Menu

donderdag 6 juni 2019

Vallen is als vliegen – Manon Uphoff


Mijn vorige blog begon met de opmerking dat goede literatuur ‘ontwrichtend’ is. Dat is “Vallen is als vliegen” zeker. Het is alsof Manon Uphoff (1962) je midden in je gezicht slaat. Maar ze heeft je gewaarschuwd. Haar boek begint met een citaat uit “Faust” (daar is-ie weer: Goethe…): “ … ‘Nu geen paniek, bekijk alles gelaten, / probeer de zaak op zijn beloop te laten, / je bent toch anders ook de bangste niet. / ’t Is gruwelijk wat je te zien zult krijgen, / noteer dus heel precies wat je hier ziet.’…”.

Krijgsrumoer in het land en groot verderf

Manon Uphoff vertelt hoe ze in twee werelden leeft. De problematische echte, en de spetterend verhalende. Net als ik. Als de ene je niet bevalt kun je altijd switchen naar de andere: “ … Lang heb ik me vastgehouden aan het idee van mijn miraculeuze ontsnapping, mijn ‘quantum leap’, hopend kalm en met controle in een wereld van fictie te kunnen bestaan. Een van eigen hand, die ik vrij kan binnengaan en weer verlaten…”. Tot zich wat je een writer’s block zou kunnen noemen, voordoet, die zo’n kleine tien jaar moet hebben geduurd: “ … In de winter van 2009 verloor ik deze liefde voor verhalen die me tot dan toe had verwarmd, en er kwam onrust voor in de plaats…”. Ik moest denken aan een fragment uit “Gewone genade” - zie mijn vorige blog - waarin zijn moeder aan Frankie vraagt of hij het Oude Testament een beetje kent: “ … Ik keek haar aan maar zei niets. Ze zei, ‘Krijgsrumoer in het land en groot verderf!’ Ze trok aan haar sigaret en blies een wolk rook uit…”. Uphoff beschrijft het zo: “ … Ja, onrust, en alarm… en toen ontbranding…”. Ze was helemaal niet van plan om het onderhavige verhaal te vertellen, maar ze stikt er bijna in. Ze móet de weg vrij maken. Wat is er allemaal gebeurd?! Haar man Oleg is woedend over een roman waarin ze hem heeft opgevoerd, voelt zich verraden, en beschuldigt haar ervan nooit waar dan ook op te duiken zonder dat ze haar rattige aantekenboekje ergens verstopt. “… (There’s a killer on the road, his brain is squirming like a toad.) Zelfs een cartoonist die me voor een tijdschrift tekende had me troebele oogjes gegeven, zonder licht in de pupillen, alsof ik niet menselijk was…”. Het moet over "De spelers" gaan, dat ik niet heb gelezen, maar waarvan ik me wel herinner dat het een paar rotrecensies heeft gehad, onder andere van Elsbeth Etty (NRC, 30.10.2009) en Arie Storm (Het Parool, 04.11.2009). Uphoff vertelt hoe ze als een ‘dwerg’ c.q. een ‘antieke Chinese boeddha’, gezeten op de pijnhoutplanken vloer van haar werkkamer, pagina voor pagina uit het boek scheurt - “… Hele hoofdstukken rukte ik uit het kleine monster dat ik gemaakt had, zelfs plukken haar uit mijn eigen hoofd, tot mijn pols pijnlijk bonkte en klopte…” - terwijl het snot en het slijm uit haar neus lopen. Ze beschrijft zichzelf als een “… Sméagol-achtig wezen…”, dat bij elkaar drieëndertig boeken kapot trekt, “ … Waarbij ik me voelde als een van Hendrik VIII’s ter dood veroordeelde vrouwen. King Henry, to six wives / He was wedded / One died / Onde survived / Two divorced / Two beheaded…”. Zo ver kan het dus met je komen als schrijver.

Woede
Het onvruchtbare decennium heeft Manon Uphoff als één lange winter beleefd, waarin “… we in onze familie allemaal patiënten werden, lijdend aan onduidelijke ziektes en ingewikkelde symptonen…”. Ze is er één van acht, en allemaal zijn ze “…samengesteld uit een veelvoud van onmogelijkheden…”. Misfits. Buitenbeentjes. Ze zoeken hulp, maar dat helpt niks. Haar broer komt bij hen, in hun nooit helemaal als thuis aanvoelende ‘boshut’, aankloppen: “ … Na meer dan vijfentwintig jaar was hij weggesaneerd uit zijn werk en huwelijk…”. Onder de psoriasis: "...Wie wil me nu nog...! ik ben al negenenvijftig!...". Haar zusje’s relatie loopt op de klippen: “… Libby belde. Om te zeggen dat haar hart ditmaal echt was gebruikt als kattengrit… Dat het ditmaal echt aan een roestige spijker was opgehangen…”. Het gaat over een kerstmaal waarbij Oleg en zij brandende waxinelichtjes naar elkaar smijten. Het gaat over een goede vriend van haar die in die periode sterft. Dat moet Herman Franke, de auteur/criminoloog zijn met wie ze de brievenroman "Als je me maar blijft schrijven" uit 2012 maakte, dat ik óók al niet heb gelezen, maar waarvan een goede vriend van mij zei dat het hem zo ontroerde. Zelfs de kat ontpopt zich tot een halve kannibaal die dode konijntjes door het kattenluikje sleept om ze op zijn gemak in de hal op te peuzelen (er blijft alleen een gelukspootje achter), zodat Oleg, de eerste die ‘s ochtends het ‘abattoir’ betreedt, probeert om alles met Cillit Bang weer in orde te maken. Naast haar dagboekaantekeningen maakt ze alleen (Engelstalige) haringliedjes, die ze op Facebook post. In de kantlijn is een en ander opgenomen: en geloof me, ze zijn ontzettend leuk. De enige onderbreking is een incidenteel bezoek van de laatst overgebleven huisvriend, “… die voorovergebogen over zijn fietsstuur als een schicht uit de bossen tevoorschijn schoot…”. Tot haar oudste zus, Henne Vuur, die ooit als een soort tweede moeder voor haar functioneerde, van de trap valt en sterft. Op 13 november van het jaar 2015. Dezelfde dag waarop een groep jongeren in de Bataclan te Parijs door een stel extremisten wordt neer gemaaid. De schrijfster: “ … Natuurlijk is Henne Vuur niet haar echte naam. Isaac Bashevis Singer gaf die aan een van zijn formidabele in woede ontbrande personages en ik noemde haar zo omdat dat is wat ze heeft gedaan, een vlam ontsteken. Op die 13de november vonkte ze langs elke tree van de trap als een lucifer…”. Hèhè; nu komen we ergens…

Peertje op sap
De naam van haar vader valt, waar ze in grote cirkels omheen schrijft. Henri Elias Hendrikus Holbein. HEHH, zoals in “HhhH” van Laurent Binet: “… amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene…”. Zich via nijvere avondstudies opwerkend tot “…wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan…”. En vergoelijkend: “ … Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters…”. Nou, dan weet je het wel. Henne Vuur heeft hem, toen hij een hoge leeftijd bereikte, liefdevol verzorgd tot zijn einde. Hij sliep vredig in. Henne Vuur, die zweeg als het graf, en zich uitmergelde. Wat me aan de dood van de zeventienjarige Noa Pothoven doet denken die vandaag de hele wereld schokt, omdat het om euthanasie zou gaan, wat niet waar is. Ze stopte met eten en drinken. Een zwaar getraumatiseerd meisje dat in haar boek, "Winnen of leren", beschrijft hoe ze als elfjarige meermaals is aangerand en later verkracht: “… Tegenover ‘De Gelderlander’ vertelde ze die pijn en angst iedere dag te herbeleven. ‘Er is ingebroken in mijn huis, mijn lichaam. Dat kan nooit meer ongedaan worden gemaakt’…” (ND; 06.06.2019). Uphoff schrijft over Henne Vuur’s volwassen zoon, in zijn ‘hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje’, met wie ze ‘altijd en eeuwig’ rondreed: “… Deed het niet denken aan ‘Psycho’? Wat een bizar en ongelooflijk paar!...”. Haar neef die na zijn scheiding depressief terugkeerde naar huis vanwege zijn behoefte aan moederlijke zorg en vervolgens een beroerte kreeg omdat hij hele dagen op bed lag, waar hij dik en week en zacht van werd: “… een peertje op sap…”. Henne Vuur werd gekort op haar uitkering omdat ze een zoon had die het verdomde ook maar één euro in te brengen, maar wel de gewoonte had te dineren bij Van der Valk, waar hij heen reed in zijn karretje en nooit het dessert vergat. Henne die steeds dunner werd: “… Het soort dun waarvan iemand als Trump houdt. Je weet wel, niet te veel vlees aan een vrouw, behalve een paar geleitieten, nooit teveel ruimte, te veel luidruchtigheid…”. Ik voel me bijna opgelucht als Uphoff eindelijk explodeert: “ … o, founding fathers, mijn woede is zo groot dat deze de wereld zou kunnen verwarmen. ‘GRAB ‘EM BY THE PUSSY.’ GOOI ZE UIT HUN BANEN. Laat ze zorgen voor hun ondergepiste ouders, hun kinderen. Stop er een piemel in. Ik voel mijn woede groeien, vormenrijk worden als een Jeroen Bosch-schilderij (weet je nog: de grote tentoonstelling?). Kalmeer. Wordt meesteres van je woorden. Kijk naar je woede, het oranje en goud, het koele blauw. Dan is ze op haar heetst, kun je het ijzer erin smelten… Henne Vuur verstookte die van haar inwendig, als een stuk bruinkool…”.

Een kindermond is gauw gevuld
Wanneer wordt haar vader de 'Minotaurus'? Manon Uphoff vertelt over het gemankeerde gezin waarin ze opgroeit en alles dubbel is, zoals ik zo vaak hoor van kinderen die zijn misbruikt. De pedofiel is niet alleen maar slecht. De vader is niet alleen maar satan himself: “… mijn vader zegt dat ik de slimste ben, dat anderen (in huis) niet kunnen tippen aan mijn verstand…”. Haar vader, een katholieke potentaat in een patriarchale wereld, is ook een heer en een gentleman. Is ook een magiër, een tovenaar, een sjamaan die haar overstelpt met aandacht en verhalen en een wereld van kennis, kunst en wetenschap. Er zijn kadootjes. En later is er geld, véél geld. Maar voor wat hoort wat: “ … geen kennis zonder betaling, de heffing van een speciale btw…”. Aan haar mooie maar eeuwig ontevreden moeder heeft ze weinig warme herinneringen. Als meisje kan ze niet wachten tot haar goddelijke vader s’ avonds, na zijn werk, door de deur komt. Hij vertelt haar hoe ze als een uitzinnig geliefd kind werd geboren in de legendarisch strenge, ijskoude decembermaand van 1962: “… ‘midden in de winternacht ging de hemel open’, ‘laat de citers slaan, blaast de fluiten aan, laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen…’…”. HEHH is toegewijd aan de heilige maagd Maria op een manier “… die ons tot wanhoop dreef…”. Volgens Uphoff omdat hij (ook al) een warme moeder heeft gemist. En zo werd: “ … in een even eigenzinnige als in zijn tijd mogelijk gemaakte verknoping van christendom met de goddelijke mens en de Kunstenaar als scheppende macht, HEHH heer en meester over de paarden, pionnen, torens en lopers… en nu en dan de dame. Dit huis een speelveld waar al het gedachte, gewenste en gevreesde werkelijkheid kon worden…”. En vertelt ze tussen neus en lippen door over haar “… mond die zich eender liet sluiten om wat wordt aangeboden, een wafelijsje van Jamin, een gesuikerde en magisch verkleurende toverbal of de Holbein-penis (en, mogen we wel zeggen, met een verbluffende allure en een waar ‘natuurlijk’ talent)…”. Even verder: “ … HEHH (steenrood hoofd, zichtbare rij smalle witte ondertanden) stort zijn zaad in de mond van een achtjarige en de rest in een zakdoek…”. Het verhaal gaat achteruit in de tijd: “… In mijn binnenste binnenbuik leegde de machtige God zich die me nederig diende. Mij, ‘de alderliefste’ (zoals ik nog wel eens wil geloven). En wie me wil kleineren met bekrompen medelijden tover ik mijn grootste overwinning voor: Jezus verrees maar één keer, nou, ik vijfjarige, versloeg ‘m en ik deed dat elke dag opnieuw…”. Een vijfjarige (!) die in de ochtend opstaat om “ … te worden verpakt en aangekleed als een kleuter door de befaamde HEHH (bijvoorbeeld in een rood maillootje, lakschoentjes en geruit plooirokje met speld), en naar het kakschooltje te gaan waar men bloemen leert knippen met een schaartje en ezeltjes leert prikken uit karton op een vilten matje. En tegen Pasen het 'Hosanna' zingt met de bejaarde kleuterjuf Van Veen, ‘Van Veen, Van Veen, met haar dikke teen…’, en hartstochtelijk met haar meesnikt om het leven en lijden van de lieve, ‘lieve Heere’ Jezus Christus….”. Even verder vertelt ze over de, veel later, in de agenda van haar vader geplakte uitvouwbare vellen ruitjespapier waarop hij haar menstruatiecyclus bijhoudt, en dat van haar zusje. Geloof me, ik heb je de helft nog niet aangezegd. En toch: “ … Je moet weten: ik hield van Henri Elias Henrikus Holbein, wij allemaal hebben onze god liefgehad…”. Als een vader op deze manier God is voor jou, dan kun je wat mij betreft niet godslasterlijk genoeg zijn, denk ik.

Alsof ze het ruiken

Uphoff vertelt over een boeiend onderzoek waar Amerikaanse wetenschappers zich al jaren mee bezig houden (en ik vraag me af of haar vriend, de auteur/criminoloog haar daarover heeft ingelicht): “… de geur van angst. Hiervoor hebben ze veel aan wat al bekend is over mieren. Die communiceren voornamelijk door middel van feromonen, stoffen die ze uitscheiden om door andere mieren te worden geroken of geproefd. In de vroege jaren zestig maakten nieuwe microanalysetechnieken van natuurlijke chemische stoffen het mogelijk om zelfs een miljoenste gram te detecteren, de hoeveelheid die gewoonlijk wordt gedragen door één enkele mier. Alarmferomonen die vrijkomen uit de mandibulaire klieren blijken een mix van keton methylheptaton en alcohol methylheptanol te bevatten en deze mierenferomonen zijn bijzonder efficiënt. Het trailferomoon van de Noord-Amerikaanse bladsnijder (de ‘Atta Texana’) bijvoorbeeld is zo krachtig dat entomologen schatten dat slechts één milligram van deze stof (nauwelijks een spoortje voor mensen, maar grofweg de totale hoeveelheid die in een kolonie kan worden gevonden) voldoende is om een werkmier over een afstand van 135 000 kilometer te leiden (dat is ruim drie keer de wereld rond)…”. Het is ongelooflijk. Welnu; Uphoff is er van overtuigd dat geur ook een rol speelt in menselijke relaties. Een herkenbaar aroma. Ze vertelt hoe haar zusje met haar twee dochtertjes in het eerste blijf-van-mijn-lijf-huis terecht kwam na met een psychopaat te zijn getrouwd die net uit de gevangenis kwam. Waarom werd ze gek op hem? In het in 2015 verschenen boek "Moordenaars in Nederland" van misdaadjournalist Jan Korterink is een hoofdstuk gewijd aan deze ex die samen met zijn nieuwe liefje, Hanni, het negenjarige meisje Digna van der Roest van haar vrijheid beroofde, verkrachtte en vermoordde. Uphoff was zelf slachtoffer van kinderporno. Ze heeft het over een zusje dat werd verkracht, zwanger werd, en het kind in het diepste geheim direct na de geboorte afstond. En aan de andere kant: waarom verfoeien ‘normale’ mensen slachtofferschap? Waarom lopen we bijvoorbeeld het liefst met een grote boog om zwervers heen (zie “Het zoutpad” van Raynor Winn)? Waarom voelen daders feilloos aan wie kwetsbaar zijn? Het lijkt wel of ze het ruiken, heb ik vaak gedacht.

Heksensabbat

Volgens Uphoff zijn haar verhalen een voortdurend onderzoek naar wat ‘thuis’ betekent, en voor wie: “… Wat het is, wat het was en in de toekomst zou kunnen zijn. Om eraan toe te voegen dat ik daarvoor ‘mijn’ huis, de pathologie ervan, moet uitbeelden en oproepen, in heel veel verhalen en in een (ritmische, rituele) herhaling die lijkt op die van fractalen. Als de puzzel die het was, een labyrint, de donkere maan…”. Tot je het begrijpt? Je kunt je afvragen of dat moment ooit zal komen. Ze beschrijft hoe ze reageerde door zich in haar pubertijd bezig te houden met horror en martelerotiek, terwijl ze ondertussen probeerde een stoïcijnse geest te kweken. Een minicourtisane die anorexia ontwikkelde, haar schoolopleiding niet afmaakte omdat ze werd verwijderd wegens recalcitrant gedrag, en in haar eentje verkleed en opgetuigd kroegen en discotheken bezocht: “ … daar was ik: Pallas Athene, in volledige wapenuitrusting, ontsproten aan het voorhoofd van mijn vader…”. Hoe ze op middelbare leeftijd met haar zussen samenkomt ter (on)ere van de Minotaurus. In een tweekamerflat, een “… Baba Jaga-hut, waar niemand ons kan zien en ons speeksel vrijelijk kan lopen…”. Gieren, lachen, brullen. Wijn: “ … De heksensabbat. Moeten we snel weer doen, volgend jaar, o, volgend jaar zeker…”. En “…Dan is het weer in de bezemsteelwagen naar huis, waar we ons vermommen en verkleden als schrijver, artiest, huisvrouw, alleenstaande ouder, bejaarde met bescheiden AOW’tje…”. Ik dacht aan “Maar buiten is het feest” van Arthur Japin dat is gebaseerd op het misbruikverhaal van Karin Bloemen. Het is het meest gelezen blog op mijn site. Ik weet nog steeds niet of ik daar blij om moet zijn of om zou moeten huilen. Binnenkort zal Karin Bloemen met haar eigen memoires naar buiten treden. Bijna de helft van de afbeeldingen van seksueel kindermisbruik op het wereldwijde internet wordt gepubliceerd via Nederland, stelt de waakhond IWF, volgens een artikel in het ND van 25 april jongstleden. En alhoewel het Meldpunt Kinderporno deze resultaten nuanceert: waar rook is, is vuur. Zolang er kinderen slachtoffer worden van misbruik zijn boeken als van Manon Uphoff manna uit de hemel wat betreft bewustwording en een aanklacht tegen de schaamtecultuur. Niemand mag wegkomen met: Wir haben es nicht gewusst. Voor mij de grootste vraag: hoe kun je nou zo christelijk zijn en tegelijk… Enzovoorts, enzoverder. Voor de Bijbelkenners die aankomen met ‘ja, maar je moet toch zeventig maal zeven keer vergeven’: Jezus heeft wel meer gezegd. Zie Mattheus 18 vers 6 volgens de aloude Statenvertaling: “… Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee…”. Ik heb gezegd.

Uitgave: Querido – 2019, 192 blz., ISBN 978 902 140 802 6, € 18,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 4 juni 2019

Gewone genade – Willem Kent Krueger


Goede literatuur is altijd min of meer ontwrichtend, onberekenbaar en ‘niet normaal’. Als je krijgt wat je verwacht is het al geen literatuur meer. Dat is met “Gewone genade” ook zo. Het is een christelijk boek en toch knetteren hier en daar de vloeken van de bladzijden (wat de gelovige uitgever, Dingeman van Wijnen, blijkbaar de nodige nachtelijke hoofdbrekens heeft gekost, getuige zijn essay in het ND van 26 april 2019). Het is een ouderwetse ‘whodunit’, maar het stelt wel de ‘strenge, bittere dood’ aan de orde. Wat het sterven met je doet. Hoe je er misschien mee zou kunnen leven. En dat in een wereld waarin het onvermijdelijke einde in alle toonaarden wordt ontkend omdat alles mooi en jong en hip moet zijn. Dat alleen al maakt het verhaal meer dan de moeite waard. Over de Amerikaanse schrijver William Kent Krueger (1950): zie hier.

Totdat er wijsheid komt

De proloog stuurt al een beetje in de richting van hoe je over het verhaal moet denken - maar dat zijn kerkgangers natuurlijk wel gewend :). “ … Het was een zomer waarin de dood in vele gedaanten langskwam. Pech. Natuur. Zelfmoord. Moord. Je zou verwachten dat die zomer me is bijgebleven als tragisch, en dat is ook zo, maar toch niet alleen maar als tragisch. Mijn vader citeerde vaak de Griekse schrijver Aeschylus. Wie wil leren moet lijden. En zelfs als we slapen glipt de pijn, die niet vergeten kan, druppel voor druppel ons hart binnen, totdat, midden in onze eigen wanhoop en tegen onze wil, er wijsheid komt, door de vreeswekkende genade van God…”. Wie wil lezen moet ook lijden, dacht ik. Aan het woord is Frank, inmiddels een vijftiger, maar destijds een jongen van dertien. Als zijn vader, een dominee, midden in de nacht uit bed wordt gebeld, weet hij niet hoe gauw hij op moet staan: “ … Er lag een plas maanlicht op de vloer van de slaapkamer. Het getjirp van de krekels en andere insecten van de nacht brachten het duister tot leven. Het was nog geen juli maar toch al gloeiend heet…”. De sfeer die geschapen wordt doet me aan een openluchtconcert van Barbra Streisand denken: de stilte, het kabaal van krekels, voordat het applaus losbarst. De Amerikaanse droom voor mij. Frank wil met zijn vader mee, die een dronken vriend van het politiebureau moet halen: “ … De nacht is de duisternis van de ziel, en dat ik uit bed was op het moment waarop de rest van de wereld sliep gaf me een heerlijk zondig gevoel…”. Zijn broertje, 11 jaar, is zich ook al aan het aankleden. Wil niet achterblijven. Jake; twee koppen kleiner, rood haar, sproeten, “… twee oren die als handvaten van een suikerpot van zijn hoofd stonden…”. Daarom noemen ze hem naar een pop uit een tv-show: Howdy Doody. Meestal zegt hij geen woord in het bijzijn van anderen. Hij stottert verschrikkelijk. Papa is te moe en te slaperig om tegen de jongens op te treden. Toe dan maar. Frank is zo’n etter dat hij ook nog ter plekke verzint dat hij naar de wc moet, zodat ze mee mogen het politiebureau in. Een gebouw dat hij nog nooit van binnen heeft gezien. Papa's vriend heeft gevochten met een plaatselijke raddraaier - “… zwart haar met een kuif en altijd zwarte leren jasjes aan…” – die ook in een cel zit. “… Kijk es aan, als dat Frankfurter Kakworst en Howdy D-D-D-Doody niet zijn…”, treitert de laatste. De dominee praat met de agenten over de eerste dood van het grote sterven dat die zomer begint. Waarschijnlijk een ongeluk. Een kind met een beperking dat op de spoorlijn werd gegrepen door een trein: “ … Ik had nog nooit een jongen gekend die overleden was en het voelde vreemd en sinister, alsof Bobby Cole weggegrist was door een of ander monster…”. Op weg naar huis kotst de vriend van papa - die hij kent uit de Tweede Wereldoorlog en op zekere dag dakloos op de stoep had gestaan, waarna papa een kamertje in de kerk voor hem opknapte - de auto onder. Daarop sommeert papa zijn zonen naar huis te lopen. Ze vragen een krik mee voor het geval dat… Daarmee slaan ze onderweg vervolgens de autolampen van de plaatselijke raddraaier aan gort: “ … Hij had de coolste auto die ik ooit gezien had. Een zwarte Ford Deuce Coupe uit 1932 met zelfmoorddeuren, chromen sierlijsten en grote witte banden, en vlammen over de hele lengte van de zijkant…”. Had hij ze maar niet moeten pesten.

Graaien naar betekenis

Frank vertelt over de begrafenis van Bobby. Zijn vader die de dienst leidt. Zijn achttienjarige zus, die geopereerd is aan een hazenlip, ontzettend goed piano speelt in de kerk, maar ook midden in de nacht wie-weet-waar-vandaan het huis binnen komt sluipen. Zijn mooie moeder, die een hekel heeft aan het werk van zijn vader - oorspronkelijk een veelbelovende advocaat, de oorlog veranderde hem echter in een predikant – maar wel als soliste de sterren van de hemel zingt in het kerkkoor. Ze rookt, ze drinkt graag een glaasje, ze kookt beroerd, ze loopt met een grote boog om de kerkelijke vrouwenvereniging heen en ze schrijft: “ … Het was de periode dat mijn moeder erg weg was van het werk van de schrijfster Ayn Rand en besloten had dat zij ook een wereldberoemde schrijfster zou kunnen worden…”. Niet bepaald de ideale domineesvrouw en domineesfamilie dus. Als het gaat over de vraag waarom God Bobby uit het leven heeft weggenomen zegt Jake zonder te stotteren dat dat vast is omdat hij dan niet langer geplaagd wordt. Jake, zelf het mikpunt van spot, weet waar hij het over heeft. De vriend van zijn vader vertelt huilend in de kerk over de gave van eenvoud die de altijd tevreden Bobby om zich heen verspreidde. Frank: “ … Voor Bobby was de wereld een plek die hij aanvaardde zonder dat hij hem hoefde te begrijpen. Terwijl ik niks anders deed dan graaien naar betekenis, vol verwarring en angst…”. Met verwondering bedacht ik dat ik bijna precies dezelfde woorden had gebruikt in mijn recensie over “De vier maaltijden” van Meir Shalev, en dat ik niets van Bobby had en alles van Frank. Het verhaal is zeker niet alleen maar ernstig. Vol humor vertelt Krueger hoe Jake Frank betrapt terwijl hij in zijn zondagse pak door een kier in de schutting naar de waslijn met het indrukwekkende ondergoed van de voluptueuze buurvrouw staat te loeren. Hoewel de jongens plechtig beloven niet meer op de spoorrails te spelen, wandelen ze op een warme zaterdag toch naar de spoorbrug over de Minnesotarivier. En zonder het te weten naar de tweede dode. Ze zien hem tussen de naden van de bielzen door op de rivieroever liggen. Een indiaan doorzoekt zijn zakken. Wenkt hen. Zegt dat het een soort vriend van hem is. Waarschijnlijk dood door een attaque of een hartaanval. Op een beetje een enge manier legt hij zijn hand ‘als een spin’ op Jake’s been. Als de jongens door de politie verhoord worden verzwijgen ze, zonder dat ze dat met elkaar hebben overlegd, de indiaan. Weer begraaft de dominee de dode. In zijn ogen een zwerver. En vertelt Frank tegen iedereen die het maar horen wil over de vondst van het lijk, terwijl hij zijn rol in het verhaal steeds wat meer aandikt. Jake luistert spinnijdig toe.

Vloeken in de kerk

In het verhaal is er een prachtige rol toebedeeld aan Lise, een autistisch en doofstom meisje. Ze woont met haar geniale broer, een wereldberoemde, maar in de oorlog blind geworden musicus, in een kast van een landhuis op het platteland. Outsiders waar hun stinkend rijke brouwersfamilie geen raad mee weet. Lise voelt zich alleen op haar gemak bij haar broer. En bij de stotterende Jake, die haar feilloos lijkt aan te voelen, en met wie ze in gebarentaal heftig communiceert. Om het minste of geringste kan ze ontploffen. Niemand mag haar aanraken. Zelden komt ze het erf af. Lise gaat op in de tuin. Jake helpt haar. De dominee mag op zijn vrije dag graag met haar broer schaken, die de partij feilloos in zijn hoofd heeft zitten. De buitengewoon getalenteerde domineesdochter krijgt muziekles van de musicus annex oorlogsveteraan. Als ruil helpt ze hem met het op schrift stellen van zijn memoires. Ze heeft een ware obsessie voor hem opgevat. Tegelijk heeft ze verkering met zijn neefje. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken: de musicus/oorlogsveteraan was ooit de eerste grote liefde van de domineesvrouw. Hij liet haar zitten om in New York te gaan studeren. Eenmaal verminkt terug kon de domineesvrouw niets anders dan oneindig medelijden met hem voelen. Broer en zus lijken op hun eigen manier gelukkig. Toch is de derde bijna-dode deze blinde. Uit het niets doet hij een zelfmoordpoging – waarvan de zus in volledige paniek Jake op de hoogte komt stellen. Op een zondag ligt hij zogenaamd ziek in bed omdat hij niet naar de kerk wil. De jongens hebben de pech dat hun vader iedere rustdag drie keer voorgaat in verschillende stadjes die geen eigen dominee hebben. Frank: “ … De mensen hielden van mijn vader in die landelijke kerkjes. Zijn preken waren niet zozeer stukjes evangelisch vuurwerk als wel kalme uiteenzettingen van Gods grenzeloze genade en ze werden goed ontvangen in deze gemeenschappen van verstandige boerenfamilies die in hun publieke leven net zo emotioneel waren als hun eigen hooibergen…”. Het valt niet mee om dominee te zijn. De vader van Jake moet optornen tegen drankmisbruik, relatieproblemen, mishandeling en de rassenproblematiek in Sioux County. In elke dienst wordt verwacht dat de voltallige domineesfamilie aanwezig is. Frank aan het eind van zo’n laatste preeksessie, als ze met z’n allen naar huis rijden: “ … Zoals altijd voelde ik me alsof ik geruime tijd in de hel had gezeten en eindelijk genade had ontvangen. Ik racete naar mijn slaapkamer en schoot andere kleren aan om andere dingen te gaan doen en van de dag te gaan genieten…”. Als Frank tegenover de kerkgangers plaatsvervangend van Jake een nationale held maakt die er voor gezorgd heeft dat de blinde net niet dood is gegaan, wordt Jake zo boos, dat hij in een stil moment voor de dienst, zo hard een paar vloeken uit zijn mond laat vallen, dat de hele wachtende goegemeente zich met open mond omdraait. Hij kan wel door de grond zakken…

Mooie dag
De daaropvolgende dode is de meest pijnlijke. De domineesdochter verdwijnt en wordt na een tijdje in de rivier gevonden. Lijkschouwing wijst op moord. Op een diep aangrijpende manier vertelt Krueger hoe deze boodschap iedereen van de sokken blaast. Alles verandert. Allemaal proberen ze op hun eigen manier weer overeind te krabbelen. In zo’n toestand kun je elkaar amper tot hulp zijn omdat je meer dan genoeg hebt aan jezelf. De totale vervreemding. Zelfs de vertrouwde voorwerpen in de omgeving lijken vijandig. Alles voelt verkeerd. Jake en zijn moeder kunnen geen Bijbel meer zien. De dominee preekt over godverlatenheid. En over de vraag wat ons rest als wat ons het liefste is ons wordt ontnomen: geloof, hoop en liefde. “ … Deze gaven, die de grondslag van de eeuwigheid zijn, heeft God ons geschonken en hij heeft ze ons in handen gegeven. Zelfs in de donkerste nacht hebben wij het nog in onze macht om te geloven. Kunnen we nog altijd de hoop omarmen. En ook al voelt het alsof niemand van ons houdt, we kunnen toch standvastig zijn in onze liefde voor anderen en voor God. Dat alles ligt in onze hand. God schonk ons deze gaven en hij neemt ze niet terug. Wijzelf kiezen ervoor ze terzijde te schuiven…”. Het klinkt bijna blasfemisch van goedkoopheid. Maar als een gekweld man als híj dat zegt: “… En of u in wonderen gelooft of niet, ik kan u verzekeren dat u er een zult ervaren. Misschien wel niet het wonder waar u om hebt gebeden. Het is onwaarschijnlijk dat God dat wat gebeurd is teniet zal doen. Het wonder is dit: dat u ’s morgens opstaat en weer in staat zult zijn de verbluffende schoonheid van de dag te zien…”. Ik dacht als vanzelf aan “Wat een mooie dag”, het liedje van Bløf – zie hier. De domineesvrouw houdt het niet meer bij haar man uit, die voor haar God vertegenwoordigt, en gaat haar heil zoeken bij haar eerste grote liefde: de blinde.

Een gebed, zo doodgewoon

Werkelijk iedereen die voorbijkomt zou door alle ontwikkelingen in de loop van het verhaal de mogelijke dader kunnen zijn, maar daar ga ik verder niet zoveel over vertellen natuurlijk. Hoe ben je als je dertien bent?! De eigenwijze Frank luistert stiekem zaken af waarvan hij liever niet had willen weten. Doet domme dingen waardoor hij zich gruwelijk in de nesten werkt. Tot overmaat van ramp verongelukt het gewezen vriendje van de domineesdochter ook nog. Of was het geen ongeluk? En als klap op de vuurpijl valt de plaatselijke raddraaier tijdens zijn werk in een conservenfabriek dronken van een verhoging, waarbij hij zijn nek breekt. Het is bijna teveel van het goede. Of slechte. Wat mij betreft gaat het mooiste fragment over de dominee die na de begrafenis van zijn dochter een zegen wil vragen voor de gezamenlijke maaltijd. Hij is gewend dat nogal uitgebreid te doen: “ … Het was in dat moment van stilte, terwijl het hoofd van mijn vader zich vulde met de woorden die hem gepast toeschenen, dat mijn moeder sprak. Ze zei, ‘In Gods naam, Nathan, kun je alsjeblieft, voor deze ene keer, eens gewoon bidden?’ Het was al stil in de zaal, een respectvolle stilte in afwachting van het gebed. Maar de stilte veranderde en waar we nu op wachtten was vol van onzekerheid en misschien zelfs dreiging, en ik deed mijn ogen open en zag dat iedereen naar mijn vader zat te staren. Naar de familie Drum. Het gezin van de dominee. Naar ons zaten te kijken alsof we een ramp waren die zich voor hun ogen voltrok. Mijn vader schraapte zijn keel en zei in de stilte die gevallen was, ‘Zou misschien iemand anders het gebed willen uitspreken?’ Niemand zei iets en de stilte werd pijnlijk. Toen antwoordde er naast mij een zachte hoge stem, ‘Ik wil wel bidden.’ Mijn hart stond stil. Want, Jezus, degene die dat zei was mijn stotterende broertje Jake. En hij wachtte niet tot mijn vader zei dat het goed was. Hij stond op van zijn stoel en boog zijn hoofd. Ik keek naar alle mensen om mij heen. Niemand kon er toe komen zijn ogen te sluiten en deze treinramp te missen. Ik bad zoals ik nog nooit gebeden had. O LIEVE GOD, LAAT DEZE MARTELING STOPPEN. Jake zei, ‘Hemelse V-V-V-.’ En toen stopte hij. O GOD, bad ik, MAAK ME DOOD, HIER EN NU. Mijn moeder legde haar hand voorzichtig op zijn schouder en Jake schraapte zijn keel en probeerde het nog eens. ‘Hemelse Vader, voor de zegeningen van dit eten en deze vrienden en onze familie willen we u danken. In Jezus’ naam, amen.’ Dat was het. Dat was alles. Een gebed zo doodgewoon dat er geen enkele reden was er ook maar iets van te onthouden. En toch ben ik in de veertig jaar sinds het gebed werd uitgesproken geen woord ervan vergeten. ‘Dank je wel, Jake,’ zei mijn moeder, en ik zag dat haar hele gezicht veranderd was. En mijn vader keek verbluft en bijna blij en zei, ‘dank je wel, jongen.’ En de mensen kwamen, alsof ze bevrijd waren uit een of andere hypnotische trance, heel langzaam in beweging en gingen in de rij staan met hun bord in de hand. En ik, ik keek naar mijn broer met iets dat grensde aan eerbied en ik dacht bij mezelf, DANK U, GOD…”.

Wonderen gebeuren
Vanaf die tijd stottert Jake niet meer: “ … Na de begrafenis van Ariël nam mijn moeder Jake nog een keer mee naar de logopedist. Na afloop vertelde hij me dat ze hem stevig hadden doorgezaagd over de onverklaarbare verdwijning van zijn spraakgebrek. Toen hij bleef volhouden dat het een wonder was keken ze hem aan alsof hij zei dat hij een kikker gekust had en daarna drie wensen had mogen doen…”. Jake: “ … Wonderen gebeuren, Frank. Maar het zijn andere wonderen dan ik altijd dacht. Niet zoals Lazarus en zo…”. En even verder: “ … Ik bedoel, misschien zou iemand anders het wel helemaal niet als een wonder zien, maar voor mij voelde het zo…”. Ik denk dat dat kan. Ik denk dat je er open voor moet staan. Ik denk dat het te maken heeft met de manier waarop je naar de werkelijkheid kijkt, en dat is in het geval van een gelovige een hele andere dan die van experimenterende wetenschappers. Ik denk dat je het gevoel kunt hebben dat er iets of iemand om jou heen is die zorgt dat jouw voet zich aan geen steentje stoot.

Uitgave: Van Wijnen – 2019, vertaling Dingeman van Wijnen, 384 blz., ISBN 978 905 194 548 5, € 19,95
Rechtsreeks bestellen: klik hier

donderdag 30 mei 2019

Schateiland – Robert Louis Stevenson


Bristol is niet alleen de stad van Banksy (zie mijn vorige blog) maar ook van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson (1850 – 1894). Je kunt er ‘The Treasure Island Trail’ lopen, die gemarkeerd wordt door acht wijntonnen. De oudste Pub, ‘The Llandoger Trow’ in King Street, gebouwd in 1664, staat model voor een herberg in “Schateiland” (1883): de ‘Admiraal Benbow’. Ook zou Daniel Defoe aldaar Alexander Selkirk hebben gesproken over zijn schipbreuk, die het verhaal onsterfelijk maakte in “Robinson Crusoe”. Ik heb “Schateiland”, dat de basis vormt van het piratengenre, er nog eens op na gelezen (in de vertaling van Theun de Vries). Nooit geweten dat het zo’n spannend boek was…


Reuring in de ‘Admiraal Benbow’

Op een dag in zeventienhonderdenzoveel zwalkt er een oude vogelverschrikker van een zeebonk de ‘Admiraal Benbow,’ de herberg van de ouders van Jim Hawkins aan de kustweg naar Bristol, binnen en vraagt logies. Hij smijt wat goudstukken op tafel. Barst uit in een ruig zeemanslied: “ … Zeventien man op een doodkist / Joho, en een goeie fles rum…”. Neemt Jim terzijde en belooft hem iedere eerste van de maand een zilveren vierstuiverstuk als hij zijn ogen open wil houden voor een “ … varensgast met één poot…”. Men kan hem ‘kapitein’ noemen. Aangenaam. ’s Avonds eist hij met zijn bezopen kop en zotteklap ieders onverdeelde aandacht op, waardoor Jim bang is voor de klandizie, maar de gewone kroeglopers houden wel van een beetje reuring in hun afgezaagde plattelandsbestaan. De tijd verstrijkt. Als Jim op zeker moment de ontbijttafel aan het dekken is, staat er plotseling een ‘bleek, talkachtig’ figuur voor zijn neus, die twee vingers aan zijn linkerhand mist, en vraagt naar de kapitein. De kapitein reageert alsof hij een spookverschijning ziet en sommeert Jim hem met de gast alleen te laten. Jim hoort ze ruzie maken, waarbij de kapitein uithaalt met zijn sabel, en de engerd die hij aanduidt als ‘De Zwarte Hond’ op de vlucht slaat. Vervolgens valt de kapitein met een bons op de vloer. De dokter, toevallig net op bezoek bij Jim’s vader die er niet al te best aan toe is, constateert een beroerte – mede veroorzaakt door drankmisbruik. Hij past een aderlating toe waardoor het heerschap zich wel een tijdje koest zal houden. Nog weer wat later, de vader van Jim is inmiddels overleden, stommelt een angstwekkend misvormde blinde de herberg in, grijpt Jim’s hand beet als een bankschroef, en eist met een zacht stemgeluid rechtstreeks toegang tot de kapitein: “ … of ik breek je arm…”. Hij overhandigt de kapitein ‘de zwarte stip’. Op internet las ik dat dat destijds onder piraten als aankondiging voor de doodstraf gold. Het gaat om een stuk zwart karton met op de achterkant een mededeling. Dit is teveel voor de kapitein. Weer gaat hij onderuit. Deze keer is hij morsdood – zoals de dokter al had voorspeld.


Zwartbaard een kind vergeleken bij Flint
Jim en zijn bepaald niet kinderachtige moeder zoeken hulp in een gehucht in de buurt, maar iedereen is bang en niemand wil met hen mee. Dus keren ze onverrichter zake terug naar de herberg. Jim vindt een vingerhoed (?) in de broekzak van het lijk en het sleuteltje van de scheepskist om zijn hals. In de kist bevindt zich onder andere een hoop geld en een pakketje dat Jim onder zijn hoede neemt voordat ze weer vluchten. Een troep gespuis komt in het donker naar de herberg waar ze flink huis houden. Als er een fluitsignaal klinkt gaan ze er vandoor. Maar goed ook, want de gewaarschuwde hoofdinspecteur is met zijn mannen onderweg om orde op zaken te stellen. Hij neemt Jim achterop zijn paard mee naar het kasteel van de ‘squire’, dat volgens het internet zoiets betekent als landjonker, om verslag uit te brengen. Daar komt Jim erachter dat hij een schatkaart in handen heeft. Van een eiland waarop de bloeddorstigste boekanier die ooit op zee voer zijn schat heeft begraven. Flint: “ … Zwartbaard was een kind bij Flint vergeleken. De Spanjaarden waren zo moorddadig bang voor hem, dat ik u vertellen kan, mijnheer, dat ik er somtijds trots op was dat hij uit Engeland stamde. Ik heb met mijn eigen ogen zijn marszeilen onder Trinidad aanschouwd, en de lafhartige lammeling van een kapitein met wie ik voer, liet rechtsomkeert maken – rechtsomkeert, mijnheer, naar Port of Spain…”. Edoch, die Zwartbaard ken ik ook. Die zit in zwart graniet tot in aller eeuwigheid over de haven van Bristol uit te kijken. De squire heeft het trouwens tegen de dok, die weer toevallig net bij hem op bezoek is. De opgerolde schatkaart blijkt op ettelijke plaatsen verzegeld met de afdruk van een vingerhoed bij gebrek aan een zegelring. De squire en de dok gaan uit hun dak, en besluiten een schip met bemanning te charteren, om jacht te maken op de schat. Jim mag mee als kajuitsjongen.


Een appeltje voor de dorst

En zo wordt in Bristol de schoener ‘Hispaniola’ gevonden, onder bevel van de immer sacherijnige kapitein Smollett. Plus een eenbenige joviale herbergier die graag nog een keertje het ruime sop kiest als scheepskok: Long John Silver. Even flitst het door Jim heen dat de dode logeerder het ook over een vent had die een been miste. Maar Silver is veel te aardig voor een bandiet. Echter; kapitein Smollett vertrouwt de zaak niet. De aangemonsterde bemanning weet nog meer dan hij. Er wordt gekletst over een geheime schat en over de kaart van een onbewoond eiland die in het bezit van de squire zou zijn (Stevenson tekende zelf een plattegrond van het fictieve eiland). Zo’n vaart zal het allemaal wel niet lopen menen de squire en de dok, en ze zeilen af, met zesentwintig man en een vloekende papegaai aan boord. Op het dek staat een groot vat vol appels. Iedereen mag er een pakken wanneer hij wil. Op een avond duikt Jim met heel zijn lijf in de ton, die bijna leeg is, om een appeltje voor de dorst te vinden, en luistert per ongeluk een gesprek af tussen Long John Silver en een paar andere zeelui. Ze konkelen met elkaar over een overval zo gauw de poet gevonden is. Jim kan zijn oren niet geloven. De vrolijke (maar alles in het verhaal bij elkaar genomen bijna psychopathisch aandoende) scheepskok blijkt voor geen cent te vertrouwen – en moet dus wel degelijk de ‘varensgast met één poot’ zijn, waar de dode boekanier uit de ouderlijke herberg zo voor ontzien was. Jim licht als de wiedeweerga de dokter in, waarop er krijgsraad wordt gehouden met de squire en kapitein Smollett in de kajuit. Opmerkelijk detail: de dok neemt altijd zijn gepoederde pruik af als hij zenuwachtig is en legt hem over zijn knie, zodat hij “ … met zijn eigen dichtgekrulde, donkere haardos werkelijk een bijzonder vreemde aanblik bood…”. Om muiterij te voorkomen besluiten ze net te doen of er niets aan de hand is en gewoon aan land te gaan.


De Jolly Roger
Jim is op zijn zachts gezegd niet blij als Schateiland in zicht komt. Het boezemt hem een akelig gevoel van aversie in. Het gebladerte aan de kust heeft een soort ‘giftige lichtheid’. Een geur van ‘doorweekte bladeren en rottende boomstronken’ als van een ‘bedorven ei’ ligt onbewogen over de ankerplaats. Het is zo heet dat ‘het pek in de naden van het schip ziedt’. De mannen hebben een humeur als een onweerswolk. En hoewel de dok niets van schatten weet, verwedt hij, naar de moerassen starend, er zijn pruik onder “… dat hier koorts schuilt…”. De kapitein blijft met zes man aan boord, de rest roeit onder leiding van Long John Silver met kleine bootjes naar de wal, waaronder Jim, die zonder nadenken stiekem in een van de sloepen is gesprongen. Op het ‘blakerende’ zandstrand negeert hij het scherpe bevel van Long John Silver en sprint de boesboes in. Vanuit de bosjes ziet hij hoe twee van Long John Silver’s tegenstanders zonder pardon om zeep worden gebracht. Hij valt bijna flauw bij de gedachte wat er met hemzelf kan gebeuren. Weer zet hij het op een lopen. Plotseling ziet hij dat hij gevolgd wordt door een gestalte. Het eerste wat in hem opkomt is: een menseneter… Het blijkt echter om een in ongenade gevallen en achtergelaten zeerob onder Flint te gaan. De kinderlijk getekende Ben Gunn die zich al drie jaar in zijn eentje op het eiland probeert te redden en de hemel op zijn blote knietjes dankt dat er een schip uit de lucht is komen vallen. Hij aait Jims hand, betast de stof van zijn jasje, kijkt naar zijn laarzen. Hij is tot inzicht gekomen. Als hij gered wordt zal hij een vroom leven gaan lijden. Hij is een goeie, brave kerel, al zegt hij het zelf. Jim moet een goed woordje voor hem doen. Dit en dat en zus en zo tegen zijn kapitein zeggen: “ … ‘En dan geef je hem een kneepje, net zoals ik nou doe.’ En hij kneep me weer op de vertrouwelijkste wijze…”. Tenminste, als Jim veronderstelt aan de kant van de kapitein te staan natuurlijk. Halverwege het boek wordt een fragment verteld door de dok over het gevecht dat aan boord uitbreekt. Terwijl Jim ondergedoken zit in de bossen laten de dok en zijn sympathiserende vrienden zich in een met proviand volgeladen jol zakken en slagen er in een verlaten nederzetting op het eiland te bereiken alwaar ze de Union Jack hijsen. Muiters op het achtergelaten schip hijsen de zwarte piratenvlag (nooit geweten, maar die heet de Jolly Roger), en bestoken hen tevergeefs met kanonskogels.


Met de hakken over de sloot
Jim verenigt zich weer met zijn kameraden als hij de Union Jack ziet wapperen. Verdedigt met hen te vuur en te zwaard de nederzetting. Op een dooie meer of minder kijkt niemand. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan; wéér knijpt hij er ongezien tussen uit. Dit keer om met een gammel vaartuigje van Ben Gunn naar de Hispaniola te peddelen en de touwen waarmee ze verankerd is door te snijden, terwijl hij daarna aan boord klimt om de resterende zeerovers aldaar het hoofd te bieden. De Hispaniola dobbert stuurloos rond en komt op een onbekende plek vast te zitten, waarna Jim weer aan land springt en midden in de nacht de nederzetting van zijn vrienden binnensluipt. Althans, dat denkt hij. Als de scheepspapegaai begint te krijsen blijkt hij zich in het kamp van Long John Silver te bevinden, die de zaak heeft overgenomen. Jim wordt tijdens de zoektocht naar de schat als gijzelaar gebruikt, maakt enge spokerij mee, en overleeft alle avonturen uiteindelijk met zijn hakken over de sloot, zoals het in een goed jongensboek betaamt. Als klap op de vuurpijl brengt hij ook nog wat baar geld voor zijn lieve moedertje mee naar huis. Hoe mooi wil je het hebben...


Uitgave: Rainbow – 2016, vertaling Boukje Verheij, 302 blz., ISBN 978 904 171 213 4, € 12,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier