Menu

woensdag 22 juli 2020

We zijn verdwaald – Manon Duintjer


Manon Duintjer (1969) maakte aan het einde van de vorige eeuw net als ik de spirituele hausse uit het oosten mee. Zij aan den lijve en ik via boeken, meestal uit zwaar waarschuwende christelijke hoek, want ik bewoog mij in een christelijke omgeving. Toch liep ik met dezelfde vragen rond als zij. Waarom zou je je in godsnaam (letterlijk) met heel je hebben en houden uitleveren aan een of andere lijpe goeroe ?! Werd je belazerd waar je bij stond of was de hocus pocus waar je in terecht kwam echt en des duivels? Ik vond alle psychedelische rimram onzegbaar opwindend en spannend. Omdat je er niet je hand op kon leggen. In ieder geval bereikte je in India klaarblijkelijk niet het einde van de regenboog, want alles waaide weer over en verdween uit het oog. Inmiddels staat het land zo ongeveer te boek als het meest vrouwonvriendelijk ter wereld. Zie “De witte tijger” van Aravind Adiga. Het kan verkeren. Hoe leuk is het om te lezen hoe iemand nú aankijkt tegen de situatie tóen.

 

Hare Krishna

Het boek begint met de conclusie dat de ik-figuur, Kim, en haar inmiddels tachtigjarige vader tijdens een wandeling in het donker verdwaald zijn op de hei. Metaforischer kan het niet. Dat triggert de terugblik op hun ongemakkelijke leven samen. Een reis naar India staat centraal. Op aandringen van haar vader, hoogleraar theoretische wiskunde (het waren absoluut niet de onnozelsten die destijds het oosten omarmden, zie psychiater Jan Foudraine), neemt Kim twee maanden studieverlof op om met hem een ashram te bezoeken. Hij wil niets liever dan zijn dochter laten zien wat hem zo fascineert. Eenmaal in India is haar vader voor haar gevoel voornamelijk met zichzelf bezig. De armoede die er heerst is wel het laatste waar hij mee zit. Haar klomp breekt als Bimal, een jong vriendje, zich bij hen voegt en haar vader zelfs gezelschap houdt op zijn slaapplek, terwijl zij aan haar lot wordt over gelaten. Een mannelijke hoer? Kim wil het niet eens weten. Bimal lijkt haar vader vooral te gebruiken als westerse melkkoe. De laatste vraagt er dan ook om. Is haar vader homo? Is dat de reden waarom haar ouders uit elkaar zijn gegaan toen ze nog op de basisschool zat? In ieder geval werd er nooit over gesproken. Zoals alle kinderen gaf Kim zichzelf de schuld, ook al zei haar vader dat haar moeder hem niet de (spirituele) ruimte gaf die hij nodig had. Maar ja, dat kun je op allerlei manieren uitleggen. Kim kon wel door de grond zakken toen hij haar op een dag van school kwam halen met een kaalgeschoren hoofd, een jurk over zijn broek en een kralenketting om zijn nek (alle drie symbolen van onthechting van het materialisme en toewijding aan het goddelijke): “… Toen hij op het schoolplein als een Hare Krishna voor me stond wilde ik dood…”. Oog in oog met een levensgroot portret van de Indiase goeroe Sri Vasyah zei hij het gevoel te hebben gekregen dat diens fonkelende ogen hem over een afstand van achtduizend kilometer naar zich toe riepen. Iedere week bezocht hij de Amsterdamse Vasyah-tempel. Soms werd Kim meegetroond. Ze ervoer zijn medegelovigen vooral als een stel creeps.

 

Karma

Midden in een druk restaurant wijst Bimal op een vergeeld portretje van Babi Ravi, noemt hem een ‘very holy man’ en verzucht dat hij hem graag zou willen ontmoeten. Kim schrikt zich te pletter. In Nederland wordt hij gezien als een frauduleuze charlatan met perverse neigingen: “… Hij is een goochelaar. Hij kan van geslacht veranderen. Hij doet het met kleine kinderen. De geruchten zoemden door mijn hoofd…”. Haar vader haalt zijn schouders op. Vindt het allemaal best. Als je Bimal daar nu een plezier mee kunt doen, en bovendien is het voor haar ook best leuk om dat gekke circus een keertje mee te maken, toch? Ze eet de verkeerde dingen, wordt doodziek, en terwijl Bimal haar gezelschap houdt vertelt hij de meest exotische verhalen. Hij zou houden van een meisje uit een hogere kaste die uitgehuwelijkt werd aan een rijke neef, terwijl ze notabene zwanger was van hem (niet tegen papa vertellen, hoor!). Omdat zijn vader is overleden moet hij zich dag en nacht de pleuris werken om zijn uitgebreide familie te onderhouden. Een dronkenlap die hem sloeg. “… ‘It’s karma,’ fluisterde hij. ‘I must lead a good life. So better in next life. But very difficult…”. Jaja. Gelukkig heeft hij in het geheim wel  een prachtige zoon. En de moeder is de liefde van zijn leven. Hij gaat zo op in zijn verhaal dat hij vanzelf Kim begint te strelen. Ze weet nog net te voorkomen dat ze met elkaar in bed belanden. Het maakt haar aan het twijfelen over haar eigen relatie met een blonde sportfanaat die verstoken is van iedere romantische bevlogenheid. Ene Hugo, een studiegenoot waar ze wel eens mee uit ging, heeft ooit opgebiecht in haar ook wel eens de reproductie te zien van literaire heldinnen als Madame Bovary, Anna Karenina en Effi Briest (ik zou de boeken onmiddellijk weer willen lezen). Gevangenen in liefdeloze relaties. Ondertussen probeert ze, terwijl ze haar voedselvergiftiging te boven tracht te komen, ook nog “A Passage to India” te lezen, dat haar moeder haar heeft meegegeven.

 

Eindtijd

Tussendoor vertelt Kim dat ze allergisch voor spiritualiteit is geworden doordat haar vader ooit doodenge kaartjes begon te sturen betreffende de komende apocalyps: “… Het is wel zo dat binnenkort hele moeilijke tijden op komst zijn. Onze-Lieve-Heer en de zijnen gaan schoon schip maken op deze planeet, en dat begint einde van dit jaar. Niet om te pesten, maar uit liefde voor de aarde, voor het leven in de toekomst, ook voor de zielen van hen die sterven zullen. Alle zielen zijn veilig in Gods hand, maar alleen zij die genoeg vertrouwen in het leven (of in God) hebben, kunnen ook lichamelijk behouden blijven. Jij, Kim, bent nu al buiten gevaar. Gelukgewenst!...”.  En op een andere: “… Ik zou er met zo min mogelijk mensen over praten, voorlopig. Alleen diegenen die jij 100% vertrouwt en die héél graag willen weten, zou je losjesweg iets kunnen vertellen. Anders maak je het jezelf onnodig moeilijk…”. Dus stopt ze de post van haar vader weg voor haar moeder. Zou de wereld echt vergaan of was hij gek geworden? Ik denk trouwens dat het coronavirus de eindtijdkoorts hier en daar ook  weer flink zal hebben doen oplaaien. Echter: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Miljoenen mensen overal op aarde bereiden zich voor op de komst van een ‘Verlosser’. New Agers zien uit naar de ‘Maitreya’. Voor de moslims is dat de lang verwachte Imam Mahdi, voor de Hindoes is het de Krishna, de Boeddhisten verwachten de vijfde en laatste Boeddha, de Hopi-indianen in Noord Amerika zien uit naar de komst van Maäsauu, het Joodse volk wacht al eeuwen op de Messias en de christenen op de terugkeer van Jezus Christus.

 

Demonische krachten

Mijn christelijke omgeving lijkt absoluut gelijk te hebben. Je open stellen voor oosterse spiritualiteit is je open stellen voor kwade machten. Kim vertelt hoe haar vader een keer doodziek uit India terugkeerde: “… Wist je dat hij 45 kilo woog toen hij terugkwam? Dysenterie, difterie, cholera, alles tegelijk…”. Als ze bij hem langs gaat op zijn woonboot vertelt hij over de dood van zijn geliefde goeroe: “… Toen Vasyah deze zomer zijn lichaam verliet, had ik vrede met zijn vertrek. Vlak voor zijn dood was hij aan mij verschenen om te vertellen dat hij zijn licht elders moest laten schijnen. Sindsdien verkeerde ik in een ego-loze toestand van innerlijke stilte en een gevoel van binnenuit geleid te worden. Ik moest naar India dus ik regelde verlof en ging. Als tussenstop deed ik halverwege een kleine ashram aan en daar voelde ik een rechtstreekse communicatie met de natuur en met goddelijke krachten…”. Bij aankomst in Vasyahs ashram zette de nieuwe leiding hem echter zonder pardon de deur uit. Twee weken zwierf hij zonder onderdak rond in de Himalaya. Zijn geld en bagage hadden ze gejat. Ratten vraten ’s nachts zijn laatste restjes eten op. Hij kreeg het gevoel dat hij zich in een rechtstreekse confrontatie bevond van demonische krachten: “ … Hij spiedde met opengesperde ogen om zich heen, alsof die krachten ook hier achter het gordijn aanwezig zouden kunnen zijn. Zijn metamorfose maakte me bang. Ik schoof naar de hoek van de bank, terwijl hij nu met luide stem vervolgde: ‘Eerst verliep de confrontatie via mensen die ik meende te kennen, maar van wie ik zag dat ze in de klauwen gevallen waren van wezens die gebruikmaakten van hun stemmen met als doel om mijn energie af te tappen. Soms waren die mensen fysiek bij me geweest, maar in andere gevallen bleken ze achteraf niet op de plekken geweest te zijn waar ik met ze sprak. Puur in mijn geest kan het zich niet hebben afgespeeld, want ik merkte ook dat er voortdurend naalden in mijn lijf gestoken werden. In Delhi ben ik voor de wonden die dat opleverde een week lang elke ochtend in een ziekenhuis behandeld. Er gebeurde nog meer. Voorwerpen die ik bij elkaar had gesprokkeld, zoals een pen en een zakmes, vlogen vanzelf weg zonder dat er een fysieke oorzaak voor was aan te wijzen. Het deed me denken aan verhalen over de CIA en de KGB en de trucs die ze gebruiken om mensen onzeker te maken. Juist omdat ik zo overgevoelig was en ik dichter bij de drempel van het goddelijke was gekomen, leek het alsof deze krachten hun uiterste best deden om mij in verwarring te brengen. Al rondzwervende kreeg ik van iemand een buskaartje naar Delhi. Precies op de dag dat ik daar uiteindelijk aankwam werd Indira Gandhi vermoord. Dat voelde ik als de climax van wat ik vooraf had meegemaakt: de krachten der duisternis grepen de macht.’…”.

 

Overgave

Het resultaat: “… Hij kwam niet in een inrichting terecht, nadat ik hem op zijn boot had achtergelaten, integendeel. Zijn psychotische gedrag was het begin geweest van zijn ‘genezing’ zoals ik het voor mezelf noemde. Langzaam maar zeker had hij zich losgemaakt van Vasyah en zijn nalatenschap. Zijn kritische geest kwam terug en hij plaatste steeds meer vraagtekens bij de autoriteit van goeroes en bij de totale overgave die zij van hun volgelingen eisten. Weliswaar bleef hij mediteren, yoga beoefenen en zich verdiepen in de hindoeïstische en boeddhistische filosofie, alleen combineerde hij dit alles nu met een meer westerse levensstijl. Zo keek hij weer televisie, las kranten en tijdschriften, ging niet meer om negen uur naar bed, rookte af en toe een ‘gewone’ sigaret, kocht een auto, liet zijn haar groeien en trok soms weer eens een colbertje aan…”. Ze praten met geen woord meer over wat er is voorgevallen, alhoewel Kim in een universiteitsblad een artikel van haar vader leest, waarin hij uitlegt dat het éénhoofdige autoritaire goeroemodel niet goed werkt om spirituele overdracht te laten plaatsvinden: “…. Ten eerste bestonden er nauwelijks of misschien wel geen mensen die zo wijs en zuiver waren dat ze een dergelijke functie op zich konden nemen zonder zelf te ontsporen. Ten tweede had hij ervaren dat een goeroe vaak mensen aantrok die passief werden als ze hun meester hadden gevonden, en die zodra die meester er niet meer was zelf ook nergens meer waren, of achter iemand anders aan gingen hollen. Of in het andere extreme geval zelf nieuwe baasjes wilden worden…”. Kim vraagt zich af of het om dezelfde soort overgave gaat die haar opa op zondag twee keer naar de kerk had gedreven. “… Was dat blinde vertrouwen religieus? Was dat erfelijk? Ik kende het zelf niet…”. Ik denk dat er zeker wel dominees voorkomen die een soort van goeroestatus bekleden. Ik denk ook dat dat absoluut niet de bedoeling is. De eerste spirituele les voor gelovigen zou moeten zijn dat er tussen jou en God nooit iets of iemand in kan staan. “… Voor het eerst sinds Edwards Vasyahverering vroeg ik me af hoe het zou zijn om je lot in iemand anders’ handen te leggen en erop te vertrouwen dat het goed kwam. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om geen controle meer over alles te willen hebben en om geen oeverloze discussies in je hoofd te hoeven voeren…”. Ons zelfbewustzijn is een zware last. We doen van alles om er een poosje onder uit te komen. Stomverbaasd leest Kim in een foldertje een citaat van Ravi: “… If you suffer it is because of you. If you feel bliss it is because of you. Nobody else is responsible – only you and you alone. You are your hell and your heaven too…”. Kim: “… Had Ravi met zijn tienduizend volgelingen echt gezegd dat iedereen voor zichzelf verantwoordelijk was? Ik moest denken aan Monty Python’sLife of Brian’, wanneer Brian de mensenmassa toespreekt die zich voor het balkonnetje van zijn moeder heeft verzameld. Hij roept wanhopig: ‘You don’t need to follow me, you don’t need to follow anybody, you’ve got to think for yourself’, waarop de massa in koor scandeert: ‘Yes, we are all individuals.’ De massa maakte van Brian de Messias. Gold dat ook voor Ravi en Vasyah? Waarom deden mensen dat? Omdat ze dan niet meer alleen waren? Omdat ze dan zelf niet meer hoefden na te denken?...”.

 

Wees een zegen

Al met al is het een wonder dat Kim überhaupt naar India wil. Haar nieuwsgierigheid wint het van haar angst. Als het trio eindelijk de ashram van Ravi bereikt zorgen Bimal en haar vader dat ze in de drukte op de eerste rij zitten om hun goeroe mee te maken. Kim laat het allemaal over zich heen komen, glipt het terrein af, en maakt een hallucinerende tocht langs kraampjes vol opdringerige handelaren en bedelaars. Ze loopt een smerige steeg in, dwars door een krottenwijk vol onheilspellend uitziende kerels en kinderen met ogen die alles al lijken te hebben gezien. Uiteindelijk komt ze op het platteland uit, waar een prachtige vlinder haar dwars door een palmbos naar een villa van een yogalerares leidt. De vrouw lijkt in een oogopslag door te hebben hoe ze er aan toe is. Ze masseert haar voorhoofd, waardoor Kim in een gigantische huilbui uitbarst en eindelijk tot rust komt. Ze krijgt een glas thee. De enige opdracht voor mens en dier is volgens de vrouw ‘Lokah Samastah Sukhino Bhavantu’ -  “… May all beings everywhere be happy and free and may all my thoughts, words en actions contribute in some way to that happiness and to that freedom for all…”. Daar is natuurlijk niets mis mee en behelst hetzelfde als het christelijke ‘Wees een zegen’. “… Als alle levende wezens deze spreuk in praktijk zouden brengen dan zou de wereldvrede vanzelf volgen…”. De vrouw: “… You are made of stars. You may shine your light everywhere and if they don’t see you, go shine somewhere else…”. Sinds deze ontmoeting voelt Kim zich ‘zonder ballast’. Tot ze op haar kamer te maken krijgt met een indringer, een halve gare psycholoog, Bob Zweers, die eerst onder haar bed duikt om te controleren of er geen afluisterapparatuur is bevestigd, en haar dan bezweert dat Ravi een afperser en een pedofiel is. Volgens hem geloven miljoenen mensen dat Ravi heilig is omdat hij as, snoep en horloges materialiseert, maar zijn het gewoon simpele goocheltrucs: : “… ‘Dit meen je niet,’ antwoordde ik lacherig. ‘Zelfs al zou het een truc zijn, hoe erg is dat? Hij doet toch ook goeie dingen? Ziekenhuizen bouwen, weeshuizen stichten, armen verzorgen,’ ‘Noem je dat goeie dingen?’ snoof Bob. ‘Allemaal trucs om de belasting te ontduiken. En wat denk je dat hij doet met die arme kinderen uit de sloppenwijk? Waarom denk je dat hij al die weeshuizen laat bouwen? Vers vlees!’ Bob spuwde de woorden uit…”. Die man hoort achter de tralies, proclameert Bob. Kim weet niet hoe gauw ze hem de kamer uit moet zetten. Ze heeft al genoeg gekken om zich heen.

 

Listen to your inner guru

Na een trits bizarre avonturen vormt het hoogtepunt van de reis een ontluisterende audiëntie bij zijne heiligheid Ravi, een oud mannetje in een rolstoel, die hen een galerij vol foto’s van hemzelf met allerlei beroemdheden toont: “… Hoezo let go of your ego? Dit was één grote egoshow…”. Als een klein kind strooit hij bij wijze van glitter met as in het rond: “… Let it snow, let it snow, let it snow…”, wijst op het bordje ‘Don’t ask. Thank you’ als Kim hem een brandende vraag stelt, en valt vervolgens in slaap. Toch heeft Kim een soort van openbaring: “… In een reflex keek ik  op en zag hoe het gouden beeld van Hanuman zijn hand op zijn hart legde en met zijn lippen de woorden vormde: ‘Listen. To. Your. Inner. Guru'…” (Hanuman is een hindoeïstische aapgod). Ze beseft dat ze geen antwoorden van haar vader Edward, Bimal en Ravi hoeft te verwachten: “… Ik moest op zoek naar mijn eigen waarheid en me niet bezighouden met de waarheden van anderen. Edwards beweegredenen voor zijn Vasyahperiode zou ik toch nooit helemaal doorgronden. Waarschijnlijk kon hij dat zelf niet eens. Ook was het zinloos in Bimals huid te kruipen, daarvoor waren onze achtergronden te verschillend, en om Ravi’s raadsel te ontrafelen interesseerde hij me niet genoeg. Het gevoel van eenzaamheid maakte langzaam plaats voor bevrijding…”. Ik moest denken aan dominee Fokko Frederik Omta. Vorig jaar promoveerde hij op het proefschrift “Sin: against Whom or Against What?”. Als predikant wil hij inzetten op ‘zonde als spirituele zelfverloochening’ voor moderne mensen die niets hebben met het begrip  zonde en een persoonlijke God: “… Zonde is niet gericht tegen een buitenaards Opperwezen, maar keert zich tegen het meest wezenlijke in jezelf. Het is een vorm van spirituele luiheid of traagheid, verwaarlozing van je eigen geest en ziel…”. Ik vind dat een bijzondere gedachte. Ik geloof wel zeker in een persoonlijke God, maar ik denk ook dat de verbinding met deze God gemaakt wordt in de diepste kern van onze geest. Zoals Eric-Emmanuel Schmidt in zijn roman “Het evangelie volgens Pilatus” een kind laat zeggen: “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Dat laat voor mij veel mystieke puzzelstukjes toch weer ‘wonderbaarlijk’ in elkaar vallen. Kim en haar vader vinden trouwens de weg terug, anders had Kim haar verhaal natuurlijk niet kunnen navertellen.

 

Uitgave: Gloude Publishing – 2019, 253 blz., ISBN 978 949 304 102 8, 21,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

vrijdag 10 juli 2020

Godenstrijd – Evert Jan Ouweneel


Subtitel: Kroniek van het begin

 

Eva Meijer, zie mijn vorige blog, schrijft onder andere over het verlies van mythen en verhalen. Aan Evert Jan Ouweneel (1972), eveneens filosoof en zoon van mijn grote inspirator Willem Ouweneel, zal het niet liggen. In “Godenstrijd” vertelt hij het verhaal van Genesis opnieuw, maar nu uitgebreid met aanvullende informatie, die hij in allerlei mythen, sagen, legenden en joodse dan wel christelijke commentaren wist op te duikelen. Eigenlijk wil hij hetzelfde als Eva Meijer - zie met name het interview in de Groene Amsterdammer van 10.04.19: “… De zin van dit boek zou deze kunnen zijn: dat het soms kan baten buitengewone (onvermoede, merkwaardige, vervreemdende, raadselachtige) wegen te bewandelen om hetzelfde met andere ogen te zien en in het oude nieuwe betekenissen te ontwaren….”. Hah, dat is een visie waaraan de vermoeide (christelijke) wereld sterk behoefte heeft, lijkt mij.  Vergeleken met “Godenstrijd” is Genesis een heel summier verhaal. En dat is maar goed ook, want “Godenstrijd” is zelfs voor een getrainde lezer absoluut duizelingwekkend: een waar Tolkien-drama. Al is Tolkien natuurlijk fictie en wil “Godenstrijd” doorgaan voor non-fictie. Hoewel: Ouweneel beweert niet dat het zo ís gegaan, maar dat het zo heeft kúnnen gaan. Overigens, evenals Tolkien is Ouweneel christelijk.

 

Adam en Eva

Het volgende heb ik opgepikt uit zijn duistere verhaal. In het begin schept God de fijnstoffelijke wereld (“ … de hemelen en alle wezens die daar wonen…”) en de grofstoffelijke wereld (“… het heelal en alle wezens die daar wonen…”). De engelen en de mensen krijgen verschillende taken. Het is de bedoeling dat de engelen de schepping bewaken en de mensen de schepping bewerken. “… Voor de engelen was er niet de aardse creativiteit, want zij zijn juist de bewaarders ervan…”, en ongestraft kun je niet iets anders zijn dan jezelf. Net als het engelengeslacht is het oorspronkelijke mensengeslacht niet in staat zich te vermenigvuldigen, “… want de volheid van zijn getal was reeds bereikt…”.  Geen van de geslachten is aan de Allerhoogste gelijk. En dan voltrekt zich een drama. De leider van de engelen, Lucifer, wordt jaloers op de creativiteit van de mensen. Een derde van de engelen schaart zich achter hem. Zij brengen gedachten voort die de duisternis doen terugkeren in de kosmos. Wat hen is toevertrouwd ontaardt in woeste lege chaos. De mensen vluchten naar de hemel omdat ze niet opgewassen zijn tegen de afvalligen. God wordt woest. Gods leger achtervolgt de chaosmachten die wegvluchten naar de uithoeken van de hemel en de donkerste krochten van de aarde. Daarop roept God in zes dagen de dingen opnieuw tot aanschijn. Op de zevende dag formeert God een nieuwe mensheid die de afvalligen kan weerstaan en draagt hen op om zich te vermenigvuldigen en talrijk te worden. Echter, de jaloerse chaosmachten komen weer uit hun holen  tevoorschijn. De menselijke weerzin tegen het kwaad vermindert. “… Door hun geestelijke wapenrusting te verwaarlozen, raakten de mensen minder bestand tegen de listen van de Afvalligen…”. Uiteindelijk kan geen mens de macht van de afvalligen weerstaan en zo komt het tweede mensengeslacht onder de heerschappij van Lucifer te staan. Het stemt de Allerhoogste zeer bedroefd dat ook dit mensengeslacht de aarde niet kan behoeden voor dood en verderf. Toch belooft God dat er ooit een mens zal opstaan die de chaosmachten zal verslaan. Daarop plant God in het land van Eden een hof: het paradijs. Uit een getrouwe maagd uit het tweede mensengeslacht laat God een rechtvaardige geboren worden: Adam. God blaast hem meer van zijn Geest en kracht in dan ooit tevoren. Als zijn zoogtijd voorbij is brengt de maagd het kind naar het paradijs, de verblijfplaats van de Allerhoogste, die hem verder opvoedt. Als Adam naar een gelijke van vlees en bloed begint te verlangen, brengt God hem in een diepe slaap en neemt één van zijn ribben weg, waaruit Hij Eva bouwt. Hoe blij is Adam! Voor de poorten van de hof verzamelen zich de zieken, lammen, kreupelen, blinden, stommen – mens en dier – en Adam en Eva genezen ze allemaal. Wie door de afvalligen zijn overweldigd worden bevrijd. Wie heeft geleden onder de verdrukking van de chaosmachten vindt in de hof rust en herstel. Het geloof van deze getrouwen onder het tweede mensengeslacht doet een nieuw leger ontstaan, met aan het hoofd Adam en Eva, dat zich tegen Lucifer keert.

 

Kaïn en Abel

Zoals wij weten blijft ook het paradijs niet overeind. De chaosmachten verzinnen een list. Lucifer neemt de gedaante aan van een slang en de mens vergunt het dier de tuin te betreden. Daarop probeert hij Eva te verleiden van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, wat God ten strengste verboden heeft. De slang vertelt dat ze dan Godgelijk zal worden. Eva kan het voorstel niet weerstaan. Geeft ook Adam te eten. “… Een groter onheil zou de aarde niet treffen…”. Zo wordt Lucifer de overste van de wereld, en krijgt hij de beschikking over het dodenrijk, in plaats van Adam en Eva. De geschiedenis is bekend: God verdrijft Adam en Eva uit het paradijs, dat ten prooi valt aan dood en verderf. Adam wordt veroordeeld tot het zwoegend en zwetend bewerken van de aarde, die doornen en distelen voortbrengt. En Eva zal voortaan met smart kinderen baren. God maakt uit medelijden zelf kleding van dierenvellen voor hen. Toch beschikken zij nog steeds over grote krachten: “… Als geen ander waren zij in staat zieken te genezen, natuurkrachten te bedwingen, in de geest naar andere plaatsen te reizen, en omgang te hebben met fijnstoffelijke schepselen…”. Alhoewel de geboorte van Kaïn, en later Abel, Eva diep bewust maakt van haar nieuwe kwetsbaarheid. Ook de vermogens van de kinderen zijn veel groter dan van de anderen, waardoor Kaïn al vroeg het leiderschap over de landbouwers verwerft en Abel over de herders. Plunderaars komen op hun graanvoorraden en veestapel af. Abel is beter tegen hen opgewassen dan Kaïn omdat hij geleerd heeft zijn kuddes tegen roofdieren te beschermen. Zo wordt Abel beschermheer van de gemeenschap, wat Kaïn niet kan zetten. Om het kwaad te keren zoekt Kaïn hulp bij de engelvorsten die het land beheersen. Daarvoor moet wel aan hun eisen worden voldaan, maar dat maakt Kaïn en het volk dat achter hem staat niet uit. Abel daarentegen blijft trouw aan de Allerhoogste. Als ze Hem gezamenlijk een offer brengen neemt de Heer van de hemelse machten alleen dat van Abel aan: “… Diep geschrokken keerden de mensen op hun schreden terug en veroordeelden de weg die Kaïn was ingeslagen…”. Kaïn ontsteekt in woede en slaat Abel dood. God vervloekt Kaïn. Hij moet dolend en dwalend over de aarde gaan. Hij vestigt zich in Nod, maar wat hij ook probeert, de aarde keert zich tegen hem. Opnieuw zoekt hij de gunst van de engelvorsten. Het afvallige deel van deze Stoicheia begint hem in te wijden in allerlei verborgenheden, waardoor zijn macht steeds groter wordt. De bewoners raken zeer onder de indruk van zijn grote kennis en gunst bij de goden. Kaïn zet een eredienst voor de engelvorsten op poten. Maakt beelden van de Stocheia waaraan ontzagwekkende krachten zijn verbonden. Zo wordt Kaïn de eerste priester en profeet van de afgodstempel in Nod. Hij krijgt zonen en dochters met bijzondere vermogens en sticht de ene na de andere stad.

 

Reuzen

In het nageslacht van Kaïn komt ook de prachtige Naäma voor, die zo mooi is, dat ze zelfs de engelen in vervoering brengt. God heeft deze wezens streng verboden één lichaam met een ander te worden. Maar de begeerte van de engelen neemt toe en op een dag stelt Semjeza, hun leider, voor zich onder de mensen te begeven, en zich zó verdienstelijk te maken door vrede en vooruitgang te brengen, dat God hen wel genadig móet zijn. Deze engelen worden ‘Wachters’ genoemd, omdat ze nog steeds geacht worden over de loop van het licht en het leven te waken. En zo dalen er tweehonderd engelen neer op de top van de berg Hermon. Lucifer is in zijn nopjes, want hij weet dat een mensengeslacht dat zich vermengt met engelen geen Verlosser kan voortbrengen. No way! Kaïn kondigt de komst van de Wachters aan. Volgens hem is het aardse koninkrijk ten einde, en het hemelse koninkrijk gekomen. Het volk knielt in stille aanbidding. Behalve de dochters van Kaïn die de engelen, gehuld in hun mooiste gewaden en aangevoerd door Naäma, zinnelijk tegemoet treden. Verrukt kiezen de Wachters allemaal een vrouw. Ze nemen hun intrek in de tempels waar ze hun partners en het volk inwijden in de nameloze geheimen van de hemel. De dochters van Kaïn worden zwanger van de engelen en baren de Nephilim, de reuzen, die in lengte en kracht net als de engelen ver boven de mensen uitsteken. Maar wat hun geestelijke vermogens betreft blijven ze net als de mensen gebonden aan de aarde.  Ook deze giganten krijgen kinderen, die zich in alle richtingen verspreiden en zich met steeds meer volken vermengen. Er breekt inderdaad een tijd van grote voorspoed aan, waar later met weemoed aan wordt teruggedacht. “… De Wachters leefden als koningen, de reuzen als prinsen, en van onderlinge oorlog was geen sprake. Waar zij verschenen werd de aarde geschikt gemaakt voor landbouw. Steden werden opgericht, met scholen gewijd aan wetenschap en techniek, krijgskunde, magie en cosmetica. Zieken werden genezen, hongerigen werden gevoed en de misdaad werd uitgebannen. Groot was dan ook het vertrouwen in de Wachters en hun nazaten, voor meer dan duizend jaar…”. Overal richten de reuzen monumenten op ter meerdere eer en glorie van de Wachters: “… Sommige verwezen naar het gesternte waaronder zij waren opgericht, en vele bevonden zich op plaatsen waar de kloof tussen hemel en aarde het gemakkelijkst te overbruggen viel…”. Albion, Malta, Baalbek, Gizeh.

 

Monsters

Uiteindelijk raken de Wachters echter uitgekeken op hun vrouwen en beginnen zich andere vrouwen toe te eigenen. En daarna richten ze zich op de mannen. En dan op de dieren. De reuzen en mensen die dat zien geven zich al gauw over aan verkrachtingen en bestialiteiten. Allerlei soorten beginnen zich te vermengen: “… Wezens ontstonden met eigenschappen van engelen, mensen en dieren. Aanvankelijk hadden zij nog een vrolijke en ondeugende natuur, zoals de dansende saters in de wildernis. Maar geleidelijk werden de wezens alsmaar grimmiger en wanstaltiger, doordat hun geest verwrongen was en het hun aan waarheid ontbrak. Zo moesten zelfs de reuzen strijd leveren tegen de basilisk en de vurige vliegende draak…”. Zo ontstaan dus de verhalen over monsters. Zie bijvoorbeeld Gilgamesj, de reus die de luidruchtige en wreedaardige ‘oger’ Humbaba weet uit te schakelen in ruil voor cederhout van de Libanon. En over het meest gevreesde zeemonster ooit, Tiamat, waarin de geest en kracht van Rahab, de afvallige leider van de engelvorsten die over de wateren waren aangesteld, huist. In de duistere diepten van de zee brengt ze elf andere monsters voort, de één nog schrikwekkender dan de ander. Merodach die later door de Babyloniërs Mardoek wordt genoemd, treedt naar voren om haar een kopje kleiner te maken, waarmee hij  als enige reus de status van koning verwerft, en een gelijke onder de Wachters wordt. Hij bouwt de stad Babel. Later Babylon genoemd. En stelt het Akitoe festival in.

 

Henoch

Ondertussen blijft een kleine kudde mensen, onder wie Adam en Eva, trouw aan de Heer van de hemelse machten. Ze leven in afzondering. Bezoeken steden om op pleinen en straten de bevolking te waarschuwen en op te roepen tot inkeer (zie de gek met zijn lantaarntje van Nietzsche). Maar ze worden uitgelachen en bespot: “… Waren jullie niet degenen die de aarde lieten vallen om een vrucht? Hoe gemakkelijk is de Allerhoogste van zijn stuk gebracht!...”. Adam en Eva krijgen opnieuw een zoon: Seth. Zijn priesterschap komt tegenover het priesterschap van Kaïn te staan. In zijn dagen begint men in gebed de Allerhoogste aan te roepen. Uit het geslacht van Seth komt de godvruchtige Henoch voort, een toonbeeld van wijsheid voor alle generaties. Hij wandelt met God. “… Eens zei iemand tegen de jonge Henoch: ‘Ik geef je een goudstuk als je mij zegt waar God woont.’ Waarop Henoch antwoordde; ‘En ik geef jou twee goudstukken als je mij kunt zeggen waar Hij niet woont.’…”. Henoch onderwijst de mensen in de wegen van de Heer: “… En het licht van de Allerhoogste bescheen hun geesten, zodat zij de duisternis zagen van hun wandel en vreugde beleefden aan het herderschap van God…”. Zo is dat nog steeds onder gelovigen. Als de reuzen verontrustende dromen krijgen is het Henoch die hen vertelt dat de aarde het uitschreeuwt vanwege de wandaden van de Wachters en hun zonen, en dat de Allerhoogste toeziet hoe het kwaad zijn eigen ondergang bewerkt. De Wachters vragen Henoch een verzoekschrift tot God te richten, maar de Allerhoogste laat weten dat hij geen genade kent. Ze zullen hun straf niet ontlopen. Daarop mobiliseren zij de reuzen die bij hen horen om op rotsen en steenblokken de geheimen te schrijven die zij aan de mensen hebben onthuld, zodat de verborgen kennis het in ieder geval zal overleven.

 

Noach

Uit het geslacht van Henoch wordt Noach geboren. Hij krijgt drie zonen: Sem, Cham en Jafet. In zijn dagen raakt de aarde overbevolkt door monsters en reuzen. Er ontstaat een massale hongersnood. De giganten zorgen goed voor zichzelf. Ten koste van de mensen. Als ook zij gebrek gaan lijden, beginnen ze zich tegoed te doen aan mensenvlees. Volk staat op tegen volk. Ondertussen heeft God iets van ‘zoek het zelf maar uit’. Alleen Noach roept Hem aan, terwijl hij veertig dagen en nachten vast. Daarop belooft God hem dat hij geen onschuldigen zal laten omkomen in de vloed die aanstaande is, en draagt hem op  de Ark te bouwen (zie ook: “De wereldwijde vloed” van Tjarko Evenboer). Ondertussen besluiten de Wachters de pest op de mensen los te laten, want “… De mensen drijven onze kinderen tot wanhoop; hun rumoer is ondraaglijk geworden…” (wat zegt dat over Corona in ónze tijd?). Opnieuw smeekt Noach God een einde aan deze ramp te maken. God geeft toe. Dan laten de Wachters, die het lijden van hun kinderen niet kunnen aanzien, het bouwland van de mensen verdrogen. Ten einde raad bieden de mensen hun kinderen als offer aan, wat mondjesmaat wat voedsel oplevert, maar het is bij lange na niet genoeg om de honger te stillen. De mensen vergrijpen zich aan elkaar. Proberen voedsel van de reuzen te stelen. Vallen draken aan met de bedoeling hun vlees te verorberen. Uiteindelijk zien de Wachters nog maar één oplossing om van de mensen af te komen: een wereldwijd kolkende zondvloed. En zo geschiedt. God trekt zijn handen van de reuzen af en geeft hen over aan de begeerten van hun onverstandige hart, zodat zij elkaar uitroeien. Zij behoren noch de aarde noch de hemel toe, zodat zij na hun dood rusteloos als schimmen door de wereld sjacheren, op zoek naar mensen en dieren die hun innerlijk voor hen openstellen. Demonen. Waar haat en nijd is, gedijen ze. Buiten Noach en zijn gezin overleven slechts drie reuzen en een handjevol mensen de vloed. Ouweneel wijkt naar de letter van Genesis af, maar volgens hem gaan de rabbijnen ook ontspannen, “… of moet ik zeggen oosters…”, met het aantal overlevenden om.  Zo zou bijvoorbeeld de reus Og, die later in het boek Numeri figureert, de ramp hebben doorstaan. Zie ook de nazaten van de reuzen in 2 Samuel 21:20, die zes vingers en zes tenen hebben en opvallen door hun lengte en lange levensduur. Na de vloed zalft Noach zijn zoon Sem in aanwezigheid van zijn broers tot koninklijk priester in de lijn van Adam, Seth en Henoch: “… Vanaf die dag kwam Sem als Melchizedek bekend te staan…”. Zachtmoedig en nederig als hij is, brengt hij overal nieuwe levensvreugde en verlicht hij ieders gemoed: “… Hunkerend hoorden de mensen hem aan. Maar de leugen was diepgeworteld, zodat zij dikwijls luisterden naar een boodschap in een vreemde taal. Voor Lucifer was het echter bedreigend genoeg. Met afgrijzen zag hij hoe de mensen, net als eerder bij Henoch, zijn woorden trachtten te volgen als ware hij hun koning. Soms brullend als een leeuw, soms als een engel des lichts, zwierf de leider der Afvalligen over de aarde, op zoek naar nieuwe kansen om de mensheid te misleiden en zo zijn ondergang af te wenden…”.

 

Nimrod en Semiramis

De gewaden die God voor Adam en Eva heeft gemaakt worden een erfstuk. Als Noach de Ark verlaat steelt Cham de dierenvellen. Zo komen ze in het bezit van zijn kleinzoon Nimrod: “… En het gewaad gaf hem luister en kracht, zodat hij uitgroeide tot een geweldig jager, door niemand overtroffen…”. Nimrod wordt de eerste machthebber na de vloed. Met zijn leger bindt hij de strijd aan tegen het inmiddels weer opkomende reuzengeslacht. Zijn oog valt op de indrukwekkende, intelligente en ongelooflijk aantrekkelijke vrouw van een bevelhebber, Semiramis. Hij eist haar op voor zichzelf (zie de echo van David en Batseba). Ondertussen is er een buitengewone taalbegaafde bezig stiekem het schrift van de Wachters te ontrafelen, dat hij op allerlei rotsblokken en monumenten heeft gevonden. Semiramis leest in het geheim zijn notities en raakt zo ook op de hoogte van de hemelse verborgenheden. Ze oefent zich in helderziendheid en waarzeggerij en brengt zichzelf in vervoering door middel van drugs. Zo weet ze diep in het schimmenrijk der demonen door te dringen. Haar macht en magie zijn ongekend. Ze richt een geheim genootschap op dat zich bezighoudt met afgodendienst. Om de oorlog af te zweren en zich toe te leggen op wetenschap zet ze zich samen met Nimrod in voor de bouw van de toren van Babel, waar ze een universele volkerenbond organiseren. Ook de reuzen zitten aan de ronde tafel. Het doel is eeuwige vrede. Hier verwardt de Allerhoogste de talen van de mensen. Onder Nimrod wordt Abram geboren, wat gepaard gaat met de verschijning van een bijzondere ster (zie ook de geboorte van Jezus). Omdat Nimrod het niet vertrouwt eist hij de baby op. In plaats van Abram wordt het zoontje van een dienstmaagd naar Nimrod gestuurd, die direct de schedel van het kindje te pletter slaat. Tot zijn tiende wordt Abram met zijn moeder verborgen gehouden in een grot. Daarna sturen ze hem naar Noach, die hem onderwijst in de wegen van de Allerhoogste. Het verhaal van Abram, de stamvader van Israël,  is bekend: hoe de Heer van de hemelse machten hem wegstuurt naar het land dat Hij hem wijzen zal. Uiteindelijk voeren de metgezellen van Abram een epische strijd tegen het leger van Nimrod. Het gaat tussen reuzen en mensen. Tussen godsgetrouwen en goddelozen. Daarbij delft Nimrod het onderspit.

 

De God van Abraham, Isaak en Jacob

Ouweneel vertelt hoe in Sodom en Gomorra de reuzen andermaal een afgodische tempeldienst beginnen. Zo hopen ze de engelen te bewegen zich opnieuw te verenigen met hun koningdochters: “… Duister was de wereld waarin de reuzendochters werden ingewijd. Beneveld door de geur van offeranden en het gezang van Sirenen, en in een staat die hen het schimmenrijk deed binnengaan, dansten zij dansen die de engelen tot in de Tartarus in vervoering moesten brengen…”. De tempelprostitutie is er op gericht de engelen tot een razernij van lust en jaloezie te bewegen, zodat zij wederom het verbod van de Allerhoogste zullen schenden, door te hoereren met de dochters van de aarde. Heeft een en ander te maken met het gebod van Paulus, dat vrouwen in de samenkomst hun hoofd moeten bedekken ‘ter wille van de engelen’ (zie ook de gesluierde moslima's)? Hieruit valt eveneens te verklaren waarom de inwoners van Sodom het Lot zo kwalijk nemen dat  hij de engelen persoonlijk in zijn huis ontvangt. Semiramis regeert nog tweeënveertig jaar in Babylon als alleenheerseres met een goddelijke status. Ze stelt het gebruik van orakels in. Onder haar bewind komen de eunuchen op: priesters die gecastreerd worden na een sacrale geslachtsdaad. Abraham stelt de besnijdenis in (het lijkt wel een soort heilige tegenstelling): “… Hoezeer mijn huid ook is geschonden, in dit lichaam zal ik God aanschouwen. De sluier is weg, niets scheidt mij meer van de Heer…”. Semiramis roem en rijkdom zijn ongekend. Een verliefdheid brengt haar ten val. Ze komt door verraad om het leven. Op dezelfde manier als koningin Izebel. Evenals Job wordt Abraham de spil van een weddenschap tussen Lucifer en God. De inzet is de offerande van zijn geliefde zoon Isaak. Als Isaak gekneveld op het altaar ligt houdt God op het laatste moment Abraham’s mes tegen. Voor eens en altijd wil God duidelijk maken dat Hij geen behoefte heeft aan kinderoffers, zoals de afgoden van de heidenvolken. Het enige wat hij vraagt is trouw aan Zijn naam. Daarmee eindigt het indrukwekkende relaas van Ouweneel, dat zeker niet iedereen mee zal kunnen maken, denk ik. Desondanks: petje af - ik vind het fascinerende materie!

 

Uitgave: Kok Boekencentrum – 2020, ISBN 978 904 353 447 5, 176 blz., € 19,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

woensdag 8 juli 2020

De nieuwe rivier – Eva Meijer


Omdat ik het niet beter kan zeggen, citeer ik een alinea op de achterflap van dit boek: “… “De nieuwe rivier” is een hallucinante eco-detective, waarin Eva Meijer een volstrekt originele wereld schetst. Een wereld om in te verdwijnen, met de sporen van Jorge Luis Borges en David Lynch…”. Net toen ik bedacht dat met Hubert Lampo het magisch-realisme in onze nuchtere contreien wel zo ongeveer was uitgestorven, kwam Eva Meijer (1980) in al haar eigenzinnigheid met “De nieuwe rivier” aanzetten. Ik heb het vaker geschreven: ik vind haar werk kei en keigoed. Eerder besprak ik van haar “Het vogelhuis”, “De grenzen van mijn taal” en “Voorwaarts”.

 

Zondvloed

De proloog opent met een problematisch meisje dat zich lek heeft laten steken door muggen. Haar moeder, overstuur: “… Ik had haar gisteren verteld dat alleen de vrouwtjes steken en het bloed gebruiken om hun kinderen mee te voeden…”. Haar vader: “… ‘Lieverd’. Ze laat zich door hem vastpakken. ‘Je hoeft de muggen niet te helpen. Ze drinken ook bij de dieren. Ze regelen dat zelf wel.’…”. Het meisje heeft een lucifersdoosje in haar hand dat ze open en dicht schuift. Daarin een dode kever met een gouden schild. Ze denkt aan het verhaal dat een buurmeisje vertelde over hoe de dood in de wereld is gekomen. Een gepeste oude vrouw die aan haar lot werd overgelaten begon als ze de kans kreeg jonge mensen dood te slaan en op te eten, om niet te verhongeren. De rest van het boek. Janet, een buitenlandjournaliste van The Gurdian, maakt een reportage over een rivier, die zomaar in een Zuid-Amerikaans aandoend landschap (hitte, machismo, cactussen, armoede, kolibries) is verschenen. Een geoloog beweert dat menselijk handelen de grond zo heeft verarmd dat ze geen water meer kan opnemen. De bossen zijn gekapt om soja te telen. De lokale bevolking, bekend met oude volksverhalen, verklaart het fenomeen als een vloek: “… Het is geen zondvloed, maar wel iets wat erop lijkt…”.  De wraak van de natuur. Een thema dat een trend lijkt, zie mijn recensies over “Daar waar de rivierkreeften zingen”, “Jaag je ploeg over de botten van de doden” en “De taal der dieren: het woordenboek” (kunstenaars, sensitief als seismografen, voelen wat er komt altijd als eersten aan). Overal langs de rivier plaatsen de bewoners kleine altaartjes met bloemen om de watergoden gunstig te stemmen. Voor Janet komt de nieuwe rivier als geroepen. Het verenigt alle urgente problemen van nu: “… klimaatverandering, de nasleep van een corrupt regime, het verlies van mythes en oude verhalen, de eindigheid van wetenschappelijke oplossingen, de botsing tussen noord en zuid…”. Dat geldt natuurlijk ook voor deze roman an sich. Het valt mij op dat de verschraling van de aarde samen op lijkt te gaan met de verschraling van de geest.

 

Whodunit

Als Janet onderweg stopt voor een zwaaiende vrouw met een schort om en een theedoek rond haar hoofd, wordt ze meegetroond naar het erf van een rijke sojaboer. Een dag daarvoor heeft ze hem nog geïnterviewd. Hij hangt dood aan een touw aan het plafond. Mocht je je afvragen wat dat allemaal met het muggenmeisje heeft te maken: de vader van het meisje blijkt de politieagent die in de gauwigheid wordt opgetrommeld (“… Zijn dochter lijkt wel van een andere planeet…”). Milieuactivisten hebben een vlaggetje op het land van de dode sojaboer geplant. Niemand weet wie die mensen zijn. De geoloog zou het land het liefst terug geven aan de natuur. Kijken hoe lang het duurt voor de bodem zich weer heeft hersteld. De aarde is zo veerkrachtig. De vrouwelijke burgemeester, een overjarige hippie die vroeger voor vrouwenrechten en inheemse landrechten streed, vertelt dat achter de schermen nog steeds oude corrupte machthebbers actief zijn. Het muggenmeisje, dat zit te wachten om toegelaten te worden op de kunstacademie, in haar dagboek: “… Zoals iedereen weet is een bibliotheek een universum. Minder mensen weten dat het universum ook een bibliotheek is, waarin verhalen gebeurtenissen uiteindelijk overschrijven. De noordse god Odin offerde zichzelf aan zichzelf in ruil voor wijsheid. Hij hing zich op aan de Yggdrasil, de levensboom die het universum was, en doorstond negen dagen en negen nachten lang de ergste pijnen. Daarna doorzag hij alles en op dat moment brak het touw. Hij is daarom de god van alles. Hij is ook de god van degenen die zichzelf ophangen. Die kunnen wel een god gebruiken – ze offeren zichzelf lang niet allemaal aan zichzelf…”. Suggereert ze nu zelfmoord? Als Janet vraagt om meer informatie wordt ze door de politieagenten doorgestuurd naar de bibliotheek, die iets weg heeft van “De bibliotheek van Babel”, het beroemde verhaal van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges. Tijdloos. Magisch: “… De indeling is verwarrend – achter elke boekenkast staat een andere, de gangen lijken spiralen, niks gaat rechtdoor, maar misschien is haar desoriëntatie gewoon te wijten aan de jetlag…”. De oude bibliothecaris, die haar meeneemt naar een kamertje achter een verborgen deur,  ontraadt haar ten sterkste zich in de moordzaak te mengen: “… U zult vijanden tegenkomen. In het heden en het verleden…”.  Veel weet hij niet: “… Meneer Frys werkte misschien wel of misschien niet voor het regime en was misschien wel of niet verantwoordelijk voor bepaalde feiten en misstanden en misdaden die gepleegd zijn…”. Is de sojateelt een dekmantel? Heeft een en ander te maken met illegale cocaproductie? “… Het ergste is nog dat een deel van het land, het stuk waar de rivier nu loopt, vroeger een heilige plek was – het bos was niet eens zo lang geleden een bedevaartsoord, een groene oase, en ook toen de mensen, die erom bekendstaan dat ze uiteindelijk alles vergeten, niet precies meer wisten waarom, bleef het een plek met een speciale betekenis…”.

 

Over het gebruik van de cactus

De geoloog legt Janet uit hoe je van boven af het land kunt lezen: “… Omdat de grond op de ruïnes vruchtbaarder is – sinds Darwin weten we dat dat komt doordat de wormen met hun poep een laagje om objecten in de bodem leggen – is het land daar groener. Je ziet de ondergrondse muren zo liggen…”. Over de her en der staande grote cactussen met roze en paarse bloemen: “… Het zijn een soort monsters, die cactussen – ze zien eruit alsof ze elk moment aan de wandel kunnen gaan, haar zullen vastprikken, of in slaap sussen om haar te kunnen leegzuigen…”. Janet schrikt zich rot als ze aan de rand van het water een mensachtig figuur ziet staan. Jezus aan het kruis? Het blijkt een cactusoffer te zijn: een gigantische cactus, afgehakt en tegen een houten stok gespijkerd, omwonden met kleurige linten: “… Deze cactus kan ziektes genezen, mensen kunnen ervan eten – er zit veel vitamine c in en de bladeren werken goed tegen maagzweren -, ze kunnen zelfs de armen opstoken als het koud is…”. Over de kolencactus die jaren zonder water kan en net zolang groeit tot hij onder zijn eigen gewicht bezwijkt, waarna de omgevallen cactus opnieuw wortelt en veel nieuwe uitlopers produceert: “… De kolencactus staat bekend om zijn helende krachten en in het bijzonder het vermogen om mensen te helpen de illusies van de wereld los te laten…”. En even verder: “… De cactus wordt vaak afgebeeld met jaguars en kolibries, zijn beschermgeesten. Cactusceremonies worden gehouden om mensen te genezen van fysieke, mentale of spirituele ziektes. De plant kan je helpen in de toekomst te kijken en om somberheid te overwinnen…”. De geoloog vertelt over een cactustrip die hij ooit meemaakte (zie ook de cultboeken van de omstreden antropoloog Carlos Castaneda). In het Westen beleeft de cactus eveneens een opmars: “… Mensen hebben behoefte aan meer contact met de natuur en sommigen maken gebruik van hallucinogene planten om dat contact te bewerkstelligen. Bij normaal gebruik levert de KC een trip van zes uur op, die je net over de rand van deze wereld tilt. Voor een heftiger ervaring wordt de pilotacactus aangeraden. De KC wordt, met name in Zwitserland, ook gebruikt in de psychotherapie en in heel kleine dosis als pijnstiller bij kiespijn, reuma, astma en verkoudheden…”. Janet die allerlei informatie zoekt over het land vindt een website over oude ziektes, onder andere de wezelgriep: “… Die zorgt ervoor dat je voortanden ineens heel hard groeien, ze kunnen binnen een nacht al door je lippen of kaak groeien…”. Veroorzaakt door een bacterie in stilstaand water. Het doet me denken de zeldzame hersen-etende amoebe (Naegleria fowleri) die is opgedoken in Florida.

 

Waarheid

In de bibliotheek wordt ze vanuit het niets knock-out geslagen. Ze komt na een tijdje weer bij. Gaat verder alsof er niets gebeurd is. Haar notitieboekje is verdwenen. Ze wordt gewaarschuwd te kappen met de zaak. Ze denkt er niet aan: “… ‘Het is het niet waard om jezelf op te offeren voor een verhaal.' Rafel kan niet inschatten of haar houding overmoed is, ingegeven door slaaptekort en warmte, of angst voor haar opdrachtgever. Het lijkt haast een betovering, en hij weet dat die niet met rationele argumenten te doorbreken zijn. Ze schudt haar hoofd. ‘Het moet.’ Ze wil de waarheid ontdekken, maakt net als zoveel anderen de fout te denken dat de waarheid zoiets is als een goudklompje of een diamant, iets wat opgevist of uit steen gehakt kan worden, wat je dan bezit, in een la kunt doen om af en toe te bekijken, terwijl de waarheid natuurlijk net als alle andere dingen in de wereld eeuwig in beweging is en zich in haar eigen tempo en op haar eigen voorwaarden voor je zal ontvouwen…”.

 

De kleur van je hart

Ze maakt de begrafenis van de sojaboer mee die ze als een rare, spookachtige bijeenkomst ervaart. In de kerk is het een taboe om groen te dragen, de kleur van de jonge lente. Aan het eind van de dienst staat iedereen op. Als de dominee ‘nu’ zegt, zet iedereen het drie seconden op een schreeuwen, waarna het doodstil wordt. Het muggenmeisje houdt een toespraak. De sojaboer blijkt een verkapte poëet te zijn geweest. De politieagent heeft zijn artistieke dochter gevraagd of ze wat kan ontdekken in de gedichten waarin kleuren centraal staan. Het muggenmeisje heeft nog nooit zoiets moois gelezen. “… Geel is de kleur waar alles uit voortkomt – de zon, de groei van gewassen. Rood is de kleur van bloed, van het hart, van de beweging en de redenen waarom we doen wat we doen, waarom we überhaupt handelen. Zonder beweging is er niets, zonder actie staat alles stil, wordt de omgeving eerst lichtblauw en dan wit, oud kant dat onder je aanraking verkruimelt…”. Een oma schildert haar huisdeur blauw om de boze geesten weg te houden, en de vliegen, want die hebben een hekel aan blauw. Over het psychologische effect als het muggenmeisje ongesteld wordt: “… de wereld kruipt Maia’s lichaam in, haar huid is een grens maar net als alle grenzen is hij ook poreus, ze is helemaal gevuld met gevoel, neemt de kleur van haar omgeving aan, weet precies wat goed is en wat niet en wie goed is en wie slecht en alles wat gebeurt heeft direct effect. De normale afstand is een teken van afstomping, is artificieel en uiteindelijk een gemiste kans. We zijn allemaal met elkaar verbonden, onze lichamen kunnen de andere lichamen lezen en voelen en dat zou je moeten trainen, niet vergeten…”. Over een bekende beer die Bruin heette: “… Het zal wel niet goed met hem afgelopen zijn; het loopt zelden goed af met beren, in verhalen en in het echt. Toch maken we knuffelberen, of teddyberen naar Teddy Roosevelt omdat die ooit weigerde een berenjong te schieten en er trouwens helemaal niet op gesteld was om zo genoemd te worden – Theodore, Theodore, Theodore heette hij, maar goed. Jouw beer dus, vanwege de trouw die ze uitstralen, de onverzettelijkheid, en vooruit, ook omdat ze groter zijn dan wij en ons kunnen vermorzelen. Elke gedaante brengt grenzen met zich mee, voor wendbaar zijn is ook wat te zeggen…”. Het muggenmeisje schertsend over de bruine rivier: “… Een teken van de goden. Dat we er een bende van maken…”.

 

Ach, die mensen en hun hebzucht

Over een fraudezaak die tussen neus en lippen door aan het licht komt: “… Ach, die Petronella, ach, die mensen en hun hebzucht. Keken ze maar eens wat vaker echt naar hun omgeving, naar de pissebedden die wegkruipen als je hun steen optilt…”. Zie je de dubbele betekenis? “… of de lichtende wolken in een midzomernacht. Je aandacht is van jou, die kun je overal op richten. Die pissebedden zijn niet van jou en de wolken ook niet. Zelfs je bezit is altijd eerst van zichzelf, en kan je dat bijvoorbeeld laten merken door te verouderen en te vergaan…”. Over een homo: “… Als kleine jongen zei hij al tegen zijn oma dat hij met een man wilde trouwen. ‘Dat weet ik,’ zei ze dan. ‘Maar zeg het maar niet tegen je ouders.’…”. Om heden ten dage eens goed over na te denken: “… Mensen doen zo overdreven over liefde, verbinden er allerlei romantische ideeën aan, maar dit is waar het om gaat: weten bij wie je hoort en daar genoegen mee nemen…”. De eerste keer verliefd, het was “… of je huid zich omkeerde. Het gat dat jou van de anderen scheidde bleek een brug te zijn die al die tijd voor je klaar had gelegen. Met goud in je schoenen liep je naar de overkant. Het bleek klatergoud, maar toch – wist je dat goud zwaarder is dan lood?...”. Prachtig wordt verteld hoe de burgemeester als jong meisje verliefd werd op een wandtapijt dat in een museum hing: “… Het was niet zomaar een tapijt: het was een van de oudste bewaarde tapijten uit het land, handgemaakt door de hoeders van de tempel van de maangodin…”. Ze gaat weet ik hoe vaak terug om het te zien. Omdat ze geen fototoestel heeft tekent ze het na. “… Toen de tekening af was, besloot ze dat ze nog dichterbij wilde komen. Ze wilde leren weven…”. Het muggenmeisje kan haar geluk niet op als ze aangenomen wordt aan de kunstacademie: “… In haar borstkas schijnt een extra zon…”. Over de bedoeling van het leven: “… Het accepteren van je eigen bestaan draait erom dat je bestaat en niet hoe en betekent niet dat je je overal maar bij neer moet leggen. Het is alleen het uitgangspunt. Hier ben je, hiervandaan kun je dingen doen…”.  

 

Draag de zware dingen met gratie

Er worden meer mensen vermoord. Er is sprake van een aanslag. En een overstroming. Een mysterieus boek speelt zijn eigen rol. Het verhaal verandert in een thriller die totaal anders verloopt dan je zou verwachten, maar daar ga ik verder niets over zeggen. Laat ik je ter overdenking nog wel de zeven regels meegeven die bij de kleur groen horen: “… 1. Val nooit met meer samen dan jezelf / 2. Draag de zware dingen met gratie, doe je best voor de lichte / 3. Zorg dat er altijd iets meer waard is dan je zelf bent / 4. Vind nooit iets zo belangrijk dat je het koste wat kost moet bewaren / 5. Wees zorgvuldig / 6. Luister naar wie je niet verstaat / 7. Leer herkennen wat de moeite waard is…”.

 

Uitgave: Das Mag – 2020, 296 blz., ISBN 978 949 316 824 4, 23,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier