Menu

woensdag 11 december 2024

De sterren vertellen – Ds. Willem J.J. Glashouwer

 

 

Subtitel: Inspiratie uit de hemel, vroeger en nu

 

Leon de Winter prikkelde mij met “Stad van de honden” niet alleen tot het lezen van “Herzog” (zie mijn vorige blog), maar ik zocht ook verder naar aanleiding van zijn fascinerende verhaal over de Kanaänitische godin Asherah, die de echtgenote van Jahweh zou zijn geweest. Ik stuitte op een cultuurfilosofisch onderzoek dat de behoudende predikant Willem Glashouwer (1944, ooit programmamaker bij de EO) in coronatijd schreef, waarin de oeroude wereld van Asherah uitvoerig aan bod komt. “De sterren vertellen” is een bijna Erich von Däniken-achtig boek over de betekenis van de dierenriem. Glashouwer vraagt zich als Bijbeldeskundige aan het eind dan ook af of er niet teveel ‘inlegkunde’ meespeelt: voor een timmerman is natuurlijk álles een spijker. Oordeel zelf, zou ik zeggen. Ik vond zijn betoog in ieder geval waanzinnig origineel. Al sinds het begin van de mensheid spelen sterrenbeelden een belangrijke rol. Ze duiken op in de oude godenverhalen van Mesopotamië, Babylon en India tot in die van de Grieken en Romeinen uit de klassieke Oudheid. Glashouwer haalt een paar negentiende-eeuwse Engelse studies onder het stof vandaan, waarin de zodiac wordt geïnterpreteerd als een soort Bijbels ‘stripverhaal’: een woordeloos Evangelie dat ooit wereldwijd door elk mens op aarde in de sterren te lezen was. Natuurlijk wijst de Bijbel sterrenwichelarij, occulte waarzeggerij en moderne astrologie af. Maar dat betekent nog niet dat de sterren geen goddelijke boodschap kunnen bevatten, aldus Glashouwer. Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 4 vers 19 over de rol van de zon, de maan en de sterren voor ‘andere volken’ dan Israël. Of het verhaal over de Wijzen uit het Oosten, die door een ster wisten dat er een koning was geboren - waaraan Glashouwer  trouwens een geheel eigen interpretatie wijdt. Het ultieme kerstboek…

 

De hemelschijf van Nebra

Hij begint met een verslag over zijn bezoek aan het Drents museum waar in de zomer van 2022 de ‘Hemelschijf van Nebra’ te zien was: de oudste realistische afbeelding van de kosmos. De Nebra-schijf dateert uit ongeveer 1800 voor Christus en werd rond 1600 voor Christus, samen met zwaarden, bijlen en armbanden begraven in de Mittelberg bij het plaatsje Nebra in Duitsland. Waarschijnlijk als een soort offer. In die tijd werd er in Midden-Europa, waar toen de Úněticecultuur bestond, nog geen schrift gebruikt. Per toeval stuitten in 1999 twee mannen met metaaldetectoren op deze schat. De hemelschijf is ontworpen als een soort kalender: “… De Plejaden, een groepje van zeven sterren, markeren in wisselspel met de sikkelmaan dan wel volle maan het begin en het einde van het landbouwjaar. De makers hielden zelfs rekening met schrikkeljaren, om de zonne- en maankalender synchroon te houden…”.

 

God en de goden

De eerste helft van het boek gaat over de oude godenverhalen. De vraag waar het om draait: “… Hoe kan een mens weten dat God bestaat? En als Hij bestaat, hoe kan een mens dan God leren kennen? Ook als je nooit gehoord hebt van de Bijbel? Of geboren bent in een tijd dat de Bijbel nog niet bestond? Of behoort tot een van de schriftloze volkeren? Wat kan de mens vanuit zichzelf van God te weten komen? Wat zijn de bronnen waaruit de natuurlijke mens kan putten?...”. Ver vóór het ontstaan van de Bijbel, Israël, het Jodendom en de verspreiding van het christendom dachten de mensen al na over de rol van God en de goden in de hen omringende wereld: “… Er bleek in de geschriften van diverse historici in de Antieke wereld en bij de vroegste filosofen een diepe kennis te bestaan aangaande een eeuwige, scheppende, almachtige God, die gezien werd als Vader van het menselijk ras, met oneindig veel eigenschappen…”. Vooral in de Grieks-Romeinse wereld ontstond een fundamentele discussie die eeuwenlang zou voortwoeden tussen degenen die voorstander waren van een Schepper-God en zij die deze gedachten bestreden omdat ze enkel geloofden in de natuurlijke krachten van de materie. Het vraagstuk schepping versus evolutie en geloof versus wetenschap  blijkt van alle tijden.

 

De Miletische natuurfilosofen

Glashouwer haalt de Miletische natuurfilosofen aan, met denkers als Thales (‘alles is water’), Anaximander (‘alles is apeiron’: oneindig/onbepaald) en Aximenes (‘alles is lucht’), waarmee het Griekse wetenschappelijke denken in de zesde eeuw voor Christus zo’n beetje begint. Zij namen geen genoegen met de verklaring dat de wereld het werk van de Griekse goden was en zochten naar een natuurlijk oerbeginsel. Gaandeweg werden aarde, water, lucht en vuur beschouwd als de bouwstenen van alles wat bestaat. Zie Empedocles (circa 494-432 voor Christus). Thales van Milete wist via natuurkundige en wiskundige berekeningen de zonsverduistering van 585 voor Christus te voorspellen: niks geen ‘ingrijpen van de goden’. Zijn leerling Anaximander ontwikkelde niets minder dan een volledige evolutietheorie: “… Plutarchus citeert hem als hij zegt: ‘oorspronkelijk werden mensen geboren uit dieren van een andere soort’ enzovoort…”.

 

Niets nieuws onder de zon

Pythagoras kwam niet alleen met ‘de stelling vanPythagoras’, maar ook met het idee van de ‘eeuwige, onsterfelijke ziel’ die na de dood van het lichaam naar de wereld van God en de goden gaat. Het christendom werd sterk beïnvloed door dit Grieks-filosofische gedachtegoed. Anaxagoras (circa 500-428 voor Christus) vond dat de werkelijkheid wel beheerst móest worden door een aanwezige ‘nous’, een geest, een inherente ratio. Er waren ‘atomisten’, zoals Democritus van Abdera (circa 460-370 voor Christus), die al geloofden dat de kosmos bestond uit leegte met daarin eeuwige, eindeloos bewegende deeltjes. De rondreizende dichter en filosoof Xenophanes (570-540 voor Christus) beschuldigde de beroemde Griekse dichters en geschiedschrijvers Homerus (circa 800-750 voor Christus) en Hesiodus (midden achtste eeuw voor Christus) van het schrijven van lariekoek. Hun zelfbedachte goden: allemaal projectie. Een kapstok waaraan de mens zijn vragen en problemen ophangt. Zie Ludwig Feuerbach, Karl Marx, Albert Camus, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Hugo Borst.  Er is niets nieuws onder de zon. Xenophanes geloofde echter wél in een almachtig goddelijk wezen. Zijn naam is onuitsprekelijk. Kan niet genoemd worden. Hesiodus blijkt in zijn  ‘Theogenie’ in een ‘creatio ex nihilo’ – ‘schepping uit het niets’ te geloven. Zijn beschrijving doet denken aan het Bijbelboek Genesis: “… Allereerst ontstond de leegte… vervolgens de aarde… uit de leegte kwam duisternis… en uit de Nacht kwam het Licht en de Dag…”.

 

Plato

De sleutelfiguren in de bloeitijd van de Griekse filosofie waren Socrates (circa 470/469 -399 voor Christus) en zijn leerling Plato (427-347 voor Christus), volgens wie de echte, oorspronkelijke werkelijkheid der ideeën zich in de onzichtbare wereld bevindt. Plato geloofde ook in een onuitsprekelijke Schepper-God, de Vormgever van het heelal, en weet de ziel gevangen in het lichaam, wat goed aansloeg bij de christenen. Als Socrates stervende is wanneer hem de gifbeker wordt opgedrongen als straf voor het met zijn praatjes bederven van de jeugd, vraagt hij een haan te offeren aan Asklepios als dank voor zijn ‘genezing’: hij verwachtte een betere toekomst binnen te gaan. Veel christenen zien de hemelse heerlijkheid ook als einddoel. Zeno stichtte in circa 308 voor Christus de school van de Stoa waar het ‘godsbegrip’ tot een nog veel genialer hoogte werd opgestuwd. Zij concludeerden dat er ‘iets’ of ‘iemand’ groter moest zijn dan de denkende mens die niet alles kan voortbrengen uit zichzelf: zie de hemellichamen.

 

De Romeinen

Na hen komen de Romeinse filosofen. Cicero (106-43 voor Christus) bestrijdt met kracht het materialistische denken. Hij gelooft niet in toeval. Als je de letters van het alfabet door elkaar husselt valt er ook niet ineens een boek als de ‘Annalen’ op de grond. Er moet een Ontwerper achter zitten, aldus Lucilius. Seneca (circa 4 voor Christus – 65 na Christus), schrijft in een brief: “… God is in de buurt van jou, hij is met jou, hij is binnenin jou…”. Paulus zegt hetzelfde in Handelingen 17:28 waar hij trouwens letterlijk de woorden van de dichter Aratus (315-240 voor Christus) aanhaalt.

 

Opstanding

Deze voorchristelijke wereld is het toneel van de apostel Paulus. Paulus ontdekt dat de Grieken een oprecht verlangen hebben om god, goden en halfgoden te dienen: “… Ze zijn niet a-religieus, integendeel. De Grieken hebben grote eerbied voor de onzichtbare wereld. Voor het bovennatuurlijke. Paulus beoordeelt dat niet negatief. Hij spreekt er zelfs met waardering over. Maar ook met bedenkingen…”. Tijdens zijn zendingsreizen discussieert Paulus kennelijk vooral met hedonistische epicureeërs (die je kunt zien als moderne materialisten) en cerebrale stoïcijnen – zie Handelingen 17:18-20. In de brief aan de Romeinen zegt Paulus over de mogelijkheid om al denkend tot de overtuiging te komen dat er een onzichtbare scheppende God moet zijn: “… Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien…” (Rom. 1:20). Zie bijvoorbeeld de Taoïst Lao-Tse in China die in de 6e eeuw voor Christus schrijft: “… Voor dat er ‘tijd’ bestond, en gedurende het bestaan van ‘tijd’ heeft er altijd een ongeschapen ‘Wezen’ bestaan, eeuwig, oneindig, volmaakt, alom tegenwoordig… Buiten dit ‘Wezen’, voor het begin van alles dat nu bestaat, was er niets…”. Zijn tegenstem Kuo Hsiang schrijft daarentegen: “… Ik waag het te vragen of er een Schepper bestáát of niet. Als hij niet bestaat, hoe kan Hij dan dingen scheppen?... Het ‘scheppen van dingen’ heeft geen God; alles schept zichzelf…”. Wanneer je gelooft in God weet je echter nog steeds niet hoe Hij wil dat je moet leven. Paulus concludeert dat er ook een innerlijke hulpbron van Godskennis is: je ‘geweten’. Zie Romeinen 2:14-15. Het breekpunt in het gesprek van Paulus met de Grieks-Romeinse filosofen is dan ook niet zozeer het geloof in God, als wel het geloof in de ‘lichamelijke opstanding’. Dat gaat rechtstreeks tegen ons denken in.

 

Egypte

De goddelijke schepping van het universum beheerste ook het denken van de oude Egyptenaren. Het ging in Egypte weliswaar niet om één God, maar om vele ‘goden’. Hoewel er ooit één ketter was: Ahknaton, die geloofde in één God, gepresenteerd door de zon. De Egyptenaren aanbaden goden die meestal een menselijk lichaam hadden met het hoofd van een dier. Zij werden, zoals trouwens in elke primitieve beschaving, gelinkt aan natuurkrachten. Sechmet bijvoorbeeld was half vrouw, half leeuwin. Anoebis, de god van de dood, had het hoofd van een jakhals. Thot, de god van de wijsheid, werd afgebeeld als een aap of als mens met de kop van een ibis. Hathor, de godin van liefde en geluk, dans en muziek, was een vrouw met de oren en horens van een koe. Horus, heerser over hemel en sterren, werd als een valk voorgesteld. Moet of Mut, de oergodin, was een gier. Veel dieren waren heilig en werden vereerd in tempels zoals de kat in het oude Boebastis, de cultusplaats van de kat-godin Bastet. De Egyptische hemelgodin was Noet, afgebeeld als een met sterren getooide vrouw die zich over de aarde buigt. Elke avond slikte ze de zon in die de volgende dag weer uit haar schoot werd geboren. Zij was getrouwd met haar broer Geb, de aardgod. Samen hadden ze vijf kinderen: Osiris, Isis, Seth, Nephthys en Horus de Oude. Een ontkenning van een scheppende Almacht kwam ook niet voor in het oude Mesopotamië of in Israël. Dus bestond er in de Antieke Oudheid nagenoeg universele overeenstemming over dat een goddelijk Opperwezen dan wel goddelijke machten het heelal en de wereld geschapen hadden.

 

De tien plagen

Volgens de Bijbel vindt er afgoderij plaats als de schépping wordt vereerd in plaats van de Schepper. De aanhangers van de Egyptische goden haten de Israëlieten, wat uiteindelijk culmineert in het gebod van de farao alle Israëlitische jongetjes te verdrinken in de Nijl. Glashouwer vergelijkt deze gebeurtenis met het antisemitisme van de Nazi’s. Via Mozes grijpt de Allerhoogste, JHWH, in. De strijd met de goden van Egypte wordt aangebonden door middel van tien plagen. Israël moet zelf óók leren wie de ware God is: zie Ezechiël 20:5-7. Ze zijn hardleers: zie het vervolg in 8-11. In de eerste plaats wordt de Nijl, vereerd als Hapi, de gever van leven, getroffen. Het water verandert in bloed – stinkt, is giftig, ondrinkbaar en alle vissen sterven. De veepest en zwerenplaag treft Apis, de stiergod. De sprinkhanenplaag vernedert Serapis, de beschermgod tegen sprinkhanen. De kikkerplaag onteert Heket, een gestalte van de god Hathor. De muggen- en steekvliegen ontluisteren Isis en de andere godinnen. De duisternis toont de machteloosheid van Ra, de zonnegod.

 

Wijsheid der Egyptenaren

Israël wordt uit Egypte  gehaald, maar het is moeilijker om Egypte uit Israël te halen. Zie de aanbidding van het gouden kalf in de woestijn: één van de Egyptische goden. Opmerkelijk genoeg is de belangrijkste Nederlandse filmprijs ook een ‘Gouden Kalf’. Zie actrice Natalie Portman hierover. Mozes werd onderwezen in ‘de wijsheid der Egyptenaren’. De Papyrus Ebers beschrijft anno 1500 voor Christus hoe ruim zevenhonderd kwalen moeten worden behandeld. Daar word je niet echt vrolijk van. Een oogontsteking is te behandelen met de urine van een trouwe echtgenote. Om kaalheid tegen te gaan moet je de hoofdhuid insmeren met een mix van zes soorten dierlijk vet: van een paard, een nijlpaard, een krokodil, een kat, een slang en een wilde geit. Voor ontstekingen veroorzaakt door splinters is een zalf van bloed, wormen en ontlasting van een ezel goed. Er worden honderden zalven, preparaten en recepten opgedist met ingrediënten als stof van stenen beelden, dekschilden van kevers, muizenstaarten, kattenharen, varkensogen, hondentenen, borstmelk, menselijk sperma, ogen van palingen, ingewanden van ganzen, enzovoort: “… De papyrus zegt ‘dat het goed is voor wonden om een beetje te gaan rotten…”. Het is dan ook niet zo raar dat Mozes in Leviticus 18:1-5 waarschuwt NIET de wijsheid van de Egyptenaren en de inwoners van Kanaän te volgen.

 

Velikovsky

De Papyrus Ipuwer, een verslag van rampen die Egypte trof, bracht de hoogbegaafde maar desondanks door velen als pseudo-wetenschapper beschouwde dr. Immanuel Velikovsky (1895-1979), in verband met de plagen van Egypte. Achteraf kreeg Velikovsky in veel zaken gelijk. Volgens Velikovsky had de overtocht door de drooggevallen Schelfzee van de Israëlieten te maken met een wereldwijde catastrofe. Glashouwer vertelt hoe het hem in de jaren zeventig lukte Velikovsky, die nooit interviews gaf, toch te filmen. Hij woonde in een groot huis waar hij vijf, zes kamers gebruikte om gelijktijdig aan verschillende onderwerpen te werken. Elke kamer was gewijd aan een bepaalde tijdsperiode. Soms kreeg hij tijdens een gesprek ineens een wazige blik in zijn ogen, vloog naar boven om een paar zinnen op te schrijven, waarna hij weer naar beneden kwam. Glashouwer’s collega, Frits Kerkhof, zorgde dat Velikovsky’s populaire boeken bij AnkHermes in Nederland werden uitgegeven.

 

Asjera

Steeds wordt het volk Israël gewaarschuwd door de Bijbelse profeten als ze zich inlaten met de afgodendienst van de volken om hen heen. In de Assyrisch-Babylonische sterrendienst werden de hemellichamen (‘heir des hemels’) als goden vereerd. Zie 2 Koningen 21:2-7 en Jesaja 47:12-15. De Kanaänitische ‘Moeder van de Goden’ Asjera of Inanna (zie “Stad van de honden” van Leon de Winter) is de personificatie van de levensboom of evolutiestamboom. Ze is ook ‘de Vrouw die de Zee doorkruist’. Ze werd voorgesteld als een boom bij het altaar of alleenstaande zuil of paal. Zie1 Koningen 16:32-33, 2 Koningen 23:4-7 en Jeremia 17:1-8. In een Sumerische inscriptie komt zij voor als vrouw van Anu of El, de vadergod van het Kanaänitische pantheon. In de oud-Babylonische tijd was Asjera de vrouw van de Amoritische god Amurru. Ze was de moeder van zeventig goden, waaronder Baäl. Asjera is ook de aanduiding van een heilige boom, een ‘groene’ boom die voor het leven staat en waarbij vaak een lokale boomcultus werd voltrokken. Meestal stonden er twee bomen bij een tempel, oorspronkelijk vijgenbomen, die beschouwd werden als het lichaam van de koningin op aarde. Door de verering van Asjera zouden de Israëlieten zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun rijk: “… In Israël zijn verschillende inscripties gevonden waarin Asjera wordt genoemd. Het gaat in die inscripties over ‘JHWH en Zijn Asjera’. Waarschijnlijk werd Asjera soms gezien als de vrouw van JHWH, en op die manier vereerd. Haar rol was dan onder meer om voorspraak te doen voor mensen bij JHWH. Dit doet denken aan de rol van Maria, de moeder van Jezus, zoals die aan haar wordt toegedicht door sommige kerken in het christendom…”. Archeologen hebben voor haar ingerichte huisaltaren uit de zesde eeuw voor Christus ontdekt. Ook de belangrijke Joodse Bijbelcommentator Rashi (1040-1105) legt uit dat Asjeirim verwijst naar bomen die aanbeden worden door de Kanaänieten. Verder heeft de profeet Ezechiël het nog over Tammuz, de god van de plantengroei en een zoon van haar, die beweend wordt. Zie Ezechiël 8:14 en 15. En over Astarte, de Fenicische godin van de vruchtbaarheid, seksualiteit en oorlog die er een leger aan heilige tempelprostituees op nahield. Zie Ezechiël 8:7-18. 

 

Nimrod

De astrologie werd ingevoerd door één van de eerste machthebbers op aarde: Nimrod. Een achterkleinzoon van Noach en bouwer van Babel. Zie Genesis 10:8-12. De Babyloniërs vormden een natie van sterrenkijkers. Zij hadden een groep mensen die niets anders deed dan eclipsen, verschijningen van de maan, zonnevlekken, et cetera, rapporteren. De ‘Toren van Babel’ (zie Genesis 11) is waarschijnlijk één van de vele  sterren-observatoria geweest en geen toren die tot in de hemel reikt – zo dom waren de Babyloniërs nu ook weer niet – maar een toren met de hemel op de top: de tekens van de dierenriem, de zodiak, de sterrenbeelden, waarvan zij de uitvinders waren: de bron van hun nieuwe eigen godsdienst. De door Nimrod uitgevonden eerste priesterklasse volgde nauwkeurig de bewegingen van zon, maan en sterren en associeerden hun goden en godinnen met planeten en sterren. Wij weten hiervan doordat de Babyloniërs ook de uitvinders van het spijkerschrift waren, waardoor een stroom van literatuur op gang kwam: mythen, sagen, heldendichten, wijsheidsliteratuur, spreuken, fabels, businesscontracten, testamenten, etc., waaronder het beroemde Gilgamesh-epos dat refereert aan de Bijbelse zondvloed. Een groot deel van de kleitabletten uit de Babylonische bibliotheken gaat over astronomie gecombineerd met astrologie (zie Jesaja 47:13). Er was sprake van polytheïsme, toekomstvoorspellingen naar aanleiding van de vlucht van vogels, vele verschillende offers waaronder mensenoffers, voortekenen en riten om de toekomst te voorspellen en te beïnvloeden of te beheersen. De aarde werd als een vrouwelijke godheid gedacht die bevrucht werd door de hemel als mannelijke godheid, gesymboliseerd door de ‘godenbruiloft’ dan wel het ‘heilig huwelijk’.

 

De maangodin

Ur en Haran in Mesopotamië, een onderdeel van het Babylonische rijk waar de Sumerische beschaving ontstond en Abraham vandaan kwam, waren centra waar de scheppingsgodin Nammu, Nana of Nina dan wel Sin werd vereerd. Intrigerend genoeg verbinden bepaalde onderzoekers deze godin met de maansikkel op de moskeeën en vlaggen van islamitische landen. “… Volgens sommige godsdienstgeleerden was Allah een van de driehonderdvijfenzestig goden (woestijngeesten of djinns), voor elke dag één, die bij de Zwarte Steen, de Ka’aba, in Mekka door de Arabische woestijnstammen vereerd werden, allang vóór Mohammed…”. Frappant is dat in de tempel van de godin Diana bij Paphos op Cyprus, die trouwens een maansikkel op haar hoofd droeg, ook een stuk van een meteoor, een zwarte steen, stond. Toen Mohammed het eindelijk lukte om Mekka te veroveren besliste hij dat de god die op deze dag aan de beurt was om vereerd te worden, van nu af aan de enige ware god zou zijn: Allah dus. Sommigen menen dat het de dag van de maangod(in) was. “… Het Jodendom begint bij Abraham, ongeveer 2000 voor Christus. Het christendom begint bij Jezus, dus bij het begin van de christelijke jaartelling. De islam begint bij Mohammed, ongeveer 600 na Christus. De islam beschouwt zichzelf als de laatste en definitieve openbaring van God, van Allah…”. In sommige Soemerische tabletten wordt de maangodin ook Grote Moederslang van de Hemel genoemd, wat overeenstemt met haar vorm als Tiamat. Glashouwer leidt de maangodin helemaal terug naar Semiramis, de vrouw van Nimrod. Ze was ook zijn moeder. Nimrod zette de grote opstand tegen God in  door het vuur te aanbidden, de aardse representant van de zonnegod, die vanaf de vroegste tijden werd vereerd onder de naam Baäl. Semiramis kwam bekend te staan als de ‘verdorven vrouw’ en ‘grote hoer’. Zie ook mijn blog over "De moedergodin in de oudheid" van dr. C.J. Bleeker.

 

Spraakverwarring

De Allerhoogste maakte een einde aan  de demonische ontwikkelingen in Babel door de legendarische spraakverwarring waardoor de mensen zich over de aarde begonnen te verspreiden. Ze namen echter de goden van hun valse religie mee op hun trektocht, die overal andere namen kregen, aldus Glashouwer. Egypte kent het godenpaar Isis en Osiris. In Assyrië heten ze Assur en Isjtar. In Babylon gaat het om Bel enBelit. In Perzië krijgen ze de naam Mithra en Anahita. In Griekenland Helios en Artemis. In Rome Apollo en Diana. In de Bijbel gaat het om Baäl en Ashteroth. “… Babel is de stad van de mens, met haar eigen godsdienst van de mens. Jeruzalem is de stad van God. Die twee principes vind je terug in de hele Bijbel…”. De Perzische zonnegod Mithras speelde een belangrijke rol in het Zoroastrisme en had ook een grote invloed op het christendom. Het sacrament van brood en wijn, het dragen van de mijter, de titels ‘pater’ en ‘pontifex maximus’, de datum van kerst, de uitdrukking Deus Sol Invictus (onoverwinnelijke zon) en het idee van verlossing door het vergieten van het eeuwige bloed (van een stier) komen allemaal voort uit de Mithrasreligie.

 

Scholastiek

Vanaf de zestiende eeuw stempelt het nieuwe denken van Thomas van Aquino (ca. 1225-1274) het katholicisme. Hij brengt een synthese tot stand tussen de filosofie van Aristoteles en het christendom. Aristoteles focust op de ‘zintuiglijke waarneming’. Niet de introspectie à la Plato maar het ‘naar buiten kijken’ wordt belangrijk. Naast de abdijscholen komen de universiteiten op. Als eerste die van Bologna (1088) en daarna die van Parijs en Oxford in de twaalfde eeuw, waar de rationele, kritische en argumenterende ‘scholastische methode’ wordt toegepast. Het gevolg is een tweedeling tussen wereld en kerk. De ‘beneden-natuur’ wordt gescheiden van de ‘boven-natuur’: “… Voor de dingen van het ‘weten’ moet je zijn bij het redelijk denken, zintuiglijke waarneming, wetenschappelijke proefnemingen, experimenten, et cetera… “. Zie de rationele theologie van Anselmus van Canterbury.

 

Verlichting

In de Renaissance wordt de astronomie losgekoppeld van de astrologie, en een aparte wetenschap. Uiteindelijk vormt alléén het logische denken uitgangspunt voor ‘zeker weten’. Zie René Descartes (1596-1650) met zijn ‘Cogito, ergo sum’: ik denk dus ik besta. Zie vooral de Franse filosofen van de Verlichting. In de zestiende eeuw vond binnen de astronomie ook de Copernicaanse revolutie plaats, waarbij het middeleeuwse geocentrische model van Ptolemaeus werd vervangen door het heliocentriscche model. In de klassieke oudheid had Aristarchus van Samos (circa 310-230 voor Christus) trouwens allang beweerd dat de aarde om de zon draaide! Volgens een peiling uit 2005 beschouwden leden van de Britse Society de natuur- en wiskundige Isaac Newton (1643-1727) als de grootste geleerde in de hele geschiedenis van de wetenschap. Toch was hij verre van een rationalistische vrijdenker: hij schreef meer Bijbelcommentaren dan wetenschappelijke werken. Ondertussen staat vandaag de dag de rooms-katholieke apotheker Nostradamus (1503-1566)  met zijn vage profetieën weer volop in de belangstelling. Glashouwer: “… Nostradamus was een intelligent en geleerd man. Maar gaandeweg in zijn leven is hij verstrikt geraakt in het warrige net van het occulte…”.

 

Geestelijk vacuüm

De christelijke professor dr. K.H. Miskotte waarschuwt in “Edda en Thora” uit 1939 dat het geestelijk vacuüm, nadat het Jodendom en christendom zijn achtergelaten, zich zal vullen met oude en nieuwe goden. Frank Mulder vertelt in een artikel in de Trouw van 27.11.2017 dat de nazi’s inderdaad gefascineerd waren door occult denken. Zie “Hitler’s Monsters: A Supernatural History of the Third Reich” van historicus Eric Kurlander. Het Duitse volk raakte ‘bezeten’ door het archetype Wodan, aldus psychoanalyticus Carl Jung. Hij schrijft dat Hitler mensen ‘betoverde’. Ik heb mij altijd afgevraagd hoe dat kon. Volgens Jung en andere waarnemers was dat alleen mogelijk doordat mensen al jarenlang waren blootgesteld aan bovennatuurlijk denken. Wat zegt dat voor nu? “… Onze liberale democratie is gebaseerd op het vertrouwen dat mensen voor rede vatbaar zijn. Ik zie dat om me heen verkruimelen…”. De hele alt-right-beweging bijvoorbeeld weet zich geïnspireerd door het grenswetenschappelijke, mystieke, natuurlijke levensgevoel. Talloze mensen baseren hun politieke ideeën op eindtijdtheorieën, Joodse complotten of geruchten dat er in 1951 aliens in Amerika zijn geland. Zie ook “Waarheidszoekers” van Cees Zweistra. 

 

Wijzen uit het Oosten

Glashouwer beschrijft de zodiaks op het plafond van de Hathor-tempel in Dendara en in de oude synagoge van Enschede. De twaalf stammen van Israël schijnen te corresponderen met de twaalf tekens van de oorspronkelijke dierenriem, waarvan de betekenis op grond van de openbaring Gods na de Zondvloed al gauw is verminkt, verdraaid, verduisterd of verloren gegaan, volgens Glashouwer. De nieuwe afgodendiensten in Babylonië, India, Egypte, Griekenland en Rome gingen ermee aan de haal door middel van astrologie en sterrenwichelarij. Hij denkt dat de Wijzen uit het Oosten Joodse geleerden, sterrenkundigen en astronomen uit Babylonië (waar veel Joden sinds de ballingschap bleven hangen) zijn geweest, die de authentieke sterrenbeelden nog in hun zuivere betekenis konden lezen. Ze zagen een ster opkomen in een bepaald sterrenbeeld: “… Alleen de wijzen zagen de ster. Anderen kennelijk niet. Terwijl kometen, conjuncties en supernova’s door iedereen in de wereld konden worden waargenomen…”. Bovendien leidt de ster hen rechtstreeks naar Jeruzalem en exact naar de plek van Jezus geboorte, Bethlehem. Dat lukt geen enkele ster of komeet. Het gaat om een beweging van noord naar zuid terwijl alle andere hemelverschijnselen zich altijd van oost naar west voordoen. Daarom denkt Glashouwer dat het een tijdelijk en bijzonder Licht is geweest: “… Het moet te maken hebben met een engel Gods of met een manifestatie van de Shechina, de heerlijkheid Gods…”. Zie de herders die ook te maken krijgen met engelen en het hemelse licht van de wolk- en vuurkolom in de woestijn. Glashouwer wijst in dit verband eveneens op de reportage die hij ooit maakte over de van huis uit niet-religieuze of godsdienstige concentratiekampoverlevende en schrijver van “Nacht und Nebel”: Floris Bakels. Hij zag toen hij werd opgepakt een ‘bovennatuurlijk stralend wit licht’ boven Pijnakker en, terwijl hij de Kerst van 1943 doormaakte in kamp Natzweiler, een ‘geweldig zilveren kruis in de hemel’.  

 

Gods verlossingsplan in de sterren

In het tweede deel bespreekt Glashouwer wat christelijke wetenschappers over de dierenriem hebben te melden. De briljante taalgeleerde Frances Rolleston (1781-1864), schrijfster van “Mazzaroth: Or, the Constellations ontdekte dat de oudste zodiacs uit alle culturen van de wereld hetzelfde zijn, wat wijst op het bestaan van een oorspronkelijk ontwerp. Ze geven hun geheimen prijs als we de stand van de sterrenbeelden reconstrueren aan de hemel van zo’n vijfduizend jaar geleden. Sindsdien zijn er lichte verschuivingen opgetreden. Het woord zodiac komt van het Griekse woord ‘zodiakos’ dat van het Hebreeuwse ‘sodi’ stamt, wat in het Sanskriet ‘een weg’ betekent. Het wordt gebruikt voor de weg of het pad waarop de zon zich beweegt tussen de sterren in de loop van het jaar. Rolleston stelde zich de vraag waarom de hemelse planisfeer bedekt was met héidense afbeeldingen van helden, goden en godinnen. Ze was niet de enige: “… Bisschop Horsley (1733-1806) geloofde dat de fabels uit de Griekse mythologie terug te voeren zijn op de profetieën over de Messias, waarvan ze een perversie waren, bewust of door onwetendheid. Dit geldt in het bijzonder voor Hercules…”. Ze ging op zoek naar de originele sterrennamen en sterrenbeeldfiguren (zie Psalm 147:4), en merkte dat je er ook het hele verlossingsplan van God aan de hemel in kon lezen.

 

Het Raadsel van de Sfinx

Rollestone  ontraadselde en passant ook nog het geheim van de Sfinx, een woord dat van het Griekse ‘spingoo’ komt: ‘samenbinden’. De Sfinx, een Leeuw met een vrouwenhoofd, is op het plafond van de Zuilengang van de tempel van Esneh namelijk te zien tussen de sterrentekens van Leeuw en Maagd. Maakt de cirkel rond. Het (Bijbel)verhaal begint dus met een Maagd (die zwanger zal worden en een Zoon zal baren) en eindigt met de Leeuw (van Juda, die terug zal komen om eindelijk vrede op aarde te brengen). Daartussen is te zien Wie Hij is, wat Hij doet, en wat er vervolgens allemaal in Zijn leven zou gebeuren. Glashouwer gebruikt met toestemming de plaatjes uit de boeken van Jane S. Poole, die het gedachtegoed van Frances Rolleston uitwerkte, om heel de christelijke zodiac te reconstrueren en te becommentariëren. Verder bespreekt hij ook uitgebreid “The Witness of the Stars” van de controversiële anglicaanse theoloog E.W.Bullinger (1837-1913), dat in 1999 in het Nederlands werd uitgegeven als “Het Getuigenis van de Sterren” en alles weer net ietsje anders verklaart.

 

Zo boven, zo beneden

Waar een en ander op neerkomt is dat er in het totaal achtenveertig plaatjes dan wel afbeeldingen met een punaise op de sterrenhemel lijken te zijn geprikt. Elk van de twaalf hoofdsterrenbeelden worden namelijk ook nog eens begeleid door drie kleinere in rang: de ‘decanen’.  Een paar voorbeelden uit de lijst van sterrenbeelden: COMA – de vrouw met de lang verwachte Zoon op schoot. CENTAURUS – de twee naturen van Jezus: God en mens. BOOTES – de Goede Herder die zijn kudde leidt. CRUX – het kruis van Christus. LUPUS – het gedode slachtoffer namelijk het offer van Christus voor de zonde. CORONA – de kroon van Christus. SERPENS – de slang, de duivel. DRACO – de draak, de satan. DELFENIS – de uit de (volken)zee opspringende dolfijn die staat voor de opstanding. AQUARIUS – waterman die het ‘water des levens’ uitgiet. PEGASUS – gevleugeld paard dat de wederkomst van de Verlosser symboliseert. ‘Zo boven, zo beneden’. Ik vind het een ‘fantastisch’ verhaal, ik word er in deze sombere tijd helemaal vrolijk van…

 

Uitgave: Scholten – 2023, 444 blz., ISBN 978 908 326 426 4, 25,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zondag 1 december 2024

Herzog – Saul Bellow

 


In “Stad van de honden” van Leon de Winter (zie mijn blog van 06.11.24) pakt de protagonist in het Beresheet hotel een boek van een plank:  “… Hij las: ‘Als ik gek ben, vind ik het best hoor, dacht Moses Herzog. Sommige mensen dachten dat hij knetter was en een tijdlang had hij zelf getwijfeld of hij ze wel allemaal bij elkaar had. Maar hoewel hij zich nog steeds vreemd gedroeg, voelde hij zich nu vol zelfvertrouwen, opgewekt, helderziend…”. De beginzinnen van “Herzog” waarmee de Joods-Amerikaanse Nobelprijswinnaar Saul Bellow (1915 - 2005) in 1964 doorbrak bij het grote publiek. Zou je “Stad van de honden” kunnen omschrijven als ‘literatuur light’, “Herzog” is daarentegen bijzonder zware kost. Het heeft geen plot, maar het meesterlijke taalgebruik blaast je van je sokken, zelfs in vertaling. Voor mij is “Herzog” bij uitstek de verdeelde mens die tot eenheid tracht te komen (zie mijn vorige blog). Bellows universum bestaat uit intellectuele kracht, fijnmazige psychologie en superieure formuleringen, schrijft het NIW van 12.06.15. Voor je aan “Herzog” begint zou je het artikel over ‘Een eeuw Saul Bellow’ kunnen lezen als achtergrond, omdat Moses Elkanah Herzog bijna een alter ego van Saul Bellow zelf lijkt. ‘Fictie is de hoogste vorm van autobiografie,’ zei Bellow eens. Eerder besprak ik van hem het veel toegankelijker “De decaan en diens december”.

 

Extase

In “Herzog” zit je dan ook in de belevingswereld van een totaal overspannen kerel: “… Hij was met de manie behept geraakt brieven te schrijven aan ieder wezen onder de zon. Hij raakte zo opgewonden door deze brieven dat hij sinds eind juni met een koffer vol papieren van de ene plaats naar de andere trok…”. Hij doet een beetje aan Christophe Vekeman denken in “Tot God”: “… Ondergedoken op het platteland schreef hij eindeloos en fanatiek naar de kranten, naar personen uit het openbare leven, naar vrienden en familieleden en uiteindelijk naar de doden, zijn eigen onbekende doden en tenslotte naar beroemde doden…”. Ziedaar: het boek in een notendop. Herzog schrijft zelfs in het pashokje wanneer hij nieuwe kleren koopt. Hij “… voelde zijn vurige, vliegende geest naar buiten treden, spreken, doordringen, heldere oordelen vellen, uiteindelijke oplossingen geven, alleen noodzakelijke woorden. Hij verkeerde in een werveling van extase…”. En, alsof hij constant in gesprek is met zijn andere ik: “… Beste Moses E. Herzog, Sinds wanneer heb je zo’n belangstelling voor de sociale problemen in de buitenwereld? Tot niet zo lang geleden leidde je een leven van onschadelijke luiheid. Maar plotseling daalt er een faustiaanse geest van ontevredenheid en universele hervorming op je neer. Scheldend. Schimpend…”. Hij is de controle kwijt: “… Het was onvrijwillig. Zijn excentriciteiten hadden hem in hun macht. ‘Er zit iemand in me. Ik ben in zijn greep. Wanneer ik over hem praat, voel ik hem in mijn hoofd om stilte hameren’…”. Zijn gedachten gaan alle kanten op: “… Ik ben bang dat ik in stukken uiteenval…”.

 

Zelfobservatie

Zijn zelfobservatie is meedogenloos: hij geeft toe ”… dat hij een slechte echtgenoot was geweest – twee maal. Daisy, zijn eerste vrouw, had hij ellendig behandeld. Madeleine, zijn tweede, had geprobeerd hém kapot te maken. Voor zijn zoon en zijn dochter was hij een liefhebbende maar slechte vader. Voor zijn ouders was hij een ondankbaar kind geweest. Voor zijn vaderland een onverschillig burger. Voor zijn broers en zusters hartelijk maar op een afstand. In gezelschap van zijn vrienden was hij te veel met zichzelf bezig. In de liefde was hij lui. In algemene vrolijkheid vervelend. Tegenover macht passief. In zijn eigen ziel ontwijkend…”. Intussen denkt hij aan Mithridates, van 120 tot 63 v. Chr. koning van Pontus, “… wiens gestel leerde te gedijen op gif. Hij verschalkte zijn moordenaars, die de fout maakten kleine doses te gebruiken, en hij werd in het zuur gezet, maar ging niet kapot…”.

 

Slachtofferschap

Ramona, een van zijn vele vriendinnen (heeft hij last van hechtingsstoornisen?), ziet in wat voor een ‘vreemde’, ‘onbesuisde’, ‘overprikkelde’ toestand hij verkeert en vraagt waarom hij steeds probeert de duivel in zichzelf eronder te houden: “… Waarom sluit je er geen vriendschap mee – nou, waarom niet?...” (Joodser kun je het niet krijgen – zie mijn vorige blog). Hij kan evenwel ‘aanspraak maken op een zeker aanzien’ in een ‘geestelijk verward tijdperk’ als het zijne. Slachtofferschap is lonend: “… Hij begon langzamerhand in te zien dat zijn speciale soort van kortzichtigheid, gebrek aan werkelijkheidszin en duidelijke vindingrijkheid hem een hoge status verleenden…”.  Ja, “… De dag komt snel naderbij – Herzog in zijn redaktionele stemming – dat alleen het bewijs dat je wanhopig bent je machtigt om te stemmen…”. Saul Bellow voorziet als geen ander de tegenwoordige ‘emocratie’ (zie de talkshows - ‘Hoe voelt dat nou?’): “… Je moet verloren zijn. Voormalige ondeugden zijn nu gezondheidsmaatstaven. Alles is aan het veranderen. Publiekelijk bekennen van alle diepe wonden die eens werden gedragen alsof er niets aan de hand was. Een goed onderwerp: de geschiedenis van de zelfbeheersing in calvinistische samenlevingen. Toen iedere man, die angstaanjagende verdoemenis vreesde, zich moest gedragen als een uitverkorene…”.

 

Omgaan met een koning

Wat is er aan de hand? Zijn tweede, betoverende vrouw, Madeleine (“… Ik heb gezegd dat ze buitengewoon was. Ze is briljant, die kat, een verschrikking!...”), heeft hem bedonderd met zijn beste vriend, de charmante disk-jockey en radio-omroeper Valentine Gersbach, met zijn rooie haar en houten been. Herzog was Madeleine tegen het lijf gelopen tijdens het geven van een avondcursus (“… De mensen die naar de avondschool komen, zijn slechts ogenschijnlijk op cultuur uit. Zij hebben een grote behoefte, een honger, naar gezond verstand, klaarheid, waarheid – al was het maar een fraktie hiervan. De mensen gaan dood – dit is geen beeldspraak – aan gebrek aan iets van waarde om mee naar huis te nemen wanneer hun dagelijks werk is gedaan. Kijk hoe gretig ze de grootste onzin slikken…”). Herzog was een nieuw leven begonnen met de gelovige Madeleine, die hij volgens hem van de Kerk wist af te pikken. Alles had hij voor haar over. In een geluksroes gaf hij zijn solide positie als hoogleraar geschiedenis aan de universiteit op, om zich met haar in een groot oud krot van een landhuis op het afgelegen platteland van Berkshires te begraven, waar hij Valentine Gersbach ontmoette. Herzog adoreerde hem: “… Hij had de ogen van een profeet, een ‘Shofat’, ja een rechter in Israël…”. Met Valentine omgaan leek op ‘omgaan met een koning’: “… de diepte van zijn hart was zijn koninkrijk…”. Op majestueuze wijze sprak hij over de dood. Wonderbaarlijk bezield. Er was een trein over zijn been gereden toen hij in zijn jeugd een korte weg nam over een goederentreinplacement en onder de wagons doorkroop. Hij vertelde het verhaal honderden keren: “… Gerbach’s neiging tot herhalingen. Ieder mens had zijn eigen bundel gedichten…”. Herzog was vader geworden van een dochter terwijl hij probeerde een boek te schrijven over “… dat de mensheid nu vrij kan zijn maar dat de vrijheid niets inhoudt. Het is een ontzettende leegte…”. Al gauw begon Madeleine zich te vervelen en hadden ze alleen maar ruzies over geld. Ze wilde terug naar de stad om “… een graad te halen in Russische godsdienstgeschienis (geloof ik)…”. Dus kochten ze een huis in Chicago. Terwijl hij dubbele ramen aan het zetten was, zei ze dat ze wilde scheiden. Ze stuurde hem zijn eigen huis uit: “… zoals je een koekschaal of een badhanddoek terugstuurt naar de winkel…”. Ze had al een kamer geregeld bij een vriendje van hem. Ze 'stuurde hem terug de duisternis in'. Goot 'ammoniak uit over zijn  zenuwen'. O, zijn 'verwonde hart'...

 

Wat wil de vrouw

In een metrostation: “… Hij voelde dat alles  hem ontglipte in dat onderaardse gebrul van motoren, stemmen en voetstappen, en in de galerijen met lichten als vetoogjes in een gele soep en de sterke verstikkende geur van onderaards New York…”. Over een ijshockeywedstrijd: “… Op de baan vermengden de spelers zich als wespen – snel, gekapitonneerd, geel, zwart, rood, stuivend, hakkend, wervelend over het ijs. Boven de baan lag de tabaksrook als een wolk magnesiumpoeder, explosief…”. Als hij verhaal gaat halen bij Madeleine’s lievelingstante: “… Ze zegt dat je een diktator was, een echte tiran. Je terroriseerde haar…”. Hij zou aanmatigend en somber en zelfzuchtig zijn, piekerde te veel, en bovendien “… Erg veeleisend. Alles moet gaan zoals jij’t wilt. Ze zegt dat je haar doodmoe maakte met je vragen om hulp, bijstand…”. Herzog: “… Als ik zeg dat het huis vuil is, dat het stinkt, denkt zij dat ik kritiek heb op haar innerlijk en haar terug in het huishouden wil dwingen. Zonder respekt voor haar rechten als mens…”. Snapt hij het dan niet? “… Dat huis maakte haar tot een gevangene. Het moet gewoon vervelend zijn geweest, wassen en koken, en de baby stilhouden, of anders werd je woest, zei ze. Je kon niet nadenken als June huilde, en dan kwam je schreeuwend je kamer uitrennen…”. Even verder: "… ‘Geen man kan een vrouw tevreden stellen die hem niet moet,’ zei Herzog...". De tante: "...Nou, is dat niet een antwoord op je vragen?…". Herzog: "… We zullen nooit begrijpen wat vrouwen willen. Wat willen ze? Ze eten sla en drinken mensenbloed…".

 

De ingeblikte zuurkool van Spengler

Herzog blijkt zich om precies dezelfde items druk te maken als wij nu: de strijdvraag om de fall-out, chemische onkruidverdelgers, besmetting van het bodemwater: “… Geachte dr. Schrodinger, In ‘Wat is Leven?’ zegt u dat in de hele natuur alleen de mens aarzelt om pijn te veroorzaken. Daar vernietiging de hoofdmethode is waardoor de evolutie nieuwe soorten ontwikkelt, drukt de tegenzin om pijn te veroorzaken misschien het menselijk verlangen uit om de natuur wat dwars te zitten…”. Hoe voorkomen we W.O. III? “… Maar wat was de zaak? De zaak was dat er mensen waren die de mensheid konden vernietigen en dat zij zo dom waren, en eigenwijs, krankzinnig, en dat men ze moest smeken het niet te doen…”. Even verder: “… In iedere gemeenschap is er een groep mensen die hoogst gevaarlijk is voor de rest. De misdadigers bedoel ik niet. Voor hen hebben wij strafmaatregelen. Ik bedoel de leiders. Onveranderlijk zoeken de gevaarlijkste mensen de macht…”. We zijn de slaven van hen die de macht bezitten: “… Laten we nu allemaal onze lijkwaden aantrekken en naar Washington en Moskou lopen. Laten we gaan liggen, mannen, vrouwen, kinderen, en roepen: ‘Laat het leven voortgaan – misschien verdienen we het niet, maar laat het voortgaan.’…”. Herzog: “… Zijn alle tradities opgebruikt, hebben de geloven uitgediend, is het bewustzijn van de massa nog niet aan de volgende ontwikkeling toe? Is dit de periode van de algehele ontbinding? Is het barre ogenblik aangebroken, waarop het zedelijk bewustzijn sterft, het geweten uit elkaar valt, en de eerbied voor vrijheid, wetten, algemeen fatsoen, en de hele rest, vervalt tot lafheid, dekadentie en bloed?...”. We kunnen niet zonder ‘grote verhalen’ (zie mijn vorige blog): “… De revoluties van de twintigste eeuw, de bevrijding van de massa door het produktieproces schiep een eigen leven maar gaf niets om het te vullen…”. Oneerbiedig heeft hij het even later weer over de ‘ingeblikte zuurkool van Spengler’, het ‘goedkope’ geestelijke gewauwel over de vervreemding en het 'gejoel en  gejank' over onechtheid en verlatenheid. Als Jood weet hij zich een ‘overlevende’, een ‘uitverkorene’. De doden “… vliegen als uitroeiings-rook de schoorstenen uit, en laten je achter in het scherpe licht van het historische succes – het technische succes van het westen…”. En waarschuwend: “… De oude wereldmachten zijn vernietigd, maar dezelfde krachten als toen zijn sterker dan ooit…”.

 

Ik en Gij

Hilarisch vertelt Herzog hoe hij een scherpe opmerking maakte over de oude boeken die in het echtelijke bed lagen (“… dikke stoffige delen van een oude Russische encyclopedie…”), toen hij op een nacht in de slordige slaapkamer het laken opsloeg (“… Zij heeft een muur om zich heen gebouwd van Russische boeken. Vladimir van Kief, Tikkon Zadonsky. In mijn bed!...”). Madeleine werd hysterisch: “… Herzog raakte de omvergeworpen lamp op. ‘Madeleine – denk je niet dat je iets moet innemen… hiervoor?’ Dommig stak hij zijn hand uit om haar te sussen…”. Herzog: “… Ik verwacht niet van een godvrezende vrouw dat ze lief is, een aardig poesje…”. Maar wie is hier nu ‘godvrezend’?! Als er iemand in goddelijke nederigheid heeft gehandeld is híj dat wel: “… Ik heb de dubbele ramen bevestigd alsof het een liefdesdaad was, en ik liet het kind goedverzorgd achter, betaalde de huur en de verwarming en pakte mijn koffertje…”. Zo gauw hij de deur uit was, stuurde Madeleine een foto van hem naar de politie om te verhinderen dat hij ooit weer in haar buurt zou komen. Ondertussen troostte Valentine Gersbach hem met boeken van Martin Buber: “… Ik zat ‘Ik en Gij’, ‘Tussen God en Mens’, ‘Het profetisch Geloof’, te lezen terwijl ik trilde van de zenuwen…”. Over Bubers visie: “… Het is verkeerd een mens (een subjekt) te veranderen in een ding (een objekt). Door middel van een begeesterde dialoog wordt de Ik-Het verhouding een Ik-Gij verhouding. God komt en gaat in de ziel van de mens. En mensen komen en gaan in elkaars zielen. Soms komen en gaan ze in elkaars bed. Je hebt een gesprek met een man. Je hebt gemeenschap met zijn vrouw…”. Je houdt zijn hand vast. Je kijkt hem in de ogen. Je berooft hem van zijn dochter. En op de een of andere geheimzinnige manier wordt dat allemaal als religieuze diepzinnigheid opgevat en recht gepraat en ben jij de grootste zondaar, aldus Herzog. Gersbach is het zelfs met Herzog eens dat Madeleine een psychopate is: “… ‘Jawel. Die arme krankzinnige rotmeid,’ zei hij dan. ‘Mijn hart gaat open voor dat knettergekke wijf!’…”.

 

Verlossing

Herzog denkt veel na en is bezorgd over het geloof  “… (Zonder hetwelk het menselijk bestaan enkel het ruwe materiaal is van technologische veranderingen, van mode, verkooptechnieken, industrie, politiek, financiën, experimenten, automatisme, etcetera. De hele inventaris van schanden die men blij is in de dood te kunnen beëindigen.)…”. Madeleine, “… weggestopt in de bossen…”, hunkerde naar geleerde gesprekken: “… Kultuur – ideeën – hadden de plaats van de Kerk ingenomen in Madeleine’s hart (een vreemd orgaan moest dat zijn!)…”. Zoals de oude dominee uit mijn jeugd al zei: het begint geestelijk en het eindigt vleselijk. Herzog wil de minnaars hun verraad betaald zetten: “… Jemach sjemo! Laten hun namen worden uitgewist! Zij hebben een net voor mijn voeten gespannen. Zij hebben een kuil voor me gegraven. Breek hun tanden, o God, in hun mond!...”. Herzog: “… Klaarblijkelijk blijf ik in God geloven. Hoewel ik dat nooit zal toegeven…”. Hij is de wanhoop nabij: “… Mijn hele leven dat tegen zijn begrenzingen staat te bonzen, en de kracht van onderdrukte verlangens komt als bijtend gif terug…”. Wat hij écht begeert is ‘verlossing’: “… O, een geestelijke verandering ondergaan, een nieuw inzicht – een werkelijk nieuw inzicht!...”.

 

Paranoia

Anyway, “… Harten die beven van goedkope en zwakke naastenliefde of druipen van apeliefde hebben geen geschiedenis gemaakt…”. Madeleine streefde er naar hem de baas te worden als ‘koningin van de intelligentsia’, die ‘gietijzeren blauwkous’. “… Vóór Solovjev had ze alleen maar gepraat over Joseph de Maistre. En voor de Maistre – Herzog was een lijst aan het opstellen – de Franse Revolutie, Eleanore van Aquitaine, Schliemann’s opgravingen in Troje, buitenzintuiglijke waarnemingen, toen tarot-kaarten, toen Christian Science, daarvoor nog Mirabeau; of waren het detective romans (Josephine Tey) of science fiction (Isaac Asimov)? De intensiteit was altijd groot. Als ze één blijvende belangstelling bezat dan was het voor moordverhalen. Drie of vier per dag las ze wel…”.  Madeleine “… lokte me uit de geleerde kringen, ging zelf naar binnen, sloeg de deur achter zich dicht, en is nog steeds daarbinnen over mij aan het roddelen…”. Madeleine had het idee opgevat dat ze achtervolgd werd door een detective. Daarop vroeg hij aan zijn psychiater om een lijstje kenmerken van paranoia die hij bestudeerde ‘als de plagen van Egypte’, waarna hij ervan overtuigd raakte dat ze totaal ongeschikt was om hun dochtertje op te voeden.

 

Perzik

“… Hij had ogenblikken waarop hij goed bij zijn verstand was, maar hij kon het evenwicht niet erg lang bewaren…”. Een medelijdende vriend: “… Jij hebt moeilijkheden, dat kan ik zien. Je bent ten einde raad. Je hebt een ziel, is het niet, Moses…”. En dan: “… We kunnen de lastpost niet overboord zetten, nietwaar? Geweldige handicap, een ziel…”. Het verhaal dat Herzog over zijn jeugd vertelt is bijna een boek in een boek: “… hoe ik van nederige afkomst opklom tot een volledige rampspoed…”. Eindigend met: “… Het is waar – ik moet nog een hoop leren. Maar ik ben vlijtig. Ik doe mijn best en ik geef blijk van een gestadige verbetering. Ik denk dat ik op mijn sterfbed uitstekend in vorm zal zijn. De goeden sterven jong, maar ik ben gespaard gebleven om mijzelf te verbeteren zodat ik mijn leven zilverschoon zal kunnen beëindigen…”. Alles is relatief: “… Als een man zijn borstkas voelt als een kooi waaruit alle donkere vogels zijn weggevlogen – dan is hij vrij, hij is licht. En hij verlangt ernaar zijn gieren weer terug te hebben. Hij verlangt de gewone strijd, waaraan hij gewend is, zijn naamloze, doelloze lasten, zijn woede, zijn kwellingen en zijn zonden…”. Zijn gedachten racen maar door: “… Hij stond alleen in de lift, terwijl hij ‘Kiss Me’ aan het neuriën was, en, alsof het een aan hem ontglippende dunne draad was, probeerde hij te achterhalen, waarom deze oude liedjes hem door het hoofd speelden. Niet om de voor de hand liggende reden. (Hij hunkerde naar liefde en ging op pad om gekust te worden). De verborgen reden (als die waard was gevonden te worden)…”. Hij, één van de drie miljard menselijke wezens: “… Er is een afgelegen tuin, waar vreemde dingen groeien, en daar, in een lieflijk groene schemering, hangt het hart van Moses E. Herzog als een perzik…”. In een brief aan Spinoza: “… Misschien vindt u het interessant om te weten dat in de twintigste eeuw vrije associatie geacht wordt de diepste geheimen van de psyche vrij te geven…”.

 

Het uur van de vleermuizen

Op straat ziet hij mannen met ‘uitgewiste ogen’, maar ook ‘ogen die metafysische verklaringen bevatten’. “… Het was het uur waarop gewoonlijk vleermuizen fladderend rondvlogen (Ludeyville), of stukken papier (New York) om Moses aan vleermuizen te herinneren. Een ontsnapte ballon zweefde als een zaadcel, zwart en vlug de oranje stofwolk van het westen in. Hij stak de straat over, met een omweg om een wolk van gegrilde kip en worst te vermijden…”. De queers paraderen al van eeuwigheid rond: “… Moses stelde hevige belangstelling in het publiek van de binnenstad, zijn theatrale aard, zijn akteurs – de als vrouw verklede homo’s, de lesbiennes die er zo mannelijk uitzagen dat je moest wachten tot ze voorbij waren en je ze van achteren kon zien om hun ware geslacht te kunnen bepalen, geverfd haar in allerlei kleuren…”.

 

Emotioneel plasma

Hij gaat bij een advocaat informeren hoe sterk hij staat in een eventuele rechtszaak over het voogdijschap van zijn dochtertje, gesterkt door de roddel van een oppas dat ze het kind in de auto opsluiten als ze lastig is. De manier waarop hij Gersbach neerzet als zo ongeveer de grootste slijmbal die er op aarde rondloopt: “… hij geeft allerlei soorten mensen het gevoel dat hij precies is wat ze zochten. Fijngevoeligheid voor de fijngevoeligen, warmte voor de warmen. Voor de wreden, wreedheid. Voor de oplichters hypocrisie. Gruwelen voor de gruwelijken. Wat je hartje begeert. Emotioneel plasma dat in ieder gestel kan cirkuleren…”. Even verder: “… Ik heb geprobeerd hem te zien als een type. Is hij een Iwan de Verschrikkelijke? Is hij een imitatie-Raspoetin? Of de armelui’s Cagliostro? Of een politikus, redenaar, demagoog, rapsode? Of een soort van Siberische sjamaan? Dat zijn vaak transvestieten of hermafrodieten…”. Gersbach houdt marxistische praatjes die er in hakken voor een gehoor van tweeduizend mensen, een genoegzaam publiek van conventionele zakenlui en vaklieden. Want ja, als je een vetbetaalde baan hebt, een ziektekostenverzekering, een pensioenfonds en misschien ook nog wat aandelen, waarom zou je dan niet radicaal zijn, hè?! ‘Deugers’ die hun schaapjes op het droge hebben, “… maar in de war schijnen te zijn over al het andere en komen om een spreker zich ondubbelzinnig te horen uiten, met nadruk en vuur, gerichtheid en kracht. Met een hoofd als een brandend fornuis, een stem als een kegelbaan en het houten been dat op het podium dreunt. Voor mij is hij een kuriositeit, als een Mongoolse idioot die de ‘Aïda’ zingt.  Maar voor hén…”. Valentine Gersbach doet hem aan jongensboeken denken, aan de Franse en Russische revoluties, aan stomme films: “… In ieder geval zie ik het gespuis de paleizen en kerken bestormen en Versailles plunderen, zich baden in roompuddingen of wijn gieten over hun jongeheren en zich kleden in purper fluweel terwijl het kronen, mijters en kruizen meepikt…”.

 

Gerechtigheid

De ontdekking dat Gersbach hem zelf het verdriet aandeed waarvoor hij hem tegelijk aan het troosten was, maakt Herzog razend. “… Ik ging heel Chicago door om hem te zoeken. Tenslotte stuurde ik hem een telegram vanaf het vliegveld toen ik wegging. Ik wilde hem zeggen dat ik hem zou vermoorden zodra ik hem zag. Maar de Western Union neemt zulke telegrammen niet aan. Dus telegrafeerde ik vier woorden – Droefheid Om Onze Daden. De eerste letters vormen het woord dood…”. Hij eist gerechtigheid. Gerechtigheid? “… Het grootste deel van de mensheid heeft er zonder geleefd en is er zonder gestorven – geheel en al ervan verstoken. Biljoenen mensen hebben eeuwen lang gezweet, zijn bedrogen geweest, zijn slaaf geweest, zijn gestikt, doodgebloed, begraven met niet meer gerechtigheid dan vee. Maar Moses E. Herzog, die zo hard als hij kan staat te brullen van pijn en woede, moet gerechtigheid hebben…”. Hij haalt nog veel meer gekke toeren uit, maar die ga ik niet allemaal vertellen. “… De mens is een amfibie, en ik heb hem even aangeraakt…”, zal hij er later over zeggen. Inderdaad, soms handelen we vanuit ons reptielenbrein. Zie de vier v’s van Karen Armstrong: vechten, vluchten, vreten, voortplanten.

 

Zomerverdommenis

Herzog blijft geloven dat er iets in zijn ziel is dat wacht op openbaring. Het hele boek door bekruipt je het gevoel dat er méér moet zijn dat zijn totaal gedesintegreerde gedrag verklaart. Waarom anders de herhaaldelijke nadruk op het ‘beroemde’, ‘geweldige’ advies ‘te vergeten wat je niet kunt verdragen’? Aan het eind wordt er tussen neus en lippen door inderdaad een gruwelijke herinnering opgerakeld aan het feit dat hij als jongetje is verkracht: “… Hij wist dat hij vermoord zou kunnen worden. De man zou hem kunnen wurgen. Hij wist dat!...”. Het lijkt mij de sleutel tot het hele boek. Zijn trauma komt boven water als Herzog de hete stank van chemicaliën en inkt ruikt, die van de Donellyfabrieken in Chicago komt, terwijl hij in een politieauto zit: “… Hij herkende de vertrouwde sfeer van zomerverdommenis…”. Sarcastisch merkt hij op dat in onze hedonistische wereld zelfs het geluk ‘mechanisch’ is: “… Alles wat je moet doen is je gulp openmaken en je geluk grijpen…”. Onkundig van je ziel en de God van je ziel. Hij vertelt dat hij bij het eten thuis kwam opdagen alsof er niets aan de hand was. Hij herinnert zich dat hij later “… in het ziekenhuis was en de goede christelijke dame kwam, die met de knoopjesschoenen en de hoedespeld als de hengel van een trolleybus, de zachte stem en het strenge uiterlijk, die hem vroeg haar uit het Nieuwe Testament voor te lezen… “. Hij sloeg het open en las: “… Laat de kinderkens tot mij komen…”

 

Memento mori

Over het moderne ‘memento mori’ van de Duitse existentialisten: “… God is niet meer. Maar er is Dood…”. Even verder: “… Moderne filosofen zouden graag willen dat de oude doodsangst weer terugkwam. De nieuwe houding die het leven tot een kleinigheid maakt, die voor niemand een marteling waard is, vormt een bedreiging van de kern van de beschaving…”. Wat is de filosofie van deze generatie? “… Niet dat God dood is, dat punt zijn we allang gepasseerd. Misschien zou gekonstateerd moeten worden dat de Dood God is. Deze generatie denkt – en het is de grondslag van al hun gedachten – dat niets dat trouw is, kwetsbaar, breekbaar, duurzaam kan zijn of enige kracht kan bezitten. De Dood wacht op de dingen zoals een gemetselde vloer wacht op het vallende lampepeertje…”. Op die manier leren we elkaar metafysica. En dat maakt al het lijden waardeloos. Werpt ons terug op onszelf: ben ik mijn broeders hoede? Tegen een vriend: “… Ik ben in het wilde weg aan het brieven schrijven geweest, in alle richtingen…”. En na enig nadenken: “… Ik loop met taal achter de werkelijkheid aan. Misschien zou ik het graag allemaal in taal willen veranderen, om Madeleine en Gersbach te dwingen een ‘Geweten’ te hebben…”.  

 

Drassig tijdelijk licht

Uiteindelijk keert Herzog terug naar zijn oude, verwaarloosde huis op het platteland. De cirkel is rond. Bij Tuttle van de benzinepomp gaat hij vragen of de verlichting en de telefoon weer kan worden aangesloten. Tuttle zal de boel komen maaien en zijn vrouw zal komen schoonmaken. “… ‘Wie is Tuttle?’ ‘Hij regelt alles. Hij is het meesterbrein van Ludeyville. Een grote kerel. Hij is bescheiden, zo te zien, maar dat is alleen maar geslepenheid. Hij is de boze geest van deze bossen. Hij kan hier binnen het uur de lampen laten branden. Hij weet alles, hij overvraagt, maar heel, heel bescheiden…”. Tot zijn verbazing voelt Herzog iets van vrede in zich: “… Ik kijk naar mezelf en zie borst, dijen, voeten – een hoofd. Deze vreemde organisatie, ik weet dat die sterven zal. En daarbinnen – iets, iets, geluk… ‘Gij ontroert me.’…”. Wie is die’ Gij’? Zijn ‘ware zelf’? “… Misschien voelde hij voor het eerst hoe het was van Madeleine af te zijn. Vreugde! Zijn slavernij was afgelopen, en zijn hart verlost van de akelige zwaarmoedigheid en de korst die eromheen zat…”. Zijn obsessie lijkt over: “… Hij voelde zich tamelijk goed hier, en kalmer. De stilte was hem tot een steun en het stralende weer, het gevoel dat hij gemakkelijk in bedwang werd gehouden door alles om hem heen…”. Volgens hem leeft het mensdom hoofdzakelijk volgens verdraaide ideeën. Een van zijn laatste brieven eindigt met de prachtige quote: “… Ik zend u mijn groeten van dit grensgebied van drassig tijdelijk licht…”. Terwijl hij, uitgestrekt op de bank, kijkt naar het netwerk van een hor die door de wingerd is losgerukt: “… Op het ogenblik had hij voor niemand een bericht. Niets. Geen woord meer…”.

 

Uitgave: Meulenhoff - 2004, vertaling Mischa de Vreede, 463 blz., ISBN 978 902 907 616 6, € 29,-

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier