Menu

zondag 12 december 2021

Het einde van de affaire – Graham Greene

 


In zijn inspirerende boek  “Waarheidszoekers” legt filosoof Cees Zweistra aan de hand van onder andere “Het einde van de affaire” van Graham Greene (1904 - 1991) uit, wat het verschil is tussen nihilisme en postnihilisme, in samenhang met het oude en nieuwe complotdenken. Nihilisten zetten zich ergens tegen af en nemen daarmee de samenleving tenminste nog serieus. Postnihilisten zetten zich nergens tegen af en beschouwen de samenleving als een spel, waar je net zo goed níet aan mee kunt doen. Zie “Speeldrift” van Juli  Zeh. Graham Greene was een Brits schrijver, filmcriticus en geheim agent. Zijn min of meer autobiografische roman “Het einde van de affaire” is gebaseerd op zijn eigen jaloerse gevoelens tijdens een affaire met ene Lady Catherine Walston. De Engelse uitgave van de roman is opgedragen aan ‘C’, terwijl de Amerikaanse versie een opdracht ‘To Catherine’ vermeldt. De heftige manier waarop zijn obsessie met een vrouw, in combinatie met zijn haat-liefde verhouding met het katholieke geloof aan de orde komt, doet sterk denken aan het overrompelende  “Stille zaterdag” van Désanne van Brederode. Eerder besprak ik van Graham Greene: “Het geschonden geweten”.

 

Spelen met vuur

Een verhaal uit 1951: daar moet je even in komen. Het nam wat tijd voor ik in de gaten had dat Graham Greene een raar soort cirkeltoestand beschrijft. Een vrijgezel loopt in de stromende regen een man tegen het lijf die hij haat, en diens vrouw nog meer. Toch troont hij de man mee voor een borrel, hoort hem uit over diens vrouw, en het eindigt ermee dat de man hem thuis het een en ander wil toevertrouwen dat hem na op het hart ligt. Eenmaal op zijn werkkamer laat de man hem een briefje zien waarin een vriend hem een privédetective aanbeveelt. Dan weet de vrijgezel, Maurice Bendrix, zeker wel hoe laat het is? De man vertrouwt zijn eigen vrouw niet meer. De man ziet het ingeslagen pad evenwel niet zo zitten. Al die heisa. En misschien ook nog om niks. Met duivels plezier stelt Bendrix de man voor in zijn plaats de detective te raadplegen. Zich voor te doen als haar minnaar. Als zogenaamd jaloerse aanbidder die haar gangen na wil gaan. Alleen weet de man niet dat Bendrix een paar jaar daarvoor echt een affaire heeft gehad met diens vrouw, Sarah, die tegen het eind van het gesprek ook nog eens om het hoekje komt kijken. Als je het hebt over spelen met vuur…

 

I hate you - I love you

Sommige mensen leven gevaarlijk. Alleen al omdat ze zich snel vervelen. Zo iemand was Graham Greene. Zijn drank- en drugsgebruik waren legendarisch. Zijn manisch-depressieve buien ook. Evenals Basarow uit mijn vorige blog, waarover Toergenjev schrijft “… het was de diepe, brandende hartstocht, die hem deed beven, de hartstocht, die lijkt op haat en misschien verwant is aan haat…”, ervaart ook Bendrix liefde en haat als twee kanten van dezelfde medaille: “… Haat schijnt op dezelfde klieren te werken als liefde: er worden zelfs dezelfde daden door teweeggebracht. Als ons niet was geleerd hoe wij de Lijdensgeschiedenis moesten uitleggen, zouden wij dan alleen uit hun daden hebben kunnen opmaken of het de jaloerse Judas of de lafhartige Petrus was die Christus liefhad?...”. En hartverscheurend: “… Waarom doodt haat de begeerte niet?...”. Hoewel de man zijn aanbod heeft afgewimpeld, besluit Bendrix tóch naar het kantoor van de privédetective te gaan om zijn ex-geliefde te laten schaduwen. Even daarna wordt hij door haar opgebeld. Of hij ergens wat wil gaan drinken. Vol hoop stort hij zich op het rendez-vouz, maar Sarah blijkt zich enkel zorgen te maken over haar man. Hij doet de laatste tijd zo vreemd. Of Bendrix zich misschien wat over hem wil ontfermen. Ze denkt dat hij eenzaam is. En daarmee is de onontwarbare driehoeksverhouding compleet. Bendrix loopt een eindje met de vrouw op. Tegen de tijd dat hij in een, met heimelijk gedeelde herinneringen geladen, portiek afscheid van haar wil nemen, krijgt ze een enorme hoestbui, wat voorkomt dat het weerzien eindigt in een zoenpartij. Grappig genoeg blijkt even later dat de ingehuurde detective, zonder het te weten, Sarah heeft gezien met Bendrix zélf.

 

De last van het geweten

Het einde van hun verhouding is gehuld in nevelen. Alhoewel Bendrix een en ander wel heeft zien aankomen: “… Toen ik ging beseffen hoe vaak we ruzie hadden, hoe vaak ik haar leven vergalde met mijn prikkelbaarheid, werd ik me bewust dat onze liefde ten dode was opgeschreven: wat liefde was geweest, was een liefdesaffaire geworden met een begin en een eind…”. En even verder: “… Ik beroofde mijn leven met alle macht van het enige wat ik liefhad…”. Ja, “… Onze liefde was als een klein wild dier dat in de val was gelopen en doodbloedde: ik moest mijn ogen sluiten en het de nek om draaien…”. De spanning van een clandestiene relatie eiste zijn tol: “… Mijn liefde en angst vervulden de rol van het geweten. Als we aan zonden hadden geloofd, zouden we ons nauwelijks anders hebben gedragen…”. Juni 1944. De Tweede Wereldoorlog was in volle gang. Tijdens een bombardement werd het appartement waar Bendrix woonde getroffen. Hij liep net de trap af naar beneden en werd bedolven onder een deur. Toen hij weer bijkwam en naar zijn kamer wist te strompelen, zag hij Sarah in geknielde houding op de grond zitten. Ze schrok zich rot toen ze naar hem opkeek. Zei dat ze dacht dat hij dood was. Dat ze was wezen kijken. Zijn hand van onder de deur had  vastgepakt. Overtuigd was dat ze een levenloze hand vasthield. Daarna ging ze er vandoor en kwam niet meer terug. Nog dagen bleef hij hopen haar weer te zien. Tevergeefs.

 

Militant atheïsme

Ondertussen werkt de detective gestaag door, samen met zijn zoontje van twaalf die hij opleidt in hetzelfde vak, en blijft niet bot vangen. Sarah visiteert wel degelijk een vreemd adres. Bendrix leent het zoontje van de detective en weet met een list het huis van Sarah’s vermeende nieuwe lief binnen te dringen (de jongen zou zich niet lekker voelen – de vrouw des huizes biedt het kind bezorgd wat te drinken aan). Er blijken een broer en zus van middelbare leeftijd te wonen. Geshockeerd merkt Bendrix op dat het weliswaar knappe gezicht van de man met wie hij kennismaakt aan één kant wordt ontsierd door een grote wijnvlek. Echt weer iets voor Sarah om met zo’n iemand meelij te hebben. Bendrix valt zo ongeveer van zijn stoel als de man vertelt zowaar een militante atheïst te zijn. Hij wil zich direct op het kind storten, om het te bevrijden van alle leugens die het op school wordt aangepraat. Bendrix haast zich te verklaren dat ze niet bekeerd hoeven te worden. Toevallig gelooft hij zelf ook niet. Een enkele keer daargelaten. Dat is het hem nu juist. Aan die enkele keren moet ook wat gedaan worden. Bovendien moet Bendrix zijn bibliotheek eens bekijken: de beste rationalistische bibliotheek van Zuid-Londen. “… Ayer, Russell – die waren tegenwoordig in de mode, maar ik betwijfelde of zijn bibliotheek veel logisch positivisten bevatte. Hij had alleen kruisvaarders, geen onpartijdigen…”. Als hij Sarah’s naam laat vallen wordt de man zo rood als een kroot: zijn wijnvlek valt niet eens meer op. Bendrix weet niet hoe gauw hij weg moet komen. Thuis zit de detective op Bendrix te wachten. Met een dagboek van Sarah dat hij, tijdens een drukbezochte coktailparty, uit haar slaapkamer heeft ontvreemd.

 

Goddelijke belofte

Via het dagboek, dat we samen met Bendrix meelezen, komt Sarah’s dramatische duiding van de situatie aan de orde: “… Ik zit zo in de knoop. Wat doen we elkaar aan? Want ik weet dat ik hem precies hetzelfde aandoe als hij mij. We zijn soms zo gelukkig, en nooit in ons leven hebben we ons ongelukkiger gevoeld. Het is alsof we samen aan hetzelfde standbeeld werken, het uit elkaars ellende houwen. Maar ik weet niet eens hoe het er komt uit te zien…”. Ze vertelt dat ze in het park een man op het spreekgestoelte tekeer hoorde gaan tegen het bestaan van God. Een man met een wijnvlek. Ze wist niet eens dat er argumenten tegen God bestonden. Dan beschrijft ze hoe ze dacht dat Bendrix dood onder een deur lag, tijdens het voornoemde bombardement, en ze neer was geknield om de God in wie ze niet geloofde, te beloven dat ze haar minnaar op zou geven als Hij hem zou laten leven: “… mensen kunnen van elkaar houden zonder elkaar te zien, dat is toch zo, ze hebben U hun hele leven lief zonder U te zien, en toen kwam hij binnen, en hij leefde, en ik dacht: nu begint de foltering van een leven zonder hem, en ik wenste dat hij weer veilig dood onder de deur lag…”. Ze gaat terug naar het park om naar de man met de wijnvlek te luisteren. Maakt een afspraak met hem. Misschien kan hij haar er van overtuigen dat een belofte, aan iemand in wie je niet gelooft, niet hoeft te worden nagekomen. En dat wonderen niet bestaan. “… Het is zo oneerlijk. Terwijl ik van Maurice hield, hield ik van Henry (haar man), en nu ik wat ze noemen goed ben, houd ik van helemaal niemand. En van U wel het allerminst…”.

 

Maar is er niet méér?

Kan de man met de wijnvlek haar genezen van God? “… hoeveel beloften heb ik in mijn leven niet gedaan en gebroken. Waarom hield deze stand, als een monsterlijke vaas die je eens gekregen hebt – je wacht tot de werkster hem breekt, en jarenlang breekt ze de dingen waaraan je gehecht bent en de monsterlijke vaas blijft heel…”. Volgens de man met de wijnvlek zijn de Evangeliën op zijn vroegst honderd jaar na de geboorte van Christus opgeschreven. Nou en, denkt Sarah, wat doet dat er toe? Christus zou nooit van zichzelf hebben gezegd dat Hij God was. Maar is er ooit iemand anders als Christus geweest? Wie kan Hem evenaren? Waarom geloven miljoenen mensen in gebed? De man met de wijnvlek: “… ‘De mensen verlangen niet iets dat redelijk is als hun gevoelens worden geraakt. Zijn minnaars soms redelijk?’ ‘Kunt u liefde ook wegredeneren?’ vroeg ik. ‘O ja,’ zei hij. ‘Bij sommigen is het de begeerte om te bezitten, zoals hebzucht: bij anderen de begeerte om zich over te geven, hun verantwoordelijkheidsgevoel kwijt te raken, hun verlangen om bewonderd te worden. Soms alleen maar het verlangen om te kunnen praten, je hart uit te storten bij iemand die naar je wil luisteren. Het verlangen om weer een vader of een moeder te hebben. En in eerste instantie is er natuurlijk het biologische motief.’...”. En hoe of het dan zit met God? Precies hetzelfde, volgens de man met de wijnvlek. Maar zijn eigen tomeloze waarheidsliefde dan? Was dat allemaal dan ook niets anders dan een compensatie voor “… zijn geboortekwetsuur, de begeerte naar macht, het verlangen om des te meer bewonderd te worden, daar het arme gekwelde gezicht nooit lichamelijke begeerte zou opwekken…”? Zijn antwoorden bevredigen Sarah niet: “… Ik dacht: het is allemaal waar, maar is er niet méér?...”.

 

Materialistisch

In een donkere kerk roepen de afschuwelijke gipsen beelden van  allerlei heiligen de herinnering aan de opstanding van het lichaam in Sarah op. Zij zou haar lichaam, waarmee ze zoveel kwaad heeft gedaan, het liefst voor altijd verrot zien na de dood. Ooit had ze, na een misselijkmakende rondgang in een Spaans kerkje, tegen haar man gezegd dat ze niet tegen al die christelijke wreedheid van geschilderde wonden kon: “… Hij zei: ‘Het is natuurlijk een erg materialistisch geloof. Een heleboel magie…’ ‘Is magie materialistisch?’ vroeg ik. ‘Ja. Salamanderoog en kikkerteen, vinger van een doodgeboren kind (Shakespeare, Macbeth). Niets is materialistischer dan dat. In de mis geloven ze nog steeds in transsubstantiatie.’…”. En even verder: “… Sommige van de grootste geesten zijn materialistisch geweest, Pascal, Newman. Zo subtiel in sommige opzichten, zo bot bijgelovig in andere. Misschien zullen we eens weten waarom: mogelijk is het een klierafwijking…”. Sarah had zich de onzichtbare God altijd voorgesteld als een soort ‘damp’: “… Vandaag heb ik dus naar dat materiële lichaam aan het materiële kruis gekeken en me afgevraagd hoe de wereld daar een damp kon hebben vastgenageld. Een damp voelde natuurlijk geen pijn en genot. Het was alleen mijn bijgeloof dat zich verbeeldde dat een damp mijn gebeden kon horen. Lieve God, had ik gezegd; ik had moeten zeggen: lieve Damp. Ik had gezegd: ik haat U, maar kun je een damp haten? Ik kon dat beeld aan het kruis haten, om de aanspraak die het maakte op mijn dankbaarheid – ‘ik heb geleden om jou’ – maar een damp…”. Zou iemand in God kunnen geloven als Hij geen lichaam had? “… Ik kan geen damp liefhebben die eens Maurice is geweest…”. Dan maar "... grof, beestachtig en materialistisch...".

 

Doodgewone, slechte, menselijke liefde

Sarah: “… Ik dacht: soms heb ik Maurice gehaat, maar zou ik hem gehaat hebben als ik hem niet ook had liefgehad?...”.  En even verder: “… Maurice verwerkt zijn pijn in wat hij schrijft: je kunt door zijn zinnen heen de zenuwen horen trillen. Goed, als pijn je kan leren schrijven, Maurice, leer ik het ook al…”. Ze bezoekt de man met de wijnvlek om van haar bijgeloof verlost te worden. Het tegenovergestelde gebeurt: ze merkt dat zijn fanatisme maakt dat haar geloof zich alleen maar dieper in haar vastzet. Vocht de man met de wijnvlek niet tegen iets dat nog mínder was dan een damp? “… Hij haatte een fabel, hij vocht tegen een fabel, hij nam een fabel ernstig op. Ik kon Hans en Grietje niet haten, ik kon hun koekhuisje niet haten zoals hij het sprookje van de hemel haatte…”. Al zijn haat was gericht tegen het goede sprookje, niet tegen het boze. Waarom? Uiteindelijk biecht Sarah de man met de wijnvlek op dat ze van hem geleerd heeft juist in God te geloven: “… ‘Dat begrijp ik niet.’ ‘Je zei altijd dat de pastoors je hebben geleerd niet te geloven. Andersom kan ook.’…”. Inmiddels raakt hij ook al verliefd op haar. Zijn nihilisme gaat daardoor over in postnihilisme, zou je kunnen zeggen: “… Hij zei heel langzaam: ‘Het kan me niet schelen waaraan je gelooft. Voor mijn part geloof je aan de hele poppenkast. Ik houd van je, Sarah.’ ‘Het spijt me’, zei ik. ‘Ik houd meer van jou dan dat ik dat alles haat. Als ik kinderen van je had, zou jij ze met je geloof mogen verpesten.’…”. Is het leven per definitie niet meer dan een spelletje, als je niet gelooft aan een eeuwigheid waarin je rekenschap zal worden gevraagd van je daden? Hoe serieus neem je jezelf nog, als je je principes door de eerste de beste verliefdheid omver laat kegelen (dat zou je eens aan iemand als Antoine Bodar moeten vragen…)? Ondertussen wordt Sarah gek van haar eigen twijfel. Een leven zonder Maurice voelt voor haar als ‘een leven in de woestijn’. Maar in de woestijn is God. “… U was erbij en leerde ons verkwistend te zijn, zoals U het de rijke leerde, opdat wij op een goede dag niets over zouden hebben dan deze liefde voor U…”. En even later: “… Ik wil Maurice. Ik wil doodgewone slechte menselijke liefde. Lieve God, U weet dat ik naar Uw pijn wil verlangen, maar niet nu. Verlos mij er tijdelijk van en geef mij Uw pijn een andere keer…”.

 

Aanstekelijk geloof

Sarah wordt steeds zekerder van haar geloof, ook zal zegt een priester dat als ze katholiek wordt, ze niet kan scheiden om met Bendrix te trouwen: “… Ik geloof dat er een God bestaat – ik geloof de hele santenkraam, en er is niets dat ik niet geloof, ze mogen de Drieëenheid in tienen delen en ik zou nóg  geloven. Ze mogen documenten opgraven waaruit blijkt dat Pilatus Christus heeft verzonnen om promotie te maken en ik zou blijven geloven. Ik heb het geloof opgelopen als een ziekte. Ik ben gelovig geworden zoals ik verliefd ben geworden. Ik heb nog nooit zo liefgehad zoals ik jou liefheb, en ik heb nog nooit aan iets geloofd zoals ik nu geloof. Ik ben zeker. Ik ben nog nooit zo zeker van iets geweest. Toen je de kamer binnenkwam met dat bloed op je gezicht, werd ik zeker. Voor eens en altijd. Zelfs ondanks het feit dat ik het toen niet wist. Ik heb langer tegen het geloof gevochten dan tegen de liefde, maar nu heb ik geen vechtlust meer over…”. Graham Greene werpt nog een hoop ‘toevalligheden’ op, ‘wonderen’ zou je kunnen zeggen, waar je al dan niet in kunt geloven. Dat hangt van je interpretatie af. Een priester over een ‘schietgebedje’: “… Alles is beter dan niets. Het is in elk geval een erkenning van God’s macht, en daaruit spreekt een zekere verheerlijking, dunkt mij…”. En even verder: “… ‘ik heb niets tegen een beetje bijgeloof. Het maakt de mensen duidelijk dat deze wereld niet alles is.’ Hij keek me langs zijn neus schamper aan. ‘Het zou het begin van de wijsheid kunnen zijn.’ ‘Uw kerk is inderdaad niet kinderachtig wat bijgeloof betreft – Sint-Januarius, bloedende beelden, visioenen van de Heilige Maagd – dat soort dingen.’ ‘We proberen orde op zaken te stellen. En is het niet zinniger om te geloven dat alles mogelijk is’…”. Het geloof van Sarah lijkt ondertussen wel ‘besmettelijk’. Alle mannen om haar heen steekt ze op de een of andere manier aan. Zelfs de jongen die door zijn vader opgeleid wordt als detective. Alsof ze een soort van ‘moderne heilige’ is. Bendrix over het eind van de affaire: “… Ze heeft me laten zitten. Ze heeft het verderop gezocht…”. Dat blijkt op den duur een meerduidige uitspraak te zijn. Hoe of wat, moet je zelf maar lezen. 

 

Uitgave: Xander Uitgevers BV – 2014, vertaling H. J. Scheepmaker, 256 blz., ISBN 978 940 160 206 8, 19,90

Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 6 december 2021

Vaders en zonen – Ivan S. Toergenjev

 


In zijn inspirerende boek - “Waarheidszoekers” - legt filosoof Cees Zweistra aan de hand van “Vaders en zonen” van Toergenjev (1818 – 1883) uit, wat het verschil is tussen nihilisme en postnihilisme, in samenhang met het oude en nieuwe complotdenken. Nihilisten zetten zich ergens tegen af en nemen daarmee de samenleving tenminste nog serieus. Postnihilisten zetten zich nergens tegen af en beschouwen de samenleving als een spel, waar je net zo goed níet aan mee kunt doen. Zie “Speeldrift” van Juli  Zeh. “Vaders en zonen” (1862) kan worden gezien als de eerste volledig moderne roman uit de Russische literatuur. Het was ook het eerste Russische werk dat in de Westerse wereld populair werd. En het schildert het eerste portret van de Russische revolutionair. Het universele en actuele thema is het eeuwige generatieconflict (zie onze eigen ‘woke cultuur’). Toergenjev kwam in zijn werk in verzet tegen de vastgeroeste aristocratie, die niet veel anders deed dan potverteren, ten koste van het klootjesvolk. Natuurlijk werd hij daardoor verketterd en bovendien een tijdje opgesloten, maar zelfs de tsaar las zijn verhalen, die hem hielpen om in 1861 de lijfeigenschap definitief af te schaffen. Ik las de nog steeds verrassend leesbare en zelfs buitengewoon humoristische roman in de vertaling van Else Bukowskij. De nieuwste vertaling is die van Froukje Slofstra uit 2020.

 

Vrije ideeën

Het verhaal. Zomervakantie. De weledele heer Nikolaj Petrowitsj staat zijn zoon Arkadji, een kandidaat-student, en diens vriend Basarow, een aankomend arts, op te wachten bij een herberg. Toen zijn vrouw nog leefde, hadden beide echtgenoten een stil en genoeglijk leven geleid in een soort Arcadië: “… altijd waren zij in elkaars gezelschap, lazen samen, speelden quatre-mains en zongen duetten. Zij kweekte bloemen en hield toezicht op de verzorging van het pluimvee; hij ging van tijd tot tijd jagen en hield zich verder met de bezittingen bezig…”. De tijden zijn veranderd. Inmiddels heeft de weduwnaar zijn vervallen landgoed, die ooit tweehonderd zielen telde, aan zijn voormalige horigen verpacht (die hem niet betalen). Zelf trok hij zich terug op zijn ‘farm’. Samen met zijn fatterige broer Pawel; ook al een vrijgezel. In de koets op weg naar huis vertelt Nikolaj zijn zoon zenuwachtig en beschaamd dat hij een verhouding heeft met een twintig jaar jonger dienstmeisje, die bij hem inwoont. Hij kan het maar beter gelijk zeggen, want Arkadji komt er toch wel achter. Fenitsjka, raadt zijn zoon direct. Zijn vader krijgt een kop als een biet. Arkadji  drukt hem op het hart dat hij nergens over in hoeft te zitten. Basarow en hij staan ‘boven dergelijke dingen’: “… Waarom verontschuldigt hij zich toch, dacht hij bij zichzelf en een oneindige tederheid voor zijn goede, zachte vader vervulde hem en tevens een gevoel van tevredenheid over zichzelf en zijn vrije ideeën…”. Arkadji en Basarow mogen dan totaal van God los zijn; papa heeft nog steeds iets van een heerser over lichaam en ziel en zijn lief iets van een slavenmentaliteit. Culturele bagage verander je niet een-twee-drie. Hoe ‘verlicht’ je verstandelijk ook hebt leren redeneren. Een en ander doet me aan de zwaar gereformeerd opgevoede Franca Treur denken, die ooit vertelde dat ze als student op zondag nog liever honger leed, als de keukenkastjes leeg waren, dan dat ze een broodje ging kopen. 

 

Kikkers

Basarow, een vrijgevochten beer van een vent, kan oom Pawel niet uitstaan. Wat doet zo’n modepop op het platteland: “… En nageltjes, nageltjes, die moeten naar een tentoonstelling…”. Ik had eigenlijk het gevoel met een homo te maken te hebben, maar daar deden ze in die dagen waarschijnlijk nog niet aan. Oom Pawel maakte in zijn goeie tijd alle vrouwen het hoofd op hol, vertelt Arkadji dan ook, alhoewel het een het ander natuurlijk niet uitsluit. Integendeel, denk ik wel eens. “… Wat een boorden, als marmer zijn kin zo keurig geschoren. Och, och Arkadji Nicolajewitsj, het is toch wel een beetje belachelijk…”, bromt Basarow. En die vader van hem is ook al zo’n luie donder: “… Die leest maar verzen en kijkt nauwelijks naar zijn bezittingen om. Maar hij is doodgoed…”. Om daaraan toe te voegen: “… Het is toch wonderlijk, die oude romantici. Zij ontwikkelen hun zenuwen tot de uiterste gevoeligheid, evenwicht zou hen hinderen…”. De volgende ochtend struint Basarow al voor dag en dauw met een paar jongetjes achter zich aan door een klein moeras, op zoek naar kikkers. Waar of hij die voor nodig heeft? “… Ik ga ze opensnijden om ze van binnen te zien en omdat wij net zo zijn als de kikkers, behalve dat wij op twee benen staan, weet ik dan meteen, hoe wij er van binnen uitzien…”. Ondertussen komt Arkadji er tijdens het ontbijt achter dat papa er niet alleen een lief op nahoudt, maar dat hij ook een halfbroertje heeft. En vertelt hij aan zijn oom dat Basarow een nihilist is. Even verder maakt de tekst wel héél duidelijk waarom Cees Zweistra de oude complotdenkers vergelijkt met nihilisten. Wanneer er een discussie opsteekt tussen oom Pawel en Basarow: “… ‘Arkadji Nicolajewitsj vertelde ons straks, dat u geen autoriteiten erkent en niets van hen gelooft.’ ‘Ja, waarom zou ik ze erkennen? En waarom zou ik ze geloven? Mij kunnen alleen feiten imponeren, ik ga de dingen na, dat is alles.’…”.  Basarow zweert bij het materialisme: “… De natuur is ook onzin, tenminste in de betekenis die jullie eraan geven. De natuur is geen tempel, maar een werkplaats en de mens is de arbeider in die werkplaats…”. Jaja, door die zienswijze zitten onze kinderen nu met de gebakken peren. Of hij de kunst dan helemaal niet waardeert: “… Ja, de kunst om geld te verdienen of om aambeien te genezen…”.

 

Allemaal romantiek, onzin, rottigheid, artisticiteit

Arkadji vindt het verkeerd dat Basarow zo weinig fiducie heeft in zijn ongelukkige oom, die ooit verliefd werd op de verkeerde. Een hysterische, allang bezette dame, die vroeg overleed (Toergenjew heeft zelf zijn hele leven achter een beroemde maar helaas getrouwde diva aangesjouwd). Bovendien schuift oom Pawel zijn broer altijd grootmoedig geld toe als hij op zwart zaad zit. Basarow: “… Wie hoont hem? Ik wil alleen maar zeggen dat iemand, die zijn hele leven kan zetten op de liefde van een vrouw en als hij die kaart verliest, alles verloren acht, geen man is, maar een mannetje…”. Arkadji: “… Maar je moet ook zijn opvoeding in aanmerking nemen en de tijd, waarin hij heeft geleefd…”. Wát opvoeding, stuift Basarow op: “… Ieder mens moet zichzelf opvoeden, zoals ik bijvoorbeeld. En wat de tijd aangaat, daar hoef je toch niet van afhankelijk te zijn? De tijd moet afhankelijk zijn van mij. Nee, broedertje, dat is allemaal onzin. En dan die geheimzinnigheid tussen man en vrouw. Wij, fysiologen, weten hoe hun verhouding onderling is. Jij hebt toch ook de anatomie van het oog bestudeerd? Vanwaar zou jij nu denken, dat die zogenaamd geheimzinnige blik moet komen?... Allemaal romantiek, onzin, rottigheid, artisticiteit. Laten we eens naar mijn kever kijken, dat is beter…”. Na twee weken houdt iedereen van de grootbek, behalve oom Pawel en de oude aristocratische huisknecht Prokofitsj: “… Aan tafel, als hij hem bediende, zette hij steeds een nors gezicht, noemde hem in zijn hart ‘oplichter’ en ‘kale rat’ en vond, dat hij er met zijn bakkebaarden uitzag als een wild zwijn…”.

 

Wij ontkennen alles

Oom Pawel en Basarow bakkeleien dat het een lieve lust is: “… ‘In onze tijd is het ’t nuttigste, te ontkennen; wij ontkennen.’ ‘Alles?’ ‘Alles,’ ‘Wat? Niet alleen kunst, poëzie… maar ook… ik durf haast niet verder te spreken…’ ‘Alles,’ herhaalde Basarow…”. En even verder: “… ‘Het lijkt wel of u tegen uw eigen volk bent.’ ‘En als dat zo was? Het volk gelooft, dat, wanneer het onweert, Elias, de profeet, in zijn wagen langs de hemel rijdt. Wat moet ik doen? Dat verhaal geloven? Want het is Russisch…”. Het enige wat Basarow wil is ‘afbreken’. Van ‘opbouwen’ moet hij voorlopig niets hebben. Het maakt papa Nikolai verdrietig. Hij kan de jongelui niet bijbenen, hoe graag hij dat ook wil. Hoe kun je poëzie verachten, en niet houden van de schilderkunst en de natuur?! Op zekere dag krijgen papa Nikolaj en oom Pawel een uitnodiging van een deftige bloedverwant uit de stad. Beide heren hebben weinig animo om op de invitatie te reageren. Zoonlief en aanhang  besluiten in hun plaats te gaan. Eenmaal in de gouvernementsstad komen ze al direct een nogal vervelend mannetje tegen, dat zich voorstelt als een leerling van Basarow: Sitnikov. Hij zou niet minder dan zijn ‘wedergeboorte’ aan  Basarow te danken hebben. De studenten worden meegetroond naar een volgens hem bijzonder vrijgevochten, gescheiden, intellectuele, maar in werkelijkheid nogal slonzige madam. Een ‘émancipée in de ware betekenis van het woord’. Ze stelt zich net zo overdreven aan als Sitnikov. Ze werken een maaltijd naar binnen. “… Op de eerste fles champagne volgde een tweede, toen een derde en eindelijk een vierde… Jewdoxia babbelde aan een stuk door, evenals Sitnikow. Zij spraken er over, wat het huwelijk eigenlijk was, een vooroordeel of een misdaad…”. Als de feministe aan de piano gaat zitten om een zigeunerliedje in te zetten wordt het Arkadji wat al te gortig: “… ‘Het begint hier op een krankzinnigengesticht te lijken’, zei hij hardop…”. En zonder te groeten lopen Arkadji en Basarow de deur uit. Als een hondje rent Sitnikov achter hen aan.

 

Denkende vrouwen

Vervolgens belanden ze op een feest waar de meest schitterende dame die er rond zwiert zowaar het woord richt tot Arkadji. Anna Sergejewna. Of hij eens langs komt, en zijn vriend meeneemt: “… Ik ben benieuwd naar de kennismaking met iemand, die de moed heeft, niets te geloven…”. Basarow merkt op dat het lang geleden is dat hij zo’n mooie vrouw heeft gezien. Ze mag dan misschien niet zo slim zijn als de feministe, maar wat maakt het geestelijk peil van een vrouw nu helemaal uit? “… ‘…Waarom ben je er toch zo tegen, dat een vrouw denkt?’ ‘Omdat ik altijd opgemerkt heb, dat alleen de lelijke vrouwen dat doen.’…”. Okay. “… Nu zullen we eens zien tot welke klasse van zoogdieren zij behoort…”, zegt Basarow de volgende dag oneerbiedig tegen Arkadji op de trap van het hotel, waar ze de dame in kwestie gaan bezoeken. Hij heeft het vage vermoeden dat het met haar niet helemaal in de haak is. Arkadji snapt niet dat hij nog hecht aan zulke burgermansmoraal. Basarow maakt hem duidelijk dat hij het tegenovergestelde bedoelt. Dat hij de kletspraatjes die de ronde doen over haar juist spannend vindt. Ze zou een welgestelde weduwe zijn, die haar veel oudere kerel alleen trouwde om zijn geld. “… ‘Gelooft u maar gerust, dat zij door water en vuur is gegaan,’ zeiden de babbelkousen en een bekende grappenmaker voegde daaraan toe: ‘En door koperen pijpen.’…” (door de wol geverfd – Russisch gezegde). Enzovoort, enzo verder. Anna haat alles wat alledaags is. Basarow is verre van alledaags. Tijdens het bezoek maakt Arkadji tot zijn immense verbazing zijn vriend voor het eerst van zijn leven verlegen mee. Of de heren misschien zin hebben naar haar landgoed te komen? Dat laten ze zich geen twee keer zeggen. Een paar dagen later zijn ze al op weg: “… Het weer was stralend mooi en niet al te warm, de paarden draafden lustig…”.

 

Niet weten wat je wilt

Dat kon toen: gewoon weken bij iemand blijven hangen die je leuk vindt. De vrienden vallen als een baksteen voor Anna. Gelukkig heeft ze nog een zusje van achttien, waarmee Arkadji wordt afgescheept. Anna wil Basarow. Om zichzelf te vermaken. Want wat de studenten níet beseffen, maar Toergenjev, de alleswetende verteller wél: “… Zoals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, wilde zij iets, wàt wist zij zelve niet. Eigenlijk wilde zij niets, hoewel zij dacht alles te willen…” (als je het hebt over nihilisme…). Basarow verliest zijn houvast. Arkadji wordt stil en melancholiek. Na een hoop geflirt van de kant van Anna, geeft Basarow, die altijd geweigerd heeft in iets als ‘verliefdheid’ te geloven,  op een zeker moment toe dat hij knettergek op haar is: “… hij had zijn voorhoofd tegen het raam aangedrukt en zuchtte diep, terwijl zijn hele lichaam beefde. Maar het was niet het beven van een schuchtere jongeling; niet de zoete schrik van een eerste liefdesverklaring; het was de diepe, brandende hartstocht, die hem deed beven, de hartstocht, die lijkt op haat en misschien verwant is aan haat…”. Sterker, hij loopt naar haar toe, en trekt haar aan zijn borst, wat blijkbaar opgevat wordt als een aanranding, want hij beseft dat hij het zich niet kan veroorloven nog een dag langer in de huishouding van Anna te vertoeven. Ondertussen is Anna ‘niet boos, maar bedroefd’. Toe maar. Op dit allerongeschikste moment komt ook nog eens de vervelende Sitnikow opdagen, die wel aanvoelt dat hij zo ongeveer wordt weggekeken,  en zo in de war raakt dat hij op zijn eigen hoed gaat zitten: “… De komst van een stommerik is soms heel nuttig in het leven, het ontspant al te strak gespannen snaren en ontnuchtert de trotse en ijdele gevoelens, doordat het iedereen herinnert aan zijn verwantschap met zulke mensen…”. Dat is ook weer zo: “… Sinds het verschijnen van Sitnikov werd alles dommer en eenvoudiger…”.  

 

Moedertje

“… Tussen de beide jongelui heerste de laatste tijd een schijnbaar ongedwongen spottende toon, hetgeen altijd een teken is van een verborgen ongenoegen of onuitgesproken argwaan…”, merkt Toergenjev ondertussen met veel inzicht tussen neus en lippen door op. Als ze die nacht blijkbaar met z’n tweeën naast elkaar in bed liggen, kondigt Basarow stuurs met zijn gezicht naar de muur gedraaid aan dat hij de volgende dag naar huis gaat. Waarom? “… Ik heb me toch niet bij haar verhuurd?...”. Samen uit, samen thuis. Arkadji gaat mee. De ouders van Basarow zijn totaal van de kook als hun geleerde zoon na drie jaar weer voor hun neus staat. Toergenjev schetst een weergaloos portret van zijn door- en door Russische moedertje, die niet meer kan stoppen met huilen, en achter zijn rug stilletjes driemaal een kruis slaat als hij haar omhelst tijdens het goedenacht wensen: “… Zij was heel godsdienstig en gevoelig, geloofde in alle mogelijke voortekens: in kaartleggen, handen opleggen, dromen, in alle mogelijke idiotismen, in huisgeesten, in kwade ontmoetingen in de natuurgeneeswijze, in het donderdagse zout, in het spoedige einde van de wereld. Zij geloofde, dat, wanneer in de Paasnacht de kaarsen uitgingen, de boekweit voorspoedig ging groeien. Zij geloofde, dat een paddestoel niet meer groeide, wanneer een mensenoog hem had gezien, dat de duivel graag in de nabijheid van water was en dat iedere jood op zijn borst een bloedvlek had; zij was bang voor muizen, adders, kikkers, mussen, bloedzuigers, onweer, koud water, tocht, paarden, bokken, roodharige mensen en zwarte katten; zij vond krekels en honden onreine beesten, zij at geen kalfsvlees en geen duiven, geen kreeft en geen kaas, geen asperges en geen aardbeien, geen haas en geen meloen, omdat een opengesneden meloen lijkt op het hoofd van Johannes de Doper. Over oesters sprak zij niet anders dan met beven. Zij hield van goed eten, maar vastte op de bepaalde dagen, zij sliep tien uren per etmaal, maar waakte als Wassilij Iwanowitsj (haar man) hoofdpijn had. Zij las geen andere boeken dan ‘Alexis of de hutten in het bos,’ schreef één of hoogstens twee brieven per jaar, was goed op de hoogte van het huishouden, van groente drogen en vruchten inmaken, maar stak nooit zelf een hand uit, omdat zij er niet van hield zich te vermoeien…”. Daar zijn de ondergeschikten voor. Toergenjev: “… Dat soort vrouwen is nu uitgestorven. God mag weten of wij ons daarover moeten verheugen…”.

 

De critici

Hoever de studenten bereid zijn te gaan voor hun principes moet je zelf maar lezen. Met de een loopt het uiteindelijk een stuk beter af dan met de ander. Toergenjev kon het destijds voor niemand goed doen. Zijn linkse critici vonden dat hij het teveel opnam voor de vaders. Zijn rechtse critici vonden dat hij het teveel opnam voor de zonen.

 

Uitgave: G.A. van Oorschot B.V. (De kleine Russische bibliotheek) – 2020, vertaling Froukje Slofstra, 192 blz., ISBN 978 902 822 313 4, 9,99

Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 1 december 2021

Wij zijn licht – Gerda Blees

 


Sommige mensen keren de open samenleving de rug toe om een eigen ‘thuis’ te creëren in een parallelle wereld, gefundeerd op misleidende complottheorieën, aldus filosoof Cees Zweistra in “Waarheidzoekers”. In “Het boek Daniel” vertelt Chris De Stoop over de moord op zijn zonderlinge oom die de band met de maatschappij ook had doorgesneden. Zijn belagers waren een groep jongens die zich eveneens niets gelegen lieten liggen aan de ‘common sense’. In “Wij zijn licht” haalt Gerda Blees (1985) een woongroep voor het voetlicht die weer op een heel andere manier de greep op de werkelijkheid verliest – en laat ze, op een weliswaar droogkomische manier, zien hoe gevaarlijk dat kan uitpakken.

 

Verontrustende afwijkende omstandigheden

Het verrassende van de roman “Wij zijn licht” is dat Blees elk hoofdstuk vertelt vanuit een ander en bijzonder perspectief, dat steeds aanvangt met een ‘iets’ dat zich voorstelt. Het verhaal blijft daardoor consequent aan de oppervlakte en diept geen karakters uit. Is het eigenlijk wel een roman? Het lijkt wel poëzie. Niet zo verwonderlijk, want Blees kwam in 2018 met een poëziedebuut: “Dwaallichten”. Het eerste hoofdstuk begint aldus: “… Wij zijn de nacht. Wij brengen duisternis en dronkenschap, kattengevechten, slaap en slapeloosheid, seks en sterfgevallen…”. De nacht is heel wat gewend, maar de situatie van de stervende vrouw waar ze op dat moment haar aandacht op richt, kenmerkt zich door toch wel enigszins ‘verontrustende afwijkende omstandigheden’. Elisabeth. Ze blijkt zo mager en verzwakt dat haar hart het elk moment kan begeven. Haar zus omklemt haar handen. Het vreemde: beide zussen liggen op luchtbedden midden in de woonkamer. Op de bank kijken een jonge vrouw en een man van middelbare leeftijd toe:  “… Allebei hebben ze bijna net zo weinig vlees op de botten als de stervende; hun wangen zijn ingevallen, hun ogen liggen diep in hun kassen…”. Hun skelet schemert door hun huid. Magen borrelen. Dit zijn mensen die denken dat ze kunnen leven zonder eten. Vertrouwelijk: “… Als nacht van de wereld zijn wij niet snel van ons stuk gebracht, maar opvallend vinden we het wel, dat mensen in een land als dit vrijwillig honger lijden, met het voedsel letterlijk binnen bereik. Alsof ze willen protesteren tegen de overvloed die hun gegeven is…”.

 

Een natuurlijke dood?

De zus, Melodie, meldt op een gegeven moment dat de stervende ‘weg’ is: “… Ik voelde haar overgaan. Heel vloeiend ging het. Wat mooi. Wat bijzonder. Vinden jullie niet?...”. Ze vult in wat het zwijgende stel op de bank moet vinden: “… Zagen jullie dat? Zagen jullie hoe rustig ze werd toen ik haar handen vastpakte? Eindelijk kon ze zich overgeven. Heeft ze zich overgegeven. Mooi toch, dat het zo gegaan is? Dat we niet hebben geprobeerd haar tegen te houden? Toch? Petrus? Muriël?...”. Daar denkt de waarnemend huisarts, die de dood vast komt stellen, anders over. Hij twijfelt over de vraag of er sprake is van een natuurlijk sterfgeval. Hoewel een buitensporig kwaaie Melodie hoog en laag springt, schakelt hij de gemeentelijke lijkschouwer in en roept hij de politie er bij. Uiteindelijk wordt het ontredderde drietal, op verdenking van moord door schuld,  in verschillende auto’s afgevoerd naar het politiebureau.

 

Invasief

In het volgende hoofdstuk is de ‘plaats delict’ aan het woord: “… Een dubieuze eer, deze nieuwe naam. De mensen die hier binnen komen zijn bepaald niet bescheiden te noemen. Zonder de bewoners om toestemming te vragen betasten ze onze oppervlakken met hun in plastic handschoenen gestoken handen en hun wattenstaafjes, rommelen in onze kasten en stoppen voorwerpen die aan ons toebehoren in doorzichtige plastic zakken. Strelend, al die aandacht, aan de ene kant, maar aan de andere kant voelt het ook een beetje invasief…”. Een man met een buik – “… zo’n buik hebben wij in jaren niet gezien…” – zegt dat de plaats delict de plek is waar het antwoord ligt. De plaats delict schaamt zich rot als er naar haar voorgevel wordt gekeken. De kleuren heeft ze zelf ook niet bedacht: oranje, geel, paars en groen. Op een bordje naast de deur: WOONGROEP KLANK & LIEFDE. Het halletje is geel. De kleur van de zon, had Muriel gezegd, dat geeft energie. In de wc heeft elke muur en het plafond weer een andere tint. Op de verjaardagskalender staan maar een paar namen, want als je zo’n naam leest op de wc, krijg je toch iets mee van de energie van die persoon, aldus Melodie. Overigens, als de plaats delict armen had gehad zou ze die, bij de aanblik van zoveel vreemde ogen en handen, beschermend voor haar intieme delen hebben gehouden.

 

Dat vindt ze zelf tenminste

Melodie blijkt de leidster van de groep. Ze heeft een engelengeduld. “… Dat vindt ze zelf tenminste. ‘Het vraagt heel wat, om met al jullie emoties om te moeten gaan,’ zegt ze tegen de anderen als die moeten huilen of boos worden of geen zin hebben om te praten. ‘Ik heb soms het gevoel dat ik beter weet wat er in jullie omgaat dan jullie zelf. Dat voelt als een hele verantwoordelijkheid, dat begrijpen jullie ook wel.’ En dan beginnen haar ogen te tranen, maar echt huilen doet ze meestal niet…”. Melodie schrijft ook de teksten voor de website, nieuwsbrief en een persoonlijke blog over de woongroep. De plaats delict weet amper hoe de stem van het slachtoffer klonk: “… Ze sprak zo weinig dat het de anderen bij vlagen gek maakte…”. Ze kon met het puntje van haar tong uit haar mond zitten kleuren. Was ze zwakzinnig? Was ze een digibeet? Op de tafel ligt een stapel krantjes en tijdschriften: ‘Anders wonen, anders leven’; ‘Happinez’; ‘Genoeg – tijdschrift voor consuminderaars’ en ‘Kritisch prikken’. Nou, dan weet je het wel. In het badkamerkastje: “… Geen voorbehoedsmiddelen, geen reguliere medicijnen, zelfs geen paracetamol. Wel een kast vol homeopathische geneesmiddelen, milieuvriendelijke cosmetica en bachbloesemdruppels…”. Op de spiegel briefjes waarop eentje met de tekst: samen = niet eenzaam! Als rijtjeshuis weet het plaats delict dan wel niet hoe het precies is om alleen in de wereld te staan, maar sinds ze met z’n vieren in het huis wonen, lijkt de eenzaamheid tussen de muren ook wel te zijn verviervoudigd: “… En hoewel ze vaak genoeg hardop zeggen hoe aardig ze elkaar vinden, hoewel ze wekelijks momenten hebben ingepland waarop ze elkaar vertellen waarom ze zo blij zijn met elkaar, kunnen zelfs wij, toch maar een eenvoudig jarentachtighuis, van hun gezichten aflezen dat meer dan de helft van wat ze zeggen gelogen is…”. Even verder: “… Wij verdenken de bewoners van woongroep Klank en Liefde ervan dat ze elkaar gevangen hebben gehouden in een kooi van eenzaamheid. En Elisabeth heeft zichzelf bevrijd…”.

 

Lichtjes van de realiteit afgeraakt

Het ‘dagelijks brood’ komt aan bod. Muriël krijgt een sneetje aangeboden in haar cel, waar ze bijna niet van af kan blijven: “… Ze ziet eruit alsof ze ons beter kan gebruiken dan ooit. Een stevige bodem in haar maag zou zoveel goeds teweeg kunnen brengen. Maar de twijfel heeft haar in zijn greep. De verlammende gedachte dat alles afhangt van de vraag of ze ons wel of niet zal eten. Dat alles verloren is als ze ons opeet. Meisje toch. We zijn maar brood. Aan ons is nog nooit iemand dood gegaan. Echt niet…”. Door Melodie is Muriël gestopt met eten: “… Iedereen was vrij om te eten wat hij wilde, maar dan moesten ze wel eten wat Melodie vond dat het beste was…”. Het brood kan het niet verkroppen dat ze is gedegradeerd tot nul: “… Een samenleving die haar eigen dagelijks brood niet eert begint lichtjes van de realiteit af te raken, als je het ons vraagt…”. Als een bewaker komt afruimen: “… Vandaag heeft ze ons weerstaan, maar we komen terug…”.

 

Sektarisch

Het item ‘de buren’ vindt Melodie een heks. “… Ze waren wel erg mager, op het laatst. Dat viel wel op. En achteraf vraag je je dan ook wel af of het niet toch een soort van sekte was. Het had iets sektarisch, vonden sommigen. Maar dat is ook speculeren. En wat is eigenlijk een sekte. Ze liepen in ieder geval niet hare krishna zingend over straat. Ze waren behoorlijk zweverig, maar dat zie je wel meer tegenwoordig. Alleen dat niet-eten werd op een gegeven moment wel een dingetje. Dat namen ze veel te serieus als je het ons vraagt. Ze geloofden er echt in, leek het, in ieder geval die Melodie, die kon daar vol overtuiging over praten, als je ze tegenkwam op straat. En die drie broodmagere huisgenoten van haar stonden daar dan braaf knikkend bij te luisteren…”. Wel een beetje raar: vier volwassenen in een huis. Die vent stond trouwens ’s nachts wel eens te schreeuwen, achter. Misschien hadden ze een maatschappelijk werker in moeten schakelen. Maar ja. Dat doe je niet zou gauw. We leven in een vrij land, nietwaar?!

 

Negenennegentig procent aandacht voor de menselijke kant

En dan: “… Wij zijn de raadsvrouw. Advocaat zouden de meeste mensen zeggen, maar in onze functie spreken wij de taal van het recht, een precieze taal, die alle tot juridische verwarring leidende misverstanden effectief omzeilt…”. Aangaande het strafrechtelijk onderzoek: “… Verdachten hebben bezoek gekregen van de GGZ in verband met verward en emotioneel gedrag en een vermoeden van psychosociale problematiek, en hoewel er door de hulpverleners geen concrete diagnoses zijn gesteld, zijn de verdachten aangemerkt als kwetsbaar…”. Melodie is nogal geagiteerd. Gelukkig is het haar specialiteit om dit soort cliënten op hun gemak te stellen, met negenennegentig procent aandacht voor de menselijke kant en één cruciale procent voor de juridische: “… Allereerst door er niet te indrukwekkend uit te zien, in deze fase van het onderzoek: niet te veel make-up, geen nette jasjes of hoge hakken, gewoon een bloesje met een mooie pantalon en een paar nette sneakers eronder. Laagdrempelig zijn. Liefdevol en in het nu. Aanwezig met ons verstand, maar ook met ons hart. Diep luisteren. Een open houding aannemen, de benen niet over elkaar geslagen maar naast elkaar, de voeten op de grond, de armen losjes op de verhoortafel gelegd. Een neutrale, empathische gezichtsuitdrukking…”.

 

Uitspraken over moraliteit

‘De feiten’ vertellen over een eetgoeroe die een veelgelezen boek over lichtvoeding heeft geschreven. De doden die ze op haar geweten heeft.  En over de Pro Ana websites die tips geven aan anorexia-meisjes. ‘De feiten’ kunnen niet bevestigen of ontkennen dat mensen die derden door middel van leugens er toe aanzetten zichzelf uit te hongeren moeten worden gestraft: “… uitspraken over moraliteit moeten we tot onze spijt aan anderen overlaten…”. Ondertussen neemt de rechercheur, die kookt van woede over mensen die zich aangemoedigd door charlatans  moedwillig de dood in helpen, de lift naar het dakterras, alwaar ze twee sigaretten achter elkaar oprookt. In ‘Wij zijn een sinaasappelgeur’ komen we te weten waarom Petrus agressief wordt als hij sinaasappels ruikt, en waarom hij bij Melodie in therapie is gegaan. ‘Klank en Liefde’ hebben elkaar niet uitgekozen, maar zijn elkaar gaandeweg steeds meer gaan waarderen en van elkaar gaan houden, zegt Liefde. Al denkt Klank meer in termen van resonantie, “… wat volgens hem wel aantoont dat we echt nog niet op dezelfde golflengte zitten, maar desondanks hebben we het samen zo slecht nog niet. Ook in een gearrangeerd huwelijk kan zich een diepe genegenheid ontwikkelen, denkt Liefde dan, en Klank kaatst terug dat hij het meer ziet als een onverwachte harmonie…”. Het blijkt dat de obsessie met eten in de groep begon toen het werken met muziek niet meer zo lukte. In ‘Wij zijn haar ouders’ vertelt de vader van Elisabeth en Melodie, ook namens hun dementerende moeder, over zijn gezin en hoe Elisabeth een marionet werd van Melodie.

 

Wat geeft je vleugels

Vervolgens komt de denkbeeldige ‘vlinder’ voorbij die ontstaan is in een therapiesessie waarin Melodie, als een soort Jomanda, Muriël opdroeg een beeld in haar geest tevoorschijn te toveren, dat haar kon helpen zichzelf te worden. Helaas was Muriël meer als een mot op een hete lamp afgevlogen, in plaats van als een vlinder naar de opkomende zon. Muriël zou hooggevoelig zijn. Hoe voedend is het contact met de meeste mensen om haar heen eigenlijk? “.. ‘Wat geeft jou vleugels? Dat moet je jezelf afvragen’, had Melodie gezegd. Elke keer bracht het antwoord op die vraag haar dichter bij Melodie en verder van de rest van de wereld,  totdat Muriël haar eigen huiskamer verruilde voor die van Melodie, waar ze vanaf dat moment samen met Melodie, Petrus en Elisabeth haar hogere potentieel najoeg…”. Maar Rupsje Nooitgenoeg vraagt in de politiecel  haar aandacht op, en ten langen leste werkt ze een boterham met hagelslag naar binnen: “… Eerst eten, Muriël. Voedsel voor je vleugels, brandstof voor je brein. En niet vergeten te kauwen voor je slikt…”.

 

Twijfel

De ‘cello’ vertelt als ‘kind van de barok’ op een verheven manier hoe Melodies verwaarlozing een snaar bij hem heeft gebroken. ‘Twee peuken’ verwoorden hoe ze lichaam en geest louteren van hun rokers. Het dode ‘lichaam van Elisabeth’ wijst op haar uitzonderlijk gespierde vingers, die ze balde tegen haar verlangens, “… verborgen in de zakken van haar veel te grote jas of trui of vest, iedere keer als wij lieten weten dat ze honger had, of dorst, of nodig haar benen moest strekken, of tegen een vreemde man in de trein aan wilde kruipen…”. En over de verschrompelde spieren rond haar stembanden, omdat ze niet meer sprak toen ze aldoor werd tegengesproken en gecorrigeerd door haar zus. ‘De Hellinkjes’ heet een appgroep waarin de twee andere broers en zus het over Elisabeth en Melodie hebben. Melodie die zo dominant is en de andere gekkies die totaal geen eigen wil tonen – daar moet ze ze op hebben uitgezocht: collectieve psychose. Het hoofdstuk ‘Wij zijn het wereldwijde web’ gaat in op de informatie die er over de woongroep op internet is te vinden. De ‘twijfels’ steken op bij Muriël, maar daar mag ze tijdens het verhoor niets van laten blijken. Ze wil toch niet de gevangenis in? Haar advocaat laat haar drie keer het zinnetje “… Als er al tekenen waren, dan zijn die me toen niet opgevallen…” herhalen. Als haar gevraagd wordt of ze niet heeft gemerkt dat het slecht ging met Elisabeth herhaalt ze braaf wat haar is voorgekauwd. Dat is ze tenslotte gewend. “… Haar advocaat luistert met een minzame glimlach, zich zichtbaar verkneukelend over zijn tactiek om Muriël in haar eigen half ware verklaring te laten geloven…”. En even verder: “… Met een gevoel alsof ze door het oog van de naald is gekropen laat Muriël zich terug begeleiden naar haar cel, en wij gaan met haar mee, klaar om haar opnieuw te overvallen zodra ze weer alleen is…”.

 

Alsof wij op het echte leven lijken

In ‘Wij zijn het verhaal’ neemt Gerda Blees zowel zichzelf als de lezer op de hak. Het verhaal stevent af op een voorspelbaar einde: “… De schrijver heeft geen tijd om dingen te verzinnen die ons interessanter maken. Terwijl er nog zo veel boeiends te vertellen valt…”. Het verhaal wordt een beetje simpel van alle aandacht voor Melodie. De schrijver doet alsof Elisabeth een zwart gat is. Ze wil het raadsel dat Elisabeth vormt intact laten, omdat dit volgens haar in het echte leven ook zo gaat: “…het echte leven? Alsof wij op het echte leven lijken. Heeft u ooit in het echte leven een verhaal het woord zien nemen?...”. De lezer is ook schuldig aan alle onduidelijkheid: “… Hoe vaak hebt u tijdens het lezen niet aan iets anders zitten denken? En hoe vaak hebt u niet iets in ons gelezen wat er helemaal niet stond? Tussen de regels door zeker. Al die moeite die wij doen om onszelf te blijven, dwars door alle meerduidigheid heen waarmee de schrijver ons heeft opgezadeld, en dan maakt u er in uw hoofd gewoon iets anders van, een slechte reproductie vol hiaten en niet-kloppende aannames en interpretaties….”. Haha. “… Als u ons echt recht wilt doen, zult u ons helemaal hardop moeten lezen, zo langzaam mogelijk, met uw vinger bij de woorden die u leest, zodat u niets over het hoofd ziet. Maar daar zult u wel geen tijd voor hebben. Geen tijd. Alsof wij het niet druk hebben, met alles wat er gaande is…”. En dan wat toeschietelijker: “… Ondanks alles hebt u het toch al tot op dit punt met ons volgehouden en dat is een feit dat voor u spreekt…”. Belangrijk is het nu vooral verder te lezen.

 

Cognitieve dissonantie

Ontroerend: “… Wij zijn dementie. Wij zijn het bewijs dat een mens niet samenvalt met wat ze kan begrijpen en onthouden…”. De groep blijkt iedere dag het verpleeghuis te visiteren waar de moeder van Melodie en Elisabeth woont. Ze zou niet goed verzorgd worden daar. Dan zijn er nog de op de draad versleten ‘geitenwollen sokken’ die haar moeder voor Melodie heeft gebreid. Zij vinden dat Melodie niet helemaal de waarheid vertelt tijdens haar verhoor. ‘De weerstand’ van Petrus wordt het woord gegeven, die hij zich van Melodie moet voorstellen als een grote hooibaal, waar hij tegen aan kan leunen of op in slaan. “… Uw huisgenoot ligt onder uw ogen dood te gaan en u denkt aan niets?...”, vroegen ze hem. Wat denken ze wel. De kapitalistische neoliberale maatschappij heeft Elisabeth beschadigd en doodziek gemaakt. De woongroep heeft haar opgevangen. En nu worden zij tot zondebok gemaakt. Over ‘de voorlopige conclusies’ om er een zaak van te maken: te ingewikkeld, te weinig kans van slagen, winst voor de samenleving minimaal. “… We zijn een politiebureau, geen gekkenhuis…”. Dus ‘heenzenden’. Dan komt er nog een ‘pen’ tot leven, die vertelt hoe Muriël brieven gaat schrijven aan haar ouders waar ze mee heeft gebroken. En aan haar vrienden van de woongroep, waarin ze bekent hoezeer ze in gewetensnood is geraakt (even dacht ik dat door al dat geschrijf Muriël de alias van Gerda Blees zelf was). Een prachtig item is die van de ‘cognitieve dissonantie’. Het zelfbedrog waarmee wij de feiten in ons leven in overeenstemming trachten te brengen met onze overtuigingen. Melodie: “… Wat een hel is dit geweest, wat een hel. Hoe ze ons onder druk hebben gezet, over de rug van Elisabeth. De leugens. De manipulatie. Ik heb er gewoon geen woorden voor…”. Alle drie proberen ze inwendig recht te praten wat krom is. Onzekerheid en gewetenswroeging heeft alleen maar te maken met hun ‘oude zelf’. Toch? De ‘slowjuicer’ is blij als de woongroep weer ten huize arriveert en tot slot doet ‘het licht’ zelf haar verhaal. Nauwgezet wordt vertelt hoe Muriël die nacht aanstalten maakt te ontsnappen.

 

Narcisme

Een en ander doet denken aan “De kinderen van Ruinerwold”. Ryanne van Dorst had in haar eerste uitzending van “Het alternatief”, 6 april 2021, trouwens ook een interview met een ‘breatharian’ – zie hier. Gerda Blees baseerde haar debuutroman op een waar gebeurd verhaal over een woongroep in Utrecht waar een 62-jarige vrouw om het leven kwam door ondervoeding. Ze sprak de leden nooit zelf. Inspiratie vond ze op hun website “Leonoor & Marthe” – zie hier. Toen ik de reviews bij Bol.com las kwam ik tot mijn verbazing een diep verontwaardigde afwijzing van de roman door Leonoor tegen. Mag je zomaar schrijven over echt bestaande mensen en hun echt bestaande voorvallen? Wel als je een en ander in een romanvorm giet, blijkbaar. Uit de recensie  van een psycholoog: “… De blauwdruk van vrijwel alle ongezonde woongroepen is een narcistische, dominantie leider met een aantal ‘co-dependant’ volgers. Zowel het boek als de website bevestigen dit beeld, waarbij het boek een aantal zaken onbeschreven laat die wel op de website inzichtelijk zijn. Die staat bijvoorbeeld vol met persoonlijke aanvallen op de vijanden van de groep (de maatschappij, instellingen en instanties, familieleden van groepsbewoners en uiteraard ex-groepsbewoners) die bijna te pijnlijk zijn om te lezen. De conclusie van het boek is eigenlijk dat er alleen verliezers zijn in dit verhaal. De leider die door kan gaan met haar egocentrische fantasieën, maar het geluk duidelijk nog niet gevonden heeft en ook niet gaat vinden. De volgers die hun leven opofferen voor een lege belofte van ‘iets hogers’ en onder grote druk van de leider in het gareel blijven tot de dood er op volgt. En alle mensen en instanties rondom de groep, die hun goedbedoelde hulp en adviezen zien afketsen op een onbehandelde persoonlijkheidsstoornis…”.

 

Uitgave: Podium – 2020, 224 blz., ISBN 978 905 759 000 9, 21,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier