Menu

dinsdag 9 januari 2024

Het geheim van de wereldgeschiedenis – Dr. F. de Graaff

 


Subtitel: Zeven overdenkingen van woorden uit de Heilige Schrift

 

Ik houd van cultuurfilosofen en ik houd van mystici (zie mijn vorige blog). Frank de Graaff (1918 – 1993) was het allebei. Zijn werk doet de uitspraak van Olga Tokarczuk, dat lezen en schrijven een ‘oefening in vreemdheid’ hoort te zijn, alle eer aan. Door De Graaff werd ik ooit op het spoor van cultuurfilosofie gezet. Altijd keer ik weer terug naar zijn prachtige en indrukwekkende boeken. Nog steeds luister ik graag naar zijn diepzinnige, stijlvolle preken (De Graaff was ook hervormd predikant) op oude cassettebandjes, die Bart Gijsbertsen heeft verzameld op zijn site. Soms klinken ze onverstaanbaar en blikkerig. Alsof je in een andere dimensie belandt. In de kerstvakantie, bij uitstek een tijd van reflectie, herlas ik “Het geheim van de wereldgeschiedenis”. In onze tijd van ‘oorlogen en geruchten van oorlogen’ vraag ik me wel eens af waar het naartoe moet met de wereld. De Graaff had daar zo zijn geheel eigen ideeën over. Eerder schreef ik over zijn werk naar aanleiding van “Het raadsel Spinoza” van Irvin D. Yalom en “Otto III, de verduisteraar van de middeleeuwen” van Marco van Burken.

 

Verschil moet er zijn

Ik snap lang niet alles wat De Graaff te berde brengt, maar wat mij het meest aanspreekt zal ik proberen onder woorden te brengen. Zijn eerste overdenking gaat over de Geboorte in de Kerstnacht. De Graaff wijst er op dat de interpretatie van de tekst heel verschillend kan zijn, want in het Koninkrijk van God bestaat geen gelijkheid: “… De apostel spreekt van het onderscheid van het licht der sterren. De ene ster verschilt in heerlijkheid van de ander (1 Kor. 15:41)…”. Een en ander zou afhankelijk zijn van de werking van de Heilige Geest. Daarmee breekt hij in mijn ogen een lans voor de mystici. “… Het zijn de vreesachtigen, die bang zijn, dat er meer zou zijn dan wij kunnen overzien. Die beperking geldt zowel de objectiverende historisch-kritische methode als voor de dogmatisch-fundamentalistische…”. De Bijbel kent ook geen theoretisch wereldbeeld: “… In die wereld roteert de aarde niet om haar as, maar gaat de zon op en onder. In die wereld is het menselijk hart nog geen holle spier, maar het middelpunt van leven en denken…”. Het gaat om een kosmos die bestaat uit levende betrekkingen, waarin schepselen elkaar ontmoeten. “… De aarde wordt begrensd door de hemel, die boven haar koepelt, door de onderwereld onder haar en door de chaoswateren rondom haar. Dit wil zeggen, dat zij door de hemel gezegend wordt, door het dodenrijk en de chaos bedreigd wordt. Op aarde is het leven. Er is niet alleen het leven van mensen, planten en dieren, maar alles is bezield. Ook de aarde zelf is een levend wezen (Gen. 4:10 en 11)…”.

 

Harmonie der sferen

Het leven wordt voortdurend bedreigd door de chaosmachten en de duisternis van de dood, die intreden zo gauw de Goddelijke genade zich terugtrekt. Volgens De Graaff kun je zeggen dat het leven uit de chaos en de stilte van de dood voortkomt, en daarin ook weer terugvalt. Opvallend vind ik de tegenstelling inzake het NewAge-denken, waarin meestal wordt verondersteld dat wij vanuit ‘het licht’, dus de hemel, komen en naar ‘het licht’ terug gaan. Het kenmerk van leven is unieke onherhaalbaarheid. De schepping is daar waar God de gelijkheid van de duisternis en het niets op gaat heffen in onderscheid, nuance, verschil en ongelijkheid. In dat alles is harmonie. Het symbool van harmonie komt het beste aan het licht in muziek. Zie Pythagoras die spreekt van ‘de harmonie der sferen’. Zie het Bijbelboek Job waarin het gaat over ‘het zingen der morgensterren’. En zie dus ook de engelen die in de Kerstnacht de ‘vrede op aarde’ proclameren. Deze harmonie wordt voortdurend bedreigd. Namelijk, wanneer de verbinding met de hemel stagneert. Welnu, de mens is geschapen om de aarde te ‘dienen en te hoeden’ door de verbinding met de hemel open te houden. Dat gaat helemaal fout in het paradijs. Die taak is ook te zwaar voor de Zaddikim, de rechtvaardigen onder het uitverkoren volk van God: Israël. Daarom wordt in de Kerstnacht de Messias, het Kind in de kribbe geboren. Hij vertegenwoordigt de shalom, de vrede, de harmonie op aarde. Hierdoor wordt de mensheid weer verbonden met de hemel. Deze vrede heft het unieke niet op, maar bevestigt het. Deze vrede is nog verborgen, maar doortrekt de aarde. Overal waar schoonheid en liefde openbaar worden zien wij de tekenen: “… Wij leven daarom in een wonderlijke spanning…”.

 

Ridderlijkheid

Tot mijn verrassing stelt De Graaff dat de vrouw na de zondeval minder tekort schiet dan de man. Daarom werd Jezus uit een maagd geboren. Er was geen man te vinden die zo liefhad dat hij het Heilige Kind kon verwekken: “… Zonde is altijd een gebrek aan liefde…”. God gaat de man voorbij. “… Wij zien in de bijbelse geschiedenis dat, waar Gods verlossingsmacht zich in de wereld openbaart, altijd sprake is van een bijzondere verwekking…”. Zie bijvoorbeeld het verhaal over Abraham, de stamvader van het Messiaanse volk, die te oud was om nageslacht voort te brengen. Het doet me denken aan de, overigens prachtige, kerstuitzending van het filosofenplatform “De Nieuwe Wereld”, waarin twee denkers een gesprek aangaan met dominee Paul Visser. De laatste beweert met droge ogen dat je het toch bijna niet zo gek kunt bedenken dat een maagd zwanger wordt. In feite staan de Griekse en Romeinse, maar ook andere, mythen bol van onnatuurlijke geboortes: zie bijvoorbeeld de halfgoden Achilles, Aeneas, Asklepios, Herakles, Perseus, enzovoorts. Zo vreemd was dat in de tijd rond het jaar nul helemaal niet. Jozef interpreteert de zwangerschap van Maria als overspel. Volgens De Graaff heeft de harde arbeid als timmerman hem achterdochtig gemaakt. Overal vermoedt Jozef het kwaad, vreest hij smart en bedreiging. In zijn realisme is geen plaats voor een godswonder. Zie Nietzsche die stelt dat voor een religieus leven terugtrekking in de stilte noodzakelijk is. Het moderne, lawaaierige, 24 uur ‘aanstaan’, speelt meer dan al het ongeloof in de hand. Arbeid adelt zeker niet altijd. Het harde zwoegen in kommervolle omstandigheden beperkt de mens in alle opzichten. Stompt af, verhardt en verblindt. De stress van armoede leidt tot navenante blikvernauwing (zie “Moeder van 40.000 kinderen” van Jasper van den Bovenlamp). Toch is Jozef niet uit op wraak. Dat maakt een rechtvaardige van hem. Hij is van plan Maria in stilte te verlaten. In een droom wordt Jozef teruggeroepen tot zijn ‘Koninklijke zelf’. De realiteit blijkt een grote illusie, zinsbedrog, die rust op de waan van beperkte vooroordelen. Daarop aanvaardt en adopteert Jozef het Heilige Kind: “… Jozef krijgt een andere mannelijke staat: die van ridderlijke beschermer van het Heiligdom Maria en van het heil, het Kind. In Jozef ligt de oorsprong van de ware ridderlijkheid…”. Altijd ietwat romantisch, die F. de Graaff. Maar toch. Is aan de toename van het aantal abortussen en het seksueel misbruik in de katholieke tot charismatische kerken niet af te lezen dat de mannelijke, zorgzame ‘ridderlijkheid’ vér te zoeken is?

 

Wie is mijn naaste?

Volgens De Graaff is de vraag naar ‘wie mijn naaste is’, van de wetgeleerde in Lukas tien, zeker niet bedoeld om Jezus in de val te lokken, zoals vaak wordt verondersteld. Integendeel: “… De wetgeleerde was door Jezus geschokt. Hij kon Hem niet tot het bekende herleiden, zoals dat met de meeste mensen, die hij ontmoette, gelukte. Evenmin laat hij zich op grond van een persoonlijke intuïtie meeslepen. Nog minder laat hij zich verleiden tot een voorbarige verwerping, die meestal voortkomt uit moed om het ongewone in de ogen te zien…”. Dat zijn wel mooie woorden in gepolariseerde tijden. De Graaff hekelt ‘voorbarige stichtelijkheden’, en is daarmee absoluut anti-wokie. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan gaat de priester aan het door rovers toegetakelde, halfdode slachtoffer, huiverend voorbij. Hij ziet hem wel, maar zijn verantwoordelijkheid als priester belet hem te helpen. Hij zou zich er maar door verontreinigen. Vanwege zijn menselijke gebondenheid gaat hij schaamrood verder. De Leviet ziet het slachtoffer in de eerste plaats als signaal voor de onveilige situatie en weet niet hoe gauw hij weg moet komen. Hij denkt alleen maar aan de gevaren die zijn bestaan bedreigen. De Samaritaan is echter ‘tot in zijn ingewanden geraakt’. Het Hebreeuwse woord voor ‘baarmoeder’ wordt gebruikt dat als grondslag voor alle barmhartigheid geldt: “… In dit verband kan men ook de tekst in de Apocalyps uitleggen. Buiten het Koninkrijk zullen zijn (Openbaring 21:8) de ‘pharmakoi’, de tovenaars eigenlijk, de gifmengers. Daarmee worden meestal de vruchtafdrijvers bedoeld. De vruchtafdrijvers doen een der felste aanvallen op de grondslag van iedere barmhartigheid in een cultuur…”. Andermaal is het opvallend dat niet de vrouwen die abortus ondergaan als zondig worden gezien, maar degenen die hen daartoe drijven.

 

Licht

Barmhartigheid gaat dieper dan medelijden. De barmhartige Samaritaan doorbreekt het isolement van het slachtoffer door naar hem toe te gaan en verzorgt zijn wonden met de ‘zegenende elementen’ olie en wijn. Het frappante is dat de naaste niet het slachtoffer dan wel de zieligerd is, maar de Samaritaan. De naaste is degene waarnaar de liefde van het slachtoffer uitgaat. Degene die barmhartigheid doet.  Degene die door de genade van God boven zichzelf uitstijgt: “… Alle liefde heeft met God te maken…”. Naastenliefde is altijd uiting van dankbaarheid voor de genade die ontvangen is: “… Daarom is de Naaste bij uitnemendheid Jezus zelf…”. Blijkbaar kun je de genade die over je komt afweren (zie de priester). Eigenbelang laat de genade zelfs in het geheel niet toe (zie de Leviet). De Graaff waarschuwt evenwel voor het medelijden waardoor de zwakken de liefde van de sterken opslokken, zonder dat zij zelf hun zwakte te boven komen of van de ondergang gered worden. Voor passief ondergaan zonder actief liefhebben: “… Dankbaar zijn is ook activiteit. De ondankbare kluistert zich in blijvende passiviteit. Hij volhardt in een infantiele levenshouding…”. De hedendaagse liefde voor het niets, de moedeloosheid en de  doodsdrift moeten omgekeerd worden naar dat wat verheft, het licht, naar God zelf. De Graaff: “… Onze tijd openbaart een nihilistische vernietigingsdrift. In de vermomming van aandacht vragen voor de lijdenden, geeft men een vrijbrief om het verhevene te miskennen, neer te halen. Dit is kortom: uit de wereld te bannen. Met alle schone leuzen is men bezig het licht uit de wereld te bannen. Wie het verhevene miskent, miskent God. En daarmee miskent men ook het leed, dat werkelijk geleden wordt. Want er is maar één redding voor de duisternis, dat is het Licht…” (dat lijkt mij trouwens precies het verschil tussen boeddhisme en christendom).

 

Het eeuwig vrouwelijke

In een apart hoofdstuk gaat het wederom om de vrouw. Volgens De Graaff vertegenwoordigt Maria Magdalena bij uitstek het ‘eeuwig vrouwelijke’. God ‘bouwt’ de vrouw uit een rib van de man, en stelt haar als een ‘hulpe’ tegenover hem: “… Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en zij zullen tot één vlees zijn (Gen. 2:24)…”. Hier wordt het matriarchaat als een paradijselijke toestand neergezet, aldus De Graaff. Het woord ‘hulpe’ duidt zeker niet op een ondergeschikte positie, integendeel: “… Ook God zelf wordt in de Heilige Schrift een hulp genoemd. In de paradijselijke matriarchale toestand is de vrouw de helpster bij uitnemendheid. Zij bemiddelt met de Goddelijke wereld. Zij is de priesteres…”. De vrouw is de man niet tot bezit gegeven, maar ‘bij’ hem. Zij raakt echter op een dwaalspoor. Zij faalt, door naar de slang te luisteren. Buiten het paradijs wordt de vrouwelijke leiding vervangen door het wereldse patriarchaat: “… Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heersen (Gen. 3:16)…”. De man is de nomadenleider in de woestijn des levens. Hij wordt de ridderlijke beschermer van het vrouwelijk mysterie. Echter: “… Velen verlagen de vrouw tot bezit, waarover zij naar willekeur kunnen beschikken…”. Het was voor Maria Magdalena onmogelijk te vergeten dat zij aangelegd was op de hogere wereld, aldus De Graaff: “… Zij heeft willen teruggrijpen op de paradijselijke toestand…”. Ze kon niet anders dan Eva volgen in haar omgang met de bovennatuurlijke wereld. Maar in plaats van met de Goddelijke, bemiddelde zij met de demonische wereld. Vandaar dat Jezus ‘zeven duivelen’ bij haar uitwierp. Ze gaat naar het graf van Jezus om zijn lichaam te verzorgen: “… Zij weet uit de geschiedenis van Elisa, dat ook de dode profeet door middel van zijn lijk nog leven kan geven (2 Kon. 13:21)…”. Ik bedacht dat dat de oorzaak van de middeleeuwse ‘bedevaarten’ moet zijn geweest. Totaal onfeministisch meent De Graaff dat de vrouw te verheven, te fijn en te kwetsbaar is voor de harde, onverloste wereld, waarin de man in het openbaar treedt. Zij is en blijft gericht op de Goddelijke wereld. Zie Goethe: “… Das Ewigweibliche zieht uns hinan…”. Als feminisme betekent dat de vrouw niet haarzelf mag zijn, maar een halve of hele kerel moet worden, zie ik daar zelf ook weinig heil in. Het lijkt erop dat in ieder geval een gedeelte van de vrouwen hier absoluut niet mee uit de voeten kan. In onze maatschappij is een toenemend aantal meisjes en jonge vrouwen letterlijk doodongelukkig. Het aantal opnames op de eerste hulp vanwege zelf toegebracht letsel of poging tot suïcide is in negen jaar tijd met 50 procent gestegen, schrijft de Volkskrant (6 januari 2024). Zelfs de kerk hangt van prestatiedruk aan elkaar. Ik hoef maar te verwijzen naar de eindeloze artikelen in het christelijke Nederlands Dagblad over ‘missionair gemeente zijn’. Misschien moeten we de ouderwetse denkbeelden van figuren als De Graaff meenemen in onze man-vrouwframing. Ondanks al het gelijkheidsdenken is onze maatschappij immers nog steeds geen ‘land waar vrouwen willen wonen’. Misschien is ze daar zelfs wel verder vanaf dan ooit!

 

Bevinding versus verborgen omgang

Aan de hand van de ongelovige Thomas beschrijft De Graaff dat slechte ervaringen in het leven altijd weer reden zijn tot ongeloof en wantrouwen in God. De moderne massamens stelt zichzelf als maatstaf van alles wat is. Daardoor raakt hij opgesloten in zijn eigen, steeds kleiner wordende wereldje. Wij hebben een probleem met anders-zijn. Hier rekent De Graaff opmerkelijk genoeg ook de bevindelijkheid van de ‘nadere reformatie’ toe: “… Deze bevindelijkheid is gedeeltelijk een typisch modern en modernistisch verschijnsel. De zekerheid des geloofs wordt gelegd in de beperkte ervaring van de subjectieve mens. Alleen als God die beperkte ervaringswereld binnentreedt, wordt Hij vertrouwd en erkend. Alle beloften van Gods Woord worden zo lang ontkend, totdat zij in de beperkte subjectieve ervaringswereld worden bevestigd. In de bevindelijkheid komt duidelijk de moderne geest, die later in de Franse revolutie uitbreekt, naar voren. Noch God wordt vertrouwd op grond van Zijn Woord, noch het getuigenis van de Heiligen, die God als leermeesters over Zijn Volk heeft gesteld, wordt in de bevinding vertrouwd, maar slechts de eigen subjectieve ervaring…”. Een optelsom van verschillende geloofservaringen vormt het criterium van het ware geloof: “… Daarmee wordt de waarheid beperkt tot de eigentijdse beperkte ervaringswereld, hoe vroom de inhoud daarvan ook moge zijn…”. Niet dat God zich, in het verhaal van Thomas, zich hierdoor laat tegenhouden, trouwens. De Opgestane Heer treedt Thomas’ ervaringswereld binnen. Maar het is duidelijk dat Jezus Thomas’ bevindelijke belijdenis beneden de maat acht. Ik denk dat De Graaff bedoelt dat het geloof niet om eigen ego draait, maar eerder om het verlies daarvan. Wat “… de Schrift ‘verborgen omgang’ (Ps. 25:7) noemt…” is juist het tegenovergestelde van bevinding. Geloof is een vertrouwen op God dat niet berust op ervaarbare feiten, maar liefde.  Zelfs de pijnlijkste gebeurtenissen worden in het licht der liefde gezien. Ook al is er geen verklaring voor wat je overkomt, deze liefde kan nooit door welke ervaring dan ook vernietigd worden. Wij zijn veel te beperkt om God te kunnen omvatten: “… Ook de mens, die God vertrouwt, heeft zijn ervaringswereld, maar duidt de feiten anders. Hij weet van een Licht, dat van buiten de ervaringswereld straalt. Een licht, dat anders is dan het licht der subjectiviteit. Zulk een mens leert dingen, zelfs de hardste van de ervaring, zien ‘sub specie aeternitatis’, onder de blik der eeuwigheid, om met Spinoza te spreken…”. De grond van de ware Godsliefde ligt niet in de mens zelf, maar in wat De Graaff aanduidt als de ‘diepste zielevonk’. Zie Eric-Emmanuel Schmitt die in “Het evangelie van Pilatus” een kind laat zeggen “… Mama, diep in mezelf vind ik niet mezelf…”. Beter kan het niet worden verwoord, denk ik.

 

Dieren

Evenals Isaac Bashevis Singer (zie mijn vorige blog) heeft Frank de Graaff een gevoelig oog voor dieren. Misschien is dat kenmerkend voor mystici. Denk bijvoorbeeld aan Franciscus van Assisi. Zie Spreuken 12 vers 10: “… De rechtvaardige kent de ziel van zijn dieren. Het ingewand van de goddeloze is verhard…”. De Graaff lijkt de opkomst van de moderne legbatterijen en megastallen met afschuw te hebben ondergaan. Herhaaldelijk bekritiseert hij in zijn preken op felle wijze de florerende bio-industrie. Descartes zag het dier als een zielloos mechanisme. Bij hem begon dan ook het moderne godloze denken. De Graaff: “… De moderne economie is in vele opzichten een tyran, die niet alleen mensen, maar ook dieren onmenselijk laat behandelen. Het is niet gemakkelijk om hierin verandering te brengen. Maar wel is in de eerste plaats noodzakelijk dat het verderfelijke gezien wordt. Want onmenselijkheid tegenover dieren maakt altijd onmenselijk tegenover mensen. Een maatschappij kan nooit gebaat zijn met onmenselijkheid, ook al schijnt dit op het eerste gezicht materieel voordeel te brengen. Zelfs materieel kan dit op den duur niet gehandhaafd worden. De kwaliteit van voedsel wordt onherroepelijk verlaagd. Er is ongetwijfeld een verband tussen vele menselijke ziekten en de onmenselijke behandeling van vee…”.

 

De jacht

De laatste twee hoofdstukken gaan over het eigenlijke thema: het geheim van de wereldgeschiedenis. Kort door de bocht ziet De Graaff het verhaal over het gevecht van Jakob met ‘een man’ bij de Jabbok - zie Genesis 32 -  als de ‘ouverture’ van de opera der wereldgeschiedenis. Als de ‘voorafschaduwing’ van de worsteling tussen het Jodendom en christendom, dat om de tegenstelling tussen Jakob en Esau draait. Pas aan het eind van de geschiedenis zal de ‘sluier’, die de christenheid omfloerst inzake het volk Israël, weggenomen worden (Jesaja 25:7). In verband met Esau, die uitgeput van de jacht terugkomt, en zijn eerstgeboorterecht onnadenkend verkwanselt voor een bord rode linzensoep, schrijft De Graaff over de jacht in de ongerepte wereld van eertijds: “… De jacht is een strijd, waarin de kansen van overwinnen aan beide kanten liggen. Het dier kan ook de mens doden. Het zwakke dier kan ook ontsnappen. Dit is door alle tijden het fascinerende van de jacht geweest. In dit spel werd de tegenstander veelal geëerd. Sommige jagersvolken vragen het dier, waarop zij jagen zelfs vergiffenis…”.  De jacht is heden ten dage ontaard in een weerzinwekkende zaak voor parvenu’s en afgegleden naar ‘gemaaktheid, aanstellerij en een afreageren van frustratie en sadisme’: “… Als men de moderne uitrusting met prismakijkers op de buksen ziet, kan men rustig stellen, dat er zo goed als niets meer van het oorspronkelijke spel van de jacht over is. De jacht is veelal ontaard in een voor dieren kansloze slachtpartij…”. Evenals de jacht was de maaltijd met wildbraad een heilige religieuze handeling. Een traditie die verbindt met de voorouders. Jakob vertegenwoordigt de toekomst. De nieuwe nomade die in tenten woont en met getemde dieren omgaat. Hij is geen jager meer, maar herder. Beiden voelen weerzin tegenover elkaar.

 

Trickster

Jakob is een trickster: om het goede doel te bereiken, gebruikt hij lage middelen. Hij redt zich via een list. Hij lijkt op de Griekse Hermes, de god van de handelaren, de gokkers, de dieven, de reizigers en de herders. Niemand kan zo goed liegen en bedriegen als hij. Evenals Ezau heeft Rome annex de Rooms-Katholieke kerk zich eeuwenlang als de rechthebbende op de zegen van God beschouwd. Zie de vervangingstheologie. Ezau haat Jacob vanwege zijn zegen. Zie de anti-Joodse uitspraken van sommige Kerkvaders: “… Vanaf de tweede eeuw is er een streven in de kerk om zich van de Joden los te maken…”. Daar komt volgens De Graaff het antisemitisme vandaan. Zie ook mijn blog over “De erfenis van Pilatus” van Anne-May Wachters. Natuurlijk hebben de Joden Christus niet gekruisigd. Wie veroordeelt Jezus? De Romeinse stadhouder, de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. “… Wie geselt Jezus? Wie zet Hem de doornenkroon op, wie geeft Hem de rietstok in de hand? Het zijn allemaal Romeinse krijgsknechten. Wie voert Jezus naar de kruisheuvel? Het zijn de Romeinse soldaten onder aanvoering van de Romeinse Centurio. Wie slaan de nagels door de ledematen? Het zijn Romeinse soldaten…”. Volgens De Graaff is het conflict tussen Synagoge en Kerk te duiden als ‘camouflage’. Het Christusbeeld wordt vervangen door de Sar of genius van Rome. Het Joodse volk wordt vervangen door de Kerk. “… Men kon niet ontkennen, dat het Joodse Volk leefde. Het liep de Christenen voor de voeten. Men vond er iets op. Men beweerde, dat God zijn Volk verworpen had…”. Het oerchristendom was echter een Joodse aangelegenheid. Zie Pontius Pilatus die boven het kruis schreef: “… Jezus de Nazarener, de Koning der Joden…”. Het Jodendom verloochende Christus omdat Rome anders nooit in ‘het aas van het evangelie’ zou hebben gebeten. Maar Jezus en het volk Israël zijn zo met elkaar verbonden dat ze eigenlijk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden. Zie bijvoorbeeld Matteüs 2 vers 15: “… Ik heb mijn zoon uit Egypte geroepen…”, dat refereert aan Hosea 11 vers 1. “… Die zoon is kennelijk Israël en Jezus tegelijk…”. Het christendom ‘lijkt’ alleen maar een zelfstandige beweging.

 

Numineuze machten

Om aan de woede van Ezau te ontkomen moet Jakob als een misdadiger vluchten om zijns levens wil. Als hij onderweg naar zijn oom Laban in slaap valt heeft hij een droom, waarin hij een ladder ziet die tot in de hemel reikt. Engelen stijgen op en dalen af. Volgens De Graaff zijn engelen Goddelijke wezens die het lot van de mensen en de wereld beheersen: “… Het zijn numineuze machten, die zich soms aan mensen openbaren. Het is uiterst belangrijk om een goede verhouding met hen te hebben…”. Tezamen vormen zij de ‘elohim’. “… In de nacht openbaren zij zich, vooral als de mens alleen is. In de nacht, als een mens alleen is, wordt hij door werkelijkheden, waaraan hij overdag voorbijgaat, ter verantwoording geroepen…”. De God van Jakob is de Heer der engelen. De ‘man’ waarmee Jakob een hele nacht bij de Jabbok vecht, duidt De Graaff als één van die ‘elohim’, namelijk de 'Sar' of 'schutsengel' dan wel 'genius' van Ezau. Wat is de mens? De vraag stellen is hem beantwoorden. “… De mens is gewoonlijk wat hem in bezit genomen heeft…”, aldus De Graaff. Het doet me denken aan wat Isaac Bashevis Singer in “Op zoek” schrijft over dat vrijwel iedereen wordt verblind door een bepaalde hartstocht.  “… Er bestaat niet alleen negatieve bezetenheid, maar ook positieve…”. De genade ofwel de liefde Gods neemt echter nooit in bezit, maar bevrijdt, en heft de mens boven zichzelf uit tot zijn bestemming.

 

Der grosse Meister

Het Romeinse Rijk raakte op den duur zo vermoeid en uitgeput dat het alleen nog door het christendom gered kon worden: “… In de dagen van Constantijn is de Romeinse staat zo decadent geworden, dat het alleen met behulp van het Christendom overeind kon blijven…”. Europa lijkt anno nu in dezelfde toestand te verkeren. Zelfs iemand als Elon Musk denkt dat de westerse beschaving zonder het christendom instort. Aan het einde van Jakobs geschiedenis bij de worsteling aan de Jabbok is er een hevige, maar volstrekt open confrontatie met Esau. “… Die komt in de eerste plaats uit in de volstrekte hopeloosheid voor de toekomst van Esaus rijk. Duidelijker wordt steeds, dat de westerse cultuur met zijn wetenschap en techniek als enige consequentie de volkomen vernietiging van aarde en mensheid heeft…”. Het pessimisme van De Graaff heeft wel enige grond. “… De staat Israël herinnert het Westen-Esau aan zijn verschrikkelijke schuld, de verwonding van de heup, de zes miljoen vermoorde Joden. En dat niet alleen: Iedere dag siddert de gehele wereldpolitiek door de gebeurtenissen in dit kleine land van Jakob…”. Alsof hij dit nu schrijft in plaats van veertig jaar geleden. Overal klinkt de echo van de angstroep: “… ‘Laat mij gaan, want de dageraad gaat op.’ Met andere woorden: ‘Er behoeft niet veel meer te gebeuren, of het einde van alle dingen, de vernietiging van mensheid en aarde, is nabij. En Jakob antwoordt: ‘Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent.’…”. Als de nood op zijn hoogst is, is de redding nabij. Wanneer komt het goed, aldus De Graaff? Als de verdeeldheid tussen Rome en Israël verdwijnt: wie u zegent zal Ik zegenen. Als Rome Israël om de hals valt. En als Jezus door het Jodendom wordt geaccepteerd als de enige en ware Messias. Dat gaat een keertje gebeuren, volgens De Graaff. Hij ziet het Jezusbeeld, dat de Joden tot nu toe naar buiten geven, al oplichten: “… De bewuste bedrieger en zwarte magiër is vervallen. Jezus wordt zelfs een bijzondere rabbi, voor sommigen zelfs met profetische trekken, maar zijn Messias-zijn, opstanding, Zoon van God-zijn wordt nog ontkend. Maar de opklaring gaat verder. De grote Franz Rosenzweig, de Joodse wijsgeer, spreekt van ‘der grosse Meister’ als hij over Jezus spreekt…”. Zie ook Marc Chagall die steeds naar de eenheid verwijst van Jezus aan het kruis, die hij als Jood met een biddoek schildert, met alle pogroms die ooit hebben plaats gehad daar omheen: “… Een Goddelijke lichtstraal valt op de Gekruisigde en daarmee op alle vervolgden…”.

 

De tak omhakken waar je zelf op zit

Jakob/Israël moet helemaal zelf tot deze conclusie komen. De Graaff is wars van christelijke Jodenzending, die tot assimilatie leidt: “… Dit is een gevaarlijk pogen, want daarmee tracht men, ondanks alle goede bedoelingen, de stam om te hakken waarop men zelf geënt is…”. Jacob en Ezau traden na hun uiteindelijke verzoening ook niet samen op. Bovendien zegt Jezus voor zijn hemelvaart tot zijn leerlingen dat ze alle ‘gooim’, dat zijn de heidense volkeren, moeten onderwijzen en dopen. Niet de Joden. De Graaff eindigt zijn studie met een persoonlijk verhaal over de Chassidische Joden die hij als achtjarig jongetje tegenkwam in de straat waar hij woonde in Scheveningen. Eén van hen sprak hem ooit aan met de vraag waar de Haagsche straat was. Verward antwoordde hij dat ze op de Haagsche straat stonden, waarop de man teleurgesteld wegliep. Jaren lang heeft hij alle Joden die hij tegenkwam, gevraagd naar de betekenis van dit voorval. Tot een vrouw hem vertelde dat hij had moeten zeggen dat de man naar de bekende weg vroeg en informeren of hij hem misschien ergens anders mee van dienst kon zijn. Want de Chassied had hem enkel in de gelegenheid willen stellen een Jood te zegenen, waardoor hij zelf gezegend zou zijn. Zie Matteüs 25: “… Wat gij aan één van deze minste mijner broederen heb gedaan, hebt gij Mij gedaan…”.

 

Uitgave: Kok Kampen – 1982, 140 blz., ISBN 90 242 2393 8

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar

vrijdag 29 december 2023

Op zoek – Isaac Bashevis Singer

 


Ik vind “De tedere verteller” van Olga Tokarczuk één van de mooiste boeken van het afgelopen jaar. Haar opvatting dat lezen en schrijven vooral een ‘oefening in vreemdheid’ moet zijn, prikkelt. Zie ook Nabokov die stelt dat iedere grote roman in feite een 'sprookje' is. Dat maakt álles mogelijk. Zie verder Azar Nafisi, de schrijfster van “Lolita lezen in Teheran”, die vertelt hoe we door onze eigen ‘tegenrealiteiten’ te scheppen, veel rottigheid kunnen overleven. Allemaal ideeën die enorm inspireren. Later las ik van Tokarczuk de veel minder toegankelijke, maar minstens zo fascinerende Jacobsboeken, over de Joodse sekteleider Jacob Frank, en uiteindelijk dacht ik: Tokarczuks wereld is de wereld van Singer. Ook al een Nobelprijswinnaar. Hoe blij was ik dat ik “Op zoek” vond: “… Vaak had ik het gevoel dat de waarheid me vroeg of laat werd geopenbaard als ik maar niet ophield met zoeken en hopen…”. Het gaat om een autobiografisch deeltje uit de reeks Privé-Domein van uitgeverij De Arbeiderspers, waarin de schrijver inderdaad zijn obsessie met Sabbatai Zevi en Jacob Frank deelt. De van origine Poolse rabbijnenzoon Isaac Bashevis Singer (1902 – 1991) laat zich kennen als een bijzonder intelligente, overgevoelige jongen, die als een soort Job vecht met God, zichzelf en de liefde.

 

Over kinderen en lezen

Singer schreef drieëntwintig romans, vijftien verhalenbundels, een toneelstuk, vier memoires en maar liefst zeven kinderboeken. In verband met de zorgelijke hedendaagse analfabetisering brak Kluun onlangs in 'WNL op Zondag' zijn staf over het leesonderwijs, waarin alle plezier wordt ondermijnd door literaire analyses die zelfs de betreffende schrijvers de oren doen klapperen. Het slaat allemaal  ergens meer op. Singer zou het waarschijnlijk helemaal met hem eens zijn geweest. Zijn vertaler: “… Iets van de afschuw voor het intellectualisme is terug te vinden in de redenen die hij opgeeft voor het schrijven van kinderboeken. Toen hij de National Book Award kreeg voor het verhaal over zijn eigen jeugd, “A Day of Pleasure”, vatte hij de vijfhonderd mogelijke redenen samen in een tiental: kinderen lezen geen recensies, ze zijn niet op zoek naar hun identiteit, ze lezen niet om zich te bevrijden van schuld of vervreemding, ze zitten niet verlegen om psychologie, ze hebben een hekel aan sociologie, ze proberen niet om Kafka of “Finnigans Wake” te begrijpen, ze geloven nog in God, het gezin, engelen, duivels en heksen, ze zijn dol op spannende verhalen, niet op commentaren, richtlijnen en voetnoten, als een boek ze verveelt geeuwen ze openlijk zonder schaamte of vrees kenners voor het hoofd te stoten, en tot slot verwachten ze niet van hun geliefde schrijver dat hij de mensheid zal verlossen. Zo jong als ze zijn weten ze dat dat niet in zijn macht ligt. Alleen volwassenen koesteren dat soort kinderlijke illusies…”. Waarvan akte.

 

Mysticus

De onderhavige autobiografie bestaat uit twee delen: “Een kleine jongen op zoek naar God. Een persoonlijke benadering van de mystiek” en “Een jongeman op zoek naar de liefde”. Op iedere bladzij staan wel zinnen die ik zou willen citeren, maar dat kan natuurlijk niet. In het voorwoord legt Singer uit wat hij verstaat onder mystiek. Terwijl religie resoneert bij een hele groep (al dan niet afgedwongen met het zwaard) zou mystiek individualistisch zijn: “… Mijn persoonlijke definitie van religie is een mystiek die is veranderd in een discipline, een collectieve ervaring, en die derhalve gedeeltelijk is verwaterd en vaak profaan geworden. Hoe meer een godsdienst aanslaat, hoe groter zijn invloed, des te verder dwaalt hij af van de mystieke oorsprong. Dogma en magie nemen de plaats in van spirituele ervaring…”. Omdat mystiek een persoonlijke zaak is kan een mysticus oprecht blijven. Echt zijn. Zo gauw anderen zich er tegen aan gaan bemoeien zal hij water bij de wijn moeten doen: “… Meningsverschillen dringen zich op tegelijk met stilzwijgende en openlijke conflicten en de belemmeringen en verleidingen van de profaniteit doen hun intrede…”. Vandaar dat elke godsdienst bol staat van de tegenstrijdigheden. De mysticus is een zoeker. De mysticus tast in het duister: “… Hij wacht op openbaring, maar die komt niet, of zelden…”. Mystici zijn begeesterde mensen. Aangezien de aard van de mysticus bij Joden, christenen en moslims niet verschilt, bestaat er een grote verwantschap tussen hen. Hun bevindingen zijn hetzelfde. “… De mysticus beseft dat God in woord en taal zwijgt, maar in daden spreekt …”. Even verder: “… De mysticus luistert naar Gods stem in zichzelf, zijn bloed, zijn merg, en door de wegen der voorzienigheid te volgen. De mysticus ontdekt dat als hij met volle overgave tot God bidt, er vaak een antwoord komt...”. Uit wanhoop groeit hoop: “… De mysticus ontdekt vaak dat goed zijn voor mensen en zelfs voor dieren resultaat heeft. Elke mysticus gelooft in de onsterfelijkheid van de ziel…”.

 

Goed en kwaad

“… Net als ieder ander wordt de mysticus grootgebracht met het idee dat er goed en kwaad, boze en zondige handelingen bestaan, maar voor hem is het moeilijker dan voor anderen om te aanvaarden dat de drang om goed te doen en de drang om kwaad te doen uit dezelfde bron voortkomen. De mysticus kan niet anders dan uitgaan van een vorm van dualisme. Hij moet de aanwezigheid onderkennen van goede en kwade krachten. Hij moet geloven dat er een God en een anti-God bestaan. Natuurlijk is het waar dat de anti-God niet iets is wat op zichzelf bestaat – God heeft hem met een bepaald doel geschapen. Alle mystici geloven in Satan, of met welke andere naam ze hem ook aanduiden…”. Waarom heeft God Satan geschapen? Waarom wilde de Koning der Hemelen voor zichzelf een tegenstander scheppen? Dat zijn de vragen die Singer bezighouden. Volgens hem heeft een en ander te maken met de vrije wil van de mens. Met een zekere mate van autonomie: “… De mens is niet op alle ogenblikken gedwongen te doen wat de krachten hem voorschrijven. Hij kan een keuze maken. Hij kan zich verzetten tegen God of Satan…”. Ik denk dat dat een erg Joodse gedachte is. Zie ook “De keuze” van Edith Eger. Of bijvoorbeeld Jozua 24 vers 15. Singer heeft een grote interesse in de ziel en vertelt dat hij al vroeg begint te snuffelen in chassidische en kabbalistische overleveringen,  hoewel zijn vader waarschuwt dat hij er  zich niet voor zijn dertigste aan moet wagen. Het risico bestaat dat je afglijdt naar ketterij of, God verhoede, je verstand verliest.

 

Wat is waarheid?

“… Ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat bij ons thuis het judaïsme niet een verwaterde, formele godsdienst was, maar een die was doortrokken van alle geuren, alle vitaminen, de hele mystiek van het geloof…”. De Jood van de diaspora klampt zich vast aan één enkele hoop: dat de Messias zal komen. Dat doen christenen als ik ook. Singer: “… De komst van de messias was niet een wereldse verlossing, de herovering van een verloren land, maar een geestelijke bevrijding die de hele wereld zou veranderen, alle kwaad zou uitroeien en het koninkrijk der hemelen op aarde zou brengen…”. Alleen begint hij zich al op jonge leeftijd af te vragen: “… Is het wel waar?...”. Zie de christelijke boeken waarin staat geschreven dat de Joden een verdoemd ras zijn omdat ze Jezus niet aanvaarden. Zie de ketterse boeken van de ongelovigen die beweren dat de wereld al honderd miljoen jaren oud is en de mensen niet van Adam, maar van de apen afstammen. Zijn elf jaar oudere en zondige broer Jozua die al verhalen schrijft (zie mijn blog over “Josje Kalb”), vertelt hem over de overweldigende maar blinde natuur die geen onderscheid maakt tussen goed en kwaad: “… Het kon de natuur kennelijk niet schelen dat de slachters op de Janasj-markt dagelijks honderden of duizenden stuks gevogelte doden. Het zat de natuur ook niet dwars dat de Russen pogroms tegen de joden hielden of dat de Turken en Bulgaren elkaar afslachtten en kinderen aan hun bajonetten regen. Maar hoe was de natuur zo geworden?...”. De moderne jongeren die geprobeerd hebben een revolutie te ontketenen om de tsaar te onttronen, verwarren hem: “… Dat slag lachte om mijn vader en zijn vroomheid. Zij voorspelden dat er na de revolutie geen synagogen of studiehuizen meer zouden bestaan en ze maakten de chassidiem uit voor fanatici…”. Hij weet van anderen die beweren dat je kunt wachten op de Messias tot je een ons weegt.  Je moet zélf het land van Israël gaan opbouwen, dat ze Palestina noemen. Elk volk heeft een eigen land. Zijn moeder koopt wel eens hersenen op de markt die goedkoper zijn dan rundvlees: “… Moeder kookte de hersenen en ik at ze op. Konden mijn hersenen ook gekookt en gegeten worden? Ja, natuurlijk, maar zolang ze niet waren gekookt bleven ze doordenken en wilden ze de waarheid kennen…”.

 

Uiteindelijk is alles kabbala

Zijn broer lacht hem vierkant uit omdat hij in spoken gelooft: “… Ik hoorde talloze verhalen over dibboeks, lijken die ’s nachts hun graven verlieten en ronddoolden om wonderdoeners of ver afgelegen kermissen te bezoeken…”. Echter, de hele wereld gelooft in geesten. Zie “Der Erlkönig” van Goethe of "Die Lorelei" van Heine. “… Ik leefde in voortdurende vrees voor deze onzichtbare dingen. ’s Nachts was het op de trap donker en naar boven en beneden gaan was een bezoeking. Vaak telde ik de franjes aan mijn gebedsmantel om na te gaan of ze er allemaal nog aan zaten. Ik mompelde bezweringen uit de gemara en andere heilige boeken…”. Welnu: “… Als er demonen bestonden, moest er ook een God bestaan…”. Over de kabbala: “… In wezen maakten we allemaal deel uit van Gods licht, maar door een proces van emanatie en verzwakking werd Gods licht donkerder, steeds tastbaarder en genaakbaarder tot het in materie veranderde – aarde, rots, zee dieren, mensen…”. Even verder: “… Mijn latere belangstelling voor Spinoza komt voort uit mijn poging de kabbala te bestuderen…”. Singer: “… Materie was een masker op het gezicht van de geest. Achter nietigheid ging grootsheid schuil, achterlijkheid was manke wijsheid, kwaad was verdorven genade…”. Later hoort hij dat zelfs de hardste steen bestaat uit wervelingen van energie: “… Uiteindelijk is dat de kabbala!...” (en de kwantumtheorie).

 

Ketters

Hij voelt zich anders dan anderen. Vertelt dat hij op diverse niveaus bestaat. Hij is een leerling op het cheder en verdiept zich tegelijk in de eeuwige vraagstukken. Hij speelt tikkertje en verstoppertje met zijn vriendjes en bestudeert tegelijk de mystici. Hij trekt op met zijn buurmeisje Sjosja terwijl hij ondertussen Dostojevski leest. Zijn ondraaglijke medelijden met mensen en dieren maakt hem depressief. Hij ervaart de wereld als een slachthuis, een enorme hel: “… Ik koesterde niet alleen wrok tegen de mens maar ook tegen God. Hij had uiteindelijk de wilde beesten met klauwen en tanden op de wereld gezet. Hij had de mens bloeddorstig gemaakt, bereid om op elk moment over te gaan op geweld…”. Stiekem bietst hij boeken van zijn broer. Leest Malthus, Darwin, Kant, Laplace. “… Doden of worden gedood was de stelregel van het leven en van God…”. Toen de Joden sterker waren brachten ze de Filistijnen om en toen de Filistijnen sterker waren brachten ze de Joden om: “… Dezelfde Mozes die had gezegd: ‘Gij zult niet doden,’ zei ook: ‘Gij zult niets dat ademt in leven laten.’ De oorlogen die Jozua voerde vertoonden een griezelige gelijkenis met de wandaden van Chmjelnitski…”. Singer: “… Ik las deze waarheden, waarvan ik wist dat niemand ze kon ontkennen en tegelijkertijd had ik het gevoel dat ik vergif slikte…”. In de boeken van de kabbala vindt hij troost, want daarin wordt de aarde als de gemeenste van alle werelden beschouwd. Een hol van kwaad. Ver verwijderd van God en zijn genade. Daarom heeft de Eeuwige ons het grootste geschenk uit Zijn schatkist gegeven: de vrije wil. Alhoewel je meestal weinig keus hebt. “… ‘Ik begin ketters te worden!’ zei ik tegen mezelf…”.

 

Het geheim van het leven

Ondertussen barst de eerste wereldoorlog los: “… Een moordenaar had de aartshertog van Oostenrijk en zijn vrouw vermoord en miljoenen soldaten en burgers moesten met hun leven boeten voor deze misdaad…”. Zijn vader begint de krant te lezen en moet nieuwe woorden leren: “… De jood die tweeduizend jaar in ballingschap had geleefd en zich nooit had gemengd in gojse oorlogen had vrijwel geen aanduidingen voor wapens en ammunitie. Ook had hij geen woorden voor strategie en tactiek…”. Zijn vader grijpt in zijn baard en staart door het raam naar de hemel: “… Ze vochten en vergoten bloed om een armoedig dorp, een modderige stroom. Ze brandden de hutten en de schamele bezittingen plat van paupers die vaak met kinderen de koude nacht in moesten vluchten. Ik hoorde vader mompelen: ‘Wee, wee ons, God in de hemel.’…”. Wat is er veranderd?! De familie Singer lijdt kou. De familie Singer lijdt honger. De familie Singer wordt geteisterd door ziektes. “… Hoewel ik het bestaan van God in twijfel trok, bad ik ook tot Hem (als ik vergat dat ik een ketter was). Je kon uiteindelijk nergens zeker van zijn…”. De opmerking van zijn gedeserteerde broer dat zelfs bij filosofen geen waarheid is te vinden, doet hem in de kamer rondlopen als een gekooid beest: “… Hoe kon je in zo’n wereld leven? Hoe kon je ademen als je gedoemd was om nooit, nooit te weten waar je vandaan kwam, wie je was en waar je heenging?...”. Uiteindelijk brengt hij een oud bibliotheekboek van zijn broer terug en vertelt de bibliothecaris dat hij wil weten wat er in de wereld te koop is: “… ‘Zo. Wat wil je weten?’ ‘O, natuurkunde, aardrijkskunde, filosofie – alles.’ ‘Alles? Niemand weet alles.’ ‘Ik wil het geheim van het leven kennen,’ zei ik beschaamd om mijn eigen woorden. ‘Ik wil een boek over filosofie lezen.’ De bibliothecaris trok zijn wenkbrauwen op…”. Of hij van zijn vader wel zulke ketterse geschriften mag lezen. Hij zegt dat hij ze goed zal verstoppen, zodat zijn vader er niet achterkomt. De bibliothecaris bromt dat filosofie nergens toe dient, maar scharrelt wel een paar boeken voor hem op: “… als je vader ze ziet, scheurt hij ze aan stukken…”. Hij krijgt ze zelfs mee zonder borg te betalen: “… Als je ze op tijd terugbrengt vind ik wel weer wat anders voor je. Als een jongen het geheim van het leven wil leren kennen, moet je hem van dienst zijn…”. Singer: “… ik kon me bijna niet inhouden om zijn hand te kussen…”.

 

Job

1917 - Singer houdt zich in leven door privéles te geven. Tijdens een woeste discussie met een atheïstische vader van een leerling waar hij verliefd op is: “… ‘En als - zoals jij zegt -  God slecht is waarom zou de mens dan goed zijn?’ Todros diende van repliek met een wedervraag op de typisch joodse manier. ‘Om God dwars te zitten,’ antwoordde ik. ‘Alleen omdat God wil dat mensen elkaar afslachten en onschuldige dieren doden, daarom moet de mens de medemens en de dieren helpen om aan te tonen dat hij het niet eens is met de manier waarop God de wereld bestiert.’ ‘Als God bestaat denk je dan niet dat Hij toch zijn zin zou doen? Denk jij dat de mens sterker is dan God?’ ‘Nee, dat bedoel ik helemaal niet. Maar de mens heeft toch het recht te protesteren als hij Gods daden onrechtvaardig vindt.’…”. Dat is Job. 1918 – Polen wordt onafhankelijk. “… Literair Warschau werd gedomineerd door communisten. Een groot aantal van de jonge schrijvers en lezers geloofden dat het communisme voor eens en altijd een einde zou maken aan het joodse vraagstuk. Onder het communisme zouden er geen joden of gojim zijn, slechts een verenigde mensheid. Religie en bijgeloof zouden tot het verleden behoren. Mijn broer en ik pasten helemaal niet in een dergelijke ideologie. Ik sprak vaak met woede God tegen, maar ik was nooit opgehouden in Zijn bestaan te geloven…”. Even verder: “… ik bleef geestelijk diep geworteld in de middeleeuwen (dat kreeg ik tenminste te horen). Ik riep in mijn werk herinneringen en emoties op die de wereldse lezer probeerde te vergeten en eigenlijk al was vergeten. Voor de vrome joden was ik een ketter en godslasteraar. Tot mijn eigen verbazing merkte ik dat ik niet bij mijn eigen volk maar ook niet bij de anderen hoorde. In plaats van in mijn werk de politieke leiders van een decadent Europa aan te vallen en te helpen een nieuwe wereld te bouwen, voerde ik een privé-oorlog tegen de Almachtige…”. Hij leest Freud, Adler en Jung, maar ze raken niet aan waarheden die hem voorheen onbekend waren. Hij leest de preken van Tolstoj, maar diens praatjes vullen geen gaatjes.  “… Ik las de literaire idolen van die dagen – Romain Rolland, G.K. Chesterton, Thomas Mann. Ik vond in hun werk niet waar ik naar zocht…”.

 

Emocratie

Singer vertelt over de prachtige verhalen van Rabbi Nachman die Martin Buber op zijn eigen manier vertaalde in het Duits. En over de kille logica van Spinoza volgens wie gevoelens, lijden en rechtvaardigheid slechts menselijke begrippen en voorbijgaande stemmingen zijn: “… Noch in de God van rabbi Nachman, noch in die van Spinoza kon ik soelaas vinden…”. Dat God tegen Job aanvoert dat Hij wijs en machtig is en Job maar een onwetend mensje, is geen verklaring voor Jobs smart. Alle ezels en kamelen en schone dochters op het einde van zijn leven zijn maar een schrale compensatie voor zijn vroegere lijdensweg, vindt Singer. “… De mens was niet verplicht God te bedanken voor alle plagen en rampen die hem vrijwel van de wieg tot het graf teisterden…”. Als God Zich verplicht voelt om Zijn schepselen te kwellen, dan is dat Zijn aangelegenheid: “… Ik zei tegen mezelf: ik geloof in God, ik vrees Hem, maar ik kan niet van Hem houden, niet met heel mijn hart en ziel zoals de Thora voorschrijft, noch met de ‘amor Dei intellectualis’ die Spinoza van me vraagt…”. Tijdens een treinreis maakt hij mee hoe Poolse boerenkinkels op een walgelijke manier Joden lastig vallen. Ze durven zich niet te verweren omdat een coupé verder een troep soldaten staat: “… Tot die nacht had ik vaak ideeën gehad over de verlossing van de mensheid, maar het werd me duidelijk dat de mensheid geen verlossing verdiende. De mensheid verlossen zou een misdaad zijn. De mens was een beest dat doodde, plunderde en niet alleen andere soorten maar ook zijn eigen soort martelde. De smart van een ander was zijn vreugde, de vernedering van de ander zijn overwinning. De Thora zegt ons dat God het betreurde dat Hij de mens geschapen had…”. Het doet me denken aan  Arnold Huijgen die een boek over de hel heeft geschreven waarin hij beargumenteert dat het idee van een hel ook een troost kan zijn. Singer: “… De martelaren van gisteren zijn de tirannen  van vandaag…”. De Joodse communisten zijn geen haar beter. Ze beloven net zo goed iedereen die het niet met hen eens is uit te roeien: “… Voor deze kleinsteedse jongeren was het voldoende om een paar pamfletten te lezen om hen tot potentiële slachters te maken. Er waren er bij die zeiden dat ze zelfs hun eigen ouders tegen de muur zouden zetten. Een aantal van die jongeren ging ten onder in de slavenkampen van Stalin…”. Rabbi Nachman noemt ongecontroleerde emoties ‘kwade gedachten’, ‘inblazingen van Satan’. “… Spinoza had me gewaarschuwd tegen emoties, gekunseldheden, die de rede verduisterden en zelfs een vorm van waanzin waren…”. Wat zegt dat over de ‘emocratie’ van onze dagen?

 

Ik mag je

Terwijl de tweede wereldoorlog op het punt staat uit te breken bemachtigt Singer een baantje als drukproefcorrector voor een literair tijdschrift in Warschau. Hij verdient er het zout in de pap niet mee. De Schrijversclub en de bibliotheek houden hem in leven. “… Alle tekenen wezen erop dat de mens niets had geleerd van de oorlog die twintig miljoen mensen het leven had gekost, zo niet meer. In alle steden van Europa dansten de mensen de nieuwste dansen - de charleston, de foxtrot, of hoe ze mochten heten – ze dansten op graven…”. Singer beleeft zijn eerste grote liefde met een hospita die twee keer zo oud is als hij. “… Ik vroeg haar of ze een kamer te huur had en ze zei: ‘Ja, maar alleen voor een vleermuis die geen licht nodig heeft.’ ‘Ik ben een vleermuis,’ zei ik…”. Binnen tien minuten zitten ze over boeken te praten alsof ze elkaar al jaren kennen: “… Zelf was ze al jong ‘bedorven’ en had zich gestort in de wereldse Jiddische en verlichte Hebreeuwse boeken van schrijvers als Isaak Joel Linetzkyz, Mendele Mocher Sforim, Abraham Mapu, Sjolem Aleichem, Peretz, en tevens Jiddische vertalingen van Tolstoj, Dostojevski, Lermontov, Knut Hamsun, Strindberg en Poolse schrijvers als Mickiewicz, Slowacki, Wyspiansky en Przybyszewski. Ik had niet alleen precies dezelfde boeken gelezen, maar ik wist ook goed hoe ze eruitzagen, uit hoeveel bladzijden ze bestonden en wie de uitgevers en vertalers waren…”. Het raamloze kamertje dat ze hem aanbiedt, bevat ook nog een aantal dozen vol parapsychologische onderwerpen, waar Singer een fascinatie voor heeft. Zielsverwantschap. “… Ik vroeg hoe hoog de huur was en ze zei: ‘Betaal maar wat je je kunt veroorloven.’ En ze schonk met rabbinale vriendelijkheid een glimlach en zei dat ze een lunch voor me zou klaar maken. ‘Waar verdien ik dat aan?’ vroeg ik en ze antwoordde: ‘Ik mag je.’…”. Gina dus.

 

Hartstocht

Door het lezen van linkse kranten en het luisteren naar communisten verneemt Singer dat extreem links afschaffing van het privé-leven voorstaat en een permanent collectief systeem wil invoeren. Het idee alleen al laat de rillingen over zijn lijf lopen. Singer, met zijn creatieve geest, is een einzelgänger die de vrijheid om alleen te zijn harder nodig heeft dan zuurstof. Als de regering hem oproept voor de dienstplicht begint hij zichzelf uit te hongeren, wat hem in een vreemde hallucinante toestand brengt. Na een vernederende keuring ontsnapt hij ternauwernood aan het leger. Hij schrijft al ettelijke jaren, maar vroeg of laat gooit hij zijn pennenvruchten steeds in de prullenbak. Hij vindt de Jiddische schrijvers sentimenteel, primitief en enghartig: “… In de Jiddische en Hebreeuwse literatuur werden de grote gebeurtenissen inherent aan de joodse geschiedenis vermeden – de valse messiassen, de verdrijvingen, de gedwongen bekeringen, de emancipatie en de assimilatie die een situatie had geschapen waarin joden minister werden in Engeland, Italië en Amerika, professoren op grote universiteiten, miljonairs, partijleiders, uitgevers van wereldberoemde kranten. De Jiddische literatuur negeerde de joodse onderwereld, de tienduizenden dieven, zwendelaars, prostituées en blanke slavenhandelaren in Buenos Aires, Rio de Janeiro en zelfs in Warschau. De Jiddische literatuur deed me denken aan het rabbinaat van mijn vader, waar vrijwel alles was verboden…”. Elie Wiesel laat in “Alle rivieren stromen naar de zee” weten dat hij niets moet hebben van de zwarte kant van de Jiddische wereld die Singer in zijn latere oeuvre beschrijft. Singer: “… Ik herinnerde me de woorden van Spinoza met als strekking dat alles een hartstocht kon worden. Ik had me vooraf voorgenomen dat ik wilde schrijven over menselijke hartstocht en niet over een onbewogen levensstijl. Vrijwel iedereen hier op de Schrijversclub bezat een bepaalde hartstocht waardoor hij werd verblind…”. En waarachtig, als je er op gaat letten, is dat nog steeds zo. De hoofdredacteur van het tijdschrift waar hij voor werkt wil een verhaal van hem drukken, maar is niet enthousiast: “… Ik vroeg hem wat de mankementen waren en na enig gepeins zei hij dat het te pessimistisch was, dat er geen problemen in werden aangesneden, en dat het verhaal negatief en bijna antisemitisch was. Waarom zou je schrijven over dieven en hoeren, terwijl er toch zoveel nette joodse mannen en toegewijde joodse vrouwen rondliepen? Als zoiets in het Pools vertaald zou worden zou de goj die het las wel eens de indruk kunnen krijgen dat alle joden ontaard waren…”. Hij lijkt warempel Elie Wiesel wel. Alsof de Heilige Schrift zo positief schrijft over Joden, denkt Singer ondertussen.

 

Een wereldomvattend abattoir

Steeds staan de tientallen miljoenen mensen die ten onder zijn gegaan in de wereldoorlog, de bolsjewistische revolutie, de pogroms, de hongersnoden en de epidemieën Singer voor ogen: “… In Rusland waren miljoenen boeren gedoodverfd als koelaks en naar Siberië verbannen. Hele dorpen waren uitgehongerd. Er werd gevochten in China en Mantsjoerije. Van de ene generatie in de andere hadden mensen hun leven in de strijd geofferd en er was nooit iets van de grond gekomen. Hoe werd men schrijver in zo’n wereldomvattend abattoir?...”. De kranten staan vol vermeende Joodse samenzweringen. Over een antisemitische auteur: “… Hij wist zo goed de emoties op te zwepen dat ikzelf, terwijl ik las wat hij schreef, gehypnotiseerd raakte door zijn stijl, zijn gedrevenheid en zijn paranoïde achterdocht…”. Zo werkt dat, weet ik sinds de coronaperiode. “… Al het geklets over een betere toekomst, een rooskleurigere dag van morgen, een verenigde mensheid, of gelijkheid was gebaseerd op wensdromen, waanideeën en soms louter machtshonger. Het was mij duidelijk dat er na de eerste wereldoorlog een tweede zou komen, een derde, een tiende…”.

 

Gespleten

Het literaire tijdschrift waar Singer voor werkt wordt overgenomen door een grote uitgever waardoor hij meer gaat verdienen. En alsof dat niet genoeg is, wordt zijn broer Pools correspondent bij een voortvarende Amerikaanse Jiddische krant die, lang voordat de democratische wereld zich ervan bewust wordt, Stalins moorden aan het licht brengt. Zijn broer boert goed. De ziekelijk verlegen Singer mijdt zijn huis dat een zoete inval wordt voor de beau monde. Een vrouw hoeft maar naar hem te kijken en hij krijgt een kop als een biet. Hij voelt zich gespleten: “… Ik leefde als een libertijn maar bleef tot God bidden en om zijn genade vragen. Ik brak alle wetten van de Sjoelchan ‘Aroeg en las tegelijk de boeken van de kabbala en chassidische werken. Ik had de zwakheden ontdekt in beroemde filosofen, maar ik schreef dingen die er naïef, onhandig en amateuristisch uit kwamen…”. Hij ‘wedijvert’ met God, profeten, religies, filosofieën, en met de scheppers van de wereldliteratuur. Stelt alles in vraag.“… Er was een vijand in me gevaren, of een dibboek, die me op alle manieren dwars zat en kat en muis met me speelde. Zodra ik over een fobie of een neurose las werd ik er prompt het slachtoffer van…”. Hij denkt dat hij kanker heeft. En vervolgens een hersentumor: “… ik werd blind, doof, verlamd, gek…”. Hij lijdt aan nachtmerries: “… Een of andere maniak zei waanzinnige dingen in mijn hoofd en ik kon hem niet tot zwijgen brengen…”. Hij vertelt hoe hij in boekwinkels en bibliotheken stuit op verhalen over de valse messias Jacob Frank en zijn discipelen. Hij leest alles over Sabbati Zevi, over de straffen opgelegd aan heksen in Europa en Amerika, over massapsychose rond de kruistochten: “… In die boeken vond ik alles waar ik over piekerde – hysterie, sex, fanatisme, bijgeloof. Het feit wilde dat bij ons thuis deze onderwerpen altijd waren besproken en geanalyseerd…”. Even verder: “… Twistpunten tussen rabbijnen die wel tweehonderd jaar teruggingen hadden bij ons in huis meer gewicht dan de dagelijkse gebeurtenissen in de krant…”. Zijn vader gelooft elk woord van de kabbalisten, zijn moeder is rationeler: “… Omdat mijn broer Jozua verlicht was geworden en vader vreesde dat de jongere kinderen zijn voorbeeld zouden volgen, bestookte hij ons met verhalen over verhuisde geesten, dibboeks en wonderen verricht door verschillende wonderrabijnen en heiligen…”. Het zal het arsenaal worden waaruit hij zijn verhalen put.

 

Spanning

Deels houdt Singer van Gina, deels haat hij zijn lief: “… Mijn ideaal is altijd geweest een nette joodse dochter…”. Een stem in zijn hoofd beschuldigt hem: “… Je hebt gepaard met Lilith, Naama, Machlat, Sjibta…!...”. Hij vergelijkt zich met de verkenners van Jericho en haar met Rachab de hoer. Met Abraham en Hagar. Met Ruben en Bilha. Met Boaz en Ruth. Met David en Bathseba. En eerlijk gezegd komt die Gina ook over als behoorlijk gek. Hoe ouder ze wordt hoe meer beslag ze op Singer gaat leggen. Hij voelt zich gevangen. Hij wordt haar pathos moe. Stiekem gaat hij op zoek naar een nieuwe kamer waar hij rustig kan werken. Hij laat haar hysterisch achter. Hij belandt bijna in een schijnhuwelijk. Hij laaft zich aan de roddels en wilde verhalen op de Schrijversclub: “… Na bijna tweeduizend jaar van getto’s en verregaande afzondering van de gojse wereld, daagde er bij de geëmancipeerde jood een tomeloos verlangen naar wereldse zaken, gekoppeld aan een grenzeloze energie…”. De Joodse jeugd heeft veel in te halen. Langzaam komt hij er achter dat ‘spanning’ het wezen is van het leven en de kunst. Dat het de Jiddische literatuur ontbreekt aan verwikkelingen en dilemma’s en crisissituaties. Een roman moet zijn lezers weten te trekken. “… De vrees voor verveling is vaak even groot, zo niet groter dan de vrees voor de dood…”. Mensen hebben voortdurend behoefte aan avontuur, verandering, risico, gevaar en uitdaging, aldus Singer. Hij droomt over een nieuwe filosofie waarin je spanning kunt beleven zonder anderen te schaden. Oftewel: zonder te moorden, te verraden, te verkrachten. Daarom is de televisie uitgevonden denk ik. Hij schrijft dat hij hongert naar iets van de spanning die hij aantreft in het werk van Balzac, Victor Hugo, Tolstoi,  Flaubert, Alexandre Dumas, Strindberg en Dostojevki. Zie “Misdaad en straf” zou ik zeggen. Hij vertaalt “Der Zauberberg” van Thomas Mann in het Jiddisch en durft bijna niet te zeggen dat hij er niets aan vindt: “… Ik hield veel meer van “De Bruddenbrooks” van Thomas Mann en “Colas Breugnon” van Romain Rolland, boeken vol levensvuur…”.

 

Een geweldig en complex vijgenblad

Singer neemt geen blad voor de mond. De literatuur die hij moet corrigeren noemt hij zonder meer ‘troep’. Propaganda. De linkse Joodse auteurs schrijven voortdurend over Joodse fabrieksarbeiders en zelfs boeren: ‘een ras dat amper bestaat’. Hij wordt er bijna onpasselijk van. Op een gegeven moment houdt hij twee kamers aan, omdat de vrouwen op beide adressen tot zijn eigen verbijstering verliefd op hem zijn: “… Het was nooit tot me doorgedrongen dat ik zo goed in de markt lag. Ik was niet groot of knap en ik sprak belabberd Pools. Als ik eens in de spiegel keek werd ik bijna bang van mezelf…”. Hij heeft het over zijn vuurrode haar, zijn bleke gezicht, zijn flaporen, zijn holle rug. Hij loopt krom. Zijn das zit eeuwig scheef, de knopen springen vanzelf van zijn jas, zijn veters raken altijd los, zijn broek slobbert en dreigt voortdurend af te zakken. Hij is behept met een oneindig minderwaardigheidscomplex: “… Ik had altijd al gevonden dat het verhaal in Genesis over Adam en Eva, die zich na het eten van de vrucht van de boom der kennis bewust worden van hun naaktheid, de essentie van de mens uitdrukte. De mens is het enige schepsel dat zich schaamt om te zijn wat hij is. De hele menselijke cultuur is een geweldige inspanning om te bedekken en te verfraaien, een geweldig en complex vijgenblad…”. Natuurlijk heeft Singer gelijk: zie de moderne media. Waar Singer écht in gelooft, wordt uiteindelijk duidelijk in de volgende passage: “… We zaten rond de tafel met Sabina, haar moeder en haar twee broers en aten het avondmaal. Bryna Reizel, zoals de moeder van Sabina heette, vertelde verhalen over haar geboortestad. Ik luisterde naar elk woord. De filosofie had me teleurgesteld, ik geloofde nauwelijks in psychologie en helemaal niet in sociologie, maar ik was tot de slotsom gekomen dat veel waarheden en fragmenten van waarheden besloten lagen in folklore, dromen en fantasieën. Waar denken niet is gebonden aan discipline is het in staat een glimp op te vangen achter het gordijn van het fenomeen…”.

 

Uitgave: De Arbeiderspers – 1985, Privé Domein 114, vertaling Joop van Helmond, 204 blz., ISBN 978 902 954 616 4

Alleen nog tweedehands verkrijgbaar