Menu

vrijdag 15 december 2023

Lolita lezen in Teheran – Azar Nafisi


 

Subtitel: Zeven vrouwen en hun verboden leesclub

 

De werkelijkheid is veel bizarder dan fictie. De Nobelprijs voor de Vrede werd afgelopen zondag overhandigd aan de kinderen - een zeventienjarige tweeling - van mensenrechtenactiviste Narges Mohammadi, die in een Iraanse gevangenis zit. Ze werd voor de dertiende keer gearresteerd. Ze is vijf keer veroordeeld tot in totaal 31 jaar gevangenisstraf en 154 zweepslagen. Amnesty International publiceerde vorige week een rapport met 45 beschrijvingen van gruwelijk seksueel geweld tegen vreedzame demonstranten, die werden opgepakt tijdens de massale Iraanse straatprotesten van vorig jaar. Waaronder 7 kinderen. De monsterachtige details zijn zo schokkend dat ik ze u zal besparen. Desondanks is Iran door de Verenigde Naties aangesteld als voorzitter van het mensenrechtenforum. Gekker kun je het toch niet bedenken? Wat een ontzaglijk brevet van onvermogen en imponerend staaltje ‘hoe ondermijn ik iedere geloofwaardigheid’. Je zou bijna denken dat ze het er om doen. Om het maar niet over de verwoestende proxy-oorlog te hebben die Israël momenteel met Hamas uitvecht in Gaza. De orgie van seksueel geweld op 7 oktober is herkenbaar. Volgens Amir Maleki, docent aan de Universiteit van Tilburg, moeten we ervan uitgaan dat de Amnesty-getuigenissen slechts het topje van de ijsberg zijn. De meeste slachtoffers zullen uit angst hun mond houden: “… Onder het mom van goddelijk gezag laat het regime weten dat ze met gevangenen – die ze als tegenstanders van het islamitische bewind bestempelen – alles mogen doen wat ze maar willen…”. Even verder: “… Vorig jaar juni kondigde ayatollah Khamenei, de hoogste leider van Iran, al aan dat  ‘de God van 2022 dezelfde is als de God van 1981’. In de jaren tachtig, vlak na het ontstaan van de islamitische republiek, werden tegenstanders van het regime ook gemarteld, verkracht en vermoord…” (ND 08.12.23). Precies deze periode beschrijft Azar Nafisi (1955), ooit docent Engelse literatuur aan de Universiteit van Teheran, in het al wat gedateerde, maar vanwege de huidige actualiteit uitermate belangwekkende: "Lolita lezen in Teheran". Ze houdt ons een spiegel voor, niet in de laatste plaats ook wat betreft de verkiezingsuitslagen hier ter lande. Ze kan zich achteraf wel  de haren uit haar kop trekken over haar eigen stemgedrag: ‘we eisten alleen vernietiging van het oude, zonder veel aandacht voor de gevolgen’. In de herfst van 1995 nam ze ontslag (dat pas na twee jaar officieel werd geaccepteerd) omdat ze zich niet langer wilde conformeren aan de steeds strenger wordende regelgeving. Vervolgens zette Nafisi thuis met zeven van haar meest getalenteerde studenten in het geheim een leeskring op, waar ze verboden westerse boeken bespraken. Over de kracht van literatuur.  

 

Schizofreen

“… Meermalen herinnerde ik mijn studenten plagend aan Muriel Sparks “The Prime of Miss Jean Brodie”: ‘Wie van jullie zal mij uiteindelijk verraden?’…”. Ik vind het fascinerend: in een hel van een samenleving, waar zedenpatrouilles zoals in de “The Handmaid’s Tale” door de straten rijden om ongehoorzame vrouwen op te pakken, schept Nafisi haar eigen droomwereld. Haar literaire oneliners zijn niet van de lucht: “… Kleineer nóóit een werk van fictie, onder geen enkele omstandigheid, door het te veranderen in een kopie van het echte leven; waar wij in fictie naar speuren is niet zozeer de realiteit maar de openbaring van wijsheid…”. Even verder: “… Nu ik terugblik sta ik er versteld van hoeveel we leerden zonder het zelfs maar te merken. We zouden – om Nabokov te citeren – aan den lijve ervaren hoe het alledaagse kiezeltje van het alledaagse leven zich liet omtoveren tot een edelsteen door het magische oog van de verbeelding…”. Hoewel de bijeenkomsten even lucht geven aan het beklemmende bestaan van haar studenten, ervaren ze de situatie als schizofreen. Ze weten niet precies wie ze zijn: de in het zwart gehulde wezens die schichtig over straat ijlen, of de vrolijke moderne goedgebekte meiden die zich bij Nafisi uit hun zwarte gewaden pellen. Bijna twee jaar lang zien ze elkaar, “… en bijna elke keer kwam ik niet over de schok heen wanneer ik ze hun verplichte sluiers en jassen zag afleggen om in kleuren uit te barsten. Langzamerhand won eenieder aan contour en vorm en werd haar eigen onnavolgbare zelf…”.

 

Een ruimte voor onszelf

Nafisi vertelt hoe zwaar het voor haar studenten is op de universiteit. Ze worden al beboet als ze de trap op hollen, als ze lachen in de gangen of praten met mannen. Ze heeft ze uitgekozen zonder rekening te houden met hun achtergrond: “… Later zou ik dat als hét grote succes van de klas beschouwen: dat een zo gemêleerde groep met verschillende en bij tijden botsende achtergronden, persoonlijke, religieuze en sociale, zo trouw was gebleven aan haar doelen en idealen…”. Het enige gemeenschappelijke is dat het allemaal eenlingen zijn, gewend zich op eigen houtje voort te bewegen in een repressieve maatschappij. “… We kunnen het college ‘een ruimte voor onszelf’ noemen, had Manna voorgesteld, een soort gemeenschappelijke versie van Virginia Woolfs kamer voor haarzelf…”. Gek genoeg zijn ze niet geïnteresseerd in politieke romans, maar vooral in ‘niet-revolutionaire schrijvers’: James, Nabokov, Woolf, Bellow, Austen en Joyce. Waar ze naar hunkeren is op de eerste plaats ‘schoonheid’. Let wel: het gaat hier om een generatie die nooit iets anders dan onderdrukking heeft gekend. “… Om ons leven te redden moeten we onze eigen tegenrealiteiten maken…”, schrijft Henry James ergens. Het eerste verboden boek dat besproken wordt is “Duizend en een nacht”. Uitgebreid analyseren ze hoe Sjarazaad de cirkel van blijkbaar onuitroeibare misogynie doorbreekt.

 

Kinderverkrachter Humbert

Vervolgens wordt het oeuvre van Nabokov onder de loep genomen, waarin vaak een schaduw van een ándere wereld doorbreekt. Alsof er een ‘scheur’ in zijn universum zit, die voert naar een ander oord, vol tederheid, klaarheid en schoonheid: “… Ik denk dat het lezen en bespreken van de romans in die klas onze adempauze werd, onze schakel met die andere wereld...”.  Zoals de kinderverkrachter Humbert het leven van de twaalfjarige Lolita tracht te kneden naar zijn eigen fantasie en verlangens, zo zijn de studenten ook verzinsels geworden in de droom van ayatollah Khomeini: half levende, aan de muur geprikte vlinders. Ik bedacht dat in een land dat kindhuwelijken legitimeert “Lolita” waarschijnlijk anders gelezen wordt dan in het Westen. Zoals de meeste dictators heeft Humbert geen enkele interesse voor zijn medemensen en hun levens. Hij stelt uitsluitend belang in zijn eigen kijk op anderen: “… Zo wordt, geloof ik, de schurk in moderne fictie geboren: als een wezen zonder mededogen, zonder empathie…”. Nafisi trekt dat door naar de staat: “… Gebrek aan begrip was in mijn ogen de hoofdzonde van het regime, waaruit alle andere zonden voortvloeiden…”. Humbert tracht de lezer medeplichtig te maken: “… Hij probeert ons voor zich te winnen door ons in zijn klasse te plaatsen: die van vurige critici van de consumentencultuur...”. Humbert pleit zichzelf vrij door zijn slachtoffer in de misdaad te betrekken: zíj was het die míj verleidde. Evenals de ayatollahs doet hij een beroep op ons hoger zedelijk besef. Een studente vertelt dat ze werd beschuldigd van het te verleidelijk in een appel happen! “… ‘Wij zijn niet tegen de cinema,’ had ayatollah Khomeini verklaard toen zijn trawanten de filmhuizen in brand staken, ‘we zijn tegen prostitutie!’…”. Om het minste of geringste lopen jonge meiden het risico dat hun maagdenvlies wordt gecontroleerd. In zijn magnum opus, “De politieke, sociale en religieuze principes van ayatollah Khomeini”, gaat het serieus over dat een man zich gelukkig ook van zijn zin aan seks kan afhelpen door het met een kip te doen. Of je die kip daarna nog mag opeten? De directe familie of naaste buren mag dat niet, maar een buurman twee deuren verderop mag dat best.

 

Ophouden met de cipier te dansen

“… ‘Nabokov noemt elke grote roman een sprookje…”. Nafisi: “… Laat ik jullie er in de eerste plaats aan herinneren dat sprookjes wemelen van enge heksen die kinderen opeten en boze stiefmoeders die hun stiefdochter vergiftigen en slappe vaders die hun kinderen achterlaten in donkere bossen. Maar de betovering komt van de macht van het goede, de kracht die ons zegt dat we ons niet hoeven te schikken in de beperkingen en restricties die ons worden opgelegd door McFatum, zoals Nabokov het noemde…”. Ze vertelt hoe de censuur in boeken snijdt en ze herschept naar hun eigen beeld: “… ‘Ze vinden álles aanstootgevend,’ zei Manna ‘Het is of politiek of seksueel incorrect’…” (vergelijk dit eens met de sensitivity readers’ van ‘woke’!). Romans  gaan over een verzonnen wereld, niet over de realiteit, en er moet toch érgens een plek zijn “… waar we aanstoot kunnen geven…”, zegt iemand kwaad. Naar aanleiding van “Uitnodiging tot een onthoofding”: “… De enige manier om uit de cirkel te breken, om op te houden met de cipier te dansen, is een manier vinden om je individualiteit te bewaren, die unieke eigenschap die zich aan een beschrijving onttrekt maar die de ene mens van de andere onderscheidt…”. Laat je nóóit dwingen een van hén te worden.

 

Dood en seks

Na haar revolutionaire studententijd in het Amerika van de jaren zeventig, waarin ze volop demonstreert tegen de Amerikaanse inmenging in Iran, keert Nafisi met haar bul op zak terug naar Teheran. De stemming op het vliegveld ervaart ze desondanks als zeer onaangenaam. Alleen al de kreten op reusachtige muurposters met een verwijtend op haar neerkijkende ayatollah: DOOD AAN AMERIKA! WEG MET HET IMPERIALISME EN HET ZIONISME! AMERIKA IS ONZE VIJAND NUMMER EEN!  Terwijl er om haar heen een territoriumstrijd wordt uitgevochten tussen diverse linkse, wereldlijke en islamitische studentengroeperingen, heeft ze haar handen vol aan haar eerste leraarschap: “… Ik deed mijn best om in politiek opzicht min of meer fair te zijn. Behalve over “De grote Gatsby” en “A Farewell to Arms” gaf ik college over Maxim Gorky en Mike Gold…”. Ze start een werkgroep rond “The Adventures of Huckleberry Finn” en is in de wolken als ze in een boekwinkel een onverwacht juweeltje van de obscure auteur Henry Green vindt. Nafisi ervaart de merkwaardige ‘symbiose tussen de revolutionairen en de dood’ pas als een jonge en populaire, maar omstreden en radicale ayatollah sterft.  Geruchten doen de ronde dat hij is vermoord. Op straat brandt een hevige strijd los wie zijn lichaam ten grave mag dragen: de fanatici en burgerwachten van Hezbollah, de partij van Allah, of de leden van de radicaal religieuze moedjahedien, die beweren zijn geestelijke en politieke erfgenamen te zijn. “… Dat was de eerste keer dat ik het vertwijfelde, orgiastische genot ervoer van deze vorm van openbaar rouwbeklag: alleen daar mengden mensen zich onder elkaar, deelden emoties zonder zich in te houden of schuldig te voelen en raakten lichamen elkaar. Er hing een wilde, seksueel getinte razernij in de lucht. Later, toen ik een leuze van Khomeini zag, die luidde dat de islamitische republiek blijft voortbestaan door haar rouwplechtigheden, kon ik getuigen van de waarheid…”. Ze raakt zichzelf kwijt in de massa, om zich als volgt op een hele enge manier terug te vinden: “… Toen merkte ik dat ik met mijn vuisten op een boom sloeg en huilde, huilde alsof degene die me het naast was, gestorven was en ik helemaal alleen in de hele wijde wereld stond…”.

 

Revolutie

Terwijl de communistische Toedeh-partij en de marxistische fedajien-organisatie de radicale moslimreactionairen steunen tegen wat zij de liberalen noemen, Khomeini naar de Oktoberrevolutie verwijst en de meeste studenten hun best doen hun ‘antirevolutionaire’ professoren te verdrijven, is Nafisi alleen maar verliefd op haar boeken: “… Ik legde uit dat de meeste grote werken van de verbeelding bedoeld waren om je een vreemde in je eigen huis te doen voelen. De beste fictie dwong ons te twijfelen aan wat we vanzelfsprekend vonden. Zij twijfelde aan tradities en verwachtingen wanneer die al te onveranderlijk leken. Ik zei mijn studenten dat ik wilde dat ze bij wat ze lazen nadachten over de manieren waarop die werken hen van hun stuk brachten, hun enig onbehagen bezorgden, hen dwongen om zich heen te kijken en de wereld net als Alice in Wonderland met andere ogen te bezien…”. De jubelstemming van vreugde en vrijheid die op de val van de sjah volgt, maakt al snel plaats voor vrees en beven als er een golf van executies op de revolutie volgt. Radicaal linksen en extreme moslims omarmen elkaar in wat een dodelijke omhelzing heet (en zie wat er vandaag de dag gebeurt): “… Toen we in de States ‘Dood aan’ dit of dat hadden geroepen, leek die dood symbolischer, abstracter, alsof we moed putten uit het onverwezenlijkbare van onze kreten. Maar in 1979 werden die kreten in Teheran met griezelige precisie werkelijkheid. Ik voelde me hulpeloos: alle dromen en leuzen werden bewaarheid en er was geen ontkomen aan…”. Het went: “... rechters die ijskoud spraken over amputeren van hand of benen bij een dief of over het doden van politieke gevangenen omdat er inmiddels onvoldoende ruimte was in de gevangenis…”. Met ontsteltenis kijkt ze naar de showprocessen van oude kameraden in het volle besef dat “… we allemaal samen deze zooi hadden helpen creëren…”.

 

Islamitisch Woodstock

Iran raakte in de greep van de mythe van Amerika, vertelt Nafisi: “… Amerika werd zowel het land van Satan als het Verloren Paradijs…”. De Amerikaanse ambassade verwordt tot het ‘nest van spionnen’: “… Dagelijks werden er uit de provincies en dorpen bussen vol mensen aangevoerd die niet eens wisten waar Amerika lag, die soms dachten dat ze naar Amerika werden gebracht. Ze kregen eten en geld, en ze mochten blijven en pret maken en picknicken met hun gezinnen voor het nest van spionnen – als tegenprestatie werd hun gevraagd te demonstreren, ‘Dood aan Amerika’ te roepen en nu en dan een Amerikaanse vlag te verbranden…”. Nafisi duidt een en ander als een ‘islamitisch Woodstock’.  De revolutie kent geen nuances: “… Er waren maar twee krachten in de wereld: het leger van God en dat van Satan…”. Een bedachtzame student: “… Degenen die oordelen moeten rekening houden met alle aspecten van iemands persoonlijkheid. Alleen via literatuur kan men in andermans schoenen gaan staan en de verschillende tegenstrijdige kanten van de ander begrijpen en zich weerhouden van een al te hardvochtig oordeel. Buiten de sfeer van de literatuur komt maar één aspect van een mens aan het licht…”.

 

“De grote Gatsby”

Op een dag wordt Nafisi aangehouden door iemand die een klacht heeft tegen ‘Gatsby’:  “… De roman was immoreel. Die leerde de jeugd de verkeerde dingen; die vergiftigde hun geest – dat zag ik toch wel in? Nee, dat zag ik niet in. Ik herinnerde hem eraan dat ‘Gatsby’ fictie was en geen wat-en-hoe-leerboek voor het leven…”. Toen Fitzgeralds boeken in de States verschenen, waren er veel mensen die er net zo over dachten. Dat brengt haar op het idee ‘Gatsby’ aan een proces te onderwerpen. Tijdens een college verandert ze haar klas in een rechtbank. Een prachtige analyse volgt, zonder expliciet eindoordeel. Een tegenstander noemt het boek ‘cultuurverkrachting’: “… Dit boek gaat zogenaamd over de American dream, maar wat is dat voor een droom? Wil de auteur suggereren dat we allemaal echtbrekers en bandieten zouden moeten zijn? De Amerikanen zijn decadent en in verval omdát dit hun droom is. Ze gaan ten onder! Dit is een oprisping van een dode cultuur!...”.  Is een roman alleen goed omdat de heldin deugdzaam is? Of slecht als de hoofdpersoon afdwaalt van de goede zeden? Volgens een derde is het sleutelwoord ‘onachtzaamheid’, en wel van de rijken. Hun tekort aan inlevingsvermogen is tekenend: “… de grootste zonde is blind zijn voor andermans problemen en pijn. Die niet zien betekent het bestaan ervan ontkennen…”. Het doet denken aan een ánder slag onachtzame mensen: “… Zij die de wereld zien in zwart en wit, dronken van de rechtgelovigheid van hun eigen bedenksels…”. Zie ook de opzienbarende column van Arjen van Veelen in het NRC van 8 december 2023.

 

Het groene licht

Een meisje “… had er niet van geleerd dat overspel goed was of dat we allemaal fraudeurs moesten worden. Gingen mensen allemaal in staking of togen ze naar het westen nadat ze Steinbeck hadden gelezen? Gingen ze op walvisjacht na het lezen van Melville? Zitten mensen niet een ietsje ingewikkelder in elkaar? En zijn revolutionairen gespeend van persoonlijke gevoelens en emoties? Worden die nooit verliefd, of ontroerd door schoonheid?...”. Ze vindt het juist een heel goed boek: “… Het leert je de waarde van je idealen kennen, maar er ook voor op je hoede te zijn, en integriteit te zoeken op ongebruikelijke plaatsen…”. Fitzgerald zelf zei dat zijn roman om het verlies van illusies ging die de wereld zoveel kleur geven: ‘het groene licht aan het eind van de steiger’. Nafisi: “… Zij is geen commentaar op Amerika als een materialistisch land maar als een idealistisch land, een land dat van geld een middel heeft gemaakt om een droom tot leven te wekken…”. New York spiegelt honderdduizenden gelukszoekers betoverende visioenen en vage beloftes voor, terwijl zij in werkelijkheid platvloerse liefdesavontuurtjes en verhoudingen herbergt. Gatsby had nooit moeten proberen zijn droom te bezitten: het bezit van de zaak is het einde van het vermaak. “… Het gaat ook over verlies, over de vergankelijkheid van dromen zodra ze harde werkelijkheid zijn geworden. Het is het verlangen, het onstoffelijke ervan, dat de droom loutert…”. Laatst zag ik een gesprek met filosoof Gabriël van den Brink die de kortste definitie van de ‘werkelijkheid’ ‘dat wat tegenvalt’ noemt. Nafisi wijst haar studenten erop dat volmaakte idealen en nationale obsessies niet onderworpen kunnen worden aan een constant veranderende, onvolmaakte en onvolledige realiteit: “… U zou een Humbert worden, en het voorwerp van uw droom vernietigen; of een Gatsby, en uzelf vernietigen…”. Die dag voelt Nafisi zich behoorlijk tevreden na de les, vertelt ze: “… Ze waren allemaal aan het redetwisten toen ik ze buiten het lokaal achterliet…”. En niet over de recentste demonstraties of Khomeini, maar over Gatsby en zijn ontaarde ideaal.

 

Hoeders van de moraal

Even daarna worden er uitgeverijen en boekhandels in brand gestoken vanwege het verspreiden van onzedelijke literatuur: “… Een romanschrijfster werd gevangengezet om haar geschriften en aangeklaagd wegens het propageren van prostitutie. Verslaggevers verdwenen achter de tralies, tijdschriften en kranten werden opgedoekt en sommige van onze grootste klassieke dichters, zoals Roemi en Omar Khayyam, werden gecensureerd en verboden. Evenals alle ideologen vóór hen, leken de islamitische revolutionairen te geloven dat schrijvers de hoeders van de moraal waren. Deze verschoven visie gaf de schrijvers gek genoeg een gewijde status en legde hen tegelijkertijd lam. De prijs die ze moesten betalen voor hun nieuwe waardigheid was een soort artistieke onmacht…”. Kort daarna slaagt de regering erin de universiteiten voorlopig te sluiten. Faculteit, studenten en personeelsleden worden gezuiverd. Nafisi moet op het matje komen omdat ze weigert een sluier te dragen: “… Is het teveel van u gevraagd om u te schikken in een paar richtlijnen, om de revolutie te redden?...”. Tevergeefs tracht Nafisi uit te leggen dat het voelt alsof haar identiteit wordt uitgewist. “… Hoe kon je stelling nemen tegen de vertegenwoordiger van God op aarde?...”. De zaak is onbespreekbaar. Het eerste wat ze na het gesprek doet is haar liefste Engelse boekwinkel bezoeken, omdat ze vreest dat ze daar in de toekomst geen kans meer voor zal krijgen: “… Gulzig en gedreven begon ik boeken op te pakken. Ik liep naar de paperbacks, verzamelde bijna alle Jamesen en alle zes romans van Austen. Ik nam ‘Howard’s End’ mee en ‘A Room with a View’. Toen ging ik op zoek naar de boeken die ik niet had gelezen, vond vier romans van Heinrich Böll, en een paar die ik lang geleden had gelezen – ‘Vanity Fair’ en ‘The Adventures of Roderick Random’, ‘Humboldt’s Gift’ en ‘Henderson the Rain King’. Ik vond een tweetalige bloemlezing uit de gedichten van Rilke, en Nabokovs ‘Geheugen, spreek’. Ik bleef nog even om te overleggen over een ongekuisde versie van ‘Fanny Hill’. Toen ging ik naar de misdaadromans. Ik nam wat Dorothy Sayers mee en stuitte tot mijn grote blijdschap op ‘Trent’s Last Case’, twee of drie nieuwe Agatha Christies, een keuze uit Ross Macdonalds, alles van Raymond Chandler en twee Dashiell Hammetts…”. Enkele maanden later vallen de revolutionaire gardisten de boekhandel binnen en sluiten hem.

 

Zelfrespect in een zieke samenleving

Nafisi gaat niet meer terug naar de universiteit. In plaats daarvan krijgt ze twee kinderen. Ze houdt zich voornamelijk bezig met het schrijven van recensies in bladen die haar daarom vragen. De zondagavonden komt ze met een klein groepje samen om Perzische literatuur te lezen en te bestuderen: “… Als een stel samenzweerders zaten we om de eettafel en lazen poëzie en proza van Roemi, Hafiz, Sa’adi, Khayyam, Nizami, Firdawsi, Attar en Beyhaghi…”. Als haar uiteindelijk gesmeekt wordt om naar de universiteit terug te keren, met het argument dat ze ondertussen echt wel wat ‘liberaler’ zijn geworden, kan ze geen weerstand bieden. Ook haar man vindt dat ze de werkelijkheid moet accepteren zoals die nu eenmaal  is – daar verandert toch niemand wat aan. Ze behandelt de roman “Daisy Miller” van Henry James en krijgt tot haar verbijstering tijdens tentamens haar eigen verhaal bijna woordelijk terug. Ze heeft te maken met studenten die geen idee hebben wat een eigen mening is. Ze zijn zo gehersenspoeld dat ze niet meer zelfstandig kunnen denken. James spreekt aan. Ondanks alle rampspoed zijn de personages van James aan het slot niet ongelukkig: “… Wat James’ karakters winnen is zelfrespect…”. Het draait om “… innerlijke verheffing..”, “… een binnenwaartse beweging die hen gaaf en gezond maakt...”. Ze beschrijft de gruwel van acht jaren oorlog met Irak. Vertelt over de mannen in het zwart op hun motorfietsen die ‘schenkers van de dood’ worden genoemd en juichend om door raketten geraakte wooncomplexen crossen, zodat niemand hulp kan verlenen. Vertelt over jonge meiden die in de gevangenissen door bewakers aan elkaar worden doorgeschoven om te worden verkracht: maagden gaan namelijk rechtstreeks naar de hemel. Vertelt over jongetjes die mijnenvelden in worden gestuurd met een sleuteltje om hun nek om de poort van de hemel te openen.  

 

Grillig

Nafisi: “… Elk meesterwerk dat we lazen werd een uitdaging aan de heersende ideologie…”. De islamitische republiek voert de man-vrouwverhoudingen terug naar de tijd van Jane Austen. Nafisi ziet “Trots en vooroordeel” als een dans. Aan de hand van deze roman legt ze het begrip ‘democratie’ uit: “… Het is geen toeval dat de minst sympathieke personages in Austens romans diegenen zijn die geen waarachtige dialoog met anderen kunnen voeren. Ze razen, ze preken, ze kijven. Dit onvermogen tot een ware dialoog impliceert een ontbreken van tolerantie, zelfreflectie en begrip…”. Ze wijst op de vaak bedekte en daardoor des te schrijnender wreedheden in het klein onder Austens personages. Op 24 juni 1997 verlaat Nafisi Teheran voor het groene licht waarin Gatsby geloofde, waarna ze als hoogleraar gaat werken aan de John Hopkins University in de V.S.: “… Ik verliet Iran maar Iran verliet mij niet…”.  Nafisi: “… Het leven in de islamitische republiek was zo grillig als de maand april, wanneer korte perioden met zon plotseling wijken voor buien en onweer. Het was onvoorspelbaar: het regime doorliep cirkelgangen van enige tolerantie gevolgd door een harde aanpak…”. Amir Maleki (zie de intro): “… Het Iraanse regime opereert onder volledige straffeloosheid. Kijk maar naar de president, Ebrahim Raisi. Hij was in de jaren tachtig lid van de ‘doodscommissie’ die duizenden gevangenen heeft laten executeren. En uitgerekend hij werd door Khamenei als president aangewezen…”. Echter, uit een studie van Gamaan, het onderzoekscentrum waarvan Maleki directeur is, blijkt dat minder dan 20 procent van de Iraanse bevolking het huidige regime steunt: “… Dus ruim 80 procent van de inwoners is tegen de islamitische republiek. Zo’n grote groep kun je niet voor altijd blijven onderdrukken…”.

 

Mijn tovenaar

De mooiste figurant die Nafisi opvoert, is in mijn ogen een legendarische professor die de revolutie op de universiteit afkeurt, weigert nog langer college te geven, en zegt pas weer op te komen dagen als hij zijn geliefde Racine mag onderwijzen. Als een kluizenaar trekt hij zich terug in zijn flat, waar hij alleen een select groepje vrienden en discipelen ontvangt. Wanneer Nafisi het op een gegeven allemaal even niet meer weet, besluit ze hem op te bellen. Er ontstaat een diepe vriendschap. Altijd kan ze op hem terugvallen voor wijze raad. ‘Mijn tovenaar’ noemt ze hem. “… Roept elke tovenaar, elke ware tovenaar zoals de mijne, de in ons allen verborgen bezweerder op, en brengt hij onze magische mogelijkheden en vermogens waarvan we het bestaan niet kenden aan het licht?...”. Dat doet hij zeker. Ik heb ook een tovenaar in mijn leven gehad. Hij leerde mij van boeken te houden. Nafisi laat de lezer op het eind evenwel in onzekerheid achter: “... Sinds ik Iran verliet heb ik, zijn wens respecterend, mijn tovenaar niet gesproken of geschreven, maar zijn magie is zozeer een deel van mijn leven geweest dat ik me soms afvraag: heeft hij wel echt bestaan? Heb ik hem verzonnen? Heeft hij mij verzonnen?...”. We komen het niet te weten. Toch wens ik een ieder zijn of haar eigen tovenaar. Het is het mooiste dat je kan overkomen.

 

Uitgave: Meulenhoff Boekerij – 2009 / eerste druk 2004, vertaling Mea M. Flothuis, 395 blz., ISBN 978 908 990 129 3,   19,99

Rechtstreeks bestellen bij bol.: klik hier

zaterdag 9 december 2023

De Jacobsboeken – Olga Tokarczuk

 


Oftewel: “… Een grote reis over zeven grenzen, door vijf talen en drie religies, de kleine niet meegerekend. Verteld door de doden, en door de auteur aangevuld met behulp van conjunctuur, uit vele uiteenlopende boeken geput, alsmede geholpen door de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens. Voor de wijzen pro memorie, voor mijn landgenoten ter reflectie, voor de leken tot lering, voor de melancholici evenwel tot vermaak…”.

 

Een vriend die veel houdt van rebelse en ketterse figuren vroeg of ik “De Jacobsboeken” wilde bespreken. Zonder deze stok achter de deur weet ik niet of onderhavig artikel er wel was gekomen. De bijna duizend pagina’s Jacobsboeken doorspitten, was een gigantische, soms buitengewoon fascinerende, soms ronduit taaie onderneming. Het duurt wel een honderd bladzijden of wat voor je in de subwereld van de Poolse Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk thuis bent. Het is een duik in een ander universum, waar je moet wennen en integreren. Volgens haar hoort lezen en schrijven dan ook ‘een oefening in vreemdheid’ te zijn. Zie “De tedere verteller”, dat ik eerder recenseerde en waarin ze vertelt hoe de zeven Jacobsboeken tot stand zijn gekomen. De zure Poolse literatoren die Tokarczuks werk, omdat ze een vrouw is, laatdunkend hebben afgedaan als ‘menstruatieproza’, verklaar ik hierbij niet goed snik. De studie over christelijk antisemitisme van Anne-May Wachters (zie mijn vorige blog) vormde een goed fundament onder Tokarczuks magnum opus. Van Tokarczuk besprak ik ook de thriller “Jaag je ploeg over de botten van de doden”.

 

Van bovenaf

Olga Tokarczuk deed tien jaar onderzoek naar de Joodse pseudo-Messias Jacob Frank (1726-1791) die in Midden-Europa een eindtijdsekte met duizenden volgelingen aandreef. Voor negentig procent bestaat de roman dan ook uit geschiedenisfeiten, die ze aan elkaar breit via enkele verzonnen personages. Nachman, een slimme volgeling van het eerste uur, die alles wat hij ziet en hoort stiekem opschrijft, ook al dreigt Jacob hem op zijn smoel te slaan als hij dat merkt: “… De waarheid is dat Nachman zich niet kan inhouden. Het is als jeuk, het houdt pas op als hij de chaos van zijn gedachten tot zinnen om kan vormen. Het krassen van de pen maakt hem rustig…”. En de grootmoeder van Jacob Frank, Jenta, een Joodse matriarch die op haar sterfbed in een soort continue bijna-dood-ervaring belandt. Als een ondode, een geest, zweeft ze dwars door tijd en ruimte en ziet alles wat er gebeurt. ‘Van bovenaf’. Anne-May Wachters beschrijft het Polen van eertijds, de bakermat van het chassidisme, als een Jodencentrum. Tokarczuk laat zien dat de geschiedenis van Centraal Europa niet goed te begrijpen is zonder Joden. Zowel het orthodoxe Jodendom als de Kerk, met haar verzwegen antisemitische traditie, beschouwden de beweging van Jacob Frank als een vlek op hun blazoen. Een gebeuren dat ze daarom in de doofpot probeerden te stoppen. De afstammelingen van Jacob Frank, die de Poolse middenklasse van de 19de eeuw vormgaven, wilden assimileren en vergaten hun verleden ook het liefst. Dat Tokarczuk de geschiedenis weer oprakelde, is haar niet in dank afgenomen. Haar uitgever heeft bodyguards in moeten huren om haar te beveiligen tegen extreemrechtse nationalisten. Haar verhaal is vooral moeilijk omdat er honderden ‘rechtgelovigen’ in voorkomen die na hun doop ook nog eens een andere naam krijgen. Al die figuren genereren evenwel een caleidoscopisch beeld van Jacob Frank. Het is vooral een verhaal óver. Ook al is Tokarczuk van oorsprong psycholoog, nergens zit ze in het hoofd van ‘de Heer’, zoals zijn aanhangers hem noemen. Ik vind dat wel goed, want voor een buitenstaander is de charismatische en tegelijk despotische manipulatie van een narcistische sekteleider moeilijk, zo niet onmogelijk te doorgronden. Tokarczuk werd uiteindelijk schrijver omdat ze vond dat ze niet in de wieg was gelegd voor therapeut: ze achtte zichzelf nog gekker dan haar patiënten. Waarvan akte. Als eerbetoon aan het Jodendom zijn de bladzijden van haar boek van achteren naar voren genummerd. Verder is de roman rijkelijk voorzien van historisch beeldmateriaal.

 

Het boek van de mist

Bij tweede lezing viel me pas op met hoeveel humor het verhaal is geschreven. Het eerste deel heeft als titel ‘Het boek van de mist’: “… Mist is troebel water, er bewegen zich verschillende kwade krachten in die het denkraam van mens en dier vergiftigen…”. En inderdaad, er komen allemaal figuren voorbij die met duistere zaakjes bezig zijn. De aan boeken verslaafde geestelijke Chmielowski bijvoorbeeld, die zich in de mist stiekem naar een drukke marktdag in het doodarme Rohatyn (toen Podolië, nu Oekraïne) laat rijden, om te proberen Hebreeuwse werken te snaaien bij de Joodse handelaar Elisza Szor: “… Een priester in het huis van een Jood! Exotisch als een salamander…”. Evenals Diderot in het verre Frankrijk heeft hij het ‘verlichte’ idee opgevat een encyclopedie te schrijven die alle kennis van de wereld moet bevatten. Twee delen zijn klaar, die hij met Szor hoopt te ruilen voor een exemplaar van de geheimzinnige “Zohar”, waarin de mystiek van de kabbala wordt uitgelegd. Thuisgekomen blijkt hij te zijn afgescheept met een bundel Joodse volksverhalen. En wat te denken van de als kerels pijprokende slotvoogdes Kossakowska en haar gezelschapsdame Drużbacka, die op diezelfde marktdag pech krijgen met hun karos? De gezelschapsdame annex dichteres klampt voornoemde geschrokken priester aan en bijt hem toe: “… In hemelsnaam. Zegt u me alsjeblieft waar hier ergens het huis van starost Labeçki is! En mondje toe! Geen woord!...”. De gokverslaafde bisschop Soltyk maakt het helemaal bont. ’s Avonds trekt hij zijn kerkelijke gewaad uit, kleedt zich in plaatselijke vodden en zet een kap op zijn hoofd om in een herberg te gaan kaarten. Hij verpandt zelfs zijn bisschoppelijke insignia aan de Joden: “… Als dat bij ons wordt aangetroffen worden we levend gevild…”. Om van zijn schulden af te komen beticht de bisschop zijn geldschieters ten langen leste van de moord op een kind, waar ze bloed van hebben afgetapt voor  hun afzichtelijke rituelen (zie mijn vorige blog). Onder de opgepakte Joden die op een kar naar de folterplaats worden gereden, ontsnapt er één: Zelik

 

Primitief bijgeloof

Dokter Aszer Rubin, zo lang en mager dat hij eruit ziet als een ‘verticale streep’, vertelt dat het marktplein twee groepen Rohatynse Joden scheidt, die elkaar beschuldigen van de meest grove zonden en onderling een guerillaoorlog uitvechten. De rechtzinnigen die trouw zijn aan de Talmoed. De bijgelovige en primitieve ketters en afvalligen, die zijn verzonken in mystiek gebeuzel, zich behangen met amuletten, en een sluw, geheimzinnig lachje hebben, zoals de oude Szor. Ze geloven in de haveloze Messias Sjabtai Tsvi van honderd jaar geleden, negeren de sabbat, zijn overspelig en komen zelden in de synagoge, want de wereld is al verlost volgens hen. De geneesheer heeft het over Chaja, de getrouwde dochter van Szor, die in trance voorspellingen doet terwijl ze in de weer is met deegpoppetjes. Ze lijdt aan allerlei buitengewoon geheimzinnige aandoeningen die hij laat verdwijnen door met haar te praten, want de Szors hebben geen enkel vertrouwen in medicatie: “… Iedereen gelooft dat het komt door geesten, dibboeks, demonen dan wel balakaben ofwel kreupele wezens uit de onderwereld die schatten bewaken…”. Als het huis van Szor, vol van heinde en ver komende familieleden, in rep en roer verkeert vanwege de aanstaande bruiloft van één van zijn zonen, wordt de dokter bij een oude oma geroepen die op sterven na dood is. Jenta. De reis die ze achter de rug heeft, nekt haar. Ze hadden opoe thuis moeten laten, bromt de dok. Ze ziet eruit als een ‘verdroogde paddenstoel’. Ze hebben haar in wolvenhuiden gewikkeld omdat ze geloven dat de huid van een wolf verwarmt en krachten geeft. Hij kan niets voor haar doen. De plaatselijke wijzen vinden dat de bruiloft moet worden afgelast. Een begrafenis heeft voorrang. Maar daar wil de oude Szor niet aan. Midden in de nacht verrichten vader en dochter bij het licht van een kaars  een ingewikkeld ritueel, waarbij een minuscuul rolletje beschreven papier in een houten doosje ter grootte van een vingernagel wordt gestopt, dat ze om de hals van Jenta hangen. Als ze zijn verdwenen doet Jenta haar ogen open, betast de amulet, maakt hem open, pakt het papiertje en slikt het als een pilletje door. Met als gevolg de vreemde tussentoestand waarin ze raakt.

 

Het boek van het zand

Deel twee. Tijdens de schepping werd het ondermaanse gespleten in waterdruppels en zandkorrels: “… Nu zijn we aan de kant van het zand…”. Het behandelt de wereld van de handelskaravanen die vanuit Midden-Europa naar de Oriënt trekken om met de meest luxe handelswaren - specerijen, tapijten, edelstenen, tabak, zijde, koffie - en vooral ook nieuwe ideeën, terug te komen. Onderweg worden allerlei verbintenissen aangegaan. Komt men in de gekste bubbels terecht. Het lijkt het huidige internet wel, maar dan in het echt. Een van de zwervers over dit zanderige world wide web is Nachman, die op handelsmissie is voor de oude Szor. Van kindsbeen af koesterde hij steeds meer wrok tegen de schepping, vertelt hij: “… Er was iets niet in orde, we werden door de een of andere leugen omgeven. Iets moest zijn verzwegen in wat ons in de jesjiva’s was geleerd. Ongetwijfeld werden bepaalde feiten voor ons verborgen gehouden en konden we daarom de wereld niet tot een geheel samenbrengen. Er moest een geheim bestaan dat alles verklaarde…” (Nachman: c’est moi). Even verder: “… Pas op mijn zestiende begreep ik dat ik een goede zaak wilde dienen en dat ik een van hen was voor wie nooit voldoende is wat er is, maar die altijd nog iets anders willen…”. Van alle voorgestelde personen, vind ik Nachman het sympathiekst. Hij kan bijvoorbeeld bij een goed glas wijn opmerken: “… Als je naar de wereld kijkt als naar iets goeds, dan wordt het kwade een uitzondering, een gebrek en een fout en komt het je helemaal niet goed uit. Maar als je er omgekeerd van uitgaat dat de wereld slecht is en het goede een uitzondering, dan past alles keurig en begrijpelijk in elkaar. Waarom willen wij niet zien wat voor de hand ligt?...”. We leven in een gevallen wereld, zou mijn christelijke omgeving zeggen. Het doodse en lege rabbinisme verwisselt hij voor het levendige chassidisme en gaat op pad naar de grote onderwijzer Baäl Sjem Tov. Onderweg komt hij Lebjko tegen, “… een nieuwbakken echtgenoot, bij wie nauwelijks een paar donshaartjes onder zijn neus te zien waren…”, die zich is doodgeschrokken van zijn eigen huwelijk. Al gauw zijn ze onafscheidelijk, slapen onder dezelfde paardendeken waaronder hun eindeloze discussies verdwijnen, en delen elke hap eten. De leerlingen van ‘de Besjt’ lezen onafgebroken, “… waardoor we eeuwig rode ogen hadden, als konijnen, en daar waren wij ook allemaal aan te herkennen…”. Nachman hoort van de Goddelijke vonken die door een mystieke ziel zelfs in het grootste kwaad zijn te vinden: “… Sommige mensen hebben een zintuig voor onaardse zaken, zoals andere een uitstekende neus, gehoor of smaak hebben. Zij voelen subtiele bewegingen in het grote, gecompliceerde lichaam van de wereld. En daarbij is die innerlijke blik zo gescherpt dat ze zien waar een vonk is gevallen, ze zien de schittering ervan op de meest onwaarschijnlijke plek. Hoe beroerder de plaats, des te wanhopiger schittert de vonk, des te krachtiger flikkert ze en is haar licht heter en zuiverder…”.

 

De Messias is al onderweg

Tijdens een van zijn  handelsreizen komt Nachman in aanraking met reb Mordke, zijn ‘tweede Besjt’: “… kennelijk hebben zij gelijk die beweren dat zielen elkaar onmiddellijk herkennen en op een onverklaarbare manier naar elkaar toetrekken…”. ‘De Messias is al onderweg’, meent de laatste. ‘Hij is in Smyrna.’ “… Reb Mordke deed tijdens de reisonderbrekingen een korreltje hars bij de tabak die we in pijpen rookten, wat maakte dat onze gedachten een hoge vlucht namen en ver reikten, en alles leek vol verborgen zin en diepe betekenis. Ik stond onbeweeglijk, mijn armen licht geheven, en zo bleef ik uren in extase staan…”. Nachman vertelt reb Mordke over de drie gedaantes van de ziel: de ‘nefesj’ dan wel ‘soma’ of dierlijke ziel die hongert en bibbert van de kou, de ‘roeach’ dan wel ‘psyche’ waar de gevoelens en de wil zetelen,  en de ‘nesjama’ dan wel ‘pneuma’ die verbonden is met het goddelijke aspect dat we in ons dragen: “… Dat is echt een heilige ziel die slechts een goed, heilig iemand, een kabbalist kan verwerven; en je krijgt die alleen door je te verdiepen in het geheim van het leren kennen van de Thora. Hierdoor kunnen wij de verborgen natuur van de wereld van God bekijken, want het is de vonk die van de Bina, het goddelijke intellect, is afgesprongen. Alleen de nefesj is in staat tot zonde. De roeach en de nesjama zijn zonder zonde…”. En Reb Mordke vertelt Nachman over de Messias die van binnen goed is, maar wiens gewaden slecht zijn. De Messias moet de vonken die in de mest zijn gevallen, ophalen. De Messias zal beschouwd worden als een misdadiger, zoals de profeten hebben voorspeld: “… De opdracht van de Messias is verschrikkelijk, de Messias is een rund dat voorbestemd is voor de slacht. Hij moet doordringen tot de kern van het koningschap der schalen, de duisternis, en daar de bevrijding der heilige vonken bewerkstelligen. De Messias moet neerdalen in de afgrond van alle mogelijke kwaad en die van binnenuit vernietigen. Hij moet daar zogenaamd als een goede bekende naar binnen gaan, een zondaar die te midden van de krachten van het kwaad geen verdenkingen zal wekken en kruit zal worden dat de burcht van binnenuit zal opblazen…”.

 

Sjabtai Tsvi

Vandaar dat Sjabtai Tsvi volgens zijn aanhangers eertijds enkel in schijn is overgegaan tot de islam. De vader van Jenta heeft de Messias nog aanschouwd: “… Dat gebeurde voor haar geboorte, in slechte en miserabele tijden toen iedereen de verlosser van de wereld verwachtte, aangezien er zo veel menselijke ellende was dat het onmogelijk leek dat de wereld kon voortduren. Zo veel pijn kan geen enkele wereld verdragen…”. Welnu. Sjabtai was helemaal geen Messias met een goddelijke natuur, maar een gewone profeet die zijn opvolger moest aankondigen. Lang verhaal kort: de geest van Sjabtai Tsvi is overgegaan op ene Jacob Frank (‘frenk’ betekent ‘vreemde’), een kleinzoon van Jenta notabene. Nachman en reb Mordke ontmoeten hem tijdens hun kabbalistische ‘avonturen met het licht’  in de Turkse school van Isochar: “… Het hoofd moet tussen de knieën. Het mensenlichaam keert dan terug naar dezelfde positie als die had in de buik van de moeder en dus toen het nog in Gods nabijheid was. Als je zo een paar uur zit, als de adem terugkeert naar de longen en je het kloppen van je eigen hart hoort, gaat het menselijk brein op reis…” (zie ook: “Joodse mystiek. Een inleiding” van Sjef Laenen). Het draait namelijk om de vrijheid van het hart, niet om de vrijheid van de wereld: “… Zij van ons die denken dat God door uiterlijke gebeurtenissen tot ons spreekt hebben geen gelijk, zij zijn als kinderen. Hij fluistert ons recht in het diepst van onze ziel toe…”.  De mooie, goedlachse Jacob neemt het tegen iedereen op. Wint met zijn grote bek elk dispuut. Hij blijkt geen wijze maar een rebel. Iedereen kent hem. Hij zwerft door de stad op zoek naar een kans op een conflict of een knokpartij: “… Wie bang is heeft achting, zo is het nu eenmaal….”. De mens wil bedonderd worden, toch? Haha. Jacob identificeert zich niet voor niks met de Bijbelse Jacob. Je-weet-wel: die met het vel van een geit over zijn arm om voor zijn broer Esau door te gaan.

 

Goddelijke gek

Nachman en reb Mordke bezorgen Jacob zijn veertienjarige lief Chaja, want ze maken zich naast vertalers ook verdienstelijk als koppelaars. In 1754 opent Jacob zijn eigen beet midrasj. Onmiddellijk melden zich vele gegadigden. De wereld zal opnieuw één geheel worden. De tikoen is begonnen. De oude orde dient te worden vernietigd opdat de nieuwe kan heersen. In de eindtijd gebeurt alles omgekeerd. De wetten van de Thora gelden niet meer. Jacob zweert bij de ‘Maäse Zar’, de ‘Vreemde Daad’: “… een omgekeerde daad, achterwaarts ten opzichte van de geschreven wet…”. Wanneer hij onderweg is, nodigt hij bij gebrek aan beter zijn twaalfjarige hulpje Herszele uit in bed, die voor hem door het vuur gaat. Jacob lijkt sowieso van tweeërlei kunnen: “… Nussen slaapt al op een baal katoen, hij heeft dat ene oog van hem dicht en ziet niet hoe Jacob met een omfloerste blik Nachman over zijn gezicht aait, en Nachman, die dronken is, zijn hoofd op zijn borst legt…”. Volgens Nachman is Jacob in alles wat hij doet ‘door en door echt’. In zijn hart heerst een totaliteit die kennis verschaft over welke kant het op moet en wat te doen: “… Er is niets wat een grotere verlichting kan brengen dan de zekerheid dat er iemand is die werkelijk wéét. Want wij gewone mensen hebben nooit zo’n zekerheid…”. Al gauw hebben alle Joden het over die ‘goddelijke gek’ waarin de ‘ziel van de Messias is gevaren’. Nachman en reb Mordke maken in doorwaakte nachten mee hoe de ‘Roeach Hakodesj’, ‘de geest’ neerdaalt op Jacob: het doet nog het meest denken aan een epileptische aanval. Hij begint visioenen te krijgen. De school barst uit zijn voegen. Niemand kan nee tegen hem zeggen. Elke dag begint met het luisteren naar Jacobs dromen. Trillend en met klapperende tanden legt hij mensen de handen op. Velen gaan genezen heen. Tijdens een hevige koortsaanval droomt hij dat een man met een witte baard hem zegt dat hij naar het noorden moet reizen om het nieuwe geloof te brengen. Reb Mordke verkondigt dat het Elia in hoogsteigen persoon is geweest: “… Je zult in Polen koning en verlosser zijn…”. Toch waarschuwt zijn vader: “… Pas op voor Jacob. Hij is een echte dief…”.

 

Het boek van de weg

Deel drie van de Jacobsboeken. Begeleid door een groepje vertrouwelingen begint Jacob zijn ketterij te preken in Polen, waar de pest heerst. Zoals Sjabtai Tsvi in de islam dook, zo zal hij in het christendom duiken, om er de korrels van de openbaring uit op te vissen, beweert hij. Als een ware new-ager verkondigt hij dat in de eindtijd de drie monotheïstische religies één zullen zijn. Hij begint een aureool van groen en blauwachtig licht te zien boven de hoofden van sommige gelovigen. Terwijl de dorpen hem als een heilig wonder aan elkaar doorgeven, wordt hij in de gaten gehouden door spionnen, die godslasterlijke rituelen melden. Tijdens nachtelijke leringen zouden mannen melk uit de borsten zuigen van de enige halfnaakte vrouw in hun midden, Chaja Szor - jawel. Volgens Jacob is de heilige Sjechina in haar gevaren. Vandaar. Jacobs gevolg groeit, maar de meute die hem verwenst ook. Een mooie maar vreemde engelbewaakster, die beweert dat ze een Poolse prinses is, volgt hem op de voet en verkoopt iedereen een dreun die hem te na komt (ze zal later het lief van dokter Aszer Rubin worden: zo laat Tokarczuk elk mozaïekstukje op zijn plaats vallen). Het rabbijnse hof spreekt de cherum (banvloek) over Jacob en zijn zogeheten anti-Talmoedisten uit. Het komt bij de rechtbank tot een dispuut. De afvalligen winnen het van de traditionelen, die moeten toezien hoe hun geliefde Talmoeds op de brandstapel worden vernietigd en erger. Zo gauw ze de kans krijgen, slaan ze nog veel harder terug. Jacob vlucht naar Turkije en wordt voor de verandering moslim. De oude afgeranselde Szor brengt zijn boekenbezit midden in de nacht stiekem naar priester Chmielowski. Het comateuze grootje Jenta wordt naar een grot gebracht waar de dorpelingen niet durven komen omdat ze denken dat het een betoverde plek is. De weg lijkt ten einde. In feite is het nog maar het begin.

 

Vrijheid, gelijkheid en broederschap

Koning August III himself beveelt dat de uit Polen verdreven afvalligen weer terug moeten komen. Omdat ze alles verloren hebben vestigen ze zich in het door de pest uitgestorven grensdorpje Iwanie, waar ze leven in gemeenschappelijk bezit. Ze maken een mooi onderkomen in orde en halen Jacob, en wat later ook zijn gezin, op uit Turkije. Jacob wil echter in een ‘hok’ slapen omdat hij een ‘simpele’ is. Tijdens Chanoeka deelt hij stukjes van het overhemd van Sjabtai Tsvi uit als relikwieën. Volgens Jacob zijn mannen en vrouwen, ja, is iedereen gelijk, al geloven ze dat zeker niet allemaal: “…  Gelijkheid is iets wat in strijd is met de natuur, hoe terecht het streven ernaar ook is. Sommigen bestaan nu eenmaal uit het aardse element, die zijn log, zinnelijk en niet creatief. Ze lenen zich er waarschijnlijk alleen voor om te luisteren. Anderen leven met hun hart, hun emoties, oplevingen van de ziel, en nog weer anderen hebben contact met de allerhoogste geest, zij staan ver af van het lichaam. Zij zijn vrij van affecten, zij zijn ruim van binnen. Tot hen heeft God toegang…”. Iedereen bedrijft de liefde met iedereen. Soms gaan de kaarsen in de gemeenschapsruimte uit die vervolgens letterlijk verandert in een ‘dark room’. Een grote zonde waarover gezwegen moet worden, een gemeenschappelijk geheim, schept een nog sterkere en intiemere band dan een natuurlijke familiebetrekking, weet Jacob. Zo smeed je een gevaarlijke onderlinge afhankelijkheid. Hierdoor kun je de ander maken of breken. Na lange en heftige discussies wordt besloten om de aartsbisschop te vragen of ze gedoopt mogen worden. Desnoods alleen in schijn. Al is het alleen maar om die rottige traditionelen te pesten. Zoals altijd bijt dat wat het dichts bij elkaar ligt, elkaar het hardst: “… Zo’n strijd met een naaste vijand heeft op een vreemde manier iets complex aangenaams, want het is alsof je jezelf slaat maar tegelijkertijd de slagen probeert te ontwijken…”. Bovendien zullen de katholieke magnaten je alleen met goud steunen als ze  je in de vorm van een kruis plat op de kerkvloer zien liggen.

 

Het boek van de komeet

Deel vier. In het jaar 1759 verschijnt er een komeet aan de hemel die in elk land wordt gezien. De Dnjestr treedt buiten zijn oevers. Het kan niet anders of het einde van de wereld nadert. De engelen zullen haar zo dadelijk als een tapijt oprollen. Wanneer je je oren spitst, kun je hun wapengekletter al horen. Als dan ook nog de Joden zich gaan bekeren… Landvoogdes Kossakowska jut de aartsbisschop op: “… Wat zou het tegenover God een verdienste zijn als hij al deze Joodse ketters naar de schoot van de Kerk kon leiden. De wereld heeft dit niet eerder gezien, alleen in het katholieke Polen kan iets dergelijks plaatsvinden. En over de hele wereld zal druk over ons gesproken worden…”. Nog niet zo lang geleden zeiden ze dat het om vijfduizend miserabele zwervers ging die door hun soortgenoten werden uitgekotst, maar volgens de laatste berichten zijn het er misschien wel drie keer zoveel. Vijftienduizend. De voorlopers mogen dan een lichting arme sloebers zijn, daarna volgen de vermogenden. De aartsbisschop ruikt geld. In de kathedraal van Lwów wordt een buitengewoon langdradig en saai publiek debat gevoerd. Iedereen veert echter op als de ketters hun broeders beschuldigen van het gebruik van christenbloed, waar trouwens geen standpunt over ingenomen wordt, omdat de paus een en ander voor altijd en eeuwig als pertinente onzin heeft bestempeld. Na lang wikken en wegen worden de ‘puriteinen’ dan wel ‘sabsacwinnicy’ dan wel ‘lammelotten’ als verweesde kinderen opgenomen in de ontferming der Poolse kerk. Kossakowska stelt haar landgoed ter beschikking aan Frank en zijn naaste familie plus medewerkers. De rest van zijn aanhangers bivakkeren als zigeuners op straat. Degenen die zich laten dopen, krijgen een nieuwe want christelijke naam, zodat ze zich allemaal ‘dubbel’ voelen. Peetouders worden opgeroepen hun petekind te voorzien van passende Poolse kledij, tot het gedoopt is financieel te ondersteunen en voor hun protegé te zorgen zolang die niet naar huis terugkeert. Edoch, sommige geestelijken worden bevangen door twijfel als ze de straat de kathedraal zien binnenstromen. Een Jood die zich laat dopen heeft ook nog eens recht op een adellijke titel. Als hij maar genoeg baksjisj schuift. Dan breekt andermaal de pest uit. Is er een machtige cherem over de renegaten afgeroepen?

 

Verraad

De epidemie treft de toch al doodarme neofieten hard. Jacob besluit naar Warschau te reizen om de koning om een eigen territorium te vragen, waar hij met zijn volgelingen zelfvoorzienend kan leven. Niemand hoeft last van ze te hebben. Echter, niet iedereen gelooft in hem. Net als hij met zijn charmante praatjes de Koninklijke nuntius zo ongeveer omver heeft geluld, verrijzen er verdenkingen binnen de katholieke gelederen. Jacob wordt in hechtenis genomen en voor nader onderzoek gevangen gezet bij de bernardijnen. De inquisitie begint een uitgebreide inspectie onder zijn gelederen. Zelfs Nachman verraadt hem. Weliswaar uit volle overtuiging. Jacob is veel te gemakzuchtig geworden. Hij ziet eruit als een dandy sinds hij zijn baard heeft afgeschoren. Wat is er overgebleven van zijn roeping? Hij zou toch tot in het diepst van het kwaad indalen om daar de verlossing te bewerkstelligen? Waar blijft het heil? Welnu, Nachman zal de Heer wel een handje helpen. Nachman bekent alles waar hij en zijn leider van worden beticht. Vervolgens beschuldigt de bisschoppelijke rechtbank Jacob van het zich uitgeven voor de Messias. De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders veroordelen hem tot levenslange gevangenschap. In de burcht van Częstochowa.

 

Het boek van metaal en zwavel

Boek vijf. De Messiaanse machina treedt in werking. “… De Messias is meer dan een gestalte en een persoon, het is iets wat door bloed stroomt, in adem woont, het is de dierbaarste en waardevolste menselijke gedachte dat er redding bestaat…”. Jacob wordt opgesloten in een kale, koude torencel, maar Jacob zou Jacob niet zijn als hij niet binnen de kortste keren de houwdegens die hem moeten bewaken om zijn vingers windt. Hoewel dat streng verboden is, voorzien de volgelingen van de profeet-bekeerling hun Heer van goed eten. Hij krijgt toestemming om dagelijks in de kapel de mis bij te wonen. Tussen honderden pelgrims en flagellanten knielt hij neer voor een heilig schilderij van een zwarte madonna met kind: de Maagd van Jasna Góra. En plotseling begint hij zijn missie te snappen. De Sjechina is een vrouw en verbergt zich in dat zwarte gezicht! Zijn ballingschap is bedoelt om voor haar te zorgen! Met steekpenningen, bier en tabak kopen zijn volgelingen de bewakers om. Al gauw zijn ze kind aan huis in de gevangenis. In 1760 overlijdt de Baäl Sjem Tov. Aan een gebroken hart zeggen sommigen. Vanwege de honderden dopen van Joden. Rechtgelovigen keren terug uit de diaspora en strijken in plukjes in de buurt van Jacob neer, die het voor elkaar krijgt ze te mogen bezoeken. Zij zullen ridders worden van de heilige Maagd die gevangen zit in het schilderij. De Moeder Gods. De Koningin van de wereld. Jacob wordt steeds extremer. De toon van de brieven die hij naar zijn volgelingen in alle uithoeken van het land stuurt, wordt van maand op maand apocalyptischer. Niemand is opgewassen tegen de lastige gevangene, die uiteindelijk de hele officierstoren overneemt. Er breekt oorlog met Rusland uit. Het klooster wordt een militaire basis. De wapperende vaandels met de Moeder Gods aan de muren bieden geen bescherming. De Russen slaan alles kort en klein en staan paf van de bezetene die ze in de toren aantreffen. Jacob verzoekt de Russische generaal stante pede om bevrijding uit zijn gevangenis. Reeds twee dagen later krijgt hij officieel toestemming het klooster na dertien jaar te verlaten.  

 

Het boek van het verre land

Het zesde boek. Jacob, inmiddels weduwnaar, krijgt het voor elkaar paspoorten te regelen en samen met zijn bijna volwassen dochter Ewa bij familie in Brünn (Moravië) neer te strijken, die een winstgevende handel in ‘christelijke’ tabak drijft. Het lukt hem om een compleet hof uit de grond te stampen, met een eigen garde. Hij is ervan overtuigd dat hij is uitverkoren om ‘het eeuwige leven op aarde te brengen’. Dan heb je op zijn minst een eigen koninkrijkje nodig. Zijn faam bereikt zelfs de Oostenrijkse keizerin-moeder Theresia, die de Joden wil bevrijden van het middeleeuwse bijgeloof. Ze vraagt hem op audiëntie. Haar ‘verlichte’ zoon, Jozef II, papt aan met Ewa. Hij laat haar zijn rariteitenkabinet zien waar hij een modern museum van wil maken. Ook denkt hij er over om het lijfeigenschap van de boeren af te schaffen. Het is de tijd van de camera obscura, de ‘Gedichten van Ossian’, lawaaierige koekoeksklokken, vrijmetselaars, de eerste schaakmachine, alchemie en ‘de vreemde en diepe broekzak van de wereld’: de beurs. Mozart componeert ‘Le Nozze di Figaro’. Jonge, studentikoze windbuilen, verrukt over zichzelf, verkeren in een voortdurende roes over al het nieuwe dat zich aandient. In de koffiehuizen van Wenen verschijnen de eerste kranten, waar dok Aszer Rubin en zijn lief een goedlopende lenzenpraktijk hebben opgezet. Als hij Moses Mendelssohn leest voelt hij zich voor het eerst van zijn leven tevreden over het feit dat hij Jood is. Het hof van Jacob raakt uiteindelijk door onoverzienbare schulden in verval. Parasieten en klaplopers verdwijnen vanzelf. Iemand haalt de inmiddels ziekelijke sekteleider met zijn getrouwen naar Offenbach (Duitsland) waar ze hun intrek nemen in het immer bitterkoude kasteel Isenburg. De verkleumde en oude Jacob laat zich in bed als koning David warm houden door een paar jonge meisjes. Hij overlijdt aan een zoveelste attaque.

 

Het boek van de namen  

In het zevende en laatste boek beschrijft Tokarczuk, aan de hand van de registers van sterfgevallen, huwelijken en geboortes die ze vond in het stadsarchief van Offenbach am Main, de samenstelling van de compagnie die Jacob Frank tot het einde toe in den vreemde heeft vergezeld, alsook in grove lijnen de lotgevallen van de frankistische families die naar Polen zijn teruggekeerd. Ze verbindt de onsterfelijke Jenta met de grot van Korolówka waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog vijf Joodse gezinnen - achtendertig personen, van wie het jongste kind vijf maanden was en de oudste volwassene zevenennegentig - op 12 oktober 1942 hun toevlucht zochten: “… De volwassenen gaan van tijd tot tijd naar boven voor proviand, maar nooit verder dan de dorpen in de buurt. De boeren behandelen hen als geesten en laten hun zogenaamd per ongeluk wat zakken meel of kool achter de schuren. In april 1944 gooit iemand in het gat dat naar de grot leidt een fles met een briefje waarop in onhandig handschrift staat: ‘De Duitsers zijn weg.’…”.  

 

Uitgave: De Geus – 2021, vertaling Karol Lesman, 912 blz., ISBN 978 904 454 553 1, 32,50

Rechtstreeks bestellen bij bol.: klik hier