Menu

vrijdag 29 november 2013

Verraad op de Veluwe – Willy Vandersteen


Subtitel: Een nieuw avontuur van Suske en Wiske – deel 285

Alle goede dingen bestaan in drieën. Van de poten van een barkruk, tot zon en maan en sterren, tot de Veluwe-trilogie van Henk Vreekamp. Hierbij het laatste deel van mijn eigen Veluwe-drieluik. Met Suske en Wiske als basis, van heel wat lichtzinniger kaliber dan dat van Vreekamp, geef ik direct toe, maar hij is er zelf mee begonnen (zie de index van “De tovenaar en de dominee”). Dit avontuur speelt zich af in Nationaal Park “De Hoge Veluwe” (Gelderland), dat grotendeels onder mijn geboorteplaats, de gemeente Ede valt.


Logeren in een jachthuis
De jonge directeur van “De Hoge Veluwe”, baron van Voorst tot Voorst, heeft Lambik, Jerom, tante Sidonia en Suske en Wiske uitgenodigd om een paar dagen in zijn optrekje, het Nationale Jachthuis Sint-Hubertus, te komen logeren. Op witte fietsen, die de bezoekers overal in het park gratis kunnen gebruiken, krijgen ze een rondleiding. Hij vertelt dat er 150 moeflons, 200 edelherten, 175 reeën en 50 wilde zwijnen leven, die Anton Kröller - een rijke ondernemer die een jachtterrein wilde hebben - zelf in het park, dat hij tussen 1909 en 1921 bijeenkocht, heeft uitgezet. Zijn vrouw, Helene Müller, hield van kunst en liet er een museum bouwen.
De grond is schraal. Er is niet genoeg voedsel voor alle dieren. De jagers van het Hubertus-gilde, die alles van het wild weten, schieten de oude en zieke dieren af, om de populatie in de hand te houden en te voorkomen dat er dieren omkomen van de honger.
“De Hoge Veluwe” is het grootste laaglandnatuurterrein van Noordwest-Europa dat tegenwoordig circa 5400 hectare groot is en ongeveer vijf procent van de Veluwe beslaat. In 1432 karakteriseerde Hertog Arnoud van Gelre de gouw Felua als “een wild en bijster land, dair vele auergrepen (misdrijven) geschien lehen”. Veluwe is een afleiding van het Germaanse falwa (vaal, bleek). In de zin van ‘braakliggend land’ heeft het woord een Engelse tegenhanger in ‘fallow lands’. Dit in tegenstelling tot de Betuwe, het vruchtbare ‘goede land’, bhad is ‘goed’, in het zuiden.

De Vale Ouwe
Als Suske en Wiske ’s avonds met de rest gezellig zitten te borrelen valt eensklaps het licht uit en wordt de baron neergeslagen en met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Een miserabel stropertje sluipt rondom het jachthuis: Jonker Joost Junior. Hij wil het gebied dat zijn voorouders ooit aan de Hoge Veluwe hebben verkocht, “De Pampel”, terug. Op zolder houdt hij een elfje gevangen, dat hij een recept heeft ontfutseld waarmee hij de boze woudgeest Vale Ouwe tot leven kan wekken.
Als Wiske het raam van haar slaapkamer open laat staan, komt er plotseling een rukwind naar binnen die haar popje, Schanulleke, meeneemt. Suske en Wiske vliegen achter elkaar aan naar buiten, zien in het donker een elfje met Schanulleke wegzweven - waar Wiske achteraan gaat, en het rare stropertje rennen - waar Suske op af stormt. Het verdrietige elfje vraagt of Wiske wil helpen om haar gevangen zusje te bevrijden en vertelt haar over de Vale Ouwe, een boosaardige kobold die vroeger met zijn leger dwergen de streek onveilig maakte. De boeren die er woonden vroegen elfenkoningin Amforia om hulp. Ze bereidde een magische vloeistof waarin de elfjes de pijlen doopten, waarmee ze de dwergen bestookten. Als ze daarmee werden getroffen veranderden ze in levenloze boomstronken. De vier belangrijkste boeren van de Veluwe drongen de grot waar de Vale Ouwe zijn hoofdkwartier had binnen, maar werden door hem betoverd in een pratende moeflon, edelhert, everzwijn en ree. Amforia probeerde de Vale Ouwe te bewegen zijn vloek ongedaan te maken. Toen hij weigerde schoot ze een pijl in zijn borst. Net voor hij veranderde in een stronk, slingerde hij zijn staf de lucht in, die neerkwam op Amforia’s hoofd. Ze veranderde in een glanzende kever en vloog weg. Nooit werd ze meer gezien. De elfjes durfden de koboldenstaf niet aan te raken en sloten de grot af met takken en struiken. Een instorting zorgde dat de grot eeuwenlang onbereikbaar was. Tot onlangs een geheimzinnige trappenmaker een nieuwe ingang maakte. Het stropertje natuurlijk. Suske volgt hem, en is er getuige van hoe de Vale Ouwe tot leven wordt gewekt. Samen slaan de snoodaards een pact dat het einde van het natuurpark betekent. Na heel veel gedoe lukt het de Vale Ouwe zijn trollenleger weer op de been te krijgen. Barbaren die alleen op de vlucht slaan als ze door de ramen van het museum moderne kunststukken ontwaren: “… Dat werk van demonen zijn… Schilderijen lelijke wezens… Beelden misvormd! Werk van duivel zijn… Krollemolle zwarte magie! Wij afblijven!...”. Door middel van veel heen en weer getover, en een lange strijd met ups en downs, krijgen de vakantiegangers met de elfjes het trollenleger er onder, wordt het elfenzusje bevrijd, verandert de Vale Ouwe wederom in een houtstronk, de vier pratende dieren in vier vrolijke Veluwse boertjes, een kever in de elfenkoningin en de dwergen in kleine houten beeldjes die aan de bezoekers van het park getoond kunnen worden als herinnering aan dit avontuur. Zelfs de baron komt op de been. Pfff… dat is weer goed afgelopen.

Kröller-Müller Museum
Het Kröller-Müller Museum bevat schilderijen, met name van Vincent van Gogh (88 schilderijen en 182 tekeningen!), Pablo Picasso, Fernand Leger, en Piet Mondriaan.
Het er naast gelegen beeldenpark is een van de grootste van Europa, en bevat werken van onder andere Auguste Rodin, Henry Moore, Richard Serra en Oldenburg.
Dan is er nog het Museonder: het eerste ondergrondse museum ter wereld. Het is gevestigd in het Bezoekerscentrum en geeft een verrassend beeld van alles wat er onder het oppervlak leeft en geleefd heeft (er liggen botten van dieren die al duizenden jaren zijn uitgestorven). De tentoonstelling neemt je mee, steeds dieper en dieper de bodem in, tot je zelfs in het middelpunt van de aarde belandt. Onderweg zijn de meest curieuze dingen te ontdekken: een compleet wortelstelsel van een 135 jaar oude boom, stenen die hun verhaal van herkomst vertellen als je er je hand op legt en een waterlaboratorium.

Hubertus legende
Het jachthuis is tussen 1915 en 1920 gebouwd door de beroemde architect Berlage. De legende van Sint Hubertus heeft als leidraad voor het ontwerp gediend. De heer Kröller jaagde en vooral mevrouw Kröller was in het mystieke aspect van de Hubertuslegende geïnteresseerd. Deze legende vertelt het verhaal van de bekering van Hubertus die in zijn jeugd een fanatiek jager was. Hij kwam tot inkeer, vooral onder invloed van een visioen van een edelhert met een lichtend kruis in het gewei en een stem die hem zei dat hij zijn leven zou moeten beteren, want anders kwam hij in de hel terecht. Nadat hij het kruis uit het gewei van het hert - overdrachtelijk gesproken - op zich had genomen trok Hubertus zich terug in een klooster. Hubertus stierf tenslotte in 727 als bisschop van Luik en Maastricht en is later in de Katholieke kerk de beschermheilige van de jacht geworden. De legende is door Berlage en de met hem samenwerkende kunstenaars in het jachthuis met veel symboliek tot uitdrukking gebracht.
In zijn boek “Veluwsche sagen” heeft Gustaaf Wall Perné (1877-1911) een aantal fraaie volksverhalen over de ‘Vale Ouwe’ verzameld; zie http://www.nederlandsheidendom.nl/webstek/veluwsesagen.html.
De Veluwe is in godsdienstig opzicht een protestantse streek. Er is een tweedeling zichtbaar tussen enerzijds de noordelijke en westelijke helft van de Veluwe die een overwegend reformatorisch karakter heeft, en anderzijds de oostelijke en zuidelijke helft van de Veluwe die overwegend gematigd tot niet-gelovig is. Het noorden en westen van de Veluwe maken deel uit van de Bijbelgordel of Biblebelt die zich uitstrekt van Overijssel tot in Zeeland.

Uitgave: Standaard Uitgeverij Antwerpen - 2008, 48 blz., ISBN 978 900 223 121 6, €5,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

Het Witte Wief - Willy Vandersteen


Suske en Wiske / deel 227

Toen ik de stapel Suske en Wiskestrips doorzocht die mijn man vroeger verzamelde, vond ik twee verhalen die zich afspelen op de Veluwe. “Het Witte Wief” is niet het sterkste album, maar het grappige is dat Ede en omgeving het decor is: mijn geboorteplaats. Ooit heb ik de Edese boekhandelaar Piet Pel, die in het verhaal een rol(letje) speelt, er een handtekening in laten zetten en wel op 14.02.1991, lees ik.
Pel wist ontzettend veel over de legenden rond Ede en leverde de ideeën voor dit boek.


Zonnekuiken
Op de eerste bladzijde komen Lambik en tante Sidonia, samen met Suske en Wiske, aan op het stationnetje in het centrum van Ede. Heel leuk getekend, alleen klopt de bosrijke omgeving niet. De winkelstraat met aan het eind de Oude kerk is wel heel herkenbaar.
Ze laten zich naar hun vakantiehuisje rijden in het bos, waar Wiske haar popje Schanulleke even op een zwerfkei legt, die prompt gaat zweven. Wiske er achter aan: ziet ze ook nog een raar mannetje. Niemand gelooft haar – tot ze hem met z’n allen zelf tegenkomen. Zander zonder Zolen: een zandloperfiguur wiens taak het is gescheiden en verdwenen mensen weer bij elkaar terug te brengen. Hij vertelt dat hij het Witte Wief wil helpen die steeds wordt aangevallen door Udo de Boze, een afstammeling van Wodan. Ze doolt rond in de bossen rond Huize Kernhem, op zoek naar haar verloren geliefde. Het Witte Wief is de geest van een priesteres die de ceremonie leidde in de zonnetempel die vroeger op dit terrein stond (saillant detail: mijn opa en oma van vaders kant woonden op een oud boerderijtje in de buurt van Leerdam met de naam “Zonnekuiken”, wat mij altijd aan een buine kip met een batterij vrolijke, gelige, donzige kuikentjes deed denken – tot een oom van mij zei: ben je mal, dat betekent zonne-kijken…). Al de mensen die het verdrietige Witte Wief in het verleden wilden helpen zijn veranderd in zwerfstenen. Er liggen er welgeteld negen, her en der verspreid. Als Lambik met de kinderen op zoek gaat naar Huize Kernhem, struikelt Wiske over de z.g. ‘bloedsteen’: als je daar bij volle maan in prikt gaat de steen bloeden. Rond 1500 voor Christus kwam de aarde bijna in botsing met een andere planeet, vertelt Zander zonder Zolen, alias Vadertje Tijd. Als het Witte Wief haar lief niet terugvindt dreigt dit weer te gebeuren als de zandloper leeg is - en dat is bijna. Suske en Wiske moeten een catastrofe zien te voorkomen…

Ten oorlog
Des nachts sluipen Suske en Wiske stiekem het huisje uit, ontmoeten het schone Witte Wief, worden belaagd door Udo de boze en opgezogen in het modderige moeras “de Viskom”. Aan de onderkant, dwars door de tijdgrens, komen ze er weer uit. De brij wordt namelijk steeds dunner. Ze zwemmen regelrecht de pre-historische nederzetting van het Witte Wief binnen. Een paaldorp uit de oertijd. De inwoners nemen hen gevangen en brengen de kinderen naar de hogepriester in de zonnetempel waar ze zeker geofferd zouden zijn, ware het niet dat de priesteres - dan nog geen Wit Wief - verschijnt, en de hogepriester smeekt ter wille van haar geen mensen te offeren. ‘Okay dan, omdat jij het bent’. Nu slaan de poppen pas echt aan het dansen. De oorlogsgod Wodan himself komt zich er mee bemoeien. Plus de jaloerse Udo de Boze. En Lambik en Jerome die op zoek zijn naar de kinderen. Mensenoffers worden geëist. Een enorme machtstrijd ontstaat. Pilaren van de zonnetempel veranderen in een leger Vikingen. De hogepriester verandert in de bloedsteen. Gelukkig worden Lambik en Jerome en Suske en Wiske teruggeflitst naar hun eigen tijd als de strijd op zijn heetst is. Door professor Barabas met zijn teletijdmachine natuurlijk. Met de Gyronef, zijn zelfgebouwde helikopter, vliegt hij het hele gezelschap naar de Veluwe, waar Wiske met Wodans lans (Gungnir) in de bloedsteen prikt, en de hogepriester terug tovert, die de geliefde van het Witte Wief blijkt te zijn.
Zo dan. Nu kan iedereen eindelijk aan een welverdiende vakantie beginnen…

Het verhaal achter het verhaal
In 1426 noemen de kronieken de hertogen van Gelre als eigenaars van het landgoed Kernhem. Op de plaats waar eerst een kasteel heeft gestaan werd in 1803 Huize Kernhem gebouwd. De naam zou eigenlijk “Keer om!” betekenen, vanwege de Spanjaarden die hier in 1624 op de vlucht zijn geslagen. De oudst bekende leenheer van Kernhem was Udo de Boze.
Bekend is echter dat het gebied al in 1500 voor Christus bewoond werd door Germanen. Grafheuvels herinneren er nog aan. Vanaf Huize Kernhem loopt de Doolhoflaan (een uniek vleermuisreservaat met maar liefst 7 soorten, waarvan de rosse vleermuis het best vertegenwoordigd is, in de paringstijd is zijn lokroep veelvuldig hoorbaar) met aan weerszijde een dubbele rij beuken naar een labyrinth, waarvan het centrum wordt gevormd door een (graf?)heuvel. Hier schijnt in het verre verleden de zonnegod Kere te zijn vereerd door in het wit geklede priesteressen. Het altaar, de bloedsteen, herinnert er nog aan. Volgens een legende komt er bloed uit als je er bij volle maan in prikt, vermoedelijk van de offers die hier zijn gebracht.
Bekend zijn de verhalen over een treurende freule, die ooit op het kasteel woonde, en tot aan haar dood wachtte op haar verdwenen ridder. Sinds die tijd verschijnt ze in de omgeving als ‘Wit Wief’.
‘De viskom’ is een kuil met water op het landgoed.
In de 19e eeuw was een van de opmerkelijkste bewoners van Huize Kernhem Anna Maria Moens. Zij gaf leiding aan een kostschool voor aanzienlijke jongedames en bracht bij: vaderlandsliefde, moederliefde, godsdienstzin en huwelijkstrouw!
Vanaf 1970 kwam het in bezit van de gemeente Ede: mijn zusje is er getrouwd.
Er is een met palen aangeduide wandelroute van 5,9 km. uitgezet die langs alle bijzondere plekken op het landgoed Kernhem voert.
Toen ik een beetje zat te googelen vond ik een site waarop een leuk filmpje te zien is over de legenden rond Kernhem: http://www.kernhemgroeit.nl/in-en-om-de-wijk/ook-kernhem/. Tot mijn verrassing las ik daar ook dat de NIZO, die op het Kernhemgebied staat, een ‘Kernhemkaas’ heeft ontwikkeld. En ook een ‘Proosdijkaas’. Het bijzondere is dat ik op “De Proosdij” ben opgegroeid, een kinderboerderij waar mijn vader vanaf mijn zevende beheerder was. Het was ooit eigendom van de Proost (een Rooms Katholieke geestelijke) van Utrecht.
Inmiddels is “De Proosdij” verbouwd tot zorgboerderij – zie hier. Er wordt verteld dat er lang geleden op zolder een mysterieuze gevangene is vastgehouden (misschien het verdwenen lief van die Kernhemse freule wel…). En dat er een onderaardse gang vandaar naar de Oude Kerk moet lopen.
Ik weet nog dat er vroeger elk jaar een monnik kwam vragen of hij bij de boerderij mocht bidden. Met 'allerzielen'? Voor wie? Voor die geheimzinnige gevangene soms?
Mijn moeder vond dat natuurlijk prima. Hij deed dat vreemd genoeg altijd onder het kelderzolderraam. Op een gegeven moment is hij gewoon weggebleven.
Vind je het gek dat ik van ‘sterke’ verhalen hou!

Uitgave: Standaard Uitgeverij Antwerpen - 1991, 56 blz., ISBN 900 216 459 0, €5,-
Rechtstreeks bestellen: klik hier

De vonkende vuurman – Willy Vandersteen


Subtitel: De nieuwe avonturen van Suske en Wiske (deel 246)

Zoals beloofd, aan de hand van “De tovenaar en de dominee”, het tweede deel van de Veluwe-trilogie van Henk Vreekamp, een Suske en Wiskestrip. Het is gebaseerd op een volksverhaal rond Turnhout. Daar woonde ooit een reus: Petrus van Gorp, alias Klein Peerke (1809-1842). Hij was 2 meter 18 groot; een kolossale lengte als je bedenkt dat de gemiddelde man in de 19de eeuw maar 1 meter 60 werd. Eerst werkte hij op de boerderij van zijn ouders, later trad hij met zijn spectaculaire gestalte op als reus op kermissen. Tot in Parijs toe.
Er wordt verteld dat zijn buurman eens een grenspaal, die gebruikt werd als afscheiding van elkaars erf, had verplaatst – natuurlijk ten nadele van de familie Van Gorp – waarop Klein Peerke uit woede alle grenspalen met zijn blote vuist de grond in heeft geslagen. Zijn klompen zijn nog steeds te bezichtigen in het Taxandriamuseum in Turnhout.


“Woar blaaif ‘k mé menne poal?”
Het verhaal. Lambik neemt Suske en Wiske mee op vakantie naar de Liereman, een natuurgebied in de Kempen. Daar logeren ze op de boerderij van een oud besje: Treestantje. In ruil voor kost en inwoning moeten ze op de boerderij werken: dat kan Treestantje niet meer. Terwijl ze zitten te eten vliegt ineens een van de stallen in de fik, en vindt Lambik een kerel op zijn pad, met een grenspaal op zijn schouder. Er komt vuur uit zijn mond, en als hij huilt ook uit zijn ogen. Dat doet hij vaak, want hij wil van die grenspaal af. “Woar blaaif ‘k mé menne poal?”, roept hij steeds. Jantje Smet (een karikatuur van Jan Smit): alias de vonkende vuurman.
Er is maar één manier om de vuurman van zijn vloek af te helpen en te voorkomen dat hij heel Turnhout plat brandt: die grenspaal terug zetten op de plek waar hij stond. De enige die weet waar dat is, is de reus Klein Peerke. Maar die is allang de pijp uit. Treestantje weet raad. Ze blijkt te kunnen toveren. Dan heeft ze echter wel de klompen uit het Taxandriamuseum nodig. Als Lambik en de kinderen de klompen gaan halen zijn ze verdwenen. Wat ze wel aantreffen is de heks van Turnhout en schrik van kinderen: de ‘Achturenmoer’. Ze zit Treestantje flink dwars, en dat blijkt allemaal te maken te hebben met oud liefdeszeer. Ooit was de Achturenmoer verloofd met de vuurman. Maar hij werd verliefd op Treestantje, zijn mooie nieuwe buurmeisje, en trouwde met haar. Daarop zorgde de Achturenmoer dat al hun oogsten mislukten. De vuurman zag dat het bij de buren wel goed ging en verzette uit wanhoop een grenspaal. Daarop zat de Achturenmoer net te wachten: een misstap om hem voor eeuwig te vervloeken. Sindsdien heeft hij geen dag geluk meer gekend. Och arme…

Klompen, pummelschatjes en een gouden gulden
Waar zijn die klompen gebleven? Ze worden netjes terug gebracht door een stelletje boeven, en daarmee roept Treestantje de geest van Klein Peerke op. Die boeven blijken ook een appeltje te willen schillen met Klein Peerke. Ze zitten namelijk achter een schat aan (een gouden Nederlandse gulden uit 1830 met de beeltenis van Koning Willem, compleet met handtekening, die met een vernuftig mechanisme is open te klikken en waarin de bergplaats staat van de schat van Anna Pavlovna, zijn gemalin – toe maar), waar Klein Peerke over heeft geschreven in een brief aan zijn moeder. Helaas is Klein Peerke alleen maar geïnteresseerd in het vinden van de vuurman die hij alsnog flink op zijn flikker wil geven vanwege het ondergane onrecht. Oog om oog, tand om tand.
Pas als een woedende Achturenmoer alle inwoners van Turnhout heeft omgetoverd in kabouters, ‘pummelschatjes’, en de vuurman zo ongeveer de hele stad in vlam zet, strijkt hij over zijn hart, en zet de grenspaal op de juiste plek terug. Daarmee wordt de goede orde herstelt. De vuurman herkent in Treestantje zijn geliefde, sluit haar in zijn armen, en bij het zien van zoveel moois rent te Achturenmoer weg. Het boek eindigt met Lambik die bedolven wordt daar een autolading brieven van lezers, die hebben opgemerkt dat hij op de tekening van de grote markt van Turnhout tegen het verkeer in rijdt. Nog een grappig detail: een kabouter is een karikatuur van journalist Patrick van Gompel, die de jaarlijkse Stripgidsdagen organiseert in Turnhout.

Het Laakmannetje
Wat heeft dit Suske en Wiskeverhaal te maken met “De tovenaar en de dominee” van Henk Vreekamp?
Vreekamp vertelt dat het grensriviertje tussen zijn geboortedorp Hoevelaken en Nijkerk, de Laak, volgens oude sagen, ook zijn eigen vuurman of dwaallichtje heeft: het Laakmannetje. Kinderen werden er bang voor gemaakt, maar nooit is gehoord dat het iemand kwaad deed. Op donkere avonden hoorde je het almaar roepen: “Laakmannetje, Laak / Ik heb De Laak niet recht bemeten / en nu heb ik m’n arme ziel vergeten”.
Wetenschappers zeggen dat het geloof in vuurmannen is ontstaan door de fosforische dampen die opstijgen uit venen en moerassen. Fosfor is een geelachtige, doorschijnende stof, die in de natuur in verbinding met andere elementen licht ontvlamt en bij gewone temperaturen heel langzaam ontbrandt, zodat het in de duisternis licht verspreidt.

Alles komt altijd uit de Bijbel
Waarom worden de grenssteenverzetters zo zwaar gestraft? Vreekamp: “… In de Bijbel vinden we een aantal passages aan de hand waarvan het geloof in de vuurman verklaard kan worden. Job uit zich woedend tegen allen ‘die grensstenen verplaatsen, die kudden stelen en ze weiden als de hunne’ (Job 24:2). De spreuk doet de ronde: ‘Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben’ (Spr. 22:28). Het boek Deuteronomium onderstreept: ‘Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verzetten in uw erfdeel…’(19:14) en ‘Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verzet!’ (27:17)…”.
Wie zei ook al weer: ‘Alles komt altijd uit de Bijbel’?

Uitgave: Standaard Uitgeverij Antwerpen - 1995, ISBN 978 900 219 585 3, €5,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier