Menu

zondag 20 november 2022

De graalmythe – Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen

 


Subtitel: Van Chrétien de Troyes tot Dan Brown

 

Ik kan mij bijna niets voorstellen dat een groter gevoel van mysterie oproept dan de heilige graal (zie ook: “Arthur/Kroniek van Madoc” van Hubert Lampo en “Jezus en Maria Magdalena” van Lisette Thooft). Wanneer het daar over gaat zit ik rechtop. Het is veruit het meest numineuze onderwerp dat de literatuur en de cultuur van de middeleeuwen na 1180 heeft beïnvloed. Het concept staat voor een dubbele zoektocht: naar het materiële voorwerp en naar een spiritueel doel (zie mijn vorige blog over de woestijnvaders). De universele mythe bevat alle ingrediënten om iedereen voortdurend te begeesteren en is wereldwijd diep geworteld in de collectieve verbeelding. Tegelijk is er nergens zoveel onzin over verkocht. Ik vond ‘een kleine geschiedenis van de graal’ van het Vlaamse auteursduo Yves Van Buyten en Willy Vanderzeypen, die meerdere uitgaven en veel artikelen over de centrale middeleeuwen (1000 - 1300) hebben geschreven.

 

s’ Levens felheid

Aan de hand van Johan Huizenga’s klassieker “Herfsttij der Middeleeuwen” bespreken de schrijvers s’ levens felheid: “… In die periode waren alle gevoelens intens, rampen erg, uiterlijk vertoon veelbetekenend, standen juist omschreven, het klimaat meedogenloos, ziekten en epidemieën fataal, preken overweldigend, het lichtje op een donkere winteravond in de stad heel helder… De mensen leefden minder lang dan nu maar beleefden ieder moment, elke gebeurtenis zó krachtig, dat het leven in hun ogen véél langer leek dan dat van de moderne mens uit de 21ste eeuw, die steeds achter de feiten aanholt, de overinformatie niet verwerkt krijgt en de seizoenen en het bioritme verkracht. Vandaag doodt overcommunicatie de communicatie. In de middeleeuwen werd ook gecommuniceerd. Niet digitaal natuurlijk, maar mythen en symbolen waren overal te vinden en speelden een belangrijke rol in de communicatie van waarden, gevoelens, ethiek, religiositeit…”. De middeleeuwse kunst puilt dan ook uit van deze symboliek. Om wat voorbeelden te noemen: een boom staat voor leven en dood dan wel goed en kwaad. Een ontwortelde boom verwijst naar de zonde. Een afgebroken boomstam naar dood en verderf. De palmboom staat echter voor overwinning van en triomf over de dood. De kat suggereert verraad en vijandelijkheid maar ook vrijheid. De eekhoorn verwijst naar het kwaad en de duivel. Een paard symboliseert kracht en overwinning maar ook hoogmoed. De appel verwijst naar verleiding. De peer naar het opperste geluk. De aardbei naar het paradijs. Bloemen in het algemeen staan voor de broosheid en vergankelijkheid van het leven. Korenbloemen symboliseren de pracht en overvloed van de zomermaanden. De zonnebloem claimt toewijding. De jasmijn sierlijkheid en elegantie. De narcis egoïsme maar ook onvoorwaardelijke godsliefde. Welnu, de graal staat, volgens de auteurs, symbool voor politiek inzicht, volksmanipulatie en propaganda inzake het nastreven van onbereikbare (want goddelijke) doelen. Zie “De ladder naar het Paradijs” van Johannes Climacus in de blog hiervoor!

 

Blauw bloed

Het verhaal begint met de impact van de graal anno nu, wat natuurlijk linea recta naar de Da Vinci Code-graal uit de bestseller van Dan Brown leidt (2003). In de roman is de ware natuur van de graal een ontstellend geheim: Jezus stierf niet aan het kruis, maar vluchtte met Maria Magdalena (zie de tentoonstelling vorig jaar in het Catharijneconvent), met wie Hij op de bruiloft te Kana was getrouwd, naar Zuid-Frankrijk, waar zijn nageslacht aan de oorsprong staat van de koninklijke dynastie der Merovingers. Volgens recensent Jean-Jacques Bédu kronkelen er twee interpretatielagen door het boek. Ten eerste het archaïsche idee van de vrouw als voedingsbodem voor het zaad van de man, wat geïnterpreteerd kan worden als: vrouwen terug in je tent en kinderen maken. Ten tweede het zeer actuele vraagstuk over het celibaat van priesters: “… Als Christus getrouwd was, zouden de priesters die leven in zijn navolging dat dan ook niet mogen doen?...”. Met de bewering van Brown dat de kerk van Rome dit geheim tot nu toe angstvallig geheim heeft gehouden, komen we in de mythe van het grote wereldwijde complot terecht. Je zou Dan Brown dan ook als een voorloper van de hedendaagse explosie aan complottheorieën kunnen beschouwen. Zie Roxane van Iperen hierover in ‘De ongelooflijke Podcast’.

 

Debunking

Brown haalde de mosterd voor zijn script bij twee pseudo-wetenschappelijke bestsellers: “The Holy Blood & The Holy Grail” (1983) van de Britse auteurs Baigent, Leigh en Lincoln en het daarop voortbordurende “The Templar Revelation” (1998) van Lynn Picknett en Clive Prince. “… In ‘The Da Vinci Code’ is de naam van een personage uit de roman Teabing en dat is een anagram van Baigent…”. Het geheim van de heilige bloedlijn zou ontdekt zijn door pastoor Bérenger Saunière in het plaatsje Rennes-le-Château, die zich fiks zwijggeld liet betalen, waarvan hij zijn kerk restaureerde en een nieuwe villa en bibliotheektoren bouwde (in werkelijkheid cashte hij met het lezen van missen waarvoor hij zelfs in het buitenland adverteerde). Ik veronderstel dat het verhaal bekend is. Van Buyten en Vanderzeypen slopen de bloedlijntheorie vakkundig. Het slaat volgens hen nergens op dat de rechtgelovige ridder-monniken van de orde der tempeliers het geheim van Jezus nageslacht beschermden: “… Indien zij in het geheim van de bloedlijn zouden hebben geloofd, dan zou hun ideaal en enige bestaansreden, namelijk de bescherming van het Heilige Graf van Jezus in Jeruzalem weggevallen zijn…”. Volgens de drie voornoemde auteurs was de onvoorstelbare waarheid, nadat de tempeliers werden uitgeschakeld door de paus (in werkelijkheid werden ze geëlimineerd door de koning, de paus strubbelde zelfs vijf jaar tegen), in handen zijn van de ‘Priorij van Sion’. Een vreemd esoterisch clubje dat echter pas in 1956, dus maar liefst zes eeuwen later, werd opgericht. Het is mogelijk dat Maria Magdalena naar Gallië is gevlucht, zoals een legende wil, destijds een favoriet verbanningsoord bij de Romeinen voor lastige lieden. Verschillende abdijen claimen haar relieken, maar op dat gebied bestond er in de middeleeuwen een ware industrie met speciale ateliers die er hun fortuin mee maakten: alles werd uit de kast gehaald om pelgrims te pushen en leeg te trekken. Picknett en Prince menen dat Leonardo da Vinci ook van de geheime bloedlijn moet hebben geweten, want als je goed naar de discipel Johannes op het schilderij ‘Het Laatste Avondmaal’ kijkt, zie je duidelijk dat hij een vrouw is. Johannes wordt in de westerse kunst echter vaker als een jonge en maagdelijke discipel neergezet. In het Oosten meestal als een bejaarde ouderling. “… Bovendien beeldt Leonardo Johannes af met een afgewend gezicht en schuin naar beneden kijkend. Ook dat is klassiek voor de christelijke traditie. Het verwijst naar het feit dat men in de Middeleeuwen overtuigd was dat de apostel Johannes ook Johannes de evangelist was, die reeds naar zijn schrijfboek kijkt…”. Daarnaast schilderde Leonardo in opdracht. Zijn broodheer moet toch echt twaalf discipelen hebben verwacht en zeker geen vrouw. Een andere ingewijde zou de kunstenaar-filosoof Nicolas Poussin (1549 – 1665) zijn, die een merkwaardige tombe in de buurt van Rennes-le-Château heeft geschilderd, dat de onderzoekers bestempelen als het graf van Jezus. In 1988 blies de eigenaar van het terrein de tombe op omdat hij de legio bezoekers beu was. Op basis van een fonetische aanpassing veranderden Baigent, Leigh en Lincoln ‘Saint Graal’ tot ‘Sangreal’ of ‘koninklijk bloed’. Ook dat hebben ze niet van zichzelf. Het komt uit “The Book of King Arthur”, geschreven rond 1470 door Sir Thomas Malory, die een straf uitzat en de tijd in zijn cel doodde met het schrijven van een grote verzameling verhalen over de ridders van koning Arthur en de graalsage. In zijn tijd nam de devotie voor het bloed van Jezus groteske vormen aan. Het heffen van de kelk, begeleid met de woorden ‘Ziehier het bloed van Christus’, is een ritueel dat pas tijdens de 13e eeuw aan de mis werd toegevoegd.

 

Literaire mythes

Beknopt maar toch enorm informerend zetten Van Buyten en Vanderzeypen vervolgens de cultuurgeschiedenis van de graal uiteen. Weduwnaar graaf Filips van de Elzas uit Brugge verkeerde in 1182 een jaar lang bij weduwe Maria van Champagne aan het hof van Troyes, dat beroemd was om zijn hoofse levenswijze. Was hij op vrijersvoeten? In ieder geval keerde hij zonder vrouw terug, maar wel bijna zeker met een begaafde troubadour: Chrétien de Troyes. De geletterde graaf was zwaar onder de indruk van diens Arthurromans en vroeg de klerk een graalvertelling te schrijven: “… De graal als woord en als concept is dus een literair bedenksel van Chrétien de Troyes, dat we te danken hebben aan de schrijfopdracht en de suggesties van de graaf van Vlaanderen. De Franse dichter is wel degelijk de eerste die op het bestaande genre van de Arthurromans het idee van de graal entte…”. Chrétien stopte met zijn werk aan de “Lancelot”, dat in de maak was voor gravin Maria en voortgezet werd door de schrijver Geoffroi de Lagny. Zelf stortte hij zich op “Le conté du graal (Perceval)”. Het woord ‘conte’ (verhaal) geeft aan dat het geen deel uitmaakt van de geleerde klerikale literatuur, in tegenstelling tot het woord ‘liber’ (boek), zoals Bernardus van Clairxaux dat bijvoorbeeld gebruikte voor zijn loflied op de tempeliers. Met de ‘graal’ vond Chrétien zeker geen nieuw woord uit. Het was Oudfrans voor een aardewerken schotel. Gevuld met kostelijke spijzen sierde het de tafel van de rijken op aarde. Chrétiens literaire idee van de graal als voorwerp en zoektocht sloeg aan en creëerde bliksemsnel een mythe. Camille Bozonnet, topkenner van de middeleeuwse literatuur, noemt vier voorwaarden die nodig zijn om zoiets voor elkaar te krijgen. 1) Het bedenksel moet vatbaar zijn voor allerlei interpretaties: “… Iedere schrijver kan zo in alle vrijheid zijn eigen graal scheppen: een schaal, een kelk, een edelsteen (zie woestijnvader Gregorius van Nyssa in mijn vorige blog), een boek, een verschijning…”. 2)  Om het bedenksel moeten voortdurend nieuwe helden en nieuwe avonturen te construeren zijn - zie bijvoorbeeld de Indiana Jones-films. 3) Het bedenksel moet metafysisch oftewel bovennatuurlijk van aard zijn; een zeker ‘mysterium tremendum et fascinans’ à la Rudolf Otto bezitten. 4) Het bedenksel moet iedereen aanspreken en dus universeel van karakter zijn.

 

Wedergeboorte

De ridder van de graalroman is veel complexer van aard dan de ridder van de ‘chansons’, zoals in bijvoorbeeld het ‘Roelantslied'. Het scenario van de allereerste graalroman vormt de ridderlijke tocht van Perceval, die staat voor een trapsgewijze initiatie en zuivering (zie wederom Johannes Climacus uit mijn vorige blog). Perceval is in eerste instantie een nogal onnozel ventje die zich gaandeweg realiseert wat hem bezielt. Hij leert van alles van de ridders die hij onderweg tegenkomt, ontmoet in het land van de Visserkoning een intrigerende graalstoet en begeeft zich ten langen leste naar het hof van koning Arthur. Daar komt hij pas tot de conclusie dat hij de mogelijkheid om een held te worden laat liggen, ‘bekeert’ zich, en uiteindelijk verdwijnt hij weer in het donkere woud, waar de onafgewerkte roman van Chrétien stopt. Het graalgenre is slechts een deel van een veel grotere Arthuriaanse cyclus die al ver daarvoor  begon en ook veel langer aanhield. Het verhaal over Perceval is in twee blokken te verdelen: “… het eerste deel is dat van de onwetendheid en mislukking en het tweede deel van de bewustwording en herkansing…”. Het gaat om een uitwendig beeld van inwendig zoeken. Voor het eerst werkt er iemand aan zijn individuele heil. De graal is heilig, want het bevat een hostie waarmee de lijdende koning zich voedt en een bloedende lans, die later de heilige lans uit het passieverhaal van Christus wordt. Predikte Chrétien hier de gelijkheid van kerk en staat? De schrijvers aan de Europese hoven pakten het graalmotief op en zo ontstond er een vijftigjarige cyclus van Arthuriaanse graalromans. Er is een wereldlijke stroming aan te wijzen waarbij de graal een ketel of een beker is: “… In Engeland werd door de blijvende osmose met de eigen Keltische traditie het genre beduidend langer beoefend dan op het continent, zelfs tot in onze tijden met romans van T.H. White en Rosemary Sutcliff…”. In de christelijke stroming is de graal de schotel die gebruikt werd tijdens het Laatste Avondmaal en tevens de schaal waarin Jozef van Arimatea het bloed van de van het kruis afgenomen Jezus heeft opgevangen, die hij zorgvuldig bewaarde. Zie Robert de Boron.

 

Propaganda

In de Duitse literatuur verschijnt het graalmotief voor het eerst in de graalroman van de altijd wat ironische Wolfram von Eschenbach, geschreven tussen 1200 en 1210. Naast Chrétien de Troyes noemt hij als bron ook een zekere Kyot. Zonder schroom gebruikt hij zijn kennis van alchemie en hermetisme om zijn verhaal nog mysterieuzer te maken. Zijn hamvraag: hoe kan een christelijke ridder tegelijk een heilige en een slachter zijn? Zijn antwoord: door blinde gehoorzaamheid en onvoorwaardelijke trouw aan de kerk. Bij Wolfram is de graal een edelsteen die engelen naar de aarde brengen en onder de hoede van een koning en zijn uitverkoren ridders komt te staan in de tempelvormige burcht op Mont-Salvat. Reeds in zijn tijd vereenzelvigden velen voornoemde ridders met de tempeliers. De Mont-Salvat werd door menigeen vertaald in Montségur, de postkathaarse burcht op een hoge bergtop in de Franse Ariège, aan de voet van de Pyreneeën. Het kathaarse kasteel van Montségur bestond echter nog niet eens toen Wolfram zijn graalroman schreef. Volgens Van Buyten en Vanderzeypen ondersteunde het verhaal het anti-ketterse programma van de paus en gaf het fiat aan de kruistochten van de ridders tegen hun mede-christenen in Zuid-Frankrijk. Zij zien de graalromans vooral als propaganda inzake de krijgerselite. En die werkte. Zie het antwoord van opperbevelhebber Arnaud Amaury op de vraag van het kruisleger tegen de Albigenzen dan wel katharen over wie zij mochten doden bij de bestorming van de stad Béziers: “… ‘Dood ze allen, God zal de zijnen herkennen.’ Het resultaat was een bloedbad met 20.000 slachtoffers waarbij noch vrouwen, noch kinderen, noch grijsaards werden ontzien, allen medechristenen waaronder hoofdzakelijk katholieken. ‘Collateral dammage’ voor de goede zaak…”. Door op kruistocht te gaan konden ridders aflaten verdienen die hen volledige kwijtschelding van zonden beloofden (zie de overeenkomst met de tegenwoordige patriarch van de Russisch-Orthodoxe kerk). Zo werd de krijgsman een ‘miles Christi’, een soldaat van Christus. Andere Duits graalromans zijn “Die Krone” van Heinrich von den Türlin, geschreven rond 1220 en een halve eeuw later, “(Jüngere) Titurel” van Albrecht von Scharffenberg. Dan is er nog de “Parcifal” van Wisse en Colin, maar dan zitten we al in de veertiende eeuw.

 

De Nederlandse graal

Ook in de Nederlandse middeleeuwse literatuur is het graalmotief terug te vinden, zoals in de romans van “Lancelot” en “Moriaen” en in de werken van Jacob van Maerlant (1221/35 – 1300): “Merlijn” en “Historie van den Grale”. “… Lodewijk van Velthem stelde in de 14e eeuw een enorme compilatie van verzen op in ‘Dboec van Lancelote’ waarin hij ook de graalzoektocht en de dood van Arthur verwerkt. Dat manuscript noemt men het ‘Haags Lancelothandschrift’, dat bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek van ’s-Gravenhage. Het manuscript bevat nog andere ridderromans die losstaan van Lancelot zoals ‘Walewein ende Keye’, ‘Wrake van Ragisel’, ‘Riddere metter Mouwen’, en nog twee werken van Jacob van Maerlant: ‘Torec’ en ‘Lanceloet en het hert met de witte voet’…”. Dichter Penninck begon waarschijnlijk rond 1200 aan de “Roman van Walewein” die werd afgemaakt door Pieter Vostaert, beiden Westvlamingen. “… De hoofse en dappere Walewein wordt gedreven door christelijke godsvrucht en liefde. Hij overwint de grootste moeilijkheden om zijn doel te bereiken: het terugbrengen van de schone Ysabelle en het zwevende schaakbord van koning Amoraen, wiens naam een mooie letterspeling is van Amor (liefde) en Moriaen…”. Van Buyten en Vanderzeypen achten het zeer wel mogelijk dat sommige graalmotieven van oosterse invloed zijn, vanwege het intensieve contact tussen de Latijnse staten en de kruisvaarders, waarbij ze verwijzen naar apocriefe en gnostische teksten. Rond 1240 zijn de hoogtijdagen van de graalmythe voorbij. Tijdens de 18de en 19de eeuw schuift het concept weg in de troebele gevoelswereld van esoterie, rituelen en hermetisme. De componist Richard Wagner brengt het motief echter in 1882 weer onder de aandacht van het grote publiek met zijn opera “Parsifal”, waarbij de graal behandeld wordt in zijn oudere vorm: de kelk van het Laatste Avondmaal. 

 

Aan de haal met de katharen

Uitgebreid vertellen Van Buyten en Vanderzeypen hoe de mythe van de graal in moderne tijden werd gekoppeld aan de mythe van de katharen. Zij zijn dan ook specialisten op het gebied van de laatste groep. De esoterische legendes rond de katharen en de burcht van Montségur blijken voornamelijk te zijn gebaseerd op een roman van de franse auteur Napoléon Peyrat, die in 1870 de eerste twee delen van zijn levenswerk publiceerde: “Histoire des Albigeois”. Er is steeds sprake van een kathaarse schat die evenwel echt heeft bestaan. Het was de geldvoorraad van de religieuze gemeenschap die tijdens de vervolging door de kathaarse kerken ingezet werd om gevangenisbewakers om te kopen, gidsen voor hun prestatie te vergoeden, voedsel aan te kopen en de soldij van hun militaire verdedigers te betalen. De religieuzen zagen het als hun plicht niet te teren op het geld van anderen maar  leefden van het werk van hun eigen handen. Ze waren antiklerikaal, wezen kinderdoop en eucharistie af, deden aan boete en liefdadigheid, waren tegen het huwelijk en heiligenverering, stonden voor absolute geweldloosheid, waren tegen het zweren van eden wat het feodale stelsel ondermijnde en aanvaardden slechts de autoriteit van de evangelies en de apostelbrieven. “… Voor hen was Christus niet de Verlosser, niet degene die aan het kruis heeft geleden ter vergeving van onze zonden, maar degene die de weg en de waarheid heeft getoond als boodschapper van God. In hun basisbeeld van de algoedheid van God kan deze onmogelijk zijn Zoon hebben laten lijden…”. Ze vormden een direct gevaar voor de eenheid van de kerk. In het begin van de 20ste eeuw werd er een literaire groep opgericht rond het verhaal van Peyrat. n van de leden, Pierre-Bartthélemy Gheuzi, componeerde de opera ‘Mont-Salvat’, waarin hij de legendarische graalburcht identificeert met de burcht van Montségur. En zo werd de schat van de katharen de graal en de katharen de beschermers van de graal.  Hoe raar is dat?! “… De katharen zouden dus de behoeders zijn van iets wat voor een groot deel tegen hen in het leven werd geroepen. Zij, die nadrukkelijk het lijden van Christus en de eucharistie afwezen, zouden nu de graal, het symbool van uitstek daarvan, aanbidden…”. Even verder: “… Nergens in de theologie, moraal of liturgie van de katharen vinden we een echo van het graalconcept. Zij waren wars van alle vernieuwingen en symbolen en zouden de kern van het graalconcept volledig afwijzen als katholiek bijgeloof…”.

 

Zelfbenoemde neo-katharen

Van Buyten en Vanderzeypen beschrijven ook de rol van de graal tijdens de tweede wereldoorlog. Heinrich Himmler nam de schrijver Otto Rahn op in zijn persoonlijke staf van de SS, die het christelijke karakter van de graal minimaliseerde. Volgens hem was het katharisme geworteld in de heidense leer van de druïden en van Keltisch-Germaanse oorsprong. In 1955 kwamen de rosenkruisers tot het besluit dat zij de rechtstreekse erfgenamen van de katharen waren. En dan had je nog Déodat Roché die heel zijn lange leven aan de studie van het katharisme besteedde. Hij werd weer beïnvloed door Rudolf Steiner, bezieler van de antroposofie. De muren van de ruïne van de kathaarse burcht die er nu staat, hebben nooit een kathaar gezien, want het kleine Montségur-3 werd meer dan vijftig jaar nadat het kathaarse gevaar volledig was verdwenen, gebouwd, en diende als militaire burcht voor een koninklijk garnizoen, waar nooit een dorpsgemeenschap in gehuisvest kon worden. Stellingen als dat het gebouw een kathaarse zonnetempel is, zijn dan ook onhoudbaar. “… De mythe van Montségur blijft mensen op wondere wijze inspireren. Zo zag een gids in het dorp tijdens de nacht van 21 juni 2006 vreemde lichten in de burcht. Hij ging poolshoogte nemen en trof binnen de muren een grote groep in witte pijen geklede Russen aan die beweerden de opvolgers van de katharen te zijn. We hebben er enkelen zien bedelen in Carcassonne. Blijkbaar weten ze niet alles van de katharen want die bedelden nooit…”.

 

Uitgave: Synthese – 2006, 106 blz., ISBN 978 906 271 030 0, € 9,90

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

woensdag 16 november 2022

Woestijnvaders – Mattias Rouw

 


Subtitel: Inspiratie voor nu

 

In “Ziel zoekt zin”  - zie mijn vorige blog - verwijst journalist en godsdienstwetenschapper Pauline Weseman regelmatig naar de ‘woestijnvaders’ die eeuwen geleden al bezig waren met ‘de weg naar binnen’. Je zou het afgaande op de wat saaie omslag niet zeggen, maar “Woestijnvaders” van Mattias Rouw is een schitterend lees- en kijkboek, mocht je  kennis willen maken met  dit thema. Eigenlijk is het vanwege de illustraties een soort van kunstuitgave. Rouw deed de research en verzorgde de tekst. Zijn team bestond verder uit Jedi Noordegraaf (illustraties), Marcel Enderink (art work), Karin Timmerman (cartografie), Sander Weeteling (vormgeving) en Johan Klein Haneveld (redactie). “Woestijnvaders” laat licht schijnen op een unieke selectie mannen en vrouwen uit het eerste millennium, die deel uitmaakten van een intrigerende monnikenbeweging. Vanaf de derde eeuw trokken ze de Egyptische woestijn in, op zoek naar spirituele ontwikkeling, wijsheid en inspiratie. 

 


Rechtvaardigheid

De eerste die wordt genoemd  is Gregorius de Grote die rond 540 in een vooraanstaande familie in Rome werd geboren. Na een uitmuntende rechtenstudie verwerft hij tegen zijn dertigste al een hoge juridische positie als ‘praefectus urbi Romae’ (stadscommandant van Rome). Na het overlijden van zijn vader verkoopt hij alles wat hij bezit en geeft het geld aan de armen. Daarna wordt hij monnik, sticht zeven kloosters waarvan één in zijn eigen huis in Rome, om er samen met een paar andere Benedictijnen een eenvoudig en teruggetrokken leven te gaan leiden. Het duurt niet lang of de bisschop van Rome stuurt hem als ambassadeur naar het onrustige keizerlijke hof van Constantinopel. Hij houdt het er zes jaar uit. Als hij terugkeert naar Rome is er een uitbraak van de pest. Doordat de bisschop overlijdt, belandt Gregorius als eerste monnik op de bisschoppenzetel. Hij blijft zich echter ‘servus sevorum Dei’ noemen: ‘dienaar van de dienaren van God’. Als geen ander zet hij zich in voor de have-nots. Het omzien naar  armen, hulpbehoevenden en hongerigen noemt hij geen ‘liefdadigheid’ maar ‘rechtvaardigheid’. Het kan niet bestaan dat je naasten creperen terwijl  jij stikt in je rijkdom: je pleegt roofbouw op andermans bestaan – je gaat moordend rond op het slagveld van het leven. Hulp geven aan mensen in nood is volgens hem niet meer en niet minder dan een morele plicht. Gregorius stierf in 604.

 


Heilige stilte

Pambo (vierde eeuw) woont in een van de grote monnikenleefgebieden in de bergen van Nitrië, aan de noord-westelijke kant van de Nijldelta. Omdat hij niet kan lezen, vraagt hij een oude woestijnvader hem een Psalm te leren. Dat wordt Psalm 39. Alleen al de eerste regel treft hem als een mokerslag: “… Dit had ik mij voorgenomen: Ik wil goed op mijn gedrag letten en met mijn tong geen foute dingen zeggen, en mijn mond in bedwang houden als ik word uitgedaagd…”. Stop hier maar even, zegt hij tegen zijn leermeester, en verdwijnt in zijn monnikshuisje, om er na acht jaar pas weer uit tevoorschijn komen. Tijdens een bezoek aan zijn leermeester vertelt hij dat het nu eenmaal zo lang duurde om het gehoorde in praktijk te brengen. Sterker, het is nog steeds moeilijk. Daarna sluit hij zich nog eens tien jaar op. Er wordt verteld dat als iemand vader Pambo om raad vraagt hij altijd reageert met ‘Ik heb het antwoord nog niet gevonden’. Soms gaan er weken voorbij voordat het antwoord komt, maar dan blaast het je ook van je sokken. “… Het klinkt misschien gek, want je zou waarschijnlijk anders verwachten, maar de meeste woestijnvaders praten weinig over de bijbel. Zo bevat de "Woestijnvaderspreuken" bijna geen theologische verhandelingen. De aandacht ligt eenvoudig bij het doen wat er staat: zwijgen, bidden en werken. Sommigen gaan daarin erg ver. Zo wordt er over vader Agathon geschreven: ‘Men vertelt dat hij drie jaar lang met een kiezel in zijn mond heeft geleefd, om zichzelf eraan te blijven herinneren niets verkeerds te zeggen. Hij wilde geen woord uitspreken waar hij later spijt van zou krijgen.’ …”.



Ont-moeten

Johannes Nisteros maakt duidelijk dat het tegenovergestelde van praten niet zwijgen is, maar luisteren. Zo leer je de aandacht van jezelf op de ander te richten. Die ander kan ook God zijn: “… Velen kennen de uitspraak: ‘Bidden is praten met God’, maar zo zien monniken het niet. Voor hen bestaat ‘echt’ bidden niet uit praten maar uit luisteren…”. In de monnikenliteratuur wordt deze houding ‘hesychia’ genoemd, een toestand van zich gedragen weten door een diep besef van de aanwezigheid van God. “… Een raadselachtige definitie van gebed, waarin het continu ‘aandachtig stil zijn’ centraal staat, komt van monnik Theofaan de Kluizenaar: ‘Bidden is staan voor God, met je gedachten in het hart. En dan blijf je voor God staan, zonder onderbrekingen, dag en nacht, tot het einde van je leven.’…”. Niet het hoofd, maar het hart wordt de plek van gelijkwaardige ontmoeting: “… Daar doe je niks, daar ben je. Daar moet je niets van de ander, daar ‘ont-moet’ je de ander…”. Een belangrijke schrijver binnen het genre van de monnikenliteratuur is Johannes Cassianus die rond 360 wordt geboren in Roemenië. Met een oudere vriend, Germanus, reist hij naar een klooster bij Bethlehem, waar ze drie jaar verblijven. Vervolgens reizen ze door naar Egypte, waar hij onder andere Nistros interviewt voor zijn goed bewaard gebleven boek “Gesprekken”. Zo wordt de monnikenspiritualiteit naar Europa gebracht. De monnik Benedictus gebruikt Johannes’ “Gesprekken” om aan het begin van de zesde eeuw de “Regel van Benedictus” te schrijven, die in veel Westerse kloosters ongekend populair is. 



Wat je zegt ben je zelf

De Nubische monnik Mozes ‘de Zwarte’, dan wel ‘de Donkere’, dan wel ‘de Ethiopiër’, dan wel ‘de Sterke’ (332 – 407), trekt plunderend met 70 rovers door de Egyptische woestijn, tot hij op een groep monniken stuit waar hij zwaar van onder de indruk raakt. Prompt gaat hij in de leer bij priester Isidorus, waarna hij zijn intrek neemt in een spelonk in de buurt van de rots Petra. Theofilus, de bisschop van Alexandrië, is zo ondersteboven van zijn verhaal, dat hij Mozes tot priester wijdt, wat hem nog bekender maakt dan hij als is: “… Zijn karakter inspireert steeds meer mensen en velen willen naar zijn voorbeeld monnik worden. Ook zij trekken de woestijn in, om zich bij hem aan te sluiten. Op een gegeven moment vallen er zelfs meer dan vijfhonderd monniken onder zijn verantwoordelijkheid, verdeeld over verschillende leefgemeenschappen…”. Mozes, inmiddels het toppunt van nederigheid, heeft de focus op de monnikenspiritualiteit van het ‘niet oordelen’ gelegd. Het oordelen van anderen leidt de aandacht alleen maar af van je eigen tekortkomingen, mits je door de fouten van anderen die van jezelf gaat zien natuurlijk. Wat je zegt ben je zelf: “… Het oordeel dat je over anderen velt, vel je over jezelf, want de fouten die je veroordeelt, doe je zelf ook…”. De woestijnmonnik bevraagt zich op dit punt: “… Weet ik wat er zich allemaal in de ander afspeelt? Wie ben ik om mijzelf als rechter boven een ander te stellen? Weet ik wat de ander heeft meegemaakt? Welke lasten draagt iemand met zich mee? Welk verleden heeft die persoon gevormd tot wie hij of zij is? Als ik de antwoorden op deze vragen zou kennen, zou ik me dan anders opstellen? Maar vooral: als dit iets is wat mij opvalt in de ander, wat zegt dit dan over mijzelf?...”. Door hier over na te denken lijkt de kwestie van ‘vergeving’ dichterbij te komen  (zie ook “Reli Detox” van Reinier Sonneveld). 

 


Het liefhebben van de vijand

Het boek van Diadochus (400 – 486), “ Honderd Uitspraken”, staat bol van de woestijnvaderspriritualiteit en woestijnvadercitaten. Liefde is volgens hem ‘steeds meer gaan geven om de mensen die je kwetsen’. “… Wat als mensen een land binnenvallen en anderen uitmoorden? Hoe ga je dan om met het hoge ideaal van het liefhebben van je vijand?...”. Dat is wel weer een dingetje sinds de oorlog in Oekraïne. “… Binnen het vroege christelijke denken was vrede stichten een van de hoogste doelen, toch heeft men nooit een universeel pacifistisch standpunt ingenomen. Hoewel het ideaal helder was, bleven deze gelovigen zich altijd bewust van de complexe realiteit. Een niet ideale wereld kan soms vragen om niet ideaal te handelen. Als mensen worden uitgemoord en bedreigd, lijkt geweld soms de enige manier om verder geweld tegen te gaan. Er wordt een ‘kleiner’ kwaad ingezet om een ‘groter’ kwaad af te wenden of in te dammen, om bijvoorbeeld mensen te beschermen, die zichzelf niet kunnen verdedigen. Het blijft een tragisch gegeven dat dit soms nodig is. Toch kent het vroeg-christelijke denken niet het idee van een gerechtvaardigde, schone oorlog…”. Even verder: “… Christelijke soldaten kunnen volgens de oude kerkregels een zegenbede meekrijgen als ze de strijd ingaan. Maar als ze terugkomen en in de oorlog anderen hebben vermoord, wordt hun dat in zekere mate aangerekend. De officiële kerkregel schrijft voor dat deze soldaten in zo’n geval een periode niet aan het heilig Avondmaal mogen deelnemen. Dit is een serieuze maatregel, want het deelnemen aan deze rite is voor christenen erg belangrijk. De voorgeschreven periode moet worden gebruikt om het geweten rust te geven, en te herstellen van de psychologische en morele schade die de soldaten hebben geleden door wat zij anderen hebben aangedaan...”.



Geheime missies

De woestijnmoeder Syncletica (380 – 462/464) vindt dat de deugden - moed, matigheid, rechtvaardigheid, voorzichtigheid, geloof, hoop en liefde -  het beste onzichtbaar kunnen worden volbracht. Een goede daad is immers ook een geweldige actie om bij anderen in een goed blaadje te komen: “ … Voor de woestijnmonniken is de intentie achter je gedrag erg belangrijk. Het uiteindelijke resultaat van wat je doet is voor hen niet maatgevend. De monniken kijken dieper…”. De grootste held op dit terrein is: Sinterklaas. Na de dood van haar ouders gaat Syncletica met haar blinde zusje in een familiegrafhuis even buiten de stad wonen. Ze leven van zemelenbrood en water, slapen op de grond, bidden en doen zoveel mogelijk goed werk. Kennelijk inspireert de charismatische Syncletica veel vrouwelijke tijdgenoten. Er ontstaat een heuse beweging van ‘stadsmaagden’. Een andere woestijnmoeder die in de “Woestijnvaderspreuken” vermeld staat is Theodora: “… Ze wilde graag incognito leven en niet naar een vrouwenklooster gaan, omdat ze niet wilde dat haar man zou weten waar ze was. Dus vermomde Theodora zich als man en ging in een mannenklooster wonen. Haar levensverhaal is erg bijzonder. Vooral omdat ze als man - ze noemde zichzelf Theodoor – op een gegeven moment werd beschuldigd van het verwekken van een kind bij een vrouw die in het monnikengastenverblijf had overnacht. Ze verweerde zich echter niet tegen de beschuldiging en vertelde ook niet dat ze eigenlijk een vrouw was. Uiteindelijk werd Theodora uit het klooster verbannen. Daarop zorgde ze jarenlang liefdevol voor het kind. Na een lange tijd van boetedoening werd ze weer opgenomen in het klooster. Pas na haar overlijden kwam men er achter dat Theodora een vrouw was…”.



Moralisme

Van Poimen (340 – 450!) is de uitspraak: “… Wees een voorbeeld, geen rechter…”. Na een overval die zijn gemeenschap in Sketis volledig in puin legt, vlucht hij naar de stad Terenutis, waar hij een monnikengemeenschap begint in een verlaten heidense tempel, die aan de basis staat van het boek “Woestijnvaders”: “… Achttien van zijn spreuken gaan expliciet over tolerantie en mededogen, vooral ten opzichte van mensen die fouten hebben gemaakt. Dit maakt hem uniek onder de woestijnvaders, waar strengheid en ascese meestal de boventoon voeren…”. Over het verstikkende van moralisme: “… Mensen die erg enthousiast zijn over bepaalde onderwerpen hebben soms de neiging fundamentalistisch te worden. Regels die zij zichzelf opleggen, lijken door hun vurigheid plotseling universeel te gelden. Het is een soort enthousiasme dat niet aanstekelijk werkt en vaak een ongemakkelijk gevoel teweegbrengt: het gevoel dat de ander vindt dat je anders moet zijn…”.

 


Naar zijn beeld en gelijkenis

De verlegen en teruggetrokken Gregorius van Nyssa (332 – 395) groeit uit tot een sleutelfiguur in de kerk. “… De woestijnvaders zijn er heilig van overtuigd: ieder mens is uitgerust met onmetelijke kracht en draagt het beeld van de goddelijke perfectie. Deze schitterende schoonheid heeft God zelf in ieder mens gelegd. Niemand kan die wegnemen. Deze overtuiging staat aan de basis van het mensbeeld van de woestijnvaders, geïnspireerd door het eerste hoofdstuk van de bijbel. Daarin lezen zij dat God de mens ‘zeer goed’ maakte, naar zijn ‘beeld en gelijkenis’…” (zie ook Jonathan Sacks: “De kracht van ideeën”). Als je om je heen kijkt kun je zo je vraagtekens hebben bij dit standpunt. Gregorius zegt er het volgende over: “… De mens, zo goed en waardevol gemaakt, verloor de goedheid waarmee hij was geschapen. Het is als iemand die is uitgegleden en met zijn gezicht in de modder is gevallen, waardoor zijn gezicht zo vies is geworden dat zelfs zijn eigen familie hem niet herkent. Zo is het ook met de mens, gevallen in de modder van zijn fouten, waardoor de gelijkenis met God verloren is gegaan. Zo werd de mens door zijn fouten een beeld van klei en sterfelijkheid; en dat is het beeld waarvan wij in alle ernst adviseren het schoon te wassen, door het zuiverende water van het christelijk leven. Want zodra het aarden omhulsel is verwijderd, zal de ziel opnieuw kunnen stralen…”. Als het goede en waardevolle in je leven niet te ontdekken valt, wil dat nog niet zeggen dat het er niet is. Het is alleen niet zichtbaar. Ons egoïsme kan het stralende in de mens besmeuren en dof en onherkenbaar maken. Echter, een diamant in een modderpoel blijft een diamant. Dit verklaart waarom de woestijnmonniken zich zo extreem toeleggen op perfectie. Het gaat niet om het centraal stellen van zichzelf maar om een zoektocht naar God. Ze staren niet met een wazige blik naar boven maar keren zich naar binnen omdat ze ervan overtuigd zijn dat het goddelijke daar te vinden is.

 


Het Vriendelijke Licht

Johannes Climacus (575 – 646) schrijft in “De Ladder naar het Paradijs” (al 1500 jaar een heuse monnikenbestseller): “… Ons doel is vol van liefde zijn! Dat wil zeggen: de volmaakte inwoning van God, die liefde is…”. ‘Climacus’ komt van het Griekse woord ‘klimax’ dat ladder of trap betekent. De dertig treden beogen een karakterverandering met als doel de mystieke eenheid met God te kunnen ervaren: “… Wie gelooft er nu nog, zoals de woestijnvaders doen, dat God letterlijk in iemand kan wonen? In geen enkele andere godsdienst vind je dit unieke christelijke levensdoel. Maar hoe onrealistisch het misschien ook mag klinken, de woestijnvaders geloven er met hart en ziel in. Hun levens laten zien dat zij alles richten op het verwezenlijken van het onvoorstelbare…”.

Antonius de Grote (251 – 356) leeft tientallen jaren in afzondering. Als zijn deur door nieuwsgierigen wordt opengebroken, geneest hij mensen op gebed. Er komt een golf van leerlingen op gang: “… Een volk aan monniken staat op, honderden, misschien wel duizenden in totaal…”.

De laatste woestijnmoeder die wordt besproken is de heilige Maria van Egypte (344 – 356). Eens per jaar, ongeveer twee-en-een-halve week voor het Paasfeest wordt tijdens de kerkdienst op donderdagochtend in de kloosters haar biografie, van Sofronius, voorgelezen, zodat elke monnik haar verhaal hoort. Ze blijkt een bekeerde prostituee die in de woestijn rondzwierf om van haar verslavingen af te komen: “… Vader Zosimas, geloof mij, zeventien jaar heb ik gevochten tegen mijn wilde en ongetemde begeerten: de dronkenschap van de wijn, de schunnigheid van dubbelzinnige liederen en het vuur van mijn verlangen naar seks. Als er zulke gedachten in mij opkwamen, wierp ik mij op de grond, waar ik mijn tranen over uitstortte. Dan stond ik niet eerder op tot het Vriendelijke Licht mij omstraalde en de woelende gedachten van mij verdreef…”. De conclusie: “…karakterverandering vraagt nu eenmaal veel tijd…”.

 


Wie zegt gij dat Ik ben?

Frappant is wel dat Jezus, althans in dit boek, nagenoeg buiten beeld blijft. In het protestantisme leeft de notie dat wij onszelf onmogelijk aan onze eigen haren uit de modder kunnen trekken: daar hebben wij een ‘verlosser’ voor nodig. Toch leerden veel monniken de Bijbel uit hun hoofd, dus moet Jezus zeker tot hun gedachtegoed hebben behoord. Waren zij het mysterie van zijn persoon misschien allang voorbij? Hielden zij zich daarom vooral bezig met wat Hij zei?

 

Uitgave: Brandaan – 2015, 112 blz., ISBN 978 946 005 034 3, alleen nog tweedehands verkrijgbaar: klik hier