Menu

woensdag 9 juni 2021

Wat wij zagen – Hanna Bervoets

 


“Wat wij zagen“ is het boekenweekkadootje van 2021, geschreven door Hanna Bervoets, van wie ik eerder de bijzonder knappe romans  “Alles wat er was” en “Efter” besprak. Het gaat om een luchthartige novelle over ‘content moderator’ Kayleigh, die voor een online platform beoordeelt welke zaken al dan niet het licht mogen zien. Het is loodzwaar om aan de lopende band geconfronteerd te worden met de bodemloze gruwel waartoe de mens in staat is. Wat doet zo’n dagelijkse hersenspoeling met je? Als je geen aanstoot neemt aan de nodige plastisch omschreven lesbische seks en het hier en daar grove taalgebruik, is het een snel, meeslepend en tot nadenken stemmend verhaal, dat juist door zijn ongecompliceerdheid ieder soort lezer tegemoet komt. Literature light schijnt toch al in te zijn, zie “KliFi” van Adriaan van Dis, maar voor een boekenweekgeschenk is dat natuurlijk bijna een must. 

 

Sensatiemaatschappij

Kaleigh wordt het vuur na aan de schenen gelegd door een advocaat die een rechtszaak aanhangig gaat maken tegen haar voormalige werkgever. Het online platform Hexa. Hij wil haar er nog fiks voor betalen ook. Alleen piekert Kaleigh er niet over medewerking te verlenen. Dat heeft niets te maken met het onmogelijke werk dat ze heeft gedaan, maar met een oud-collega en ex. Wij leven in een sensatiemaatschappij. Kaleigh vertelt hoe iedereen haar al bij voorbaat griezelend vraagt naar het meest bizarre wat ze voorbij heeft zien komen: “… de Hitlergroeten, de zielige honden, het meisje met de mesjes is zelfs een klassieker. Er zijn er duizenden van, in elke straat één, zo stel ik me voor: dat huis waar ’s nachts het badkamerlicht brandt, daar zit ze in haar eentje op de harde koude grond. Maar dat is niet wat mensen willen horen. Ze willen dat ik iets níéuws beschrijf, dingen die ze zelf nooit zouden durven bekijken, dingen die hun voorstellingsvermogen ver te boven gaan…”. Alles voor de kick. Waar komt die ongezonde belangstelling vandaan? In ieder geval heeft het niets te maken met het begrip empathie. Want niemand vraagt: “… Hoe gaat het nu met dat meisje, heb je haar kunnen helpen, misschien?...”.

 

Posttraumatische stress

Waarschijnlijk “… denken de mensen dat wij willoos achter onze schermen zaten, dat we niet wisten wat we deden, geen idee hadden waaraan we begonnen, geheel onvoorbereid duizenden choquerende beelden op ons afgevuurd kregen die de draden in onze hoofden vrijwel meteen deden doorbranden – nou, zo was het dus niet. Althans, zo was het niet helemaal, en niet voor iedereen…”. Kaleigh wist destijds best waar ze aan begon en ze was zelfs uitermate goed in haar baan. Ze kent de regels nog steeds uit haar hoofd. Bijna niemand houdt het lang vol bij Hexa. Ze vertelt dat oud-collega’s duidelijke symptomen van posttraumatische stress vertonen. Een jongen slaapt met een taser, bang dat terroristen hem komen halen ’s avonds. Iemand kan niet tegen harde geluiden, fel licht of onverwachte bewegingen aan de randen van haar blikveld. Anderen duiken weg zodra er iemand achter ze komt staan in de supermarkt, of liggen overdag in bed tot het donker wordt en blijven dan wakker tot het licht is: “… veel te moe om aan een nieuwe baan te beginnen zien ze dag en nacht dingen waar ik niet graag over praat en een deel van die klachten is mij niet bepaald vreemd…”.

 

Broeders binnen een geheim genootschap

Kaleigh vertelt hoe ze werd uitgemolken door een vriendin en met een geblokkeerde creditcard zat. Omdat ze bij Hexa beduidend meer ging verdienen dan bij het callcentrum waar ze werkte, besloot ze te solliciteren: “… voor die twintig procent meer salaris had ik net zo goed vuilnis opgehaald…”. In de summiere functieomschrijving stond dat ze ’kwaliteitsmedewerkers’ zochten. Ze kreeg een opleiding van een week waarin ze zich alle regels omtrent het wel of niet doorlaten van de meest zieke, wrede en walgelijke berichtjes, filmpjes en foto’s moest eigen maken: “… Deze training was een doop, een ontgroening die moest uitwijzen of we inderdaad geschikt waren om toe te treden. Althans, dat is wat ik toen dacht…”. Ze werden op het hart gedrukt over wat er binnen het platform gebeurde naar buiten toe te zwijgen: “… Hier, in de kantoorflat waar Hexa gevestigd zat, veilig weggestopt op een bedrijventerrein met bushalte, waren wij onder gelijken, broeders binnen een geheim genootschap…”. Over de slechte werkomstandigheden: “… Hadden we maar twee pauzes waarvan één van krap zeven minuten, die weg tikten in de rij voor de slechts twee beschikbare toiletten? Zeker weten. Werden we erop aangesproken wanneer we minder dan vijfhonderd tickets per dag afhandelden? Reken maar. Kregen we een serieuze waarschuwing zodra onze accuraatheidsscore onder de negentig procent kwam? Ja hoor. Ontslag wanneer iemand regelmatig te lage scores haalde? Ik ken verhalen. En een timer die aansloeg zodra we onze desk verlieten, al was het maar om even onze benen te strekken? Zo ging dat bij Hexa…”.

 

Super Mario

Mentale begeleiding was er nauwelijks. Eén keer verscheen er een coach, een ventje in een tuinbroek die ze altijd Super Mario noemden, omdat ze dachten dat hij bij de technische dienst hoorde. Naar aanleiding van een akkefietje waarbij een overspannen werknemer een meerdere had bedreigd. Na die uitbarsting verwachtte hij hen op audiëntie. Met dat Kaleigh de doos tissues op zijn tafel zag staan had ze al gegeten en gedronken: “… toen zei Mario: ‘Ik kan me voorstellen dat je wel eens iets naars gezien hebt.’ Ik maak geen grap, hè? Dat zei hij echt, IK KAN ME VOORSTELLEN DAT JE WEL EENS IETS NAARS GEZIEN HEBT…”. Hoe ze het in vredesnaam vol hield bij Hexa? Nou, ze is wel wat gewend. Bij het callcentrum moest ze dagelijks de grote bekken verduren van klanten die ze aan de lijn kreeg: “… van de vijftien bellers beginnen er minstens vier tegen je te schreeuwen en je van alles toe te wensen, ze zeggen dat je een kutwijf bent en dan vragen ze om je manager: JE MANAGER. Je weet niet eens of er een manager is, je kent alleen Gerry van beneden en de vrouw van het sollicitatiegesprek maar die heeft hier natuurlijk helemaal geen zin in…”. Tegelijk zie je je klanttevredenheidsscores in gedachten al een vrije val maken, want het zijn natuurlijk altijd de klagers die een beoordeling achterlaten. Ondertussen “… begint de collega tegenover je te huilen omdat ze voor weet jij veel wat wordt uitgescholden, dat meisje zit daar allerlei grimassen te trekken om het geluid binnen te houden en ondertussen kijk jij recht in een mond vol speekseldraden…”. Lang verhaal kort: “… mijn eerste dagen bij Hexa waren een verademing. Wat heerlijk dacht ik, wat ongelooflijk prettig dat er niemand tegen me schreeuwt…”. Er stonden dan wel de meest gore verwensingen in de berichten die ze moest beoordelen, maar die waren tenminste niet persoonlijk bedoeld.

 

Hard

Zo langzamerhand begon ze iedere avond uit haar werk met haar collega’s naar een bar te gaan. De taal waarin ze grapten en grolden werd hoe langer hoe grover: “… dat we ons van dit soort humor bedienen is wel degelijk een grap an sich, dat wil zeggen, we zien ook wel in dat het nogal ironisch is dat we juist de dingen zeggen die we de hele dag hebben lopen verwijderen – maar onze grappen zijn veel meer een opwindende flirt met het verbodene dan een vorm van moreel commentaar, en misschien ook wel gewoon een manier om te bewijzen hoe hard wij wel niet zijn en hoe vitaal, aan onszelf en aan elkaar: nee, wij laten ons heus niet door ons werk beschadigen of zoiets – al zou je, als je ons zo hoort praten, ook het tegenovergestelde kunnen geloven…”. Op een kerstavond had de barvrouw met zachte hand ingegrepen: “… ‘Van het huis,’ zegt Michelle terwijl ze een dienblad vol shotjes op de bar zet. ‘En nu vrede op aarde, hè?’ ‘Ja man, vrede op de fucking aarde,’ zeggen wij, terwijl we onze vingers in onnatuurlijke krommingen dwingen om de minuscule glaasjes te kunnen klinken, waarop de fluorescerende drankjes over de randen klotsen om ons de rest van de avond plakhanden te bezorgen…”. Alleen de pracht van deze zin al!

 

Verrotte katerkoppen

Langzaam maar zeker veranderden ze. Toen ze een man op het dak van het gebouw tegenover zagen lopen, dachten ze allemaal aan zelfmoord. Uiteindelijk bleek het gewoon om een bouwvakker te gaan. Niets aan de hand: “… wat we nu voelden was een mengeling van opluchting en zoet medelijden, want wat had ons doen geloven dat die man zou springen? ‘Die honderdeen miljoen filmpjes die we ervan gezien hebben,’ mompelt Robert, die met rode ogen op ons muurtje ging zitten, en we knikten en voelden ons waarschijnlijk allemaal even nobel als zielig. Robert liet zijn sigaret rondgaan. Inmiddels wist ik dat er een onverantwoord hoge hoeveelheid hasj door zijn tabak zat en normaal sloeg ik Roberts maaksels dan ook af, maar dit keer nam zelfs ik een hijs, dit keer namen we allemaal een hijs…”. Het voelde of er een broederschap ‘bezegeld was’: “… in het heetst van de strijd had de liefde zich uit laten roken, zoiets…”. En even verder: “… Na werk liet Robert een tweede sigaret rondgaan en bij de bushalte namen we allemaal een slok uit Souhaims chique hoornen zakflacon, dus toen we rond zeven uur de sportsbar binnenkwamen waren we nog steeds uitgelaten, sterker nog, we joelden alsof we met z’n allen een of andere olympische medaille hadden binnengehaald…”. De volgende dag liepen ze allemaal rond met ‘verrotte katerkoppen’.

 

Dan gaan we ons vanzelf beter voelen

Kaleigh werd verliefd op een collega. Daar ga ik het verder niet uitgebreid over hebben, want dat is niet wat mij het meeste interesseert. Wat mij boeit is hoe Kaleigh overeind blijft onder zoveel psychische druk: “… Ik ging meer drinken. Soms al in de pauzes, sowieso bij de bushalte. Maar ja, we gingen allemáál meer drinken, op een middag sloeg Sigrid Souhaims heupflacon in één keer achterover waarop Louis applaudiseerde en Souhaim haar een gespeeld verontwaardigde blik toewierp…”. Nadat Kaleigh zeven weken samenwoonde met haar collega ging de laatste op ‘groen’. Na een boek over voeding en het brein te hebben gelezen vond ze dat ze meer groenten, vetzuren en eiwitten nodig hadden: “… dan gaan we ons vanzelf beter voelen…”. Kaleigh: “… ‘Ja maar, lief, we drinken elke dag minstens vier blikjes bier, dat is toch ook niet goed?’ ‘Maar dat hebben we nodig,’ zei Sigrid beslist, en daarna hield ik maar gewoon mijn mond…”. Meditatieapps deden hun intrede. Gojibessen werden besteld. Thee van bittere kruiden gezet. Gedroogde vruchtjes en zaden kwamen op tafel. Extra helend en súpergezond. “… ‘Supergoed in de markt gezet,’ zei ik…”. Het hielp allemaal niet tegen de nachtmerries bevolkt met zichzelf beschadigende kinderen.

 

Complottheorieën

Hoe meer moeite het kostte het werk vol te houden, hoe heftiger de reactie te ontstressen. Men blowde meer dan ooit. Alcoholgebruik werd een gewoonte; met drank overgegoten in onopvallende petflesjes. Er was sprake van stiekeme snelle seks. Alsof de opgelopen spanning teniet moest worden gedaan door nóg meer spanning. “… Vooruit, het werk dat we deden was volkomen shit maar wij konden het aan, want wij, Sigrid, de jongens en ik, wij waren een team en we sleepten elkaar er wel doorheen…”. Kaleigh merkte dat ze niet meer tegen gewelddadige computerspelletjes kon en dat ze de ‘gewone’ rimram aan shockerende films ‘saai’ begon te vinden. Sommige collega’s  gingen geloven in de complottheorieën waarmee ze voortdurend geconfronteerd werden. De aarde die plat is. Terroristische aanslagen die door overheden zijn beraamd. Dat dodelijke virussen in staatslaboratoria zijn gemaakt (wat inmiddels misschien niet eens zo heel ver bezijden de waarheid lijkt).

 

De Joden hebben het uiteindelijk altijd gedaan

Op  een zeker moment ontstond er een laaiende ruzie toen een stel collega’s een Joodse jongen begon uit de dagen met Soros, de rijkste en je kunt gerust stellen meest gehate Jood ter wereld. Volgens hen waren de Joden erop uit de wereld over te nemen en was de Holocaust waarschijnlijk ook niet echt gebeurd. Soros  zou de enige zijn die ‘de grootste leugen uit de geschiedenis’ kon bekostigen: “… Zo beginnen de filmpjes waarin stap voor stap wordt ‘uitgelegd’ dat er nauwelijks bewijzen zijn voor het bestaan van gaskamers ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Dat Joden in strafkampen uitsluitend aan besmettelijke ziekten stierven, ziektes die werden bestreden met Zyklon B, het gas dat later op hun kleding werd aangetroffen: ‘een volkomen onschuldig pesticide.’ Zulke video’s mogen we alleen verwijderen wanneer ze online gezet zijn in landen waar Holocaustontkenning een strafbaar feit is, en mits plaatselijke instanties actief werk maken van vervolging: Duitsland, Frankrijk, Israël en een raar land als Australië, som ik in gedachten op, terwijl er vlak voor me, op klaarlichte dag, een vrij fatale botsing staat plaats te vinden. ‘Er zijn hooguit vierhonderdduizend Joden gestorven in de Tweede Wereldoorlog,’ dendert Parka verder en Pet probeert hem in te halen: ‘Tegenover twintig miljoen Russische soldaten,’ zegt die, waarop Parka nog eens flink op het gaspedaal trapt; ‘Wel eens gehoord van het Haavara-pact? De nazi’s en de Joden werkten samen om de annexatie van Israël te rechtvaardigen…”. Al voor de coronapandemie hield ik uit pure nieuwsgierigheid sommige complotsites in de gaten. En ik kan je verzekeren: de Joden hebben het uiteindelijk altijd gedaan! Oók onder christelijke consparicy denkers als Robin de Ruiter. Daarom vind ik het werk van Arnon Grunberg en Kevin Prenger ook zo belangrijk.

 

Grenzen

Zonder het in de gaten te hebben, lijkt Kaleigh gaandeweg hoe langer hoe gekker te worden. Ze verloor achteraf gezien haar grenzen steeds meer uit het oog. Het is ook niet verwonderlijk dat een collega in een bar zenuwachtig openbaarde dat hij het niet meer trok: “… Ik voel me geen persóón meer…”. In het persbericht van de advocaat: “… Secundair trauma veroorzaakt door langdurige blootstelling aan schokkende beelden kan leiden tot depressie, angstproblematiek en paranoïde gedachten…”. De wereld waar Hanna Bervoets over schrijft bestaat echt. Aan het eind geeft ze een hele opsomming aan literatuur om verder te lezen.

 

Uitgave: CPNB – 2021, 96 blz., ISBN 978 905 965 804 2

maandag 7 juni 2021

Een aantrekkelijk evangelie – Tim Keller

 


Subtitel: Naar een nieuwe ontmoeting met de westerse cultuur

 

Ik weet niet hoeveel buitenstaanders er van mee krijgen, maar de leeglopende kerken zitten in de overlevingsmodus. Zijn in paniek. De boeken over ‘missionair gemeente zijn’ zijn niet aan te slepen, en gaan maar over één ding: hoe krijgen we weer mensen in de kerk. Het is alle hens aan dek. Ik las dat zelfs paus Franciscus heden ten dage gelovigen wereldwijd laat meedenken over hoe de Rooms Katholieke Kerk eruit moet gaan zien. De behoudende Amerikaan Tim Keller, één van de meest bekende protestante geestelijken ter wereld, van wie ik eerder “Bij je volle verstand”, “Aan Gods hand door pijn en lijden” en “Het huwelijk” besprak, doet ook zijn duit in het zakje. Middels wat je beter een ‘pamflet’ kunt noemen, omdat zijn verhaal maar zo’n vijftig bladzijden beslaat, aangevuld door een dubbelinterview met de Nederlandse evangelische leiders Jurjen ten Brinke en Tim Vreugdenhil. Ik heb zijn verhaal drie keer gelezen, en ik werd er steeds moeër van. Hoe komt dat toch? Omdat we zoveel ‘móeten’? Ik heb eerlijk waar 65 keer het woord ‘moeten’ in de een of andere werkwoordsvorm geturfd. Dat is dus gemiddeld meer dan één keer per bladzij. Of doet de vertaling hem hier de das om? Hoe verhoudt al dat dwingende ‘moeten’ zich tot de zo veel geroemde ‘christelijke vrijheid’?

 

Overgave

Ik begin even met een fragment op het eind dat mij het meeste aansprak. Het gaat over Eric Liddell, de Olympische Goudenmedaillewinnaar die beroemd werd door de film ‘Chariots of Fire’. Hij kwam in een Japans interneringskamp terecht waar hij, in tegenstelling tot een stel bij elkaar kliekende zendelingen, urenlang voor oudere gevangenen zorgde, Bijbellessen en andere cursussen gaf en tot aan de dag van zijn overlijden spelletjes organiseerde voor kinderen. De schrijver Landon Gilkey in “Shaunting Compound: The Story of Men and Women Under Pressure” concludeert: “… Religie is niet de plek waar het probleem wordt opgelost. Het is eerder de plek waar de ultieme strijd geleverd wordt tussen menselijke hoogmoed en Gods genade. Als de menselijke hoogmoed het wint, dan verwordt religie tot een van de instrumenten van menselijke zonde. Maar wanneer ons zelf in de religie God ontmoet en zich kan overgeven aan iets dat verder gaat dan eigenbelang, dan ontvangen we in haar de enige weg naar de zo noodzakelijke en o zo zeldzame verlossing uit de zelfzucht die ons allen aankleeft…”. Ik denk niet dat Eric Liddell dacht, laat ik nu eens aantrekkelijk en sexy overkomen, dus zielige oudjes en kindjes gaan helpen. Zeg maar zo’n beetje als de momenteel poeslieve president Xi Jinping van China, die afgelopen week zijn buitenlandse diplomaten de opdracht gaf ‘bescheiden en nederig te zijn’, want met stroop vang je nu eenmaal meer vliegen dan met azijn. Eric Liddell was gewoon helemaal en onverdeeld zichzelf, volgens mij. Maar wel een ‘wedergeboren’ zelf. Dáárom was hij zoals hij was. Wij hebben een goddelijke kern. Wij kunnen ‘verlichte’ mensen worden. De christelijke schrijfster Marilynne Robinson had het ooit over een ‘battery of grace’. Volgens mij is het primair de taak van de kerk die kern bloot te leggen, of er op zijn minst naar te verwijzen. Als we helemaal niet geloven in zo’n goddelijke bron waaruit zich een geestelijk krachtveld kan ontwikkelen, daar niet op aangesloten zijn, worden we dood- en doodmoe van onszelf, denk ik. Al zijn we met z’n allen nog zo christelijk bezig.

 

Van God los

Keller schrijft wel in die richting, maar heel erg duidelijk wordt het voor mij niet. Hij heeft het over een ‘heilige orde’, een ‘transcendente dimensie’, waaraan je je ‘moet’ onderwerpen. Daar waren zowel christenen, moslims, hindoes, boeddhisten en animisten het vroeger allemaal over eens, ook al had iedere religie zo zijn eigen ideeën over wat die orde precies inhield. Welnu, de post-christelijke wereld verwerpt deze orde. Er is maar één ding heilig: ons eigen diepste zelf. Ik denk dat ons eigen diepste zelf inderdaad heilig is, omdat deze transcendente orde daar nu juist zijn oorsprong vindt! En dan heb ik het niet over het zelfzuchtige ego dat in onze ziel huist, en Keller naar mijn idee met het diepste heilige zelf verwart. Ik denk dat zijn mensbeeld niet klopt. Ik denk dat wij analoog aan het beeld van de drie-enige God, óók een drie-eenheid zijn. Van lichaam, ziel en geest. De ziel is het terrein waar de psychologen mee werken. Daar houdt ons ik huis. En dat is inderdaad een nogal duister oord, anders hadden we die psychologen helemaal niet nodig. Echter, er bestaat een diepere dimensie. Zie Eric-Emmanuel Schmitt die in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus” een kind laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf ben ik niet mezelf…”. Dat kan de ontdekking van je leven worden! Daar komt de verbinding met het goddelijke tot stand, een mogelijkheid waar in mijn christelijke beleving Jezus voor heeft gezorgd. Want volgens het verhaal van de Bijbel zijn wij ooit, lang geleden, van God los geraakt (persoonlijk denk ik dat het drie-enige mensbeeld ook veel beter stand houdt in de aanstormende kunstmatige intelligentie-revolutie, het kan moeiteloos de ‘wij zijn ons brein’-hypothese integreren; de voortschrijdende neurotechnologie heeft een punt bereikt waarop op een onvoorstelbare manier ingegrepen kan worden in onze psyche, echter, de geest waarin het goddelijke woont,  is volgens de Bijbel onaantastbaar, onverwoestbaar en eeuwig – maar goed, dat is weer een heel ander verhaal).

 

Polarisatie

Keller ziet een extreme politieke polarisatie in de westerse cultuur: “… mensen blijken bereid om op politici te stemmen, zowel linkse als rechtse, die tien jaar geleden als extremistisch beschouwd zouden worden…”. Ik ben niet zo op de hoogte van het Amerikaanse leven, maar heb mij laten bijpraten door mijn dochter die daar meer connecties mee heeft. Ze zei dat het verschil tussen republikeinen en democraten inderdaad gigantische proporties heeft aangenomen. Ze vertelde dat Amerikanen geen mondkapje meer hoeven te dragen als ze gevaccineerd zijn tegen corana, maar democraten er toch mee blijven oplopen, omdat ze veel te bang zijn dat ze als republikein worden beschouwd. Ik bedoel maar. Ene James Eglinton in ‘Christianity Today’ over deze twee uitersten in de diep-verdeelde cultuur: “… De ene visie oefent aantrekkingskracht uit op diegenen die openstaan voor het herstel van nationale trots, het belang van groepen boven individuen, en het vasthouden aan het verleden. De andere is vooral aantrekkelijk voor wie openstaat voor een sterk individualistische invulling van de toekomst, losgezongen van de verplichtingen uit het verleden en juist vervuld van het idee van vooruitgang. En waar het nu om gaat is, dat elk van deze culturele krachten juist degenen die er niet voor openstaan krachtig afstoot. Dat is de reden waarom onze culturele analisten het vandaag hebben over ‘Twee Amerika’s’, ‘Twee Braziliës’ en ‘Twee Groot-Brittaniës’. Overal lijkt de bevolking zich naar deze tegenover elkaar staande uiteinden te bewegen…”. Keller waarschuwt dan ook krachtig voor ‘de politieke gijzeling van gelovigen’: “… De ene kant maakt een afgod van persoonlijke vrijheid, de andere van ras en volk, bloed en bodem. Ze zijn allebei seculier – de transcendente God ontbreekt…”. Het gevaar is dat de kerk zich laat gebruiken door linkse dan wel rechtse coalities: “… De eersten spreken veel over rassengelijkheid en economische gerechtigheid, maar weinig over het Bijbelse onderwijs over zaken als seksualiteit, gender en gezin. De laatsten veroordelen seksuele normloosheid en secularisatie, maar ze houden hun mond als hun politieke bondgenoten het vuur van rassenhaat en discriminatie van immigranten en minderheden opstoken…”.

 

Empathie

Keller meent dat een christelijke cultuurkritiek moet beginnen met het aan de kaak stellen van alles wat er mis is in de samenleving. Nou, dan zijn we voorlopig nog niet klaar, vrees ik. Verder vindt Keller dat voornoemde cultuurkritiek grotendeels berust “… op de schouders van christelijke academici, met behulp van niet-christelijke geleerden en denkers die ook de fatale tekortkomingen van het laatmodernisme inzien… “. Met andere woorden, je hoeft niet christelijk te zijn om te beseffen dat het fout is om alleen voor jezelf te gaan, geen rekening te houden met anderen of verslaafd te zijn aan van alles en nog wat. We weten allemaal best dat zelfverrijking en uitbuiting niet deugen. Kijk alleen maar naar hoe iedereen momenteel over de meelijwekkende Sywert van Lienden heen valt. Keller concludeert dan ook : “… Velen van deze laatsten - hij bedoelt de heidense professionals - hebben al stelling genomen tegen het probleem van het ongebreidelde individualisme, het probleem van het laatmoderne zelf, en dat van het relativisme – allemaal in toenemende mate aanwezig in de cultuur van vandaag…”. Verschillende ongelovigen hebben daar mijns inziens inderdaad heel wat diepzinniger en met meer mededogen en vooral meer humor over geschreven dan menige dominee. Ieder zijn vak. Zie bijvoorbeeld mijn blogs over “Identiteit” van psycholoog Paul Verhaeghe, “Happy me” van journalist Sanne Bloemink en “Borderline Times” van psychiater Dirk De Wachter. Zie ook het boekenprogramma “Brommer op zee” waarin schrijver Chris de Stoop aan de hand van zijn roman “Het boek Daniël” een prachtig referaat hield over het begrip empathie, waar het hele christendom uiteindelijk om draait. De meerwaarde van het christendom ligt naar ik meen dan ook in de boodschap dat de mensheid er niet alleen voor staat. Dat er een Goddelijke bron is waaruit wij ten alle tijden en iedere minuut van ons leven kunnen putten. Maar dan moet je natuurlijk wel geloven dat God bestaat. En weten waar je Hem kunt vinden. God is een groot mysterie. Zelf ben je een klein mysterie. In ieder geval heeft de Bijbel het over God als ‘een ontoegankelijk licht, waarin geen duisternis woont’. Zijn koninkrijk is binnen in je, volgens de Schrift. Dus daar zou je iets van dat geestelijke licht gewaar moeten kunnen worden. Dat vergt ‘inkeer’. Als je daar eerst naar zoekt, zal de rest je worden toegeworpen, zegt Mattheüs geruststellend. Daar zou het in de kerk mijns inziens over moeten gaan. Maar gelooft de kerk daar zélf nog wel in?!

 

Kunst in de kerk

Keller zegt dat we er voor moeten zorgen dat christenen meer gevormd worden door het Bijbelse verhaal, dan door de wereldse verhalen waarmee we zo’n beetje dag en nacht via de moderne media gehersenspoeld worden. Ik vind zijn advies de kunsten te gebruiken om het christelijke verhaal te vertellen wel verrassend. De Reformatie, waar hij als protestant uit voortkomt, heeft juist alle kunst uit de kerk verbannen (zie de Beeldenstorm). Arjan Plaisier vraagt zich in “Zorg voor de ziel” ook al af of we daarmee het kind niet met het badwater hebben weggegooid. Ik ben het hartgrondig met beide heren eens. Alleen al omdat de kunst in staat is ons die andere dimensie te laten voelen waar het geestelijke dan wel spirituele zich ophoudt. Zie Joke Hermsen in “Ogenblik & Eeuwigheid”. Ik moet denken aan de opa van Susan Cain, die in “Stil” vertelt hoe de mensen tot op de straat in de rij stonden bij de synagoge in New York waar hij preekte, omdat hij iedere sjabbat een nieuw literair werk doorspitte aan de hand van de Thora. Ik kan je verzekeren, als hier een dominee hetzelfde experiment zou uitvoeren, zat ik ook iedere week in de kerk.

 

Licht hoeft zichzelf niet te bewijzen, dat is er gewoon

Keller raadt aan vrienden te maken onder de ongelovigen met als doel ze te bekeren. Heel sneaky; maar ik heb daar grote moeite mee. Dat riekt naar een geheime agenda. Bovendien accepteer je de ander dan dus niet zoals hij of zij is. Hij of zij moet ‘veranderen’. Hij of zij moet ‘worden zoals jij’. Want, ‘er is er maar één goed, en dat ben ik’, zei een collega vroeger altijd gekscherend te pas en te onpas. Het is allemaal waar wat Keller schrijft: we ‘moeten’ eerlijk zijn (huh? – zie hierboven), hard werken, goed doen, mensen dienen, armoede en eenzaamheid uitbannen, aan ieders welvaart werken, ons geld weggeven, betrokken zijn bij de cultuur, ons inzetten voor de bloei van de stad, goede buren zijn, tuintjes opknappen, huizen bouwen en vooral altijd lief en aardig zijn. De lijst van Keller is schier eindeloos. Behelst zo ongeveer een tweede baan. Zonder inkomen welteverstaan. Ik krijg er bijna een burn-out van. De meeste gewone mensen hebben al zulk veeleisend werk dat ze amper genoeg vrije tijd hebben om dáár van bij te komen. En dan moeten ze ook nog eens de baan op voor de kerk. Ooit is het beroep van dominee toch uitgevonden om de gemeenschap juist te ontlasten? Waarom al die torenhoge managersidealen en niet gewoon blijven bij het simpele ‘doen wat je hand vindt om te doen’? Daarnaast ken ik mijn tekortkomingen. Keller eist van mij zo’n beetje volmaaktheid. Maar ik ben nog steeds geen wonderwoman. Moet ik mij een tweede persoonlijkheid aanmeten? Een christelijk masker opzetten? Moet ik doen ‘alsof’? Om het maar eens dik aan te zetten: zo creëer je toch onechte, dubbele, schizofrene, hypocriete, semi-persoonlijkheden (zie mijn blog over “Het drama van het begaafde kind” van Alice Miller)? Ik ontmoet kerkmensen die er niet voor uit durven te komen dat hun dochter ‘moet trouwen’ of dat de overlijdensoorzaak van hun vader zelfmoord is – want ‘vreselijke zonden’. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn? Hoezo: jezelf zijn en komen zoals je bent. Dus: moet ik mij plooien naar een dominee die mij zegt hoe ik moet zijn en vertelt hoe ik moet leven? Of kan ik daar misschien zelf achter komen. 'Theoloog des Vaderlands' Samuel Lee zei ooit: “… Ik verlang naar een christendom dat niet de behoefte heeft om zichzelf te bewijzen. Dat op een natuurlijke manier zijn licht laat schijnen. Licht hoeft zichzelf niet te bewijzen, dat is er gewoon…”.

 

Over individualiteit

Keller breekt zijn staf over het hedendaagse individualisme en het streven naar authenticiteit (evenals veel psychologen trouwens). Ik snap ook wel dat een voorganger gebaat is bij een kudde volgzame schapen. Echter, wij zijn post-Auschwitz-mensen, aldus Arnon Grunberg. Ik heb net een paar boeken over de Holocaust gelezen. We hebben in Europa gezien waartoe het ‘Follow the Leader’ en ‘Befehl ist Befehl’ kan leiden. Daarnaast zijn we zo ongeveer dood gegooid met de gruwelijke misbruikschandalen in de Rooms Katholieke Kerk. Veel slachtoffers hebben aangegeven dat ouders niet ingrepen omdat ze te beducht waren voor de macht van de geestelijkheid. Al met al denk ik niet dat je moderne mensen daarom terug in hun hok krijgt. Persoonlijk zie ik ook niet in wat er mis is met individualiteit, mits die niet verwordt tot puur egoïsme natuurlijk. Zie Karen Armstrong die in “Compassie” uitlegt dat alle godsdiensten streven naar het uitschakelen van het zelfzuchtige ‘reptielenbrein’, dat gefocust is op de vier V’s: vechten, vluchten, vreten en voortplanten, en ons stimuleren gebruik te maken van het in de loop der tijd nieuw gevormde hersengebied, de neo-cortex, waardoor wij ons kunnen richten op het maken van eigen keuzes en het ontwikkelen van compassie. Alle persoonlijkheden in de Bijbel waren uitgesproken individualisten: Mozes, DavidRachab, Deborah (en ook nog eens bedenkelijke moordenaars en hoeren). Jezus zelf spande de kroon. Hoe verhoudt een en ander zich trouwens tot Keller’s resolute afwijzing van seksueel actieve mensen die niet honderd procent getrouwde hetero’s zijn? Ik ben de laatste die ontken dat er heel boute uitspraken over homoseksualiteit in de Bijbel staan. Het oordeel daarover laat ik graag aan de Eeuwige over. Ik voel me niet geroepen om Hem tegen zichzelf te beschermen. Ik las pas een artikel waarin iemand zich bestempelde als 'genderagnost' – daar sluit ik me graag bij aan.

 

Een queeste naar de heilige graal

Ik denk niet dat er een groep dan wel een ouder, leraar, voorganger of wie dan ook tussen jou en God in kan staan. Het zou toch wel heel raar zijn als je bij wijze van spreken straks bij de hemelpoort aankomt met ‘ja maar, die en die zei…’. Toch? Het gaat om je eigen verantwoordelijkheid, om wat jij zelf al of niet met je leven hebt gedaan. Natuurlijk heb je leraren nodig, maar op een gegeven moment moet je op eigen benen kunnen staan. Volwassen worden. Ook in het geloof. Ik hoorde een keer een typisch boeddhistisch verhaal, dat ging over een leraar die zijn leerling een ladder op liet klimmen naar een wolk. Eenmaal op de wolk kreeg hij de opdracht de ladder weg te gooien. Dat je heel anders naar dit item kunt kijken bewijst ook theoloog en predikant Fokko Omta maar weer eens, die op 28 november 2019 promoveerde op het proefschrift: “Sin: Against Whom or against What?”. Volzin (19.03.20) kopte hier over: “… Zonde is verloochening van je diepste zelf…”. Omta: “… Zonde betrek ik niet zozeer op dingen waarvan iedereen wel weet dat ze niet deugen. Dat is gewoon moreel laakbaar gedrag, daar heb je het woord zonde niet voor nodig. Bovendien: als het leven zijn gewone gang gaat, zijn mensen helemaal niet zo slecht…” (zie ook: “De meeste mensen deugen” van Rutger Bregman). Even verder: “… In mijn optiek heeft zonde niet zozeer betrekking op het kwade dat uit mensen voortkomt. Maar op het goede dat er niet uitkomt…”. Zie de veelbesproken onverschilligheid in WO II van omstanders tegenover de Joden. Omta heeft het over ‘spirituele zelfverloochening’. “… Zondigen doet een mens allereerst tegen zichzelf: zijn diepste kern, zijn ware geest…”. En even verder: “… Tot die ware geest moet je je steeds opnieuw bekeren, anders ‘verlies je niet alleen de connectie met God maar ook met je eigen diepte’…”. Dat is pas echt je ‘doel missen’, wat de letterlijke betekenis van het woord ‘zonde’ is. Het mag duidelijk zijn dat Omta mij in deze meer aanspreekt dan Keller. Zouden we er niet veel meer op moeten inzetten mensen het pad naar de heilige graal te wijzen, die iedereen in zich draagt? Een queeste die zoveel meer bevredigender is dan al dat doelloze gejaag in de wereld van nu. Ik geloof in het statement van de Duitse filosoof Karl Rahner die stelde dat ‘de christen van de toekomst een mysticus zal zijn of níet zal zijn’. Laten we het over ‘bekering’ hebben. Dan komt de rest vanzelf wel…

 

Uitgave: Van Wijnen – 2021, vertaling Dingeman van Wijnen, 72 blz., ISBN 978 905 194 599 7, 9,95

Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 1 juni 2021

Over muren heen – Lody van de Kamp & Oumaima Al Abdellaoui

 


Subtitel: Een hoopvolle briefwisseling

 

Niet alleen in Israël zoeken Palestijnen en Joden samen moeizaam een weg naar vrede (zie mijn vorige blog), ook in Nederland vinden moslims en Joden elkaar in de stichting Yalla!. Secretaris is rabbijn Lody van de Kamp. In 2019 kwam “Over muren heen” uit, een - niet al te zware - kennismaking in briefvorm tussen voornoemde  gepensioneerde orthodoxe rabbijn, en een hoofddoek dragende, schoolgaande moslima, Oumaima Al Abdellaoui, over zaken die beide bewegen. 

 

Ik vraag me af wanneer racisme in samenlevingen precies is ontstaan

In het begin van de correspondentie wordt vooral elkaars voorgeschiedenis afgetast. Lody  torst de Holocaust met zich mee. Zijn vader overleefde als enige in het gezin Auschwitz. Zijn moeder zwierf in de oorlog van het ene naar het andere onderduikadres. Oumaima ervaart de nodige problemen met haar identiteit: is ze een Nederlandse, een Marokkaanse of allebei? In 1970 verkocht Oumaima’s overgrootmoeder haar koe, waarmee een mensensmokkelaar werd betaald, zodat haar zoon, Oumaima’s opa dus, de oversteek naar Nederland kon maken, om hier als gastarbeider te werken. “… In die tijd was koning Hassan de Tweede aan de macht en kregen mensen vanuit het noorden vrijwel nooit een visum…”. Met andere landgenoten werkte hij lange dagen in een abattoir – hij had het prima zijn zin. Oma, die hij na een tijdje meenam naar Nederland, heeft ondanks dat ze liefdevol werd opgevangen door buurvrouwen met oerhollandse namen als tante Annie, Gerda en Greet, nooit kunnen aarden en altijd heimwee gehouden naar haar geboortedorp. Oumaima: “… Hoewel mijn oma niet gelukkig was, spreken zij en mijn opa vol lof over de Nederlanders. Ze waren vanaf de eerste dag welkom. Voor mij is dat lastig te geloven, aangezien ik mij juist vaak niet welkom heb gevoeld. En dat, terwijl ik meer ‘Nederlands’ ben dan zij destijds waren! Dit bewijst maar weer eens dat elkaar accepteren niets met modernisatie of ontwikkelde kennis te maken heeft. Blijkbaar waren Nederlanders vroeger erg gastvrij. Waar is het toch misgegaan? Wanneer is die afgunst en wrok jegens het onbekende ontstaan? …”. En even verder: “… Vaak hoor je dat tolerantie echt iets westers en moderns is. Ik weet dat dit niet klopt. In vrede met elkaar samenleven, is eerder iets van de oudheid. Het Westen en modernisatie hebben daar niks mee te maken. Ik denk zelfs dat het Westen te laat is gekomen met deze mindset. Als je teruggaat in de geschiedenis zie je al gauw dat een heleboel volkeren vóór ons – en verspreid over de hele wereld – eraan gewend waren met elkaar te leven ongeacht grote verschillen…”. Volgens Lody kun je vaststellen dat het juist de westerse wereld met haar koloniale verleden is, die een storende factor werd in het vreedzaam samenleven van volkeren en religies.

 

Een leefbare co-existentie

Lody over de Palestijns kwestie: “… Na honderd jaar van conflicten lukt het Palestijnen en Israëliërs nog steeds niet om vrede te sluiten. Natuurlijk zouden beide partijen daarom hun vermoeide hoofd in de schoot kunnen leggen en hulpeloos hun schouders ophalen. Maar er kan ook iets gedaan worden, en dat is wat mij betreft hard nodig. Bij gebrek aan vrede moeten we tenminste proberen een soort ‘leefbare co-existentie’ te regelen tussen de verschillende bevolkingsgroepen en proberen deze leefbaarheid, onder alle omstandigheden, ook zo veel mogelijk te handhaven. Als politieke idealen niet kunnen worden gerealiseerd, laten we er dan tenminste voor zorgen dat vaders en moeders hun kinderen in een geweldloze samenleving kunnen laten opgroeien. Dat er voldoende economische activiteit is, zodat mensen aan het werk kunnen. Dat er goede medische zorg is voor iedereen. Dat kinderen degelijk onderwijs krijgen en dat studenten zich verder kunnen ontwikkelen. Het scheppen van deze leefbare maatschappij moet, ook te midden van een samenleving waar de vrede nog niet geregeld is, prioriteit nummer één zijn. Ik weet dat er zowel in Palestina als in Israël, zowel op de Westbank als in Gaza, mensen zijn die hier – vaak onder heel zware omstandigheden – voor vechten…” (zie ook mijn vorige blog). Aangaande de Palestijnen verschillen Lody en Oumaima van mening. Hoe kan het ook anders. Lody denkt dat Israël geen keus heeft, dat de keiharde veiligheidsmaatregelen gewoon nodig zijn, maar blijft koppig geloven in vrede.

 

Wijze man

Oumaima hoort van haar vrienden dat de Palestijnen te veel wrok koesteren om de wapens opzij te leggen: “… In hun ogen voelt dat namelijk als opgeven. Velen zijn alles kwijtgeraakt en leven nu slechts om hun land te beschermen, om de Palestijnse eer. Ergens zijn ze ook bang dat er met het neerleggen van de wapens nooit gerechtigheid zal plaatsvinden…”. Een jongen van veertien wiens ouders en zusje overhoop zijn geschoten door een sluipschutter is echt niet over te halen zijn wapens neer te leggen. Zo’n jongen voelt zich een mislukkeling omdat het hem niet gelukt is zijn familie te beschermen en staat iedere morgen op met de intentie zijn dierbaren te wreken. “… Hoe wil je hem ooit laten geloven dat de Israëliërs niet binnen de kortste keren hun wapens oppakken om een einde aan hém te maken? Deze jongen, die mentaal gezien helemaal kapot is en eigenlijk niet meer voor rede vatbaar, kun jij niet overhalen zijn wrok opzij te schuiven voor vrede. Het geloof is hij namelijk kwijtgeraakt op het moment dat hij zijn familieleden kwijtraakte. De jonge Palestijnse generatie is vervuld van woede en ik voorzie dat dit complete destructie kan veroorzaken. Daarom houd ik mijn hart vast voor wat komen gaat…”. Evenals de vader van Ichmad in mijn vorige blog pleit Oumaima voor begrip: “… Steek tijd in hem en leer zijn woede begrijpen. Als we begrijpen waar die emoties vandaan komen, kunnen we hem, en velen met hem, helpen emoties om te zetten in iets wat géén agressie is…”. Begrip betekent niet dat je het met een bepaalde keuze eens moet zijn. Uiteindelijk schrijft Oumaima: “… De schuld ligt niet bij de joden, nog bij de Palestijnen. De schuld ligt bij de omringende Arabische landen, bij de Verenigde Staten en bij de rest van de wereld, die zwijgend wapens hebben geleverd en het op die manier zover hebben laten komen. Ik heb het niet over normale burgers zoals jij en ik, maar over de rijke papi’s die met mensenlevens hebben gespeeld alsof het een spelletje poker was…”. Oumaima ziet een taak weggelegd voor de VN en hoopt op een ‘wijze man’ zoals Nelson Mandela. Zowel Lody van de Kamp als de christelijke theoloog Willem Ouweneel geloven dat die ‘wijze man’ de komende Messias zal zijn; zie hier.

 

Regels helpen en beschermen

Oumaima vertelt hoe ze voor de tweede keer de ‘umrah’, de kleine bedevaart, naar Medina en Mekka maakte: “… Die is binnen twee uur te doen, terwijl de ‘hadj’ meerdere dagen duurt en meer rituelen bevat…”. Voor haar is het de enige manier om echte innerlijke rust te ervaren, geeft het haar het gevoel ‘thuis te komen’ en onder ‘eigen’ mensen te zijn. De eerste keer gebruikte ze het als therapie om uit een depressie te komen. De tweede keer was het gevoel herboren te zijn nog sterker. In Saoedi-Arabië blijkt het slecht gesteld met de rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van vrouwen, terwijl er tegelijk meer respect is voor en hulpvaardigheid richting de medemens dan in Nederland. Ze vertelt over de vijf zuilen, de meest fundamentele verplichtingen binnen de islam. In het hiernamaals zullen volgens de islam je goede daden tegen je slechte daden worden afgewogen, wat bepalend is voor de manier waarop het leven na dit leven er uit komt te zien. Evenals in de islam zijn vrouwen in het Jodendom vrijgesteld van veel religieuze verplichtingen. Oumaima noemt zich feministisch. In tegenstelling tot Lale Gül in “Ik ga leven” vindt Oumaima de islam helemaal geen misogynistische religie waarin moslimvrouwen onderdrukt worden. Volgens haar geeft de Koran gelijke rechten aan man en vrouw. Zie ook de vrouwvriendelijkheid tijdens de menstruatie waarin de vrouw vrijstelling heeft van het bidden en niet mee hoeft te vasten tijdens de ramadan. De gemiste dagen kan ze op een later moment inhalen. Wat bijna niemand weet is dat alcohol drinken, drugs gebruiken of geslachtsgemeenschap hebben buiten het huwelijk voor zowel man als vrouw ‘haram’ zijn. Dat mannen daar veelal geen oren naar hebben, heeft veeleer een culturele oorzaak. Volgens Oumaima werkt absolute vrijheid desastreus: “… De maatschappij zou zich niet ontwikkelen en ik denk dat geweld de overhand zou krijgen. Regels zijn nu eenmaal nodig. Zodra die er niet zijn, zullen er ongeschreven regels ontstaan en dat zal voor complicaties zorgen. De islam heeft de moslims dus bepaalde regels opgelegd om hen te beschermen en te helpen vooruitgang te boeken…”. 

 

De vrouw als kers op de taart

“… In de joods-religieuze filosofie kom je keer op keer tegen dat de vrouw dichter bij G’d staat  dan de man…”, schrijft Jody. Ik vond het verrassend te lezen dat de in de twaalfde eeuw geboren Joodse wetgever Maimonides stelde dat de vrouw geestelijk op een hoger plan staat dan een man, een conclusie die ik een tijd geleden zelf ook heb getrokken, zie mijn blog over “De onverzadigbare vrouw en de afwezige man” van Lisette Thooft, wat mij door deze en gene zeker niet in dank afgenomen werd. Maimonides stelt dat er in de scheppingsorde een patroon zit van lager naar hoger: hoe later geschapen, hoe hoger en geavanceerder de ontwikkeling. Water, planten, dieren, man, vrouw. De vrouw is dus de kers op de taart. De man richt zich in het Jodendom naar buiten, het openbare leven. De vrouw richt zich naar binnen, het gezin. De waardigheid van de vrouw maakt dat de man zich ‘beter gedraagt’ (daar hoef je ze op de rozenkwekerij waar ik vroeger in de vakanties werkte niets over te vertellen). De vrouw zou een hoger inzicht, een beter ontwikkeld begrip en een specifiekere intuïtie hebben, waar ik ook al eerder op ben gestuit – zie mijn blog over “Zorg voor de ziel” van Arjan Plaisier. Dat deze geestelijke sensitiviteit niet groeit als je je als vrouw tot man verhardt, lijkt mij evident. Mystiek heeft afzondering, innerlijkheid en stilte nodig. De dwarsdenker en psychiater J.H. van den Berg stelde ooit in zijn boek over “De reflex” dat de secularisatie gelijk op is gegaan met de veranderde architectuur van het kerkgebouw, namelijk toen de moderne kerken er uit gingen zien als fabriekshallen waarin een gewijde heilige ruimte ontbrak. Mijns inziens heeft hij daarin gelijk. Het kerkgebouw is verzakelijkt oftewel vermannelijkt, met een leeg centrum (zie mijn blog over “De slinger van Foucault”). De kerk is geen ‘zij’ meer. Ontbeert een beschermende, veilige baarmoeder. Zo is het hoe ik voel. De Duitse filosoof Karl Rahner heeft met zijn statement dat ‘de christen van de toekomst een mysticus zal zijn of níet zal zijn’ dan ook ontegenzeggelijk gelijk, denk ik. Ik zie de ogen van de christelijke mannenbroeders al rollen. Er is veel mis gegaan in het verleden op het immer vage spirituele vlak; dat weet ik ook wel. Maar wie heeft gezegd dat geloven makkelijk is? En verder: is het niet opwindend hoe verschillende godsdiensten elkaar kunnen verduidelijken, aanvullen en versterken?

 

Criminaliteit

Verreweg het meest interessante gedeelte van het boek zijn de brieven die over de Marokkaanse gemeenschap en haar aandeel in de Nederlandse misdaad gaan. Lody blijkt al jaren met maatschappelijk ondernemer Said Bensallam onder de jeugd in de Amsterdamse Kolenkitbuurt - waar ook Lale Gül vandaan komt – te werken. Ze richten zich voornamelijk op de Top-600: criminele jongeren die worden begeleid om verder afglijden richting de zwaardere misdaad te voorkomen. Het Centraal Bureau voor Statistiek publiceerde november 2011 een onderzoek waarin naar voren kwam dat personen met een Marokkaanse en Antilliaanse achtergrond zes keer vaker te maken hebben met criminaliteit dan personen met een Nederlandse achtergrond. Lody is vooral op zoek naar de oorzaken. Volgens René Diekstra en Mieke Komen, lectoren Jeugd en Opvoeding aan de Haagse Hogeschool, zit dat in de kern van de zaak in het ‘dwingend gedrag’ dat jongeren thuis oppikken bij gebrek aan echte opvoeding. Eerlijk gezegd wist ik niet wat ik me precies voor moest stellen bij deze term, tot ik een artikel van Krijn ten Hove las in verband met de zaak Ruinerwold – zie hier. Er ging mij ook wel een lichtje op inzake de ruzies tussen moeder en dochter Gül. Verder werken een negatieve beeldvorming, discriminatie en een respectloze behandeling ook niet mee aan een geslaagde integratie in de samenleving. Daar komt nog bij dat veertig procent van de gewelddadige, criminele jongeren zwakbegaafd is. Hierdoor zijn zij een gewillige prooi voor gewetenloze criminelen, die hen makkelijk kunnen ronselen voor hand- en spandiensten. Zelf blijven ze  buiten schot. Juist de zogenaamde LVB’ers, jonge mensen met Lichte Verstandelijke Beperkingen, worden door de harde criminaliteit graag ‘ingehuurd’: “… Hun kwetsbaarheid bestaat uit het feit dat ze de gevolgen van hun eigen beslissingen niet overzien. Ze zijn daartoe eenvoudig niet in staat. Moeten ze even iemand volgen in opdracht van ‘een aardige vent op de hoek’ om te weten te komen waar die iemand werkt, dan doen ze dat voor vijf tientjes maar al te graag. Ze beseffen totaal niet dat ze hiermee de eerste stap zetten binnen de wereld van de misdaad. De volgende klus levert al gauw honderd euro op…”. Lody vindt het dan ook ronduit verbijsterend dat hij bij opleidingen waar mensen bezig zijn met veiligheid en criminaliteit, leerlingen en docenten aantreft die nog nooit van LBV’ers hebben gehoord. Omdat Oumaima niet zoveel over misdaad weet, laat ze iemand die zich in de onderwereld beweegt een brief over zichzelf schrijven. Hij vertelt hoe hij in een crimineel milieu is geboren, zijn situatie geërfd heeft: “… Dat dit mijn lot was, stond al vast voor ik er was…”. Hij is trots op zijn vrijheid: “… Van negen tot vijf voor een baas werken, belasting betalen en rennen tegen de klok noem ik geen hard werken, maar slavernij…“. Dat is niets voor hem: “… Ik heb geen geldtekort, maar als ik stop, o lieve Oumaima, gaat de geldkraan dicht…”. Zijn leven is keihard, hij weet niet of hij daarom kinderen wil, die dezelfde zorgen zullen hebben als hij.

 

Jodendom heeft meer gemeen met de islam dan met het christendom

Jody en Oumaima hebben elkaar gevonden. De islam blijkt veel dichter bij het Jodendom te staat dan het christendom: “… Moslims eten net als joden geen varkensvlees. Joden kennen net als moslims alleen het ritueel slachten. Beide religies leven met de oorspronkelijk bijbelse kalender, die van de schepping uitgaat en van een maanjaar in plaats van een zonnejaar. Dit in tegenstelling tot het christendom met zijn christelijke jaartelling. Zowel de moslim als de jood is besneden. Ik heb het nu over allemaal regels die gewoon in de Thora staan, maar die de kerk geschrapt heeft. Het Arabisch van de Koran en het Hebreeuws van de Thora zijn nauw aan elkaar verwant. Het Latijn of het Grieks van de kerk heeft geen enkele relatie met de grondtekst van de Thora, waar zowel de Koran als de Bijbel uit zijn voortgekomen. Het jodendom kent vastendagen zoals de islam de ramadan kent…”. Oumaia weet zeker dat de Marokkaanse gemeenschap ‘not amused’ zal zijn over haar schandalige correspondentie met een rabbijn: “… Want waar haal ik het lef vandaan om samen te werken met een jood, een van de mensen die onze broeders en zusters in Palestina afslacht? Ken ik dan helemaal geen schaamte? Ben ik niet goed opgevoed?...”. Oumaia wijt dit aan het feit dat de meeste Marokkanen als ongeschoolde arbeider hier naar toe zijn gekomen en geen weet hebben van de Marokkaanse geschiedenis waarin de Joden altijd een beschermde positie hebben gehad: “… Tijdens de Tweede Wereldoorlog bepaalden de Duitsers dat er wereldwijd geen enkele jood meer als ambtenaar te werk mocht worden gesteld. Koning Mohammed de Vijfde was de enige koning ter wereld die deze opdracht compleet negeerde…”.

 

Uitgave: Kok - 2019, 144 blz., ISBN 978 902 395 675 4, 14,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier