Menu

maandag 13 mei 2019

Goethe. Kunstwerk van het leven – Rüdiger Safranski


Volgens Ranne Hovius is “Willem Meisters leerjaren” (eerste versie 1777 - 1786, definitieve versie 1794 -1796) van Goethe een encyclopedie van waanzin. Michel Tournier baseert “De elzenkoning” voor een deel op een gedicht van Goethe. Boudewijn Büch was gek van Goethe. Overal kom je Goethe tegen. Hoog tijd dat ik wat meer over hem las. Iedereen raadde mij de biografie van Safranski aan als de meest gezaghebbende. Een pil van 700 bladzijden. Desondanks in kwiek tempo geschreven. Of ik Goethe dichter benaderd ben betwijfel ik. Daarvoor staat het Duitse ‘genie’ toch te ver van mij af…

Charisma

Waarom was een halve dolle als Boudewijn Büch zo gek op Goethe? Wat trok hem in Goethe aan? Die vraag heeft mij wel bezig gehouden. Misschien heb ik het antwoord gevonden bij Safranski, die vertelt hoe Goethe zijn autobiografie “Dichtung und Wahrheit” afsluit met een citaat uit het treurspel “Egmont”, over de Hollandse edelman die het tijdens de Tachtigjarige Oorlog opnam tegen de Spanjaarden, waar Goethe zich sterk mee identificeerde: “ … Als door onzichtbare geesten opgezweept gaan de zonnepaarden van de tijd er met de lichte wagens van het lot vandoor, en ons rest niets anders dan manmoedig de teugels in handen te houden en nu eens naar rechts, dan weer naar links te sturen en de wielen weg te houden van die steen hier of die afgrond daar. Waar het heengaat, wie zal het weten? Hij herinnert zich nauwelijks waar hij vandaan kwam…”. Alsof je het over Büch zelf hebt. Misschien was dát het wel: snel - zo niet halsoverkop - leven. Safranski: “ … Egmont is een mens met levenskracht en levenslust, spontaan en vol overgave, genotzuchtig, vrij en gelaten, zorgeloos, vriendelijk en energiek…”. Hij heeft de vrijheidsheld Egmont, schrijft Goethe, een mateloze levenslust en zelfvertrouwen toebedeeld, en ‘de gave om mensen aan te trekken’. Oftewel attrativa: “ … Deze ‘attrativa’, dat wist Goethe, bezat hij zelf ook, en hij gaf die aan Egmont, zijn lieveling, in een dusdanig uitvergrote mate mee, dat ze aan het ‘demonische’ raakte…”. Wij zouden het over ‘charisma’ hebben. “ … Welke begrippen men ook hanteert, er blijft iets raadselachtigs kleven aan dit magnetische van de levensmacht die van zulke personen uitgaat, ten goede of ten kwade. Van de demonische of charismatische mensen, schrijft Goethe, gaat een ontzaglijke kracht uit en zij oefenen een ongelooflijke macht uit over alle schepselen…”. Herkende Boudewijn Büch iets van zichzelf in Goethe – en Egmont? Büch had ook wat aanstekelijks. Iets wat je charisma zou kunnen noemen, vind ik. Evenals Pim Fortuyn. En als je het over ‘demonisch’ hebt: Hitler. Hoe had laatstgenoemde anders een heel volk om zijn vinger kunnen winden?

Hoogbegaafd de lakens uitdelen
Goethe wordt op 28 augustus 1749 in Frankurt am Main in een welgesteld milieu geboren. Zijn vader is een rentenierende doctor in de rechten. Zijn eenentwintig jaar jongere, vrolijke, spontane, ongedwongen moeder de oudste dochter van een schout. Ze houdt van het goede leven. Neemt elk middel om de stemming te verhogen te baat: wijn, snuiftabak. Anderen gunt ze ook wel wat. De vriendin waar zoonlief ooit mee gaat samenwonen betitelt ze zonder scrupules als zijn ‘beddenschat’, en om een maatje meer maalt ze ook al niet. Integendeel. Volgens een brief: “ … Je bent dus aangekomen, bent lekker corpulent geworden, en daar ben ik blij om, want dat is een teken van goede gezondheid – en gebruikelijk in onze familie…”. De antieke beelden die haar zoon verzamelt, noemt ze oneerbiedig “… blote konten…”. Na Goethe worden er twee broertjes en drie zusjes geboren, van wie alleen de anderhalf jaar jongere Cornelia de volwassenheid bereikt. Zo ging dat toen. Helaas is zijn geliefde zus ook niet tegen het leven opgewassen. In haar huwelijk zal ze wegkwijnen in bed en overlijden na de geboorte van haar tweede kind. Als buitengewoon geadoreerd zoontje ontwikkelt Goethe een sterk gevoel van eigenwaarde. Bovendien groeit hij als stadskind frank en vrij op tussen anderen, waardoor hij geen publieksangst kent. Goethe is een weliswaar hoogbegaafde jongen, die ook nog eens van alle kanten door zijn ouders wordt gestimuleerd, maar beslist geen wonderkind à la Mozart. Hij pakt de dingen snel op. Vooral talen. Hij leest alles wat los en vast zit. Verwerkt, herhaalt en herschept wat hij zich eigen heeft gemaakt. Schrijft kladschriften vol kleine toneelstukken, poëzie en epiek. Hij draait zijn hand niet om voor een gedichtje meer of minder. Hij komt zichzelf echter ook op een akelige manier tegen: corrupt gajes gebruikt zijn snelle maar onnozele rijmelarij voor louche zaakjes. Hij loopt zijn eerste blauwtje als hij verliefd wordt op een ouder meisje dat zich als een kinderjuffrouw tegenover hem gedraagt: de Gretchen-affaire (5de boek “Dichtung und Wahrheit”). Als hij als vijftienjarige per brief vraagt of hij lid mag worden van een ‘Deugdenbond’, een geheim jongerengenootschap, vangt hij ook al bot. Hij weet dat gewetensonderzoek bij het sollicitatieritueel hoort, en doet een boekje open over zijn ondeugden: “ … Ten eerste zijn ‘cholerische temperament’, hij was opvliegend, maar niet haatdragend; ten tweede deelt hij graag de lakens uit, ‘maar als ik niets te zeggen heb, kan ik het ook achterwege laten’. Ten derde zijn onbescheidenheid; hij praat ook met onbekenden alsof hij ze ‘honderd jaar’ kent…”. Zijn grote bek doet hem de das om. De vrienden van destijds typeren zichzelf als zijn lakeien: “ … Men merkt, de jonge Goethe wekte bewondering, maar ook afgunst. Je kunt je ook heel goed voorstellen dat een jongen voor wie zijn moeder elke ochtend drie sets kleren moest klaarleggen – een voor in huis, een voor gewone uitstapjes en voor de visite, en een voor galaoptredens, dus haarnet, zijden kousen en een sierdegen – niet overal geliefd was…”.

Sturm und Drang
Balend van Frankfurt denkt Goethe aan studeren. Zelf zou hij vanwege zijn dichtersambitie het liefst naar Göttingen gaan om zich in geschiedenis te bekwamen. Daar komt niets van in. Papa wil dat hij in zijn voetsporen treedt en stuurt hem naar Leipzig. Na drie jaar heeft hij nog steeds geen studie afgerond, wordt doodziek, en keert als gesjeesde rechtenstudent terug naar huis om op te knappen. Geen wonder; hij lijkt zich vooral bezig te hebben gehouden met praktische artistieke oefeningen: schrijven, tekenen, schilderen, kopergravures maken en etsen. Bovendien maakte hij er een zinderende liefdesaffaire met ene Kätchen mee, de dochter van een herbergier, die al bij voorbaat gedoemd was te mislukken daar hij ook wel wist dat ze veel te min was in papa’s ogen, maar die hem wel inspireerde tot een stortvloed van brieven aan een intieme vriend. Goed oefenmateriaal. Hij flirt een tijdje met het piëtistische geloof van de hernhutters. Wat hem ontbreekt is rouwmoedig zondebesef. Een prachtig fragment gaat over een fanatiek gelovige dokter, een ‘geheimzinnige, ondoorgrondelijke, sluw ogende, vriendelijk pratende en voor het overige abstruse man’, die Goethe door middel van een glaasje gekristalliseerd droog zout van een tuberculeus gezwel in zijn nek afhelpt. Een soort tovenaar die hem tussen de stichtelijke gesprekken door inwijdt in allerlei alchemistisch en kabbalistisch gedoe, zodat zijn ziekenkamer binnen de kortste keren verandert in een soort natuurkundig laboratorium. Hier ontstaan de kiemen voor zijn latere “Faust”. Goethe is met zijn extraverte aard niet in de wieg gelegd voor ‘stille in den lande’. Hij houdt het niet lang uit onder zijn ‘stomvervelende, sektarische’ en introspectieve geloofsgenoten die ‘de zaak van hun grillen vermengen met de zaak van God’. Als hij beter is stuurt zijn vader hem naar het levendige Straatsburg om zijn studie te hervatten. Hij leert er paardrijden en dansen, en bovenal ontmoet hij er de immer sacherijnige, vijf jaar oudere dichter-filosoof-theoloog Herder, die een onuitwisbare indruk op hem maakt. Herder is de aansteker van de Duitse Sturm und Drang. Bij hem komt het romantische geniebegrip van het kunstenaarschap vandaan. Hij maakt korte metten met de kunst als ‘nabootsing’ en gaat voor het principe van individualiteit c.q. authenticiteit c.q. originaliteit.

Iets heels

Hoewel Goethe zelf niet in een persoonlijke God gelooft is hij diep onder de indruk van ene Jung-Stilling, een vrome kennis die zich opwerkt van kleermaker naar arts. Bij hem ontwaart hij het geestelijke fenomeen dat hij aanduidt als een transformerend ‘aperçu’: “… Jung-Stilling heeft iets heels, namelijk de God van de Bijbel, ervaren, waardoor zijn innerlijke mens volkomen is veranderd, en dat is allemaal plotseling gebeurd…”. Het gaat om een gedachteflits, een inval, een plotselinge intuïtie die een tot dan toe raadselachtige en duistere samenhang in één klap duidelijk maakt. Deze overgang dan wel bekering hoeft niet perse religieus te zijn. Goethe ervaart het als hij het menselijke tussenkaakbeen ontdekt. Het bewijst voor hem dat er een geleidelijke overgang is tussen mens en dier: de natuur maakt geen sprongen. Met vrienden maakt hij een tocht naar het plaatsje Sesenheim waar hij verliefd wordt op een domineesdochter, Friederike Brion. Ook met haar scharrelt hij een tijdje rond zonder dat hij van plan is zich te binden. Ondertussen raakt hij in de ban van de vernieuwende Shakespeare: “ … Shakespeares theater is een wondermooi rariteitenkabinet, waarin de geschiedenis van de wereld voor onze ogen aan de onzichtbare draden van de tijd voorbij golft. (…) zijn stukken draaien allemaal rond het geheime punt (dat nog geen filosoof heeft gezien en vastgesteld) waar het kenmerkende van ons ik, de gepretendeerde vrijheid van onze wil, botst op de noodzakelijke loop van het geheel…”. Eindelijk schrijft hij een dissertatie die verloren is gegaan. Over de verhouding tussen staat en kerk. De theologen van Straatsburg hebben het stuk in ieder geval als schandalig ervaren. “ … De heer Goethe heeft hier een rol gespeeld die hem als al te snedige pseudogeleerde en als idiote godsdienstverachter niet alleen verdacht, maar ook nog eens tamelijk bekend heeft gemaakt. Hij moet, zoals ook algemeen van hem wordt aangenomen, een klap van de molen hebben gehad…”, vermoedt er één. “ … De jongeman heeft met een aantal hatelijkheden van Voltaire lopen pronken…”, meent een ander. Zonder officiële doctorstitel, alleen met een licentiaat, keert Goethe tot teleurstelling van papa terug naar huis.

Dichter-profeet
Goethe rommelt een beetje rond als advocaat zonder dat daar een figuurlijke vadermoord voor nodig is. Vergeleken bij zijn zoon is pappa is nogal dom uitgevallen, bout gezegd. Tegelijk schrijft hij het sensationele “Götz”, een historisch toneelstuk over een vrijgevochten ridder, dat hem in één klap beroemd maakt. Safranski bespreekt het uitgebreid. Vanwege de terechtstelling van een ongewenst zwanger geworden kindermoordenares krijgt Goethe steeds meer moeite met de rechtsgang: haar minnaar komt er zonder een centje pijn mee weg! Hij verwerkt een en ander als Gretchen-affaire in “Faust”. Ene Merck, die hem vraagt recensent te worden voor zijn literaire tijdschrift, brengt hem in aanraking met de kring der verbazingwekkende ‘sentimentelen’, die zwelgen in tranen en buitensporige gevoelens. Safranski vertelt over een dame die de zomerdagen doorbrengt in een in een park gebouwde hut met een wit lam dat ze aan een rode halsband over de weiden voert. In Wezler, waar Goethe om zich te specialiseren een tijdje stage loopt bij het Rijkskamergerechtshof, ontmoet hij Charlotte Buff, die al verloofd is, en model staat voor de Lotte in “Werther” (waarover ze op zijn zachts gezegd ‘not amused’ is). Volgens anderen is ze helemaal niet zo buitengewoon aantrekkelijk, maar Goethe is wég van haar. Een zelfmoord in Wezler vindt zijn spoor richting “Werther”. Af en toe is het Goethe zelf ook ‘doodschieterig’ te moede. Hij heeft een dolk op zijn nachtkastje liggen, maar is te schijterig om die te gebruiken. Dan begint Goethe boordevol ideeën te schrijven. Zijn inspiratie is tomeloos. Alles lukt. Alles komt hem aanwaaien. Hij wordt een superster. Heeft iets van een dichter-profeet. Hij werkt aan toneelstukken over Prometheus, die het vuur uit de hemel steelt, en Mahomet, die gewelddadig wordt omdat hij zich met het aardse inlaat en aanhangers wil krijgen. Hij voelt zich gelijk aan hen: door invallen overweldigd, meegesleept, zichzelf ervarend als medium van scheppende krachten. Op zijn omgeving komt hij over als een tovenaar, omgeven door een aura van het ongelooflijke. Iedereen hangt aan zijn lippen: “ … Sommigen noemden hem een ‘bezetene’ (Jacobi), anderen ‘een genie van kruin tot voetzool’ (Heinze). Men was bang dat zijn vuur hem zou verteren’ (Bodmer). Men gaapte hem aan als een wonder van de natuur…”. Nu ik het zo schrijf komt het bijna een beetje bipolair over, bedenk ik ineens.

Geheimraad
Ook zijn “Werther” slaat in als een bom. Kerken en hoeders van de moraal lezen het als een legitimatie van zelfmoord. Het zou zelfmoord in de mode hebben gebracht. Zelfs Napoleon zegt het zeven keer te hebben gelezen. Dit boek breekt baan voor het subjectieve gedachtegoed, de vrijheid van het individu en de persoonlijkheidscultus. Wat helpt tegen het ‘taedium vitae’, tegen 's levens onlust, tegen gevoelens van leegte en verveling, is zich vastberaden openstellen voor het leven, volgens Goethe. Het is een ‘ziekte’ waardoor de patiënt geen gepaste toegang tot het leven vindt. Laat je verrassen door de werkelijkheid – plak er niet je eigen troebele spookbeelden op! Ook de natuur werkt bevrijdend. Zelf maakt hij enorme voettochten. Hij helpt de predikant Lavater met zijn studie in het ‘fysionomeren’: het aan de hand van het uiterlijk conclusies trekken over het innerlijk. Papt met allerlei bekende en minder bekende figuren aan. Heeft affaires met meisjes. Maar eigenlijk weet hij niet wat hij wil. De gecultiveerde familie van ene adellijke en gereformeerde Lili verwacht van een toekomstige schoonzoon een serieuze beroepscarrière als advocaat of in het bankwezen. Maar het is hem een gruwel “ … in dit bassin rond te gondelieren en met grote vrolijkheid op kikker- en spinnenjacht te gaan…”. Hij wordt gered door de uitnodiging van de jonge hertog Karl August van het ministaatje Weimar, die zijn adviezen goed kan gebruiken. Het eerste wat hij doet is de vorst schaatsen leren. Hij blijkt het buitengewoon goed met de sportieve wildebras te kunnen vinden. Samen zoeken ze het avontuur middels zwerftochten, jachtpartijen en achter de meisjes aanzitten. In 1776 krijgt Goethe vaste grond onder zijn voeten als hij als geheim gezantschapsraad een zetel aanneemt in de ministerraad. Zo komt er toch nog wat van hem terecht. Ook in Weimar bouwt hij binnen de kortste keren een reputatie als godenzoon annex heksenmeester. En weer wordt hij meegesleept in hartstochtelijke verliefdheden. Hofdame Charlotte von Stein is daar. In de loop van zijn leven zal hij haar anderhalfduizend brieven schrijven. Ze is allang echtgenote en moeder. En toch… en toch. Tegen de auteur Wieland zegt hij dat het niet anders kan dan dat Lotte in een vorig leven zijn vrouw dan wel zuster moet zijn geweest – hoe is anders die buitengewone aantrekkingskracht te verklaren?

Homo universalis
Ik kan niet anders dan met zevenmijlslaarzen door Sanfranski's enorme epos over Goethe heen struinen, waarvoor mijn excuses. Goethe krijgt steeds meer in de pap te brokkelen. Heeft zeggenschap over de wegen- en mijnbouw en de drooglegging van moerassen, zorgt voor verbetering van de grondgesteldheid, van de brandveiligheid, van het soldatenleven, van de arbeidsvoorwaarden, van de lonen en belastingverlichting, en wordt toezichthouder van de universiteit alsmede directeur van de tekenacademie en het hoftheater plus de artistieke organisator van Weimarse festiviteiten – om maar wat te noemen. Hoe groter zijn rol in de politiek, hoe pragmatischer hij wordt. Toch lijkt hij een beetje aan zichzelf te twijfelen. Zit hij wel op de goede weg? Tijdens een eenzame rit door hagelbuien en winterstormen daagt hij zichzelf uit. Als hij er in slaagt de Brocken te beklimmen zal hij zich toeleggen op regeren (zie zijn gedicht “Harzreise im Winter”). Het lukt. Het blijft een kunst om te dealen met innerlijke verharding tegen de buitenwereld, die altijd iets van hem wil of moet, en zelfversnippering. Uiteindelijk zal hij in het geheim naar Italië deserteren. Na thuis alles in kannen en kruiken geregeld te hebben – dat dan wel weer. Hij knijpt er bijna twee jaar tussenuit om zichzelf weer bij elkaar te rapen, diverse ooit begonnen artistieke werken af te maken en de kunstenaar in zichzelf te herontdekken. De hertog vergeeft het hem, Charlotte von Stein niet. Hun relatie bekoelt. Anoniem duikt hij onder in de kunstenaarsbent van Rome. Herboren, en verwilderd volgens sommigen, keert hij terug naar Weimar. Hij begint een relatie met een volksmeisje van 23, Christiane Vulpius. Zijn omstanders vragen zich af of Italië hem in het verderf heeft gestort. Ondertussen breekt in Frankrijk de revolutiekoorts uit. Goethe gelooft absoluut niet in revolutionisme, wel in evolutionisme. Veranderingen die zich langzaam en op een natuurlijke manier voltrekken. Zijn artistieke ideeën worden steeds uitgesprokener: kunst is geen nabootsing, maar op een hoger plan getilde natuur. Vandaar zijn fascinatie voor en minutieuze onderzoek van de natuur: mineralogie, botaniseren, anatomie, optiek. Hij ontwerpt een kleurenleer die haaks staat op die van Newton. Op zijn kamer verbergt hij zelfs een olifantenschedel voor zijn huishoudster – die zou er maar van schrikken! Hij verhoudt zich met alle beroemde en beruchte groten uit zijn tijd die Safranski keurig op een rijtje zet (evenals zijn literaire werken die hij als een ‘slaapwandelaar’ uit zijn pen schudt): Böttiger, Knebel, Humboldt, Fichte, Herder, Kant, Voss, Hölderlin, Schlegel, Novalis, Schleiermacher, Schelling, Schiller, Hegel, Voight, Spinoza, Jacobi, Hoffmann, Zelter, Kleist, Rousseau, Boisserée, Jacobi, Chateaubriand, Eckermann, Riemer, Meyer, Falk, Reinhard, Willemer, Beethoven, Soret, moeder en zoon Schopenhauer.

De zoektocht naar ‘het verborgen knooppunt’
Als Napoleon binnenvalt en Weimar onder protectoraat van de Fransen stelt, is Goethe daar niet al te rouwig om. Al kan hij de hertog, die hij op zijn veldtochten begeleidt, natuurlijk niet afvallen. Hoewel zijn omgeving wordt geplunderd komt hij er met zijn huis zonder kleerscheuren vanaf. Sterker, hij ontmoet Napoleon zelfs drie keer en ontvangt het kruis van Legioen van Eer van ‘mijn keizer’. Goethe adoreert Napoleon, in wie hij een geestverwant en orde scheppende macht ziet. Hij is zeer onder de indruk van zijn monumentale ‘ik’ – Goethe gelooft heilig in de ontwikkeling van het individu. De nadruk op een ‘sterk ik’ in zijn tijd zie je ook terug in daarbij passende trends als magnetisme, somnambulisme en hypnose. Als reactie op het oorlogsgeweld trouwt hij in stilte met Christiane Vulpius, met wie hij tussen haakjes zeer gelukkig is, om de zoon die hij inmiddels met haar heeft meer zekerheid te bieden. August. Prachtig vertelt Safranski hoe het in “Die Wahlverwandtschaften” gaat over Plato’s beeld van de oorspronkelijke volledige mens, waarvan de losgesneden helften elkaar weer zoeken – zie ook mijn blogs over Michel Tournier en Meir Shalev. Ook al zijn de raadselachtige hartstochten in morele zin vaak niet te rechtvaardigen, toch is het leven daar het levendigst. Niet dat Goethe vindt dat je je hartstochten ongelimiteerd moet uitleven: ook aan schuldgevoelens kun je ten gronde gaan. Goethe heeft niets met de ‘hocus pocus van bovenaardse machten’, maar gelooft wel in de natuur als God: “ … De algemene, natuurlijke religie heeft eigenlijk geen geloof nodig: want de overtuiging dat een groot, scheppend, ordenend en leidend wezen als het ware achter de natuur verborgen zit om zich aan ons duidelijk te maken, een dergelijke overtuiging dringt zich aan iedereen op…”. Hij is een spinozist. Altijd is hij op zoek naar zijn ‘verborgen knooppunt’, naar zelfkennis die hij via de omweg van de wereld tracht te vinden, wat hem behoedt voor navelstaarderij. Onder invloed van een nieuwe muze, de negenentwintigjarige Marianne Jung, verdiept hij zich op oudere leeftijd zelfs in de Perzisch-Arabische cultuurkring (Oude Testament, Koran, Duizend-en-één-nacht) waaruit de oriëntaalse gedichten vol ‘patriarchenlucht’ van de “ De West-östlicher Divan” ontstaan. Op zijn tweeënzeventigste wordt hij nog eens een keer verliefd op de zeventienjarige Ulrike Levetzow, zie de “Elegie van Marienbad”. Na zo goed als al zijn geliefden te hebben overleefd overlijdt Goethe in 1832 op zijn tweeëntachtigste. Overigens niet na lustig op het moderne leven te hebben afgegeven dat alleen maar draait om economie en nuttigheid: “ … Jongelui worden veel te vroeg geprikkeld en dan in de maalstroom van de tijd meegesleurd. Rijkdom en snelheid is wat de wereld bewondert en waar iedereen naar streeft. Treinen, exprespost, stoomboten en alle mogelijke faciliteiten om te communiceren, dat is waar men in de beschaafde wereld om het hardst achteraanholt, zichzelf voorbijholt en daardoor in middelmatigheid blijft steken…”. Hij moest eens weten…

Uitgave: Atlas Contact - 2015, vertaling Mark Wildschut, 704 blz., ISBN 978 904 502 684 8, € 46,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 30 april 2019

H.P. Lovecraft. Tegen de wereld, tegen het leven – Michel Houellebecq


Toen ik op zoek was naar de inspiratiebronnen van Michel Houellebecq (zie mijn blog van 23.04.19) las ik dat hij die vond in de filosoof Schopenhauer en de griezelauteur Howard Phillips Lovecraft (1890-1937). Over beiden schreef hij een essay. Hij debuteerde met zijn werk over Lovecraft in 1991. Ik heb Lovecraft zelf niet gelezen. Ik heb een aangeboren afkeer van horror. Er zijn grenzen. Ik ben H.P. Lovecraft wel eens tegen gekomen toen ik een artikel las over de vertalers van Umberto Eco, die via hem op de gekste paden belandden, waaronder Lovecraft. Ik was wel benieuwd wat Houellebecq over Lovecraft te melden had.

Stephen King

Het essay gaat vooraf van een uitgebreid voorwoord van de befaamde horror- en scenarioauteur Stephen King. Volgens hem moet je het boekje van Houellebecq zien als een liefdesbrief en is dat de al lang overleden pulpbladschrijver zeker waard. King vertelt dat hij in het ‘schimmige, antieke’ 1979 op de World Fantasy Convention was dat toevallig in Providence (Rhode Island) werd gehouden, H.P. Lovecrafts geboorteplaats. Hij stuitte op een pandjeshuis waar ‘meneer Ideeënman vanuit zijn luie stoel achter in mijn hoofd omhoog kwam om wat te zeggen’. Stel dat er een kussen in de etalage lag en dat die van Lovecraft was geweest: “… Later die avond, toen ik in bed lag, dacht ik dus echt aan zijn verhalen, aan de verhalen die in dat lange, smalle hoofd hadden gezeten, aan de gruwelen die alleen door een flinterdun laagje bot van het kussen waren gescheiden…”. Er zou een roman in gezeten hebben, maar hij vond het té eng. Ook horrorschrijvers zijn wel eens bang, zoals mijnwerkers moeten hoesten en gitaristen eelt op hun vingers hebben. Dat is het risico van het vak. Met sommige punten is King het niet met Houellebecq eens: “ … Is het leven inderdaad pijnlijk en teleurstellend? Pijnlijk zou kunnen kloppen, maar alleen zo nu en dan. Teleurstellend zou kunnen kloppen, maar alleen voor sommige mensen. Is het inderdaad zinloos om realistische romans te schrijven? In de afgelopen veertien jaar zijn er ongeveer tweeduizend pagina’s proza geschreven die erop duiden dat Tom Wolfe daar in ieder geval anders over denkt. Prikkelt de mensheid als zodanig onze nieuwsgierigheid inderdaad nog maar matig? O, mijn beste Houellebecq! Ik ontmoet elke dag minstens zestig mensen van wie ik er veertig maar wat graag naar huis zou willen volgen om te kijken wat ze daar doen…”.

Iets gevaarlijkers

Houellebecqs stelling dat Lovecraft een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw is, valt steeds moeilijker terzijde te schuiven, omdat er elk decennium meer literatuurcolleges over hem worden gegeven. Volgens King biedt de ‘weird fiction’, die altijd al het neefje van de mainstream literatuur is geweest, waardevolle inzichten over waar de samenleving bang voor is. En daardoor komen veel juridische, morele, economische en zelfs militaire besluiten weer haarscherp in beeld. Wat Lovecraft met Houellebecq verbindt is het krachtige ‘nee’ dat ze uitspreken tegen de wereld zoals die is en tegen de werkelijkheid zoals die er volgens de wereld zou móéten uitzien. In tegenstelling tot Christie of Stoker of Rowling was Lovecraft bij leven geen bestsellerauteur. Hij was doodarm. Houellebecq: “ … Lovecraft sterft, zijn oeuvre wordt geboren…”. Houellebecq noemt twee schrijvers die door Lovecraft zijn beïnvloed: Frank Belknap Long en Robert Bloch. King noemt er heel wat meer: Robert E. Howard, Joyce Carol Oates, Clark Ashton Smith, William Hope Hodgson, Fritz Leiber, Harlan Ellison, Jonathan Kellerman, Peter Straub, Charles Willeford, Poppy Z. Brite, James Crumley, John D. MacDonald, Michael Chabon, Ramsey Campbell, Kingsley Amis, Neil Gaiman, Flannery O’Connor en Tennessee Williams. Over de ontwikkeling van een lezer: “ … De meeste lezers krijgen tussen hun dertiende en hun zeventiende met een gevaarlijk ‘dood punt’ te maken, omdat je op die leeftijd de boeken van je kindertijd weglegt, maar nog niet naar volwassen boeken grijpt. En we weten dat veel kinderen er nooit in slagen die kloof te dichten. Zijn ze eenmaal volwassen en neem je een kijkje bij hen thuis, dan tref je daar naar alle waarschijnlijkheid ‘Reader’s Digest, de ‘National Enquirer’ en ‘Het toilet moppenboek’ aan, en dat is het dan ook wel. Sommige kinderen ruilen tijdens die overgangsjaren Nancy Drew en R.L. Stine in voor Agatha Christie en Dean Koontz, en misschíén Stokers ‘Dracula’. Zij worden de lezers die de bestsellers van het moment in huis halen en Danielle Steels pensioen blijven spekken. Maar er is een derde groep - er is altijd een derde groep - die geen genoegen neemt met karige kost en zin heeft in iets… gevaarlijkers…”. Volgens King zijn fantasy en weird fiction als een grot waarin je je kunt verstoppen voor het leven. In die grotten kun je je wonden likken en je voorbereiden op de volgende dag in het echte leven. Daarom “ … zijn ze met name waardevol tijdens die kwetsbare jaren waarin de overgang plaatsvindt van de fantasiewereld van een kind naar de meer verfijnde en geordende van een volwassene. Het moment wanneer, kort gezegd, de creatieve verbeelding vervélt…”. Hoe mooi beschreven!

Oermythe
Vervolgens komt er ook nog een kort voorwoord van Houellebecq zelf, waarin hij vertelt hoe hij op zijn zestiende de verhalen van Lovecraft ontdekte en direct alles verslond wat in het Frans van hem beschikbaar was. Wat hem verbaasde was Lovecrafts volstrekte materialisme: “ … in tegenstelling tot veel van zijn bewonderaars en exegeten heeft hij zijn mythen, theogonieën, en ‘oeroude rassen’ nooit als iets anders dan louter verzinsels beschouwd…”. Houellebecq stond ook versteld van zijn obsessieve, op angst gebaseerde, racisme: “ … De analyse van het racisme in de literatuur richt zich al een halve eeuw vooral op Céline, maar het geval Lovecraft is veel interessanter en kenmerkender…”. Hij zegt onder de indruk te zijn van Lovecrafts visionaire kracht en uitzonderlijke vermogen tot het scheppen van andere werelden. Opmerkelijk is dat een tijdperk dat oorspronkelijkheid in de kunst als hoogste waarde ziet, ruim vijftien schrijvers oplevert die zich hebben gewijd aan de ontwikkeling en verrijking van de mythen die H.P. Lovecraft heeft bedacht, waaronder Frank Belknap Long, Robert Bloch, Lin Carter, Fred Chappell, August Derleth en Donald Wandrei. Lyrisch: “ … Inderdaad is er, zoals Francis Lacassin terecht benadrukt, sinds Homerus en de middeleeuwse heldendichten nooit meer zoiets waargenomen. We hebben hier te maken, dat zullen we nederig moeten erkennen, met datgene wat men een ‘oermythe’ noemt…”. Hij roemt Lovecrafts schrijfstijl dat ook andere registers kent dan het ‘gezwollene en het ijlende’: “ … hij kan ook een uitzonderlijke verfijning en een lumineuze diepgang aan de dag leggen…”. Sommigen hebben het over Lovecrafts zakelijke en journalistieke stijl die zijn verhalen des te echter maken. De meeste fantasy-verhalen beginnen in een banale gewone alledaagse werkelijkheid die gaandeweg wat barstjes begint te vertonen. Zo niet Lovecraft, die aanvalt met een donderslag bij heldere hemel. Zie de frontale inzet van “The Call of Cthullu”: “ … De heilzaamste zaak in de wereld is naar mijn idee de onmacht van de menselijke geest om alles wat die wereld bevat met elkaar in verband te brengen. Wij leven op een vreedzaam eiland van onwetendheid te midden van zwarte zeeën van oneindigheid, en het was niet de bedoeling dat we verre reizen zouden maken. De wetenschappen, die elk hun eigen kant uit gaan, hebben ons tot nog toe weinig schade toegebracht; maar ooit zullen er door de samenvoeging van afzonderlijke stukjes kennis zulke verschrikkelijke uitzichten op de werkelijkheid en op onze beangstigende positie daarin worden geopend, dat we ofwel gek worden van die openbaring, ofwel wegvluchten van het dodelijke licht naar de rust en veiligheid van een nieuw duister tijdperk…”. Toe maar.

Rare vogel
Volgens Houellebecq was Lovecraft een zonderling: “ … Ik schreef indertijd dat Lovecraft iets heeft wat ‘niet echt literair is’. Dat werd me laatst op een bizarre manier bevestigd. Tijdens signeersessies komen er soms jongelui naar me toe voor een handtekening in dit boek. Ze hebben Lovecraft ontdekt via rollenspellen of cd-roms. Ze hebben hem niet gelezen en zijn dat ook niet van plan. Toch willen ze vreemd genoeg – los van de teksten – meer te weten komen over zijn persoon en over de manier waarop hij zijn wereld heeft opgebouwd…”. So do I. Lovecraft was een bijzonder rare vogel. Geen enkele biografie is er in geslaagd het aura van vreemdheid dat hem omgaf weg te nemen: “ … Paradoxaal genoeg is de persoon Lovecraft voor een deel zo fascinerend omdat zijn normen en waarden zo volledig tegengesteld zijn aan de onze. Hij is door en door racistisch, openlijk reactionair, hij verheerlijkt de puriteinse remmingen en acht ‘rechtstreekse erotische uitingen’ ondubbelzinnig weerzinwekkend. Als uitgesproken commerciehater kijkt hij neer op geld, hij beschouwt democratie als een dwaasheid en vooruitgang als een illusie. Het woord ‘vrijheid’, dat de Amerikanen zo dierbaar is, ontlokt hem hoongelach. Zijn hele leven houdt hij vast aan de typisch aristocratische combinatie van minachting voor de mensheid in het algemeen en uitzonderlijke vriendelijkheid tegenover individuele mensen…”. Kortom, hij was het prototype van de ingetogen, gereserveerde, welopgevoede gentleman: “ … Geen brief kan hij onbeantwoord laten, nooit maant hij zijn debiteuren aan wanneer zijn literaire werkzaamheden niet worden betaald, zijn aandeel in verhalen zwakt hij systematisch af…”. Absoluut niet het type om vreselijke dingen te zeggen of en public wartaal uit te slaan: “ … Niemand heeft hem ooit boos zien worden; of zien huilen, of in lachen zien uitbarsten…”. In Lovecrafts hele oeuvre komen maar twee vrouwen voor. Volgens hem voegt seks niets toe aan literatuur. Hoewel hij zelf een droommachine is, vat hij Freuds theorie in twee woorden minachtend samen: ‘infantiel symbolisme’. Volgens Houellebecq maakt juist zijn ‘creatieve beperking’ Lovecraft groot. Lovecrafts grondhouding: “ … Onverzoenlijke haat tegen de wereld in het algemeen, met daarbovenop een bijzondere afkeer van de moderne wereld…”.

Volwassenheid is de hel
In 1908, op zijn achttiende, ziet Lovecraft het niet meer zitten. Hij sluit zich op in huis, praat alleen nog maar met zijn moeder, weigert uit bed te komen en loopt ’s nachts rond te spoken in zijn kamerjas. Tussen zijn achttiende en drieëntwintigste doet hij zo ongeveer niks. Tussen 1913 en 1918 verbetert zijn toestand geleidelijk aan wat. Er is sprake van een lethargie die maar liefst tien jaar duurt, dus. Misschien verklaart dat het een en ander. Het lijkt er op dat Lovecraft niet volwassen kon of wilde worden. In een brief vertelt hij over zijn spoorlijntje met wagons gemaakt van verpakkingsdozen, het koetshuis als onderkomen van zijn poppenhuis, en zijn namaaktuin met een eigenhandig gegraven bevloeiingssysteem, dat hij op zijn zeventiende overdraagt aan een jongere buurjongen, als hij tot de droevige conclusie komt dat ‘grote jongens’ niet meer met zulk soort speelgoed spelen: “… Volwassenheid is de hel…”. Hij ervaart dat hij niets met de wereld gemeen heeft. Hij verliest zijn geloof: “ … Hij beschouwt religies als ‘suikerzoete illusies’ die overbodig worden gemaakt door de vooruitgang in kennis. Als hij in een uitzonderlijk goed humeur is, heeft hij het over de ‘tovercirkel’ van het religieuze geloof; maar het is een cirkel waar hij zich sowieso van buitengesloten voelt…”. Alles wat is zal verdwijnen. “ … Goed, kwaad, moraal, gevoelens? Niets dan ‘victoriaanse fabeltjes’. Alleen zelfzucht bestaat. Koud, onaangetast en stralend…”. Natuurlijk heeft het leven geen zin. Maar de dood ook niet. Misschien gaat er iets schuil achter het gordijn van de werkelijkheid. Iets wat soms tevoorschijn komt. Bij Lovecraft is dat per definitie iets weerzinwekkens. Sommige entiteiten zijn qua intelligentie en kennis waarschijnlijk verreweg onze meerderen en er is geen enkele reden te veronderstellen dat de universele wetten van zelfzucht en boosaardigheid op hen niet van toepassing zijn. Kijk hoe wij met ‘lagere intelligenties’ omgaan als konijnen en kikkers. In het beste geval dienen ze ons tot voedsel. Lovecrafts geesten zijn doodenge demonen. Wat in eerste instantie misschien de diepste indruk maakt als je Lovecrafts verhalen leest, zijn de fabelachtige beschrijvingen van bouwwerken. Lovecraft is een geboren architect. Er gaan nachtmerrieachtige wezens schuil in de fundamenten van de gigantische burchten die H.P. Lovecraft heeft bedacht. De personages van Lovecraft, vaak studenten of wetenschappers, worden bestookt door gruwelijke visuele en auditieve waarnemingen. Het zijn sprakeloze, roerloze, volkomen machteloze, verlamde toeschouwers, die zouden willen vluchten of wegzinken in de verdoving van een barmhartige bezwijming, maar het is ze niet vergunt. Veel fans van Lovecraft zijn op zoek gegaan naar het door hem beschreven duivelsboek ‘Necronomicon’. Helaas, het bestaat niet, al hebben sommige uitgevers voor de lol wel boeken met dezelfde titel op de markt gebracht.

Ontdooien
Lovecraft is zijn leven lang een armoedzaaier gebleven. Hij weigerde iedere consessie: “ … zijn tegelijkertijd hautaine en masochistische, ontembaar anti-commerciële houding zal altijd gelijk blijven: hij weigert zijn teksten uit te typen, verstuurt morsige, gekreukte manuscripten, vermeldt stelselmatig alle eerdere afwijzingen… Negatieve indruk gegarandeerd…”. Hij is zijn eigen vijand. Het onvoorstelbare gebeurt in zijn leven: een zeven jaar oudere, buitengewoon vriendelijke, leuke en ook nog mooie vrouw wordt verliefd op de excentrieke Lovecraft. Sonia Greene. Ze weet hem te ontdooien. Ze is gescheiden, heeft een dochter van zestien en is verkoopster in een New Yorkse kledingzaak. Ze trouwen als Lovecraft tweeëndertig is. De twee opmerkelijkste jaren van zijn leven volgen. Ze gaan in het appartement van Sonia in Brooklyn wonen, waar de misantropische, ietwat sinistere kluizenaar van Providence verandert in een beminnelijke, levendige man, die altijd bereid is uit eten of naar een museum te gaan. Echter, Sonia verliest haar baan waardoor Lovecraft moet gaan werken. Hij solliciteert zich suf. Niemand wil de onaangepaste man hebben. Sonia vindt een nieuwe baan in Cincinnati en later in Cleveland, maar Lovecraft weigert met haar mee te gaan. Elke twee weken komt ze naar New York om haar man het geld te geven dat hij nodig heeft om te overleven. Zijn haat tegen New York en de zwarte immigranten, die wél moeiteloos in de melting-pot opgaan, grenst aan het waanzinnige. Houellebecq wijdt er een heel hoofdstuk aan. Daar lusten de honden geen brood van. Uiteindelijk keert Lovecraft terug naar Providence, waar hij bij een oude tante intrekt (1926). Drie jaar later zal hij van Sonia scheiden, waarna hij nooit meer een andere vrouw zal kennen. Dan beginnen zijn ‘grote teksten’. Op zevenenveertig jarige leeftijd sterft hij aan uitgezaaide darmkanker in een ziekenhuis.

Een puritein in handel en wandel

Volgens Lovecraft is de wereld intrinsiek slecht, en “ … dat is de diepste reden van zijn bewondering voor de puriteinen: wat hij zo mooi aan hen vindt, is dat ze ‘het leven haten en de bewering dat het de moeite waard is een platitude vinden’. We zullen het tranendal doorlopen dat de kinderjaren scheidt van de dood, maar we moeten zuiver blijven. HPL deelt de hoopvolle verwachtingen van de puriteinen absoluut niet, maar hun afwijzingen deelt hij wel...”. In een brief aan Belknap Long: “ … En wat de puriteinse remmingen betreft – die bewonder ik met de dag meer. Het zijn pogingen om van het leven een kunstwerk te maken – om een patroon van schoonheid te vormen in de zwijnenpoel van het dierlijke bestaan – en ze ontspringen aan de goddelijke levenshaat die het kenmerk is van de diepste en gevoeligste ziel. Ik ben het zo beu om oppervlakkige sukkels tegen het puritanisme tekeer te horen gaan, dat ik een puritein wil worden, denk ik. Een theoretische puritein is een dwaas – bijna net zo’n dwaas als een antipuritein – maar een puritein in handel en wandel is de enige soort mens die oprecht respect verdient. Ik heb geen greintje respect of ontzag voor wat voor persoon dan ook die geen sober en zuiver leven leidt…”. Waarvan akte. Het wonderlijke is dan wel weer dat Houellebecq zich in zijn werk juist wél en uitsluitend met de realiteit van de wereld bezig houdt.

Uitgave: De Arbeiderspers – 2015, vertaling Martin de Haan, 112 blz., ISBN 978 902 953 954 8, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zondag 28 april 2019

De vier maaltijden – Meir Shalev


Met een leeskring “De vier maaltijden” van de Israëlische auteur Meir Shalev (1948) besproken. Ik vond het een ongelooflijk taai boek. Maar ja, als ik het toch heb gelezen kan ik er net zo goed een verhaaltje over schrijven. Shalev is minstens zo ‘n goede verteller als Michel Tournier – daar ligt het niet aan. Maar hij wil té leuk zijn. Volgens mij is hij alleen al zo dodelijk vermoeiend omdat er onder zijn epistels geen enkele bodem zit (laat staan een dubbele). Hij heeft geen boodschap te brengen, geen les te leren. En daar ben ik in een roman toch altijd naar op zoek. Het is alsof je constant in het luchtledige zit te graaien. De ware nihilist is zeker niet Michel Tournier. Of Michel Houellebecq. Maar Meir Shalev!

De broers Alsikdit Niet, Alsikdat Niet en Alsikzusofzo Niet

Het verhaal. ‘Zejde’, wat ‘opa’ betekent, is een buitenechtelijk kind met drie vaders: Mozes Rabinovitsj, van wie hij een boerenbedrijf, een stal en geelblond haar erft, Jakob Sjenfeld, van wie hij een mooi huis, een kek servies, lege kanariekooien en hangende schouders erft en veehandelaar Globerman, van wie hij een ‘kniepele’ geld en enorm grote voeten erft. Shalev linkt ze aan ‘de drie zonen van het noodlot’, analoog aan de broers ‘Alsikdit Niet, Alsikdat Niet en Alsikzusofzo Niet’, die ’s nachts als je niet slapen kunt, in een kringetje om je heen dansen. Wanneer Zejde gepest wordt om zijn naam legt zijn moeder uit dat als de doodsengel komt en een klein kind ziet dat Zejde heet, hij meteen snapt dat er een vergissing in het spel is en ergens anders naartoe gaat. Zo wordt Zejde een jongen zonder vrees. Omdat hij vroeg wees is zorgen zijn drie vaders ervoor dat hij een mooie ‘jeugend’ krijgt. Jakob nodigt hem op zijn twaalfde verjaardag uit voor de eerste maaltijd die hij nooit zal vergeten (als je het hebt over de orale fase – zie mijn vorige blog!). Tijdens het eten vertelt vader Jakob aan één stuk door lokale verhalen over vroeger, over Zejde’s moeder en over wat er zich allemaal heeft afgespeeld in het dorp waar ze wonen. Misschien is dat het probleem. Misschien had het me meer gedaan als ik zelf in een Israëlisch gehucht van niks was opgegroeid. “ … Volgens sommigen heeft elk verhaal als doel orde aan te brengen in de werkelijkheid…”, schrijft Shalev. En even verder: “ … Anderen zeggen dat elk verhaal slechts ter wereld komt om antwoord te geven op vragen…”. Al kan ik de orde en vragen achter zijn verhalen absoluut niet ontwaren, de grote leiders van de chassidische wereld waaruit Shalev stamt (zijn grootouders kwamen uit Rusland en emigreerden naar Palestina) plachten een vraag inderdaad te beantwoorden met een verhaal – zie bijvoorbeeld Martin Buber en Elie Wiesel. Jacobs verhalen zijn ook nog eens van zo’n sprookjesachtige ongerijmdheid dat ze me doen denken aan de schilderingen van Chagall.

A mentsj tracht oen Got lacht
“ … Waar heeft een kind een vader voor? Om te leren van zijn vaders zorgen en niet van zijn eigen zorgen. Waarom zijn wij, de kinderen Israëls, allemaal kinderen van onze aartsvader Jakob? Om allemaal van zijn liefde te leren…”. De oorspronkelijke titel van het boek heet “Ke-janiem achadiem” wat ‘Als één dag’ betekent, analoog aan aartsvader Jakob, die na zeven jaar werken bedonderd werd met Lea, en daarna nog eens zeven jaar werkte voor Rachel, waar hij zo verliefd op was dat al die jaren hem voorkwamen als een dag. Je zou bijna zweren dat Shalev Tournier heeft gelezen als hij Jakob laat vertellen dat Mozes Rabinovitsj, op wiens erf Zejde woont, ooit verliefd werd op een meisje dat zoveel op hem leek “ … dat hij begreep dat hij tegenover zijn vrouwelijke evenbeeld stond, de beroemde tweelingzuster die in het lichaam van iedere man opgesloten zit, van wie iedereen droomt en over wie iedereen het heeft, maar die slechts weinigen te zien krijgen en nog minder mannen kunnen aanraken…” (een en ander heeft te maken met Eva die uit een rib van Adam is gemaakt). Rabinovitsj werd als zevende zoon en nakomer trouwens opgevoed als meisje. Tot het moment dat hij naar de kont van bukkende vrouwen begon te gapen; toen legde zijn moeder jongenskleren voor hem klaar en knipte ze ’s nachts stiekem zijn vlecht af, die hij zijn leven lang is blijven zoeken. Mama deed de vlecht in een doosje en gaf hem door aan zijn eega. Behielden de vrouwen op die manier als een soort Delila de macht over hem? Zelfs op zijn oude dag speelt de reusachtig sterke Rabonovitsj met de dorpskinderen het spel van de ‘verschrikkelijke beer’: ” … met één hand pakt hij drie dunne armen van drie gillende en lachende kinderen vast die er niet in slagen zich uit zijn greep te bevrijden…”. Op een rotsblok van een kilo of honderdtwintig, voor hun huis, heeft zijn vrouw een bordje bevestigd met daarop de tekst: “ … Hier woont Mozes Rabinovitsj, die mij van de grond heeft getild…” (de dorpsbewoners grappen dat zijn vrouw het bordje beter zelf had omgehangen). Allerlei mannetjesputters proberen de kei ook op te tillen, maar tot dusver is dat niemand gelukt. Zijn vrouw komt om tijdens een verschrikkelijk ongeluk met een gekantelde wagen vol citrusfruit en laat hem achter met twee jonge kinderen: “ … A mentsj tracht oen Got lacht, de mens peinst en God grijnst…”. Twee jaar lang probeert Rabinovitsj zich als weduwnaar staande te houden. Maar als zijn zoontje voor de zoveelste keer in bed heeft gepiest en hij hem daarom een draai om zijn oren geeft, beseft hij dat het zo niet verder kan, en gaat hij in op een aanbod een alleenstaande vrouw zijn huishouden te laten runnen. Op die manier komt de moeder van de nog ongeboren Zejde in zijn leven: Judith.

Nu is het liefde
Als Zejde tweeëntwintig is wordt hij door Jakob voor de tweede maaltijd uitgenodigd en pakt de laatste zijn oeverloze gezwam weer op. Jakob vertelt hoe net op het moment dat hij het zweet van zijn voorhoofd wiste, tijdens het wieden in een boomgaard, zijn moeder op Rabinovitsj’ kar over een groen-geel voorjaarsveld kwam aangereden, verlicht door de zon. Op dat moment sloeg de liefde bij hem in als een bom. Ik moest vanzelf aan “Fields of Gold” denken. Hoe Jacobs hart fibrilleeert: “ … En het hart – wist je dat, Zejde? – het hart smelt. Het is meteen een rotzooitje in alle armen en benen. Hier trilt een of andere spier, daar lossen de botten op als melkpoeder in water, het bloed begint van opwinding te borrelen als soep…”. Jacob begrijpt niet hoe Judith op twee plaatsen tegelijk kan zijn: “ … Ook bij Rabinovitsj op de boerderij en ook bij mij in het hoofd…”. Hij snapt ook niet dat Rabinovitsj met haar op het erf kan wonen zonder gek te worden. Verder gaat het over de veehandelaar Globerman, ‘de sojchter’, zijn rivaal die elke week bij Judith aan komt zetten om een paar uurtjes met haar te pimpelen. De drank neemt hij zelf mee. Plus de nodige kadootjes. “ … ‘Uiteindelijk, vrouwe Judith, word je de mijne.’ ‘Nee, al was je de laatste man op de wereld.’…”. En over de inmiddels getrouwde dochter van Rabinovitsj, waar Zejde een overspelige liefde voor heeft opgevat. Naomi. Inmiddels zelf moeder en zestien jaar ouder dan hij. Naomi was destijds “ … de jongste van Judiths aanbidders, hield van haar en koesterde de beste en diepste van alle liefdes, de liefde op grond van een vast besluit…”, terwijl haar broertje zich op allerlei manieren tegen Judith afzet. Even verder: “ … Want dat is de belangrijkste regel in de liefde, dat de liefde een kwestie van besluiten is. Dat heb ik je al eens gezegd en ik zeg het je nog een keer. Je moet gewoon beslissen: nu is het liefde. Precies zoals ik het zeg. Nu is het liefde…”. En nóg verder: “ … Zoals onze melkboer, een aardig, vroom oud mannetje ooit tegen Meir zei: ‘Meneer Klebanov, als je God er alleen maar om blijft bewonderen zoals Hij de wereld heeft geschapen, dan blijf je altijd dezelfde heiden. Maar als je – de hemel verhoede – God elke ochtend vervloekt maar je zet tegelijkertijd een hoed op en eet koosjer en houdt een maandlang de sjabbat, dan word je daar vanzelf een goede jood van.’ …”.

Boustrofedon

Weer kreeg ik een déjà vu in verband met Michel Tournier toen ik las hoe een koe bevalt van een tweeling, van wie het stierkalfje dood is en zijn tweelingzusje een ‘misbak’. Groot, brede, hellende schouders, lange poten en de snuit van een stier: “ … ‘Kijk eens hoe dat mejdele eruitziet,’ zei de sjochter. ‘Zo is het altijd bij a twielieng van a kelbele oen a biekele. Het is het bloed van haar broer dat een halve jongen van haar heeft gemaakt. Ze geeft geen melk en zal nooit kalven’…”. Judith is gelijk verliefd op de hermafrodiet waardoor er een hevige strijd losbrandt tussen haar en de sjochter, want die wil het kalf per se kopen. Voorlopig laat Rabinovitsj Judith het kalfje, dat Rachel wordt genoemd, houden. De zoveelste déjà vu trad op toen ik las hoe Zajde in zijn diensttijd ‘ploegosgewijze’ liefdesbrieven schrijft: “… Eén regel van rechts naar links in gewoon schrift en de volgende van links naar rechts in spiegelschrift, precies zoals een os een akker ploegt, heen en terug langs de vorige vore. Ik was zo gewend geraakt aan het schrift dat Naomi klaagde dat ze er genoeg van had voor de spiegel te gaan staan om mijn brieven te lezen…”. Dat schrift heet ‘boustrofedon’ en komt ook bij Tournier, de meester van de tegenstellingen, voor (natuurlijk). Als de uitnodiging voor de derde maaltijd komt is Zejde al de dertig en Jacob de zeventig gepasseerd. Het gekke is dat Jacob, voor hij Judith kende, was getrouwd met de mooiste vrouw van het dorp. Wat zeg ik, van de hele wereld. Toen ze er achter kwam wat er met Jacob aan de hand was – “ … Op Rebekka’s lippen verscheen een glimlach die de mist in haar hoofd oploste en de lijnen trok tussen alle punten die in haar hersens gegrift stonden. Toen werd ze zeven keer zo mooi als ze was…” – liep ze tot leedwezen van alle mannen in haar omgeving weg en liet iedereen achter ‘met lege handen en tot aan de nek in de modder’. Jacob merkt niet eens dat ze is verdwenen. Hij laat het hele dorp meegenieten van zijn obsessie voor Judith. Hangt overal gele briefjes met liefdesverklaringen op, want geel is de kleur van de liefde. Schrijft een column in het dorpsblaadje over zijn verliefdheid; en binnen no time discussieert het hele dorp mee. Hij erft duizend kanaries van een albino, maar dat is een verhaal apart, en laat ze allemaal los - want geel - ter wille van Judith. Het hele boek staat trouwens vol opmerkingen over ‘vogelen’.

De nachtmerries van Judith
Op een kwade dag, als Judith met Naomi naar de stad is, verkoopt Rabinovitsj haar lievelingskoe aan de sojchter. Judith zwijgt in alle talen en gaat er ’s avonds vandoor. Halverwege de nacht komt ze opdagen met Rachel. Ze zegt dat ze haar heeft teruggekocht. Rabinovitsj is in alle staten. Hoe?! Dat gaat hem niets aan. De ruzie wordt zo heftig dat Judith met een hooivork zijn arm verwondt en hij in de koude mest belandt. Tegen de ochtend ligt hij met hoge koorts in bed en droomt dat er een vrouw bij hem onder de lakens kruipt. Was het wel een droom? Hij wordt pas wakker als de mussen en kraaien hun ochtendzang al achter de rug hebben en Judith hem een groot glas thee met citroen komt brengen. Hij moet maar lekker in bed blijven, ze heeft al gemolken. Alleen? Ze is tegen de ochtend Jacob gaan halen. Die is haar komen helpen. Het wonderbaarlijke is dat Rabinovitsj sindsdien s’ nachts geen jammerkreten meer hoort uit de stal waar Judith per se wil wonen. Judith heeft namelijk nachtmerries. Vanwege een trauma uit het verleden. En dan dient Zejde zich aan: “ … Dus of ze die nacht nu met alle drie naar bed is geweest of zwanger is geworden zonder met iemand naar bed te gaan, alleen zijzelf wist precies hoe het is gegaan. Maar nu, Zejde, maakt dat echt niets meer uit. Ook dat geheim heeft ze meegenomen in haar graf. Het is daar in dat graf van je moeder een drukke boel, Zejde, met al die geheimen…”. De drie mannen zien Judith steeds dikker worden, voelen zich verantwoordelijk voor haar, beraadslagen met elkaar, bouwen een nieuwe stal, en verbouwen de oude tot een knap woonhuisje voor Judith en haar baby. Allemaal voelen ze zich zijn vader.

Postuum
Als Jakob is overleden laat hij Zejde het recept na voor de vierde maaltijd. Dan komt zijn raarste verhaal boven tafel. Op een dag klopt een gevluchte Italiaanse homo uit het krijgsgevangenenkamp in de buurt bij Jacob aan en vraagt of hij bij hem mag onderduiken. Jacob stemt toe omdat de man Hebreeuws spreekt. Hij laat hem doorgaan voor zijn knecht Jozua. Naomi vindt dat de vreemde kerel er niet uit ziet als een Jozua, maar meer als een Iesjoea. Okay. Vanaf die tijd noemt het hele dorp hem Iesjoea. De man blijkt gouden handjes te hebben. Dat komt omdat hij een spectaculaire imitator is. Hij hoeft maar één keer iemand iets te zien doen of te horen zeggen en hij aapt het na. Als hij achter Jacobs verliefdheid komt neemt hij het heft in handen. Bouwt een grote feesttent, leert Jacob de tango dansen, naait een trouwjurk, oefent met een bruiloftsmaal koken, regelt een rabbijn, het huwelijksbaldakijn, de gasten en dan is het alleen nog maar wachten op ‘het teken’: “ … Er is zo’n regel in de natuur dat als alles klaar is en maar één ding ontbreekt, ook dat ene laatste ding moet komen…”. Een beetje zoals vrome Joden voorbereidingen treffen voor de komst van de Messias. Uiteindelijk loopt Iesjoea naar de onwrikbare kei voor het erf van Judith en Rabinovitsj, tilt hem op en paradeert er een rondje mee door het dorp voor hij hem terug zet. Dat is het teken. Iesjoea brengt de trouwjurk naar Judith, prikt een briefje op het mededelingenbord in het centrum van het dorp met de aankondiging van de voorgenomen huwelijksdatum, loopt het dorp uit en wordt nooit meer terug gezien. Op de dag zelf is Judith al in haar trouwjurk onderweg naar haar bruiloft als haar zoontje haar achterop komt rennen met een smerig kistje dat hij in het gat onder de kei heeft gevonden. Daarin duikelt ze de tovervlecht op die al zo lang zoek is. Het resultaat: Judith draait om en trouwt met Rabinovitsj. Als ze terugkomen van hun huwelijksreis heeft het zowaar gesneeuwd en wordt Judith vermoord door een te zwaar met sneeuw beladen tak van de eucalyptus op het erf. Drie dagen lang hakt Rabinovitsj op de eucalyptus in: “ … Spaanders en kreunen vlogen in het rond, tranen en zweet drupten op de grond, sneeuwvlokken stoven op, en ondanks de meningsverschillen die hier over elke herinnering uitbreken wordt er in ons dorp niet over deze wraakactie getwist en kent ieder kind er de bijzonderheden van: Met twaalf handdoeken wiste Rabinovitsj het zweet van zijn nek en van zijn gezicht. Acht bijlstelen brak en verving hij. Vierentwintig liter water en zes potten thee dronk hij. Eens in het halfuur sleep hij het blad van de bijl met de slijpsteen en een stalen vijl. Negen broden met worst en één kist sinaasappels maakte hij soldaat. Zeventien keer zeeg hij ineen op de sneeuw en zestien keer stond hij op en begon weer te hakken…”.

Uitgave: Anthos – 2010, vertaling Ruben Verhasselt, 352 blz., ISBN 978 904 141 473 1, € 12,50
Rechtsreeks bestellen; klik hier