Menu

woensdag 15 mei 2019

Het zoutpad – Raynor Winn


Subtitel: Over oude wegen naar een nieuw begin

Goethe (zie mijn vorige blog) zei het al: de natuur heelt. Met een leeskring bespraken we “Het zoutpad” van Raynor Winn, die samen met haar ernstig zieke man het eeuwenoude South West Coast Path heeft gelopen, dat een slordige duizend kilometer langs de Engelse zuidwestkust beslaat.

Dakloos

Alle grond zakt onder de voeten van de vijftigers Raynor en Moth vandaan als ze na een jarenlang juridisch gevecht, wegens een procedurefout, zonder pardon uit hun eigenhandig verbouwde bed- en breakfastboerderijtje worden gezet. Een onbetrouwbare vriend claimt onterecht geld van hen. Rechtsbijstand kunnen ze niet meer betalen. Ze zijn volkomen blut. Maar wat een grootsheid: “ … We deden de deur van de rechtszaal achter ons dicht en liepen stijf en zwijgend door de gang. Ik wierp een blik op de advocaat in de zijkamer en wilde doorlopen, maar Moth ging naar binnen. Nee, Moth, nee Moth, sla hem niet. Ik voelde alle woede, alle spanning van de afgelopen drie jaar. Maar hij stak de advocaat zijn hand toe. ‘Het is al goed, ik weet dat u alleen maar uw werk doet, maar het was de verkeerde beslissing, dat weet u ook wel, hè?’…”. En dat is niet alles. Moth krijgt in diezelfde tijd te horen dat de verlammende pijn in zijn schouder en arm en de trilling van zijn hand waarschijnlijk veroorzaakt wordt door cortiobasale degeneratie (CBD). Een zeldzame slopende hersenaandoening met een dodelijke prognose, zes tot acht jaar na de eerste verschijnselen. Raynor gelooft niet in God of een hogere macht, maar “ … Als Hij bestaat had Hij zojuist de wortels van mijn leven beetgepakt en uit de grond gerukt en zo mijn hele bestaan op zijn kop gezet…”. Als de deurwaarders op de deur bonken duiken ze weg achter de trap en ziet Raynor “Five Hundred Miles Walkies” in een verhuisdoos liggen; een boek over een man die met zijn hond het South West Coast Path loopt. Dat brengt haar op het idee hetzelfde te gaan doen. Ze kopen twee merkloze rugzakken, een tentje via EBay, zichzelf opblazende slaapmatjes, super-lichtgewicht slaapzakken, een Campingaz-brandertje, en dat soort dingen en gaan op pad: “ … Vraag iemand hoe een dakloze eruitziet, en hij zal meestal een man of vrouw beschrijven die buiten slaapt, ergens op straat een matje en wat beddengoed uitrolt, misschien een hond bij zich heeft, maar altijd bedelt om geld voor drugs en alcohol…”. In Engeland zijn vagebonden zo goed als vogelvrij: “ … Schurken, landlopers of zwervers: in welke categorie je daklozen ook stopt, in de zomer van 2013 werden wij er ook twee…”.

Wandelen met een schildpad

Hun bus mogen ze bij een vriendin stallen. Onderweg doen ze eindelijk een keertje Glastonbury aan dat aanspraak maakt op de legende van koning Arthur: “ … We waren net langs een meer gekomen waarin hij zijn zwaard zou hebben gegooid en dus leek het niet meer dan logisch om deze omweg te maken. Ik snap nog steeds niet waarom de Koning der Britten ‘het’ zwaard in een grauw meertje naast de A5 zou hebben gegooid, of waarom hij lang genoeg in Glastonbury zou zijn blijven hangen om kracht te putten uit leylijnen en de inspiratie te vormen voor een keten aan kristalwinkels…” (zie ook “Arthur/Kroniek van Madoc” van Hubert Lampo). Glastonbury is vergeven van New Age-experience, toeristen en daklozen voor wie bedelen blijkbaar een carrièrepad is, want ze zien dezelfde persoon in sjofele en surfersoutfit voorbijkomen. Op een donderdagmiddag om half vier starten ze hun wandeling over een godsgruwelijk steil zigzaggend pad door het bos van Minehead. Als het donker wordt zetten ze voor het eerst illegaal hun tent op, op de hei aan de rand van het onherbergzame Exmoor, na eerst wolken vliegende mieren van zich af te hebben geslagen: “ … wij hadden het gevoel dat we in een la met vorken lagen…”. En even verder: “ … Koud van boven, koud van opzij, koud van onderen. Wat maakt een slaapzak lichtgewicht? Dat werd duidelijk om vier uur in de ochtend, terwijl de kou zich erdoorheen vrat in het grijsgroene licht van de tent…”. De volgende dag eten ze in een idyllisch dorpje hun laatste scone met clotted cream, al weten ze dat nog niet. Nog maar twaalf kilometer onderweg en Raynor heeft al een blaar van zeker vijf centimeter onder de bal van haar voet. Alles doet zeer. Het pad leidt omlaag het dal in naar de stokoude Culbone Church, het kleinste kerkje van Engeland, dat ooit bij een leprozenkolonie hoorde. Ze passeren een blinde yogaman die hen voorspelt dat ze veel moeilijkheden zullen overwinnen, zullen overleven en zullen wandelen met een schildpad. “ … Je ziet hier in het zuidwesten niet veel schildpadden in het wild, hè?’ ‘Over het algemeen niet, nee.’ …”.

Blauwe wind
Door regen en wind sjokken ze verder. Soms ook zonder water in de verstikkende hitte. Ze stinken omdat de zee dagenlang onbereikbaar is. Poepen en plassen in de bosjes, overrompeld door eeuwige hondenuitlaters. Soms komen ze er pas de volgende ochtend achter dat ze hun tent in de mist en het donker nog geen meter van een rotswand hebben opgezet die honderd meter en meer, steil naar beneden afloopt. Ze leven op noedels, rijst en winegums. Soms lopen ze in een roes van duizeligheid en extase: “ … Een blauwe wind tilde mijn rugzak op en met mijn armen gespreid kon ik vliegen…”. Af en toe zijn er bijna spirituele momenten van verwondering. Honderden lieveheersbeestjes die opvliegen: “ … ik klampte me vast aan de mythe van het lieveheersbeestje dat geluk brengt en droeg die mee in een rozerode, gestippelde gloed…”. Scholeksters. Zwaluwen. Leeuweriken. Aalscholvers. Alpenkraaien. Uilen. Fazanten. Konijnen. Dassen. Herten. Zeehonden. Tuimelaars. Moth kickt onderweg al kotsend af van de pregabaline. Het gekke is dat hij zich zonder pillen na verloop van tijd beter en helderder gaat voelen. Ze lijden honger wegens geldgebrek. Elke week kunnen ze een kleine vijftig euro pinnen, maar door een stomme fout gaat daar ook nog eens een onnodige automatische verzekering van af. En in Engeland is het leven ongelooflijk duur. Eén keer zal Raynor zo wanhopig zijn dat ze een paar caramelrepen steelt. Durven ze het eindelijk aan een pasty te kopen, grist een brutale meeuw het kostbare eten weg. Ze leren dat het stempel dakloos iedereen afschrikt. Soms hebben ze geluk, winnen met een quiz in een pub tien pond. Een serveerster die haar tent gaat sluiten geeft hen het overgebleven eten. Van een oud stel krijgen ze kaartjes voor een openluchttheater. Als ze niet wildkamperen verblijven ze clandestien op drukke campings. De bijna niet te verwoorden eenheid met de natuur. Zwemmend in het donker tussen de zeemeeuwen: “ … De maan lichtte op hun witte koppen, die ze af en toe naar hem toe keerden, niet verstoord, maar nieuwsgierig. Wij hingen gewichtloos in het zout terwijl alles van ons wegdreef en verloren was. Er was alleen nog het water, de maan en de murmelende vormen die de zee met ons deelden…”. Zonder nadenken gaan ze in op de uitnodiging van een vreemdeling in wiens boerderij ze zich vol eten met lasagna en vol drinken met bier en wijn. Dansen met klussende surfers die in paardenboxen bivakkeren en hen wiet aanbieden. Van de backpackers die ze tegen komen, zijn de fanatieke robots die geen tijd hebben om boe noch bah te zeggen of om zich heen te kijken toch wel het beklagenswaardigst: ze moeten hun geplande dagmars halen. Ze doen me denken aan de amateurwielrenners die al scheldend en tierend tussen het gewone fietsverkeer door laveren. Reden waarom mijn oude moeder niet meer durft te fietsen. Wacht maar, denk ik dan, vandaag of morgen bezorg je je vanzelf een hartinfarct.

Toeval of voorbeschikking?

Steeds vaker wordt Moth aangezien voor ene Simon: een beroemde dichter die ze niet kennen. Het brengt hem op het idee tijdens een straatfestival uit zijn lievelingsboek “Beowulf” te declameren, waar ze een hoed vol muntjes mee ophalen. Tot iemand vraagt naar hun vergunning. Zoute lucht, kliffen, eindeloze landtongen en even eindeloze inhammen. Herfst. Het wordt steeds kouder. Dan: ‘saved by the bell’. Een oude vriendin aan de telefoon. Of ze de aankomende winter gratis in een loods bij haar boerderij willen doorbrengen als ze die als tegenprestatie opknappen. Weinig keus. Maar met een dak boven hun hoofd gaat Moth zienderogen achteruit. Raynor sluit zich aan bij een schaapscheerdersploeg. Maakt dagen van zes tot acht. Werkt zich een ongeluk in een wasserij en de vakantiehuisjesschoonmaak. Uiterst langzaam verbouwt Moth ondertussen de schuur. Als het zomer is wil de vriendin de keet verhuren en staan ze weer op straat. Maar nu komt Moth met het waanzinnige idee een milieustudie te gaan volgen aan de universiteit, waardoor hij in aanmerking komt voor studiefinanciering. Twee maanden moeten ze zien te overbruggen. En weer gaan ze het pad op. Met Moth gaat het opnieuw stukken beter. Pas las ik een artikel waarin werd uitgelegd dat als je stevig doorloopt je hersenen dopamine aanmaken, een neurotransmitter die onder andere goed werkt tegen depressie en pijn. Dat verklaart veel. Zelden heb ik meegemaakt dat een auteur zo mooi en vrolijk en toch discreet op de seksuele toer gaat: “ … Een groep duikers kwam druipend het strand op als pinguïns in drysuits, met hun flippers in de hand. De duiker die het dichtst bij de keet was, pelde het droogpak af, waaronder nog een tweede, zeer vrouwelijk gevormd, wetsuit tevoorschijn kwam. En trok haar neopreen capuchon af, zodat haar lange donkere haar los wapperde in de opstekende wind. Met veel moeite bevrijdde ze zich van de zwarte, nauwsluitende huid, en de bejaarde vissers aan het tafeltje naast ons vielen stil. Toen ze eindelijk het pak over haar dijen omlaag rolde en een volmaakt lichaam in een rode bikini onthulde, gleden ze bijna van de bank af. ‘Goeiehemel, schat, je moet echt iets aantrekken, je vat nog kou zo.’ Ze keek op naar Dave, zich schijnbaar niet bewust van het effect dat ze had zoals ze daar druipend, halfnaakt voor de vissers stond, die nu haast in katzwijm lagen. ‘O, nou bedankt, dat zal ik doen.’ Haar hese stemgeluid was meer dan een van de oude mannen kon verdragen: hij legde zijn hoofd in zijn handen en begon heen en weer te wiegen. Zijn vrienden schonken een bekertje water in en gaven hem dat. ‘Neem je hartpil, Doug, en kijk de andere kant op.’ …”. Ze worden meegenomen naar een illegaal dorp in een bos waar seizoenarbeiders wonen die zich geen huurhuis op het platteland kunnen veroorloven. Ze slapen een angstige nacht in Plymouth: de daklozen in de stad zijn agressief en volkomen onberekenbaar. Op het eind van de reis maken ze kennis met een vrouw met panne die hen een huurhuisje aanbiedt, terwijl ze ook nog een man tegen komen die zijn schildpad uitlaat. Toeval of voorbeschikking?

Vluchtelingen uit een westerse beschaving
Prachtig vertelt Raynor in dit hartverwarmende verhaal over de doodzieke man met wie ze twee inmiddels studerende kinderen heeft en waarmee ze al dertig jaar is getrouwd (ja, dat kan echt): “ … De eerste keer dat ik Moth zag, aan de overkant van de schoolkantine, was ik achttien. Hij droeg een wit, kraagloos overhemd en doopte een Mars in een kop thee. Ik was betoverd. Later die dag hing ik met mijn vriendinnen uit het raam van de derde verdieping en zagen hem over het schoolplein lopen: met kniehoge rijlaarzen en in een oude legerjas die flapperde in de wind. Ik kon nergens anders meer aan denken. Het duurde weken voor hij iets tegen me zei, weken waarin ik voortdurend heimelijk naar hem keek, vanachter boekenplanken, door winkeldeuren, vanuit bosjes. Ik kon alleen nog maar aan hem denken. En aan seks. Toen sprak hij me aan en kennelijk was dat ook het enige waar hij aan dacht. Een kalverliefde groeide uit tot een vriendschap die ons in de greep van zijn passie door het volwassen leven voortstuwde. Een leven waarvan ik niet had geweten dat het bestond, over wegen die ik zelf niet zou zijn ingeslagen, van dagen op winderige heidevelden, weken luidruchtig protest op demonstraties, muziekfestivals en pizza’s in het park toen hij me meesleepte in zijn milieuactivisme, en van praten, praten, praten, een gesprek dat nooit stilviel. Jaren gingen voorbij terwijl wij eindeloos kletsten en lachten, met onze benen in elkaar verstrengeld. Onze vrienden wisselden even vaak van relatie als kleren, maar wij hadden niets anders nodig. We werden dertigers, veertigers en zagen stellen om ons heen terechtkomen in een grijze toestand van kameraadschap met als hoogtepunt de wekelijkse boodschappen of de zaterdagse wedstrijd, en wegzinken naar de onvermijdelijke scheiding. En al die tijd leefden wij met een passie die niet uitdoofde. Nu we dakloos door Lynton strompelden, was er nog steeds iets in de manier waarop hij een Mars at, dat mijn hart onmiddellijk deed overslaan…”. Naast een verhaal over de liefde is dit ook een verhaal over het daklozenprobleem: “ … Hoe komt het dat maar zo weinig mensen begrijpen dat iedereen behoefte heeft aan een plek voor zichzelf? Is er een crisistijd voor nodig om te zorgen dat we de narigheid van daklozen kunnen zien? Moet je aan een oorlogsgebied ontsnapt zijn om in nood te zijn? Kunnen wij als volk alleen op nood reageren als we die erg genoeg vinden? Als de daklozen van ons land bijeen werden gebracht in een vluchtelingenkamp, of uit wanhoop in bootjes de zee op gingen, zouden we dan onze armen voor hen openen? De daklozen uit ons eigen land passen niet in dat patroon; wij geloven liever dat hun narigheid hun eigen schuld is en dat het er maar weinig zijn; en toch zeggen meer dan 280.000 individuen in het Verenigd Koninkrijk geen huis te hebben en het percentage van mensen dat door een verslaving in die situatie terechtkomt, is klein. Als zij – wíj – allemaal bij elkaar zouden gaan staan, mannen, vrouwen, kinderen, zouden we er heel anders uitzien dan die ene man alleen in de portiek van een winkel, verslaafd aan iets waarmee hij kan ontsnappen. Hoe zouden we dan bekeken worden? 280.000 mensen? Of meer, of minder? De juiste cijfers zijn niet bekend. Vluchtelingen uit een westerse beschaving, losgeslagen van hun leven in een boot die zelden een haven vindt…”.

Uitgave: Balans – 2019, vertaling Annemie de Vries, 320 blz., ISBN 978 946 003 940 9, € 22,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Geen opmerkingen :

Een reactie posten