo’n diep mystieke visie op nahoudt, dat zelfs Etty Hillesum er u tegen zou zeggen: “… Wij zijn, niemand uitgezonderd, beladen met tekortkomingen, en moeten dat ook zijn. Maar de tijd zal spoedig komen, geloof ik, dat we ze met onze vergankelijke lichamen zullen afleggen, dat gezonkenheid en zonde met deze last, dit vleselijke omhulsel, van ons af zullen vallen, en alleen de vonk van de geest over zal blijven – dit ontastbare beginsel van leven en denken, zuiver als toen het van de Schepper uitging om de schepselen leven in te blazen. Vanwaar het kwam, daarheen zal het wederkeren, misschien om overgedragen te worden op een wezen, hoger dan de mens – misschien om stapsgewijs tot grotere heerlijkheid te stijgen, om van bleke mensenziel tot de serafijn steeds helderder te worden. God zal het daarentegen toch zeker nooit laten ontaarden van mens tot duivel? Nee, dat kan ik niet geloven. Ik heb een ander geloof, dat niemand mij ooit heeft geleerd en waar ik zelden over spreek, maar waar ik vreugde aan beleef en waar ik mij aan vastklem, want het geeft hoop aan allen. Het maakt de eeuwigheid tot een rustplaats – een machtig tehuis, geen verschrikking en geen afgrond. Trouwens, met dit geloof kan ik zo duidelijk onderscheid maken tussen de misdadiger en zijn misdaad. Ik kan de eerste zo oprecht vergeven terwijl ik de laatste verafschuw. Met dit geloof wordt mijn hart nooit bestookt door wraakgevoelens, doet vernedering mij nooit te zeer walgen, word ik nooit te zeer verpletterd door onrecht. Ik leef in vrede, met mijn blik op het einddoel…” (zie ook: “Hij zag de hemel” van Soendar Singh). Jane vindt het allemaal maar zo-zo, voelt voorlopig meer voor oog om oog en tand om tand: anders houdt ‘het’ nóóit op!

 

Religieus fanatisme

Als de stinkend rijke predikant op een dag de boel komt inspecteren, terwijl zijn sjieke vrouw en dochters in zijden gewaden achter hem aanzeilen, is Jane de klos. Van de zenuwen laat ze haar lei vallen, wat zijn aandacht trekt. Ze moet naar voren komen, op een kruk klimmen en wordt tegenover de hele school te kakken gezet. Maar de engel van een directrice gaat die avond op zoek naar Jane en laat haar haar verhaal doen, waarna ze ten aanschouwen van iedereen uiteindelijk ook weer net zo hard van alle blaam wordt gezuiverd. Ter bescherming van hun nederige ziel heeft de dominee zijn regime nog harder aangehaald. Zelfs gesommeerd dat alle meisjes hun haar af moeten knippen om ijdelheid tegen te gaan. De combinatie van religieus fanatisme, macht en rijkdom staat in boeken altijd garant voor uitgesproken sociale domheid zo niet achterlijkheid. In het echt kom ik dat trouwens ook vaker tegen dan me lief is, want ik word daar als gelovige natuurlijk ook op aangekeken! Zie (om het maar niet te hebben over in heftige coronatijden met zeshonderd man in een kerk te gaan zitten zingen) het bericht in de krant dat corrupte ambtenaren in Rotterdam zich laten omkopen inzake aanbestedingen. Rolexen, racefietsen, nieuwe keukens, een zeiljacht. Alsof niemand ooit eens zal denken: waar doen ze het van. Hoe stom kun je zijn. Enfin, de hoofdverdachte is zo christelijk dat hij een speciale voetbalclub heeft opgericht voor kerkelijke jongeren. Dan komen ze tenminste niet in contact met ‘de wereld’. De Telegraaf (06.10.2020): “… ‘Normen en waarden zijn belangrijker dan prestaties’, vertelt Van den H. kort na de oprichting over zijn vereniging. ‘Scheldwoorden, vloeken, maar ook ruwe overtredingen worden niet getolereerd.’…”.

 

Besmet

Brontë beschrijft hoe de tyfus huishoudt op de kostschool. De helft van de ondervoede en met verwaarloosde verkoudheden rondlopende meisjes wordt ziek en sterft, waaronder Jane’s hartsvriendin. Dit incident is gebaseerd op ware gebeurtenissen: twee van Charlotte Brontës zusters overleden op jeugdige leeftijd als gevolg van de barre omstandigheden op hun school (CowanBridge). Zelf heeft Jane de tijd van haar leven. De dokter dringt er op aan de gezonde kinderen in de frisse buitenlucht te laten spelen. Niemand die meer op hen let. Het aantal slachtoffers vestigt de aandacht op de school: “… Er werd een onderzoek ingesteld naar de oorsprong van de plaag en langzamerhand kwamen er verscheidene feiten aan het licht die in hoge mate de verontwaardiging van het publiek opwekten. De ongezonde ligging, de hoeveelheid en kwaliteit van het eten van de kinderen, het bedorven, stinkende water dat bij de bereiding daarvan werd gebruikt, de armzalige kleding en huisvesting van de kinderen…” (hoe zal er later over onze aanpak van de coronacrisis worden geoordeeld?). De omstandigheden verbeteren. Jane zal nog acht jaar volmaken en zelf lerares worden. Als de geliefde directrice een dominee huwt - vol humor: “ … een dominee, een voortreffelijk man, bijna zo’n vrouw waardig…” - heeft Jane het wel gezien (het wemelt trouwens van de predikanten in het boek, Brontë komt dan ook zelf uit een domineesfamilie). In het geheim zet ze een advertentie in een krant om zich aan te bieden als gouvernante. En zo treedt ze aan op landgoed ‘Thornfield’, waar een minzame oude dame opgezadeld zit met een klein meisje: Adèla. Hoe blij ze is dat Jane haar eenzaamheid komt verlichten: “… Ik zeg alleen – Leah is natuurlijk wel een aardig meisje, en John en zijn vrouw zijn hele nette mensen, maar het zijn natuurlijk maar bedienden, zie je, en je kunt niet met hen op voet van gelijkheid praten. Je moet hen op gepaste afstand houden om je gezag niet kwijt te raken…”.

 

Spooky

Het leuke van Brontë is dat ze er gedurig de nadruk op legt dat haar hoofdpersoon verre van mooi is: “… Soms betreurde ik het dat ik niet knapper was. Soms wenste ik dat ik rozige wangen had, een rechte neus en een kleine kersenmond. Ik wilde graag lang zijn, statig, en een goed ontwikkeld figuur hebben. Ik voelde het als een ongeluk dat ik zo klein was, zo bleek en dat ik zulke onregelmatige, onopvallende gelaatstrekken had…”. Thornfield blijkt van een geheimzinnige en afwezige eigenaar te zijn: mr. Rochester. Als de oude dame haar het huis laat zien wordt het een beetje spooky. Over een gang: “… Hij was lang, smal en schemerig met maar één klein raam aan het uiteinde, en zag er, met zijn twee rijen smalle deuren, die allemaal dicht waren, net uit als een gang in het kasteel van een of andere Blauwbaard…”. Bovendien: “… werd mijn oor plotseling getroffen door een lach, het laatste geluid dat ik had verwacht te horen in zo’n stil oord. Het was een vreemde lach, duidelijk waarneembaar, alleen de vorm van een lach, vreugdeloos…”. Lawaaierig personeel, volgens de oude dame. Brontë schopt regelmatig tegen de heilige huisjes in haar tijd. Jane is niet meer dan ‘tevreden’ met haar omgeving en taak: “… Mensen die er een plechtige leer op na houden over de engelachtige aard van kinderen en de plicht van hen die belast zijn met hun onderricht om een afgodische toewijding voor hen op te vatten, zullen dit, tussen haakjes, onverschillig-brutale taal vinden. Maar ik schrijf niet om ouderlijke eigenwaarde te vleien of om gehuichel na te bauwen of lariekoek overeind te houden. Ik vertel alleen de waarheid…”. Het is niet genoeg om haar gelukkig te maken: “…. Iedereen die wil, mag me verder laken, als ik er nog aan toevoeg dat ik af en toe, als ik in mijn eentje in de tuin wandelde, als ik naar het hek ging en er doorheen de weg op keek, of als ik, terwijl Adèle met haar kindermeisje speelde en mevrouw Fairfax gelei stond te maken in de provisiekamer, de drie trappen opliep, het luik op de zolder optilde en, eenmaal op het dak, ver uitkeek over de afgelegen velden en heuvels, en langs die vage horizon – dat ik dan verlangde naar een gezichtsvermogen dat die grenzen kon overschrijden, dat de drukke wereld zou kunnen bereiken, steden, streken vol leven, waar ik van had gehoord, maar die ik nog nooit had gezien; dat ik dan verlangde naar meer praktische ervaring dan ik had, meer contact met mensen van mijn soort, een grotere verscheidenheid van mensen te leren kennen dan hier binnen mijn bereik lag…”.

 

Emancipatoir

In het volgende stuk wordt Brontë ronduit emancipatoir: “… Het is zinloos te zeggen dat mensen tevreden horen te zijn met rust. Ze hebben actie nodig, en die zullen ze creëren als ze die niet kunnen vinden…”. Dat belooft nog wat in corona-tijden. Zie ook de soldaten die in de Eerste Wereldoorlog met een bloemetje in de loop van hun geweren ten strijde trokken: eindelijk gebeurde er wat! “… Miljoenen zijn tot een stiller lot gedoemd dan ik, en miljoenen zijn zwijgend in opstand gekomen tegen dit lot. Niemand weet hoeveel opstanden er naast politieke opstanden broeien in de massa’s leven die de aarde bevolken. Vrouwen worden geacht over het algemeen erg kalm te zijn, maar vrouwen hebben dezelfde gevoelens als mannen: ze hebben het net zo nodig hun gaven te gebruiken, en hebben een terrein voor hun inzet net zo nodig als hun broeders. Ze lijden onder een te rigide beperking van hun vrijheid en een te volslagen afsluiting van mogelijkheden, precies zoals mannen zouden lijden, en het is bekrompen van hun meer bevoorrechte medemensen om te zeggen dat ze zich horen te beperken tot puddingen maken en kousen breien, tot piano spelen en tasjes borduren. Het is onnadenkend om hen te veroordelen of uit te lachen als ze proberen meer te doen of meer te leren dan de traditie voor hun sekse nodig heeft geacht…”. Het doet me denken aan een prachtige column van redacteur Reina Wiskerke in het ND van zaterdag 10 oktober over ‘felle vrouwen’: “… Heftig discussiërende vrouwen op televisie – daar kan het volk veelal niet tegen. Massale hoon is vaak hun deel…”. Zie AD-mediarecensent Angela de Jong, die donderdagavond stevig uit de hoek kwam bij Op1, en door zulke acties vaak de gebeten hond wordt. Of Antoinette Hertsenberg van Radar die, als ze een gladde woordvoerder van een bedrijf stevig aan de tand voelt, de kans loopt op een enorme Twittertirade. Of cabaratière Sanne Walllis de Vries die in Op1 moest vechten tegen Joop van de Ende voor spreektijd, waarna ze door hem denigrerend werd aangesproken met ‘schat’.  Vrouwen worden nog stééds geacht niet van zich af te bekken, want dat is ‘niet netjes’.

 

Anderhalve meter

Op een dag komt mr. Rochester eindelijk naar zijn stulpje. Jane ontmoet hem op een wel heel ongewone manier. Hij blijkt een botte, ongenuanceerde, sarcastische boer die gebukt gaat onder een vreemd soort zelfkwellerij. “… Volgens mij is een man niets zonder een snuifje van de duivel in zich…”, zegt iemand in het boek. Nou, daar voldoet mr. Rochester voor de volle honderd procent aan. Ze beginnen al gauw uitdagend rond elkaar heen te draaien: “… Voorbij de grens van prikkelen waagde ik mij nooit, op het uiterste randje daarvan mocht ik graag mijn kunst beproeven. Met behoud van zelfs de kleinste vorm van respect, van alles wat bij mijn positie paste, kon ik toch nog met hem redetwisten zonder vrees voor onbehaaglijke terughoudendheid. Dit beviel zowel hem als mij…”.  Jane leeft helemaal op. Voor ze het weet is ze knettergek op hem. Ondertussen gaan de spokerijen ook door en merkt ze “… dat er een mysterie op Thornfield was en dat ik met opzet van dat mysterie was buitengesloten…”. Ze krijgt het flink voor haar kiezen als de rijkeluis vrienden van mr. Rochester een paar weken op het landgoed komen logeren. Ze houden zich onder andere bezig met verkleedspelletjes. Weten zich met hun vrije tijd geen raad blijkbaar. Net als in “Bloemen op zolder” kijkt ze samen met Adèle over de rand van de balustrade van een galerij naar de feestende menigte onder hen. Adèle is trouwens de verstoten dochter van een ex-vriendinnetje van mr. Rochester. Als Jane gedwongen wordt zich met haar onder de gasten te begeven moet ze aanhoren hoe de feeksen van Gooise wijven haar totaal de grond in stampen. Tegen mr. Rochester: “… U zou mama eens moeten horen over het chapiter aan gouvernantes. Mary en ik hebben er minstens wel zo’n dozijn gehad in onze tijd. De helft van hen was verfoeilijk en de rest belachelijk, en allemaal nachtmerries, of niet soms, mama?...”. Deze antwoordt prompt: “… Mijn liefste, praat me niet over gouvernantes. Het woord alleen al maakt me zenuwachtig. Ik heb wat geleden onder hun onbekwaamheid en grillen. De hemel zij dank dat ik nu van ze af ben!...”.  Het is duidelijk: in hun ogen is Jane een zak stront. Jane drukt zich weliswaar wat kieser uit. Heeft het over “… een hoge dame die het nog beneden zich achtte mij met de zoom van haar gewaad aan te raken als ze langs mij liep…” (anderhalve meter!). Het doet me denken aan het verhaal over de bloedvloeiende vrouw die de zoom van het kleed van Jezus aanraakt en prompt geneest (Lukas 8:43, 44). 

 

Principes

Na een heleboel gedoe en misverstanden blijkt mr. Rochester ook verliefd op Jane en bekent haar zijn gevoelens. Brontë verpakt zijn mierzoete romantische gekweel in ongeëvenaarde humor: “… ‘Jane, je ziet er stralend uit en een en al glimlach – en mooi,’ zei hij, ‘echt mooi, vanochtend. Is dit mijn bleke elfje? Is dit mijn mosterdzaad? Dit kleine meisje met haar zonnige gezicht, en die kuiltjes in haar wangen en die rozelipjes, dat satijnzachte nootbruine haar en die stralende nootbruine ogen?’ (Ik had groene ogen, lezer, maar u moet de vergissing excuseren. Voor hem waren ze overgeverfd, veronderstel ik.)…”. Dat mosterdzaad slaat op Shakespeare’s “Midzomernachtsdroom”. Een van de dienaren van de elfenkoningin Titania heet zo. Edoch, als ze eindelijk met z’n tweetjes bij het altaar staan voor een overhaast huwelijk, gooit iemand roet in het eten. Ik verklap de clou maar gewoon, anders kan ik “De wijde Sargossozee” niet bespreken. Mr. Rochester blijkt zich bijna schuldig te maken aan bigamie. Het spook op zolder is namelijk zijn wettige vrouw. Een krankzinnige bezetene die niets anders doet dan bijten, krabben en vloeken. En als ze een mes te pakken kan krijgen anderen neersteekt. Of als ze een kaars bemachtigt de boel in de hens zet. Zit daar nou toch ‘es effe een boze geest van heb-ik-jou-daar in; of niet soms?! Zíj is niet zielig, maar híj. Kijk toch eens in wat voor huwelijk hij is getuind. Kijk toch eens met wat voor afschuwelijks hij zit opgescheept, Jane. Hij fleemt, en dreigt, en manipuleert. Maar Jane, die smelt van medelijden, weigert de zijne te worden: “… Ik zal mij houden aan de door God gegeven wet die de mens heeft bekrachtigd…”. Ze gaat nog liever dood. Kijk, dat is nog eens een meid van stavast. Dat mr. Rochester er ook nog eens de nodige maîtresses op na heeft gehouden, die hij stuk voor stuk diep veracht, doet niet ter zake. Híj is een man.

 

Geestelijke manipulatie

Jane vlucht het huis uit en zwerft een aantal dagen hopeloos alleen rond, slapend in holen op de hei en in het bos. Net als ze niet meer kan, ziet ze door de stromende regen in de verte een lichtje. Ze sleept zich er heen. Een vrijgezelle dominee vindt haar meer dood dan levend voor de deur van het huis waar zijn zusters met hun dienstbode wonen. Net als Jezus is Jane drie dagen en nachten van de wereld. De vrijgezelle dominee begint haar ook al als een ware despoot te manipuleren. Hij wil als zendeling naar India en Jane is volgens hem als een goddelijk pakketje uit de hemel komen vallen om hem daarbij te vergezellen. Zonder een gedienstig slaafje begin je niks in de Oost. Hij doet Jane een huwelijksaanbod: “… Ik zal twee weken weg blijven – neem die periode om na te denken over mijn aanbod. En vergeet niet dat je als je het afwijst, je niet mij verloochent, maar God. Door mij opent Hij een nobele levensloop voor je. Alleen als mijn vrouw kun je daaraan beginnen. Weiger mijn vrouw te worden en je beperkt je voor eeuwig tot een weg van zelfzuchtig gemak en onvruchtbare duisternis. Beef bij de gedachte dat je in dat geval onder hen zou worden gerekend die het geloof hebben verloochend en erger zijn dan de ongelovigen…”. Wie ben jij tegenover ontzagwekkende godsgezanten die zelfs een privé-lijntje met God zeggen te hebben? Door te dreigen met goddelijke wraak kunnen onzekere gelovigen alle kanten op gemanoeuvreerd worden (zie de laatste aflevering van de tv-serie "Dus ik volg" van Stine Jensen). Jane voelt zich ronduit klote in de invloedssfeer van de dominee, en beseft gelukkig dat er niets van haar zal overblijven als hij haar heer en meester wordt. Ze bedankt dan ook feestelijk voor zijn aanbod. Op een wonderlijke en superromantische manier zal ze toch weer het pad van mr. Rochester kruisen. En ik kan je verzekeren: hoewel door de tijd flink gehavend, leefden die twee nog lang en gelukkig.

 

Uitgave: Athenaeum – 2017, vertaling Heleen Kost en Babet Mossel, 621 blz., ISBN 978 904 171 280 6, 17,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier