Menu

vrijdag 28 november 2025

Ragnarök – A.S.Byatt

 

Subtitel: De ondergang van de goden

 

“Ragnarök” van de Britse schrijfster A.S. Byatt (1936-2023) heeft mij wel weer even genezen van mijn flirt met het heidendom (zie mijn vorige blog). Wát een orgie van weerzinwekkend geweld en bloedvergieten. Ik kon mij ineens voorstellen dat toen de ‘mare’ van het evangelie de noordse wereld bereikte, dat een geweldige verademing voor veel mensen moet hebben betekend (alhoewel Byatt meer heeft met het heidendom, maar dat is vanuit je luie stoel geen kunst natuurlijk). Zo werkt het nog steeds trouwens, zie de film “Go Africa” van Youth with a Mission. Daarom worden veel jonge mensen in onze chaotische tijden weer moslim of christen, denk ik. De Deense schrijver Villy Sørensen, die eveneens een hervertelling van de Ragnarökmythe schreef (“The Downfall of the Gods”), betoogt ook dat de oorlog tussen de goden en de reuzen een symbool is van “… de strijd van de geest tegen de lagere driften van de mens – het eeuwige gevecht van de cultuur tegen de barbarij’…”. Byatt: “… de noordse goden zijn in een ander opzicht merkwaardig menselijk. Ze zijn menselijk omdat ze beperkt en dom zijn. Ze zijn hebzuchtig en houden van vechten en van spelletjes. Ze zijn wreed en genieten van de jacht en ruwe grappen. Ze weten dat Ragnarök zal komen, maar zijn niet in staat een manier te bedenken om het einde af te wenden of het verhaal een andere draai te geven. Ze weten hoe ze als helden moeten sterven, maar niet hoe ze de wereld kunnen verbeteren. ‘Homo homini lupus est’, schreef Hobbes, de mens is de mens een wolf, waarmee hij de innerlijke wolf bedoelde…”. Miskotte vergelijkt de Edda met de Thora, Byatt vergelijkt de Edda met Bunyans “Christenreize”. In een nawoord koppelt de schrijfster Ragnarök aan de klimaatverandering. Eerder besprak ik van Byatt “Klein zwart verhalenboek”.

 

Het tengere kind

Byatt laat de Ragnarökmythe beleven door een “… tenger, ziekelijk, schriel kind, als een watersalamander, met fijn haar als rooklicht in het zonlicht…”, dat in veel opzichten overeenkomt mat haarzelf. Ze is drie als WO II uitbreekt en met haar ouders verhuist vanuit een ‘zwavelige staalstad’ naar het platteland, waar geen gevaar is voor vijandelijke bommenwerpers. Als ze vijf is loopt ze drie kilometer door de weilanden, voor haar het paradijs, naar school. Haar intellectuele moeder, een vrouw die helemaal opbloeit omdat ze vanwege de oorlog achter het fornuis vandaan mag komen om les te geven, heeft haar heel vroeg lezen geleerd. Haar vader, ‘een god met roodgloeiend haar en helderblauwe ogen’, is afwezig, want oorlogsvlieger. “… Het tengere kind wist, zonder te weten dat ze het wist, dat de volwassenen angstig rekening hielden met een ophanden zijnde vernietiging…”.

 

Bunyan

Als het kind wat ouder wordt ontdekt ze “Asgard en de goden”: “… Het was een fors boekwerk in een groene band, met op de kaft een intrigerende, stormachtige afbeelding van ruiters van Odins Wilde Jacht die door een bewolkte lucht tussen hoekige bliksemschichten razen, vanuit de ingang van een onderaardse grot bezorgd gadegeslagen door een dwerg met een muts op…”. Ze verwart de ‘Germanen’ met de ‘Germans’, de Duitsers. “… Ze droomde dat er Duitsers onder haar bed zaten, die eerst haar ouders in een groene kuil in een donker bos hadden gegooid en nu bezig waren de poten van haar bed door te zagen om haar te kunnen pakken en vernietigen…”. Ze leest ook “De Christenreize” van John Bunyan: “… Ze voelde in haar botten de verlammende last die de man torste toen hij wegzakte in de poel Moedeloosheid, ze volgde zijn reizen door de wildernis en het dal der Schaduwen des Doods, zijn ontmoetingen met de reus Wanhoop en de duivel Apollyon…”. Ze gaat naar de Bijbelles voor kinderen van de plaatselijke kerk, maar de lieve, wattige, zachte, zoete plaatjes en versjes over Jezus spreken haar net zomin aan als mij (zie mijn vorige blog). Ze probeert zich ‘zondig’ te voelen, maar “… haar geest wendde zich af, naar waar hij levend was…”.

 

Yggdrasil

Het tengere kind leest over de boom Yggdrasil, de Wereld-es die midden in een stenen bol door de leegte suist. De boom eet (licht) en wordt gegeten, voedt zichzelf en anderen. Byatt doet “Het verborgen leven van bomen” van Peter Wohlleben nog eens dunnetjes over. De boom is gigantisch. Tussen zijn bladeren huizen andere verhalen. In de kroon staat een adelaar, Hraesvelgr, ‘vleeszwelger’, die zingt over verleden, heden en toekomst. Als zijn vleugels klapwieken, waaien de winden, huilen de stormen. Op de enorme takken grazen vier edelherten, Daínn, Dvalinn, Dúneyrr en Duraprór, en een geit, Heidrún. Haar uier gevuld met mede. Een beweeglijke zwarte eekhoorn, Ratatöskr,‘boor-tand’, schiet van de top naar de wortel en terug om boosaardige berichten over te brengen van de vogel in de kruin naar de waakzame draak die, verstrengeld met een broedsel kronkelende slangen, om de wortels gekruld ligt waar hij aan knaagt: Nidhøggr. “… Aan de voet was een zwarte, onmetelijke bron, met donkere wateren die, als men ervan dronk, wijsheid of althans inzicht schonken. Bij de rand ervan zaten de schikgodinnen, de Nornen, die misschien wel uit Jotunheim waren gekomen. Urd zag het verleden, Werdandi zag het heden en Sluld tuurde in de toekomst. De bron heette ook Urd. Deze zusters waren spinsters, die de draden van het lot verstrengelden. Ze waren de verzorgsters en de behoedsters van de Boom. Ze hielden de boom nat met het zwarte bronwater. Als voedsel gaven ze hem zuiver wit leem, ‘aurr’. Zo verzwakte of kromp hij van tijd tot tijd. En zo werd hij altijd vernieuwd…”.

 

Rándrasill

In zee woont de tegenhanger van de wereldes, een monsterlijke reuzenkelp, Rándrasill, de zeeboom, die met een enorme snelheid groeit. De boom wordt begraasd door ronddwalende slakken, sponsen, zeeanemonen, krabben, garnalen, zeesterren, langoesten, zeekomkommers, vlokkreeftjes, zeepokken, manteldieren en borstelwormen. Allemaal eten ze van het hout en voeden de plant met hun uitwerpselen en afval. Zeeduivels, draakvissen, schildpadden, zalmen, haaien, inktvissen, walvissen, dolfijnen, zeeotters, scholen haringen en tonijn zoeven door het zeewoud (zie: “Vrij spel” van Richard Powers). Aan de voet van de zeeboom lopen spleten en schachten waar stoom en klodders gesmolten steen uit het hete middelpunt van de aarde naar boven kolken. Hier huizen de gastvrije, welwillende zeereus Aegir en zijn gevaarlijke, onvoorspelbare vrouw Rán (twee kanten van de zee) met haar beruchte net waarmee ze schone zeelieden vangt  om naar haar onderwaterpaleis te slepen. Ze hebben negen dochters (golven).

 

Ginnugagap

In de stenen kerk luistert het meisje naar het verhaal over de schepping: “… Het tengere kind kende genoeg sprookjes om te weten dat in een verhaal een verbod alleen maar dient om overtreden te worden. De eerste mensen waren gedoemd om van de appel te eten. Het lot was geworpen…”. Het tengere kind kan met niemand in het verhaal meevoelen, behalve met de slang misschien, “… die er niet om gevraagd had als verleider gebruikt te worden. De slang wilde gewoon door de takken kronkelen…”. Ook Byatt vertelt over het begin in de Edda (zie Miskotte), toen er alleen maar lege ruimte was, ‘Ginnungagap’, een schitterend woord dat het tengere kind steeds in zichzelf herhaalt. “… In het noorden lag Nilfheim, nevelwereld, waar het koud en nat was, en waar twaalf wilde, ijzige waterstromen bulderden. In het zuiden lag Muspelheim, waar het heet was, en waar vuur zengde en rookte…”. In  de stomende chaos die ontstaat als door de hitte uit Muspelhein de aanrollende ijsbergen uit Nilfheim smelten, duikt de reus Ymir of Augelmir, ‘kokende klei’ of ‘zandbruller’, op. Hij is de vader van de Hrimthursen, de rijpreuzen, die uit zijn omvang, zijn oksels en zijn naar elkaar toebuigende tenen ontstaan. Ymir voedt zich met de melk van een enorme koe die met haar hete tong nog een reus uit het ijs likt: Buri. De laatste brengt Bor voort die ergens een reuzin vindt die Bestla heet. Ze krijgen drie zonen: Odin, Willi en Wij. De eerste goden. “… Die drie gingen Ymir te lijf, maakten hem af en scheurden zijn lichaam in stukken…”. De nieuwe goden hakken en lachen. “… Ze hadden geen gezicht, het waren geen personen, die drie goden, ze bewogen zich als rennende zwarte schaduwen, als rattenmannen, stekend en speurend…”. Het bloed spuit  in het rond. Het is niet te stelpen. Alles komt om in bloed. “… Er stond een verhaal in het Asgard-boek waar het tengere kind niet van hield, over een reus, Bergelmir, die een boot bouwde en de overstroming overleefde, en de voorvader werd van de andere reuzen. Ze hield niet van het verhaal omdat de Duitse schrijver zei dat het misschien wel een echo was van het verhaal van Noach en de zondvloed. Ze wilde niet dat dit verhaal erbij hoorde…”.

 

De Regel van Drie

Byatt vertelt hoe de goden van de dode reus de wereld maken (zie mijn vorige blog). Midgard, de Tuin van Middenaarde. Omringd door de zee van bloed, met in het hart het huis van de goden die zichzelf Asen noemen: Asgard. En buiten de aarde Utgard, waarin allerlei gruwelijks rondsluipt en verscholen zit. De geschapen wereld bevindt zich in de schedel van het lijk en de wolven in het brein zitten de gepersonaliseerde zon (Sol) en maan (Mani) op de hielen. Met open bek. Happend. Rennend door de leegte. In Asgard maken de goden gouden gereedschap en wapens, gouden potten en bekers, gouden figuren om mee te dammen en te schaken, want goud is er in overvloed. Ze maken ook de dwergen en trollen, de zwartalven en de lichtalven. Drie goden maken bijna terloops, voor hun plezier of vermaak, het mensenpaar Ask en Embla, uit twee levenloze stukken hout die ze aan de zeekust vinden. De bosman en bosvrouw. “… Odin gaf ze gedachten, Hönir gaf ze geest en de heethoofdige Loki gaf ze bloed en kleur…”. Eerder in het verhaal heet Loki nog Lodur: met Loki weet je het maar nooit. “… Er waren er altijd drie, dat hoorde zo in verhalen, zowel in mythes als sprookjes. Dat was de Regel van Drie. In het christelijke verhaal zijn de drie de boze grootvader, de gefolterde goede man en de klapwiekende vogel…”. Het tengere kind struint met haar tas vol boeken waaraan een gasmasker hangt door de velden, zoals Christen met zijn (zonden-)last. Ze gelooft niet in de goden van Asgard, maar ook niet in de God van de Bijbel: “… Bunyan zou een gruwelijke straf voor haar bedacht hebben, een glibberige glijvlucht naar een ketel kokend vet, een geklauwde duivel die haar weg zou dragen over de boomkruinen van de bossen…”.

 

De Wilde Jacht

Odin, de oppergod, woont in Walhalla, de hal van de gesneuvelden, de ‘Einherjar’, die op het moment van hun dood door de rondzwervende schildmaagden, de Walkuren, van het slagveld meegenomen worden: “… Ze hadden geleefd voor de strijd. De strijd was hun eeuwige roeping…”. Ze doen zich in Valhöll te goed aan het geroosterde vlees van het everzwijn Sährimner, dat, nadat zijn botten afgekloven zijn en zijn bloed opgeslobberd is, weer tot leven wordt gewekt, snuivend en wel, zodat het opnieuw geslacht en opgegeten kan worden, de ene lange dag na de andere. Odin is een duistere, gevaarlijke god. “… Hij was een gehavende god, een eenogige god die met het andere oog had betaald voor de magische kennis die hij uit de bron van Urd had gedronken, waarin het afgehouwen hoofd van de Jotun, Mimir, geschiedenissen, verhalen, toverformules en runenspreuken vertelde. Odin was een god die zich schuilhield, vermomd als een oude man in een grijze mantel, met een hoed over zijn lege oogkas getrokken…”. Hij vernietigt je als je het verkeerde antwoord geeft op zijn raadselachtige vragen. In zijn hand heeft hij een met runen versierde speer: Gungnir. Als hij door koning Geirod gevangen wordt genomen, zit hij acht dagen en nachten zonder eten en drinken geboeid en somber tussen twee schroeiende vuren. Dan begint hij een lied over Asgard te zingen en maakt zich bekend. De koning valt prompt in zijn eigen zwaard. Odin is een gemartelde god (evenals Jezus). Dat heeft hem sterk, wijs en gevaarlijk gemaakt. Hij is een onvoorspelbare god die mannen als offer aanvaardt in de vorm van ‘bloed-adelaars’, aan boomstammen gebonden, met hun longen tussen hun ribben naar buiten getrokken. Hij is de god van de Wilde Jacht. Hij galoppeert op zijn achtbenige paard Sleipnir met zijn Wilde Heir van jagers en spookachtige mannen langs de hemel. Het tengere kind vermengt het donderend geraas van Odin en zijn metgezellen met het geluid van propellers in de lucht en inslaande bommen en granaten: “… Overdag de kleurige velden. ’s Nachts verdoemenis dreunend in de lucht…”.

 

Loki

Als enige onder de goden kan de onbetrouwbare, ongrijpbare Loki, Odins pleegbroer, verschillende gedaanten aannemen: hij is het een nog het ander. Als enige heeft hij humor. Hij is de eeuwige buitenstaander. Hij is een ‘lastige vlieg’. Een bedrieger. Hij woont nergens en overal. Zijn behoeften zijn buitensporig. Hij kan van geslacht veranderen. Christelijke schrijvers vereenzelvigen hem met Lucifer, de lichtdrager, de gevallen Morgenster, de tegenstander. Hij is mooi, maar zijn schoonheid is moeilijk vast te leggen: hij schittert, flakkert, versmelt met zijn omgeving. De goden hebben hem nodig omdat hij slim is en problemen oplost. Maar meestal wordt alles alleen maar erger. Hij helpt van de wal in de sloot. In sprookjes en folklore is hij steevast de belangrijkste speler. In het Ertswoud, een duivels oord bewoond door wezens die half beest, half mens zijn, half god, half demon, bevrucht Loki de reuzin Sigyn, met haar woeste gezicht, haar wolvenpels, haar klauwen en scherpe tanden, de brengster van angst. Ze baart drie kinderen: een wolvenwelp, een soepele slang en een half zwart, half blauw meisje met ogen als teerputten die geen enkel licht weerkaatsen: “… Het waren prachtige kleuren, als het laatste blauw van de lucht dat overvloeit naar het donker van de komende nacht. Het waren afschuwelijke kleuren, de kleur van blauwe plekken op mishandeld of stervend vlees…”. Loki is dol op ze: “… Hij gaf ze te eten en sloeg ze gade terwijl ze groeiden. Wie wist waartoe ze in staat zouden blijken? Ze groeiden en groeiden…”.

 

Het uur van de wolf

Odin 'weet' dat de drie monsters gevaarlijk kunnen worden en laat ze ophalen. De kleine slang, Jörmangandr, werpt hij de ruimte in. Ze plonst in zee en verdwijnt uit zicht. Meisje Hel werpt hij richting Nilfheim. Ze suist als een speer naar Helheim, het dodenrijk, waar ze heerst over de ontelbare schimmen die als onstoffelijke vleermuizen, zwakjes fluitend, rond haar heen tollen. De welp Fenrir wordt meegenomen door de god Tyr, een jager en vechter, gekleed in een wolvenvacht waarvan de wolvenkop over zijn hoofd hangt. Wolven zijn sterk aanwezig in de wouden van de geest: “… de onvermoeibare, op zachte voetkussentjes voortlopende beesten zijn onzichtbaar, maar altijd aanwezig in de gedachten. De ruige vacht, de tanden, het bloed…”. Mensen hebben respect voor wolven, “… voor de hechtheid en de warmte van de roedel, voor het slimme jagen, de roep en het grommen, die berichten vanuit de keel…”. Fenrir  doodt voor zijn genoegen, wat Tyr aan jeugdige speelsheid toeschrijft. “… Tyr bracht hem varkensvlees en dode ganzen om hem te paaien en zijn vertrouwen te winnen, Fenrir vrat, huilde en doodde…”. Hij groeit uit tot een kolossaal beest. De goden besluiten op een gegeven moment het gevaarlijke dier te ketenen. Tot twee keer toe weten ze hem in ijzeren boeien te slaan door te doen alsof het om een spelletje gaat, maar Fenrir verbrijzelt zijn kluisters alsof het niks is. Daarop gaan ze naar de dwergen die een onbreekbaar lint maken van “… de voetstappen van een kat, de baard van een vrouw, de wortels van een berg, de pezen van een beer, de adem van een vis en het speeksel van een vogel…”. Als ze ermee bij Fenrir aan komen zetten, vertrouwt de wolf de zaak niet. Hij zegt dat hij alleen mee wil spelen als iemand zijn hand in zijn bek steekt. Tyr, de jager, durft dat wel aan. De wolf weet zich niet van het koord te bevrijden, bijt Tyrs’ hand af en wordt vastgebonden aan een grote steen. De goden lachen zich gek. Zetten een zwaard tussen zijn geopende kaken zodat hij ze niet dicht kan klappen. Terwijl het dier kronkelt van de pijn ontspringt er een rivier uit zijn bek. “… Die rivier heet Hoop. Hoop waarop?...”. Odin ‘weet’ dat de wolf in het einde van de tijden losgemaakt zal worden om zich bij zijn verwanten aan te sluiten: “… de tijd van de wolf zal komen…”. Zie Openbaring 20. Armageddon. “… Angstig las het tengere kind in oorlogstijd de profetie dat er nog een andere machtige wolf zou komen, Noongarm, die zich zou laven aan het levensbloed van iedereen die stierf, die hemellichamen zou verzwelgen en de hemel en de hele lucht met bloed zou bespatten. Daardoor zouden de warmte en het licht van de zon worden tegengehouden en verstoord, en er zouden hevige stormen opsteken die overal zouden woeden en wouden, menselijke nederzettingen, velden en vlakten zouden verwoesten. Kusten zouden worden gegeseld totdat ze afbrokkelden en de stabiele orde der dingen zou schudden op zijn grondbesten…” (zie ook: Frank Schätzing - “De Zwerm”).

 

Jörmangandr

Als Thor op een zeker moment in een bootje met een rijpneus zit te vissen, gebruiken ze als aas een gehoornde stierenkop, waar de al maar doorgroeiende zeeslang Jörmangandr in bijt. Een hevig gevecht volgt. Thor gooit zijn hamer naar haar kop als ze uit zee oprijst. De pijn van een bliksemschicht die haar treft, maakt haar woedend. De rijpreus snijdt met een groot jachtmes de vislijn door, waarop Thor hem overboord slaat en naar het strand waadt. De zeeslang weet de haak op te hoesten en blijft maar vreten en groeien. Ze wordt zo lang als de diameter van de aarde. Als ze op een dag een aarzelende, logge, spasmodisch bewegende gestalte opmerkt die ze aanziet voor een walvis hapt ze toe. De pijn is ondraaglijk en trekt de hele wereld rond: ze heeft in haar eigen staart gebeten.

 

Het begin van het einde

Het beroemdste  verhaal gaat over de godin Frigg die alles en iedereen laat zweren haar prachtige, blonde, sympathieke godenzoon Baldur geen kwaad te doen. Ze heeft het nodige gezag. Er wordt zwijgend toegestemd. “… Het tengere kind wist dat de belofte geen stand kon houden. Ergens moest iets over het hoofd gezien zijn, moest iets vergeten zijn. Verhalen zijn onherroepelijk. In elk verhaal moet er in dit stadium iets verkeerd gaan, spaak lopen, hoe de afloop ook zal zijn…”. Op een zeker moment spelen de goden het leukste spel ever. Ze bekogelen Balder met alles wat ze kunnen vinden, stokken, staven, stenen, vuistbijlen, messen, dolken, speren, zelfs de donderhamer van Thor, en kijken opgetogen toe hoe die dingen sierlijk zwenkend als onschadelijke boemerangs terugkeren naar de werpers. Dan komt er een archetypische oude vrouw naar het paleis van Frigg. Natuurlijk is het Loki, de gedaanteverwisselaar, die golven van betovering uitstraalt. Ze praten over het gejoel en geschreeuw buiten. Frigg vertelt hoe alles en iedereen heeft beloofd haar zoon te ontzien. “… ‘Alles?’ vroeg de oude vrouw. “Ach, ik zag nog een jonge scheut aan een boom ten westen van Walhalla. Een maretak heet zo’n ding. Ik was er al voorbij toen ik hem zag en hij leefde nauwelijks, hij was krachteloos, te jong om een belofte te doen…”. Even verder: “… En toch, dacht het tengere kind, moet ze zich op zekere hoogte wel zorgen hebben gemaakt, want waarom zou ze anders dat onbetekenende plantje onthouden hebben?...”. Loki weet genoeg. Ineens is de oude vrouw weg. Frigg kan haar ogen bijna niet open houden van vermoeidheid, misschien is het oudje er wel nooit geweest. Loki gaat op zoek naar de maretak, trekt het spul voorzichtig los van de boom, draait het plakkerige groen in de vorm van een spies die hij streng toespreekt en stapt snel en geruisloos de drom goden in. Een eindje bij de anderen vandaan staat Hödur, de blinde, donkere tweelingbroer van Baldur. ‘Waarom doe je niet mee?’, vraagt Loki. ‘Ik heb geen wapen’, antwoordt Hödur. Nou, Loki heeft toevallig een glanzende, vorstelijke speer: hij zal Hödur wel een handje helpen. En dus werpt Hödur de maretakspeer naar Baldur, die dwars door zijn borst gaat, waarna hij ineen stort. Een hele tijd staan de goden verdoofd te kijken. Dan stijgt er een geweeklaag op zoals de aarde nog nooit heeft gehoord. Goden horen niet te sterven. Baldurs lichaam wordt naar de kust gedragen en in een reusachtig drakenschip gelegd. Men laadt de boot vol met bergen kostbaarheden, voedsel, wijn in verzegelde vaten, zijn geliefde paard en stapels takkenbossen om de dode te verbranden. Als Baldurs vrouw Nanna over de dood van haar man verneemt, zijgt ook zij ter aarde en sterft. Ze wordt naast haar man in het drakenschip gelegd. Het schip is zo zwaar geladen dat de goden het niet voor elkaar krijgen het gevaarte naar zee te rollen. Men gaat een vrouw halen die zo sterk is dat ze bergen uit de grond kan rukken om ergens anders neer te zetten. Voor haar is het een peulenschilletje. Thor heft zijn hamer in de lucht en laat donder en bliksem neerdalen om de boot  in brand te steken. Terwijl de vlammen laaien en loeien vaart het spookschip met zijn verschrikkelijke vracht weg over het water. Het is het begin van het einde.

 

De vijand

Frigg is ontroostbaar en vraagt wie er naar Hel wil gaan om haar dode zoon Balder terug te halen. De bode Hermodur biedt zich aan. Odin geeft hem zijn achtbenige paard Sleipnir mee. In het dodenrijk krijgt Hermodur te horen dat Baldur naar de wereld van de levenden terug mag keren als alles en iedereen tranen om hem vergiet. Liefde heeft hem niet kunnen redden, misschien kan verdriet dat. “… Toen stuurden de Asen boodschappers uit, jonge goden en wijze vogels, ruiters en lopers, met één boodschap voor het hele web van Midgard, levend en levenloos, warmbloedig, koudbloedig, sap en steen: dat ze moesten huilen om Baldur te bevrijden…”. Alles begint te druipen, wordt vochtig en nat. Tot een ijverige boodschapper iets of iemand aantreft in een donker, droog, rotsachtig, bedompt hol middenin een zwarte woestijn, die zich Thöck noemt, en weigert om voor Baldur te wenen: “… Levend noch dood had ik lol aan die vent / Houde Hel wat zij heeft!...”. Prompt is de lente van de wereld voorbij. In het hart van alles heerst een soort lusteloosheid. De goden besluiten dat Thöck Loki in vermomming moet zijn. Ze verwijten Loki wat hij heeft gedaan. En ook allerlei dingen waarin hij niet de hand heeft gehad: “… Baldurs boze dromen, het grillige weer, te veel nattigheid, te veel hitte, donkere dagen, te veel wind. Hij was een vijand en ze besloten dat hij dé vijand was. Ze zouden wraak nemen. Daar waren ze goed in, in wraak nemen…”.

 

Ragnarök

Een groep goden trekt met hun vliegende paarden en hun door bokken en zelfs katten getrokken wagens naar het huis van Loki om hem gevangen te nemen. Loki verandert zich in een zalm, maar ze weten hem met een nagemaakt exemplaar van nota bene zijn eigen visnet, te vangen. Het woord voor goden is ook het woord voor boeien. Loki wordt vastgenageld aan een rots waarboven een kooi met een gif spuwende reuzenslang is gezet, zodat het goedje constant op hem neer druppelt, ware het niet dat zijn vrouw het gif opvangt in een enorme schaal. Af en toe moet ze de schaal legen en kronkelt de gevangene in zijn boeien, wat door de mensen gevoeld wordt als een aardbeving. Dan breekt de Fimbulwinter aan, de winter die drie jaar duurt. De mensen worden rovers. Uiteindelijk is er niets meer en eten ze elkáár op.  “… Windtijd, wolftijd! Eer de wereld vergaat…”. Het goud in Asgard wordt dof. Yggdrasil verliest zijn bladeren. Zijn takken breken af. De eekhoorn klappertandt van angst. De herten laten hun kop hangen. Onder het ijs begint de aarde te zieden. Vulkanen spuwen lava. Spuiten gloeiende sintels en stenen in het rond. Alles zit onder het roet. De kluisters vallen van Loki, de bedrieger, af. De magische ketting van Fenrir verschrompelt. Sutr, de zwarte, meester van Muspelheim, roept de vuurreuzen op en zwaait met zijn withete zwaard. Brullend gaan ze op het slagveld dat Vigrid heet af. Ten oorlog! Heimdall de heraut blaast op zijn grote hoorn, Giallarhorn. De goden en Einherjar staan op en bewapenen zich. De bron van Urd begint te koken. Een spookschip in de kleur van doodsbeenderen, lijkachtig grauw, gemaakt van de doorgroeiende nagels van de doden, kiest zee: Naglfar. Het stormt voorwaarts in een wolk gloeiende stoom. De aardkorst ziedt en spuwt. De zee danst als een waanzinnige. Geisers spuiten op. De staart van Jörmungander zwiept door het water waardoor tsunami’s de kusten overspoelen. Het gif uit haar bek zet de toppen van de golven in brand. Garm, de hellehond verbreekt zijn ketting en springt zijn wolvenfamilie tegemoet, om de zon en de maan aan te vallen en op te slokken. De sterren storten neer op de brandende, kokende aarde. Fenrir grijpt Odin, verbrijzelt hem, en vreet hem op. Thor vermorzelt de kop van de slang, maar haar gif wordt zijn dood. Iedereen hakt op elkaar in. Tot ze allemaal dood zijn. Echt állemaal. De woonstede van de goden stort in de vuurzee. Het duurt lang, maar uiteindelijk dooft het vuur, en is er niets meer. Alles gaat op zwart.

 

Het numineuze

Mythen koersen op rampspoed en misschien wederopstanding af. Byatt: “… Mythen zijn vaak onbevredigend (in tegenstelling tot sprookjes), zelfs tergend. Ze brengen de lezer in verwarring en laten hem niet los. In ons hoofd geven ze vorm aan de wereld, en dat doen ze niet om een prettig beeld te creëren, maar om ons met het onbevattelijke te confronteren…”. Het is toch op z’n minst verwonderlijk dat inmiddels bijna alle wetenschappers ervan overtuigd zijn dat we onze eigen soort en onze wereld steeds verder naar de ondergang voeren…

 

Uitgave: Orlando – 2023 (eerste druk 2011), vertaling Gerda Baadman en Marian Lameris, 192 blz., ISBN 978 908 329 384 4, € 22,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zaterdag 22 november 2025

Edda en Thora – Dr. K.H. Miskotte

 


Subtitel: Een vergelijking van Germaanse en Israëlitische religie

 

Na het lezen van “De kleindochter” van Bernhard Schlink en “Wewelsburg” van Evertjan van Roekel vond ik het tijd worden om eindelijk eens “Edda en Thora” van  de protestantse theoloog Kornelis Heiko Miskotte (1894 – 1976) te lezen, dat ik tijdens mijn ontdekkingsreis in de literatuur echt overal tegenkwam. Steeds dacht ik dat het veel te moeilijk voor mij was. Nou, dat is het ook, maar dat neemt niet weg dat ik mij desondanks zéér met Miskotte verbonden voel. Zijn profetische werk kwam in 1939 uit, net voordat ons land werd bezet door nazi-Duitsland. Evertjan van Roekel laat zien hoe het nazisme zich baseerde op het mythische denken van de Germanen, waarvan het IJlandse heldendicht de Edda een uitdrukking is. Als christen herkent Miskotte de Edda in zichzelf – en ‘so do I’.  Ik houd van de bossen en de hei. Ik geef om hunebedden. Ik sla aan op het thema ‘heksen’ en eigenlijk op alles wat ‘oer’ is. Ik ben een ‘bekeerde heiden’. De Thora, waar het christendom op gebaseerd is, komt binnen als een ‘stoorzender’, zegt Miskotte. Een ervaring die ik deel. Het geloof is niet makkelijk. Het geloof is een keuze, die tegen de Germaan in mij, lijkt in te gaan. De Edda-geest, de natuurreligie, zit in mijn bloed. Veroorzaakt een tweespalt. Miskotte heeft het over zijn ‘Zweite Religiosität’. Daarnaast is Miskotte’s boek hoogst actueel nu in Europa het antisemitisme weer helemaal terug is van nooit weggeweest. Misschien zet “Edda en Thora” aan tot nadenken en meer begrip. Misschien kan het werken als tegengif. Ik beschrijf alleen wat ik er voor mezelf uit heb opgepikt.

 

Me, Myself and I

Volgens Miskotte vinden wij met het verwerpen van de christelijke dan wel Joodse God, een ándere God terug. Namelijk onze éigen God: “… het is de herontdekking van ons onder het puin van eeuwen bedekte wezen…”. Heeft hij het over ons, zeg maar gerust, ‘goddelijke ego’?  Ik moet denken aan de heden ten dage overal klinkende oproep ‘authentiek’ oftewel vooral ‘jezelf’ te zijn. Heidendom is géén atheïsme. Heidendom is de religie van de menselijke natuur, aldus Miskotte. In het Duitsland voor WO II werd de christelijke God steeds meer gezien als ‘oosterse import’, een ‘vreemde God’ waarmee het ‘natuurlijke hart’ niets weet te beginnen. “… Wat zich voor onze ogen voltrekt is niets anders dan een ‘kruistocht’ tegen de ‘vreemde God’ van Israël…”. Er werd nog wel wat gezocht richting de ‘Russische ziel’ van Dostojevski, bij Tagore en Gandhi, maar uiteindelijk zonk de vermoeide ‘geest met een eigen gewicht terug in de moederlijke gronden van het eigen heidendom’. Miskotte schetst een cultuur waarin het ontbrak aan zingeving, net als nu, verontrustend genoeg. Echter, in het luchtledige valt niet te leven: “… Deze tijd roept de goden…”. Het nihilisme presenteert zich als ‘leegte’, klaar voor de rentrée van de oude goden (zie ook: “Het lege ik” van Jeffrey Satinover). Alles kon men gebruiken in de oprijzende Teutoonse beweging van Miskotte’s dagen: zie de rassenleer. Het gaat om niet minder dan een ‘herontdekking’. Deze nieuwe inspiratie, of zelfs ‘dwang’ (Miskotte heeft het over ‘furor’: religieuze bezetenheid, mania, roes, waan), blijkt uit veel diepere gronden te wellen dan logisch inzicht of zedelijke overtuiging. Een en ander wordt beleefd als het ‘lost paradise’ uit de kinderjaren.

 

Overeenkomsten

Miskotte begint met een aantal overeenkomsten aan te wijzen tussen Edda en Thora. Germanië voelt zich, evenals Israël, tegenover de volken alleen staan. In de wereld spookt zowel een irrationele ‘Duitserhaat’ rond als ‘Jodenhaat’. Zie hoe Duitsland de schuld kreeg van WO I en daarvoor zwaar heeft moeten boeten. Evenals het Jodendom leeft de Germaanse geest meer in de ‘tijd’ dan in de ‘ruimte’, en meer in het’ gehoor’ dan in het ‘gezicht’. Is sterker in muziek dan in beeldhouwwerk. De Edda is tegelijk ‘primitief’ en ‘eschatologisch’ (Ragnarok). Het Germaanse geloof is evenals de Thora ingesteld op de ‘daad’, kent geen ‘ascese’. De Edda kent evenmin te vereren godenbeelden. Evenals in de Thora is in de Edda slechts een vage voorstelling van het hiernamaals (Walhalla) te vinden. Beiden staan vijandig tegen de wereldmacht van Rome. Willen vooral zichzelf blijven. Bij de Germanen in de volksverhuizing en Israël in de verstrooiing  leeft de notie van een eigen ‘Rijk’.

 

In den beginne

In het begin was er volgens de Edda ‘Ginnungagap’, de gapende leegte, de toverkloof, de baaierd waarin Niflheim, de koude, mistige, donkere wereld en Muspelheim, de vuurwereld, een ‘bruisende ketel’ veroorzaken. Uit deze chaos wordt Ymir geboren, de vader der Reuzen. Hij is een-en-al ‘oerdrang’. Tijdens een diepe slaap komen uit zijn oksels een tweeling tevoorschijn. De oerkoe (een algemeen heidense voorstelling die ook bekend is in Egypte, Indië en Iran) Adumla duikt op, die Ymirs antipode, de oerreus Buri, uit het ijs likt. Hij is een-en-al ‘bezinning’. Uit hem ontstaan de Asen. “… De Reuzen leven van geweld, ter wille van het Leven; de Asen leven van de strijd tegen het geweld ter wille van de Orde…”. Deze godengeslachten stichten een voor mens en dier geschikt oord: “… Buri’s zonen, ‘Odin’ en diens broeders ‘Vili’ en ‘Ve’, beurden de aarde op naar de zon en Midgard, d.i. de aarde als bewoonbare wereld, ontstond…”. Deze Germaanse wereld kent allerlei mythische natuurwezens: elfen of alben, ‘moosweibchen’ (vrouwelijke woudgeesten), zeemeerminnen, dwergen die de beroemde ‘Tarnkappe’ hoeden. De Thora vertelt hoe in het begin de hemel en de aarde worden geschapen door God: Jahweh dan wel Elohim. Dat gaat niet moeizaam. Eerder speels, makkelijk en plotseling: “… Met magie kan hij niet bereikt worden, maar hij is zelf de grote magiër, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er…”. Zie Genesis 1: “… er zij licht en er was licht…”. Even verder: “…‘Ruach’ en ‘Dabar’, ‘geest’ en ‘woord’ zijn de krachten van Jahweh, die in de wereld werken…”. Uit zijn gebruik van woorden en getallen blijkt zijn ‘ratio’. “… Hij bindt de wateren (Ps. 104), hij lacht om de volken (Ps. 2)…”.  De God van de Thora is tegelijkertijd verhevener en menselijker dan de godheden in de heidense mythen, die ten dienste van Hem staan (zie Ps, 82). Hij staat buiten en boven zijn schepping. Begeeft zich er ook ín (zie Jeremia 23:23, Job 36:26, Jesaja 55:8,9). Miskotte noemt de sterren de ‘beambten’ van Elohim. Zie Deut. 4:19. Miskotte: “… wat de mythen als aan het huwelijk van hemel en aarde ontsproten voorstellen, dat is in waarheid het werk, de daad van de Schepper, deze ‘Allvermählung’ is een waan …”.  

 

Edda-wereld versus Thora-wereld

De Edda-wereld is in de grond gespleten, door de stambomen van Ymir en Buri, en het terrein van een eindeloze strijd. Midgard is nooit veilig. De Edda ontvouwt een wereld van eeuwig worden, een oneindige kringloop van chaos tot orde en weer terug. Diep is de noordse voorliefde voor de wilde, onberekenbare, bedreigende, amorele natuur. Naast het donkere woud treedt vooral het gebergte op als een goddelijke, troostende, inspirerende werkelijkheid waarin de mens zich ‘geborgen’ voelt. Nog nooit is er in de bergen een leer van schuld en verlossing ontstaan. De leer van de Thora is dan ook een ‘leer van de woestijn’. Van de ‘ontluisterde natuur’, volgens sommigen. In het heidendom heeft de aarde, het landschap, God en levensgevoel alles met elkaar te maken: “… De daverende heldensagen komen uit de bergen, het smekend gebed en de onderworpen psalm ontstaan alleen in steppe en woestijn…”. Miskotte: “… De Godsleer der Thora werd echter over bergen en zeeën door alle landen gedragen; wat met haar vermogen, de meest verschillende stammen der aarde aan te spreken, samenhangen moet!...”. De wereldstad is aan de vlakte gebonden, dus misschien is er een verband tussen de Thora en de onttovering van de natuur. De God van de mythe is de zichtbare maar duistere werkelijkheid, het Al, om je heen. De mythe verbeeldt geen Godsontmoeting “… maar wereldwerkelijkheid, ‘onze’ wereldwerkelijkheid’…”. De God van de Thora is daarentegen onzichtbaar en kan daarom geloochend worden. We staan volgens Miskotte voor de keuze “… tussen het al, dat Jahweh als een godje verslindt en Jahweh, voor wie het al is als een druppel aan de emmer, een stofje aan de weegschaal. De keuze is zwaar, omdat we haar eenzaam voltrekken in een verwarde wereld…”.

 

Yggdrasil: de wereldes

Snorri’s Edda verhaalt dat Buri’s zonen Ymir hebben gedood, waarbij zoveel bloed is vergoten, dat alle demonische Reuzen, behalve Bergelmir, daarin verdronken (zie de link met de Bijbelse Noach die als enige de zondvloed overleefde). De Asen gebruiken de lichamen van de gedode Reuzen als bouwmateriaal voor hun nieuwe wereld: Midgard. Ymirs schedel wordt het hemelgewelf, de haren worden bossen, de aderen rivieren, de hersenwindingen de wolken. De wereldes ‘Yggdrasil’, “… het meest geheimzinnige wezen in het kosmische drama…”, komt voorbij, waaraan ‘alles hangt’, dat de ‘negen werelden’ omvat (zie het verrassende equivalent met ‘Adam Kadmon’ en de ‘sefiroth’ in “Kabbala als levenskunst” van Marcus van Loopik). Even verder: “… de chaos, de Heimar-mené, de hulè, het dionysische, het chtonische in één woord, dat moest of wilde de Germaan rechtuit in de ogen zien – en hij zag…. Yggdrasil…”. Uit twee tronken, Ask en Embla, scheppen de Asen mensen. Man en vrouw (ik moest onmiddellijk aan de Bijbeltekst over de blinde man denken, die de mensen ziet wandelen als ‘bomen’, Marcus 8:24-26). Er worden grenzen gesteld voor het land en de zee en de hemel. Er wordt, weliswaar onder dreiging van Thors hamer, een wapenstilstand afgekondigd. De goden houden gericht. Komen daartoe iedere dag over de Bilföst, de Regenboogbrug aangereden. Een vaste zede regeert mens en gezin, stam en volk. Er is een regering, die ten strijde trekt tegen de machten der ontbinding. De heerschappij van Odin, die de ‘trouw’ verkondigt, vestigt zich. Odins grauwe hengst steigert door het zwerk. De raven Hugin en Munin (gedachte en herinnering) zitten op zijn schouders. De wolven Geri en Freki, de adelaar, de slang, de speer en de wild wapperende vaan begeleiden hem. Odins gemalin Frigga ziet zegenend neer op de begrensde orde, het monogame huwelijk en de huiselijke haard. Odin wreekt het onrecht. Hij strijdt tegen de ‘Dwergen’, ontstaan uit de maden die zijn voortgekomen uit het lichaam van de verslagen Reuzen, en tegen het nieuw gevormde geslacht der Reuzen, die zijn voortgesproten uit de ontkomen Bergelmir. Odin rooft in de gestalte van een adelaar de mede, de wonderbaar bedwelmende drank, die door de beide dwergen ‘Hehler’ en ‘Krakeeler’ uit honing en bloed werd bereid. Aan de wortelen van de wereldes Yggdrasil knaagt de draak ‘Nidhogg’. Ver in het koude bovengebied wonen de ‘Nornen’, geheimzinnige wezens ‘zoo schoon en zoo zonder hart’, die soms als de dochters der Reuzen worden voorgesteld.

 

Testosteron

Alles is strijd, omdat alles in oorsprong chaos is. Ook het rijpen van het graan. Ook de gang der sterren. In geen andere mythe wordt de strijdbare kracht zo ‘eenzijdig’ verheerlijkt. “… De liederen van Thor zijn omgeven van een machtig ‘Donnerwetter’, van een opbruisend triomfgevoel, van een woede, waarin afgerekend wordt tot de vernietiging toe, waarin de wellust der vernietiging, die zo diep leeft in de menselijke natuur, zichzelf bevredigt…”. Het gaat om een zichzelf verliezen, een zichzelf te buiten gaan in geweld. “… Wat niet agressief is, telt niet mee, lééft eigenlijk niet...”. De Edda-wereld staat bol van het testosteron. De spanning geeft het leven diepte. Zonder strijd is het leven leeg. Zonder tragedie is de wereld saai (zie Maarten ‘t Hart die in “Magdalena” schrijft dat hij bang is zich eindeloos te vervelen in de hemel). Van meet af aan is elke god een strijder. De rollende, donderende, bliksemende hamer van Thor, ‘Mjölnir’, heeft zo’n grote magische kracht dat hij ook wat dood is weer tot leven kan wekken. “… Vandaar de nood niet alleen van Thor maar van alle Asen als Mjölnir, de heilige hamer, geroofd wordt…”. De cultus van Thor dan wel Donar leefde vooral in Noorwegen en na een nieuwe volksverhuizing op IJsland. “… Daar werden ook zijn tempels gevonden, geen gebeds-, maar offerruimten. Tempel, Thingstätte en Dodenberg behoorden bijeen, golden tezamen als ‘heilig’…”. Even verder: “… Geen god was meer algemeen vereerd. Eenvoudig, rond, driftig, wars van overleg, hoonlachend om alle praat, ras tot spreken, ras tot toorn, stampt zijn stap door Asgard en Midgard; hij is het spiegelbeeld van de doorsnee-Germaan…”. De IJslandse grenssteen had de vorm van een hamer. Een bruid werd met de hamer ingezegend. Over de spijzen bij feestgelagen maakte de boeren het hamerteken.

 

Het ‘flieszende Licht der Gottheit’

Het natuurgebeuren uit zich in een drama van geisers en lawinen, golfstromen en ijsbergen, de beklemmende stilte van de gletscher-wereld en het wanhopige wonder van het noorderlicht dwars door de nacht der elementen. Ook de seizoenen worden als in strijd bevangen gezien. Zelfs het jaar is een kwestie van ‘Stirb und werde’. De jaargod die in het graf wordt gelegd, splijt de grafsteen met zijn bijl of hamer. Verslaat de donkere winternacht. Verrijst weer: “… Zo verstaan is het Worden verwant te achten met het ‘flieszende Licht der Gottheit’ (Machteld van Maagdenburg) en andere mystieke ervaringen…”. In dit verband komt het zonnewiel voorbij: het achtspakige Jaar- of Julrad oftewel de ‘Gottesrune’. Opvallend is de geringe plaats van de godin, het vrouwelijke element. Wel is er hier en daar een toon van innige eerbied voor Frigga. Maar de Al-moeder (Demeter) ontbreekt, en zeker de Moedermaagd (Artemis). Omdat alles ‘strijd’ is? “… Een overdreven, een om eigen as wentelende, al te eenzame mannelijkheid heeft zich in de Germaanse mythe geprojecteerd…” (zie: “De steppewolf” van Herman Hesse). In plaats van een eeuwige kringloop leert de Thora de onomkeerbare loop van de geschiedenis. De Thora kent ook geen ‘helden’, maar ‘gewone mensen’. Mythische beelden als de monsters Rahab, de Leviathan en de Tannin ontwikkelen zich in de Thora tot chaosmachten die gelinkt worden aan zedelijke verwarring en verwildering. God spéélt met hen (Ps. 104 : 26). 

 

Schicksal

Voor de Germanen is het leven ‘streng’ en ‘veeg’. De innerlijke houding is weerbaar en weemoedig. Romeinse overlevering vertelt hier en daar over krijgsgevangenen die worden geofferd aan de Germaanse oppergod Odin (Wodan): de Alvader. Ondanks zijn wijsheid betekent zijn naam ‘woeden’. Zijn geestelijke extase lijkt een vorm van bloeddorst. De ‘overmacht’ van het blinde lot, het ‘fatum’, is een kwantitatieve grootheid. Het geloof in ‘recht’ en ‘rechtvaardigheid’ ontbreekt. Toch schept ze geen deemoed. Eerder trots. “… Hagens (in het Nibelungenlied) grimmigheid groeit pas tot de ware waanzin van het heldendom, als hij de zekerheid van zijn ondergang bezit…”. Het lot biedt óf zegepraal óf nederlaag, óf leven óf dood (zie mijn vorige blog). Onrust deelt zich aan allen mee. Waarzeggende dromen spelen een grote rol. In zorgeloze stemming spelen de Asen op gouden tafels het heilige bordspel. Ze smeden allerhande kunstzinnige voorwerpen. Ze zingen en denken na over de heersende krachtsverhoudingen inzake hun vijanden, de Wanen. De onberekenbare Loki en zijn kinderen, Fenrir de wereldwolf, de Midgardslang en de bleke vrouw die Hel wordt genoemd, schrijden door Asgard. Daarom is de Germaanse ziel doordrenkt van een diep gevoel van onveiligheid. Overal loert gevaar. De Asen voeren de heerschappij bij de gratie van de zwijgzame Nornen, de schikgodinnen die tegelijk de hoeders van de vruchtbaarheid zijn. In hun ‘Welt ohne Wert’. Ze staan ook voor de matronen, de stammoeders, de wraakgodinnen, de sibyllen en walküren die op wilde paarden in Wodans gevolg door de lucht razen. Ze worden begeleid door honden. Ze zitten bij de bronnen aan de voet van de wereldes, die zijn wortels rondom de drie rijken slaat: ‘Oer’ (het verleden), Werdandi (het heden), Skoeld (de toekomst). Kleine kinderen komen uit het water in de diepte, waar ‘raad’ is te halen - de aarde is immers ook een ‘moeder’. Ze scheppen water uit de bron om de wortel van het leven te beschermen. Er zit leembezinksel in: het is onvermijdelijk dat het leven besmet en bedreigd wordt. Aangrijpend is Odins tocht naar de Nornen. Om inzicht te verwerven geeft hij een oog voor een slok water. Beladen met fataal weten toont hij zich een ‘hogere’, innerlijk aangevochten god (zie Prediker 1:18), gekweld en opgejaagd door het raadsel van het Lot . In hem komt het Lot tot zelfbewustzijn. Hij ziet de noodwendigheid van de ondergang, ‘Ragnarök’, en verzoent zich daar heroïsch mee. Het gaat goed tot het fout gaat. Miskotte denkt dat vergeleken met de mythen van andere volken de goden van de Edda zo vaag blijven, omdat alle nadruk op het Lot valt. “… Odin heeft geleden, Odin werd wijs…”. Er is geen ‘heil’, geen ‘verlossing’. “… Maar evenmin als het predestinatiegeloof de calvinisten verlamd heeft (als wij deze slechts betrekkelijke parallel hier mogen trekken) evenmin heeft het geloof in de Nornen de Germanen den moed verminderd…”.

 

Voorzienigheid

In de Thora is het precies andersom: het gaat fout tot het goed gaat. De Thora kent geen ‘tragedie’, geen ‘ondergang’. De geschiedenis is ‘heilsgeschiedenis’. Het lot wordt veel ‘hoopvoller’ gedragen, ook al zijn de nood en de ellende overal in het leven aanwezig. ‘Heil’ overwelft het ‘Schicksal’. Het lot is niet ‘blind’, er is  sprake van ‘Voorzienigheid’. Er bestaat ‘heilszekerheid’: “… Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde…” (Jeremia 31:3). Het lot is ‘bemind te zijn’. ‘Lot’ en ‘Heil’ zijn tegenstellingen: “… Eerst wie zijn ‘heil’ opgeeft, geeft zich prijs aan het ‘lot’; dan eerst wordt het Lot boven den god gesteld, als de god onherstelbaar diep heeft teleurgesteld…”. Het lot is dan ook geen ‘raadsel’, maar een ‘geheim’. Het lot van het ‘uitverkoren volk’ is de oproep een ‘heilig volk’ en een ‘koninklijk priesterschap’ te zijn. Waarzegging wil het ‘stomme’ lot tot spreken brengen, wat in de Thora streng verboden wordt. Spreken is het monopolie van God. De magiër of tovenaar wil de ‘Voorzienigheid’ zijn wil opleggen, wat een doodzonde is. De profeet onthult daarentegen het door de ‘Voorzienigheid’ gewilde. Het Germaanse lot beweegt zich in een ander religieus stadium dan de voorzienigheid. Namelijk dat van de ‘amor fati’: “… Ware toekomst blijft in het heidendom steeds ondenkbaar…”. Er is geen ‘belofte’. Evenmin als de Edda is de Thora echter ‘zoetig’. Daniel 7 kent zijn ‘monsters’. Door middel van een soms zeer grimmig ‘gericht’ zet Jahweh de dingen ‘recht’.  Jahweh heeft zijn ‘Thor-kant’: zie Psalm 29 waarin de ‘God der ere’ dondert. Waartoe? Om de groten der aarde hun grenzen indachtig te maken en de mensen opnieuw tot aanbidding te bewegen. In de Thora leidt de ‘Herder’ zijn ‘kudde’ dwars door het lot (van de wereld). De gemeenschap is in de Thora gebouwd op het gezin en niet op de mannenvriendschap. De uitverkorene in de Thora voelt zich ‘klein’ (tegenover Jahweh), de tragisch-gedoemde in de Edda voelt zich ‘groot’. Hem is het dan ook een onmogelijk ding het ‘tragisch bewustzijn’ op te geven voor het ‘schuldbewustzijn’ van de vreemde God uit de Thora: “… Geen wonder, dat er een razend verzet in ons allen woedt juist tegen deze ‘kleine’, ‘kleinzielige’, ‘moralistische’, ‘burgerlijke’, ‘huichelachtige’, ‘kruiperige’ enz. notie van schuld…”. De Germaanse geest neemt “… liever de wijk naar de ‘redding’ in het ‘Schiksalgesetz’, het ‘schrecklich-schöne…”.  

 

Glückauf zum Untergang

De Germaan is ‘dapper’, omdat hij een machtig leven, met de kans te vallen, verkiest boven een onderworpen of een gelukkig of een gewoon leven, zonder levensgevaar: “… wanneer de mens vertelt, vertelt hij gaarne zijn uitzonderlijke daden, het onverwachte, het griezelige, het wilde, het welslagen door het wagen…” (zie “De baron van Münchhausen”). Een ‘knabenhafte’ vreugde in avontuur ‘hardt’ hem. Tacitus vindt de Romeinse elite nogal ‘verwijfd’. Lafheid is schandalig. In plaats van de grenzen van het leven in het algemeen als zinvol op te vatten, ervaart de heiden deze als onzin. Nergens wordt de ‘heilige onbezonnenheid’ zo beleden als in de Edda. Moed verschaft macht, en macht ‘eer’. Zie Nietzsche’s ‘Wille zur Macht’. Er bestaat geen onderscheid tussen krijgsgebral en religieuze vervoering. De ‘eer’ gaat leven en dood te boven. Wraak en zelfondergang handhaven de ‘eer’. Zie hoe de 'roem' werkt op sociale media. Uiteindelijk zal de dapperheid, de wilde jacht en het extatische moorden, uitlopen op het zinloze. Vrij baan krijgt de woede der vernietiging óm de vernietiging. Helden gaan ‘Glückauf zum Untergang’.

 

Umwertung aller Werte

Het grote probleem in de Thora is niet de ‘eer’ maar het ‘recht’. Jahweh eist ‘tsedaka’, rechtvaardigheid. De Heer verlost ook niet door ‘spies en zwaard’ (zie 1 Sam. 17:45). De mens moet niet goddelijk worden, maar ‘goed’, ‘rechtvaardig’, ‘oprecht’, ‘weldadig’, ‘mild’ (zie Micha 6:8). “… De mythe vertolkt wereldwerkelijkheid, de Thora Godsontmoeting…”. In de Thora ligt het accent niet op de held maar op de ‘martelaar’: als een lam wordt hij ter slachting geleid. Er is geen sprake van dapperheid, maar van ‘standhouden’ (in het geloof). Jahweh heeft iets ‘moederlijks’. Is met ‘barmhartigheid bewogen’. Bijzondere waardering geldt de arme, de vreemdeling, de weduwe en de wees. “… Terecht zag Nietzsche in dit ‘christelijke’ gevoel een ongehoorde omkering van de antieke waardenschaal…”. Volgens Nietzsche, de ‘filosoof met de hamer’, een soort Thor dus, gaat het er niet om ánders te worden, maar veeleer helemaal ‘jezelf’ te zijn. Om zélf God te zijn. Om ‘gevaarlijk te leven’. Terug naar het instinctwezen. Terug naar het oerwoud. Terug naar de ‘blonde Bestie’. De mens is de mens een wolf. Je bent een vriend of je bent een vijand. De Edda kent een grenzeloze verering voor het ‘vechten’. Wat voor de vrouw het kraambed is, is voor de man het slagveld (zie “Oersoep” van Bregje Hofstede).

 

Loki

De onbetrouwbare spotter Loki, god van de chaos, de leugen en de misleiding, staat voor het demonische. Het ‘gespletene’. Hij is een gedaanteverwisselaar. Van onduidelijk geslacht. Eet van twee walletjes  (zie de ‘dialectiek’). Een onruststoker die doet denken aan Hermes, de god van de dieven. Hij haat en is tegelijk gefascineerd door de macht van de wolf Fenrir, die hij moet temmen, omdat hij verantwoordelijk is voor de dood van Balder (door een maretak). Loki komt overeen met Satan, de ‘boze’, die sporadisch voorkomt in de Thora. Satan behoort evenwel tot de hemelse hofraad van God. Hij is een ‘malakh’, een ‘zwarte’ engel, een bode. De demonische machten zijn tégen God en tegelijk ván God.

 

Absurdiologie

De Edda-geest haat de psychoanalyse, “… omdat zij de driften die achter dit Berserkerheidendom drijven, onthult…”, aldus Miskotte. Wijsheid, bezonnenheid staat tegenover bezeten agressie. Daardoor ontwikkelt zich ook een wrok tegen het intellect. Zie Karen Armstrong die in “Compassie” beschrijft hoe ons ‘reptielenbrein’ gefocust is op de vier V’s: vechten, vluchten, vreten, voortplanten. Donkere driften die wij volgens de Thora moeten overwinnen, want in onze neo-cortex heeft zich een gebied ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt keuzes te overwegen en compassie te tonen. We zijn geen dieren; we zijn mensen. Het Jodendom snapt dan ook niet hoe men de gewetenloosheid tot deugd kan verheffen en de doelloosheid tot de zin van het leven wenst te verklaren. Het gekke is dat de zuigkracht van de oorsprong meestal sterker is dan de lichte opgang naar de wil tot orde. Wanneer er sprake is van een verstoring van het psychisch  evenwicht is dat altijd richting het ‘lagere’, niet richting het ‘hogere’. Het heidendom kent niet de ‘innerlijkheid’ die de ‘geestelijke zelfstandigheid’ en ‘vrijheid’ van de christen is (zie: “De zin van het bestaan” van Viktor Frankl). Je zou kunnen zeggen dat de controverse tussen Edda en Thora, de controverse tussen het dionysische (het extatische, chaotische en instinctieve) en apollinische (het ordelijke, redelijke en harmonieuze) is. “… De Godheid wordt aanschouwd in het ‘Woeden’ óf in de ‘Menselijkheid’, in Odin óf in Jahweh…”. Er is een sacrale strijd gaande tussen theologie en absurdiologie, aldus Miskotte. Tussen humaniteit en het recht van de sterkste (zie ook: "De verborgen geschiedenis" van Donna Tartt). Onbewust vegeteert de Edda-geest nog steeds in de kerkelijke wereld, denk ik. Zie de 83-jarige Harriët Tom, die een taakstraf kreeg opgelegd omdat ze op 22 september 2022 een kunstwerk met ‘asjera’-beeldjes vernielde in een tentoonstelling van het Bijbels Museum in Buitenplaats Doornburgh. Of de extreem linkse christenen van Christelijk Collectief die op 7 juli 2024 het pand van Christenen voor Israël besmeurden met rode verf. Dat het christendom zijn wortels niet dieper heeft geslagen hoeft niet te verbazen: “… De prediking komt ‘van buiten’, het levensgevoel ‘van binnen’…”. Het geloof is geen ‘erfgoed’. Gaat dwars tegen het Germaanse instinct in. In tegenstelling tot veel orthodoxe theologen staat Miskotte dan ook positief tegenover te Verlichting. Dat is goed te begrijpen wanneer je weet dat hij het nazisme in de ogen keek (zie mijn vorige blog). “… Waartoe dient, als de logos wordt verloochend en verworpen, nog het woord? Om het ongehóórde te zeggen! Om het waanzinnige uit te brengen…”.

 

Godenschemering

Met Balders dood, begint de ondergang der goden. “… Drie hanen kraaien, een bij Eggther waar hij zit met zijn harp in het kreupelbos, de helrode haan, die Fjalar heet, een andere, Guldekam, wekt bij de goden, in Odins woning, de onrust, de derde kraait onder de aarde, de bloedrode haan in de hal van Hel. Uit het Noorden nadert, door Loki gestuurd, Nagelfar, het schip met helpers van Hel bemand en gebouwd uit de nagels der gestorvenen. Uit het Zuiden komt Sust, de vuurreus uit Muspelheim met zijn gezellen in zengende gloed. Als ze over de Bifröst-brug komen, stort die in en vele mannen vergaan. Rotsen breken, reuzinnen vallen, naar Hel trekken de mannen, de hemel barst. Dan volgen de gevechten, god tegen god, man tegen man, borst aan borst…”.

 

Dualisme

Het christendom voegde zich vaak probleemloos in het heidendom: “… zoals in Bretagne menig crucifix de voorkeur der gelovigen geniet, indien het staat op een oude dolmensteen, zo volkomen naïef schijnt – mede door de schuld der kerk – een leven van gemoedelijke onbeslistheid onder de Germaanse stammen zich ruimte en recht verschaft te hebben, oudtijds en telkens weer…”. In mijn jeugd op de Biblebelt gingen er in de ‘zware’ kerken inderdaad maar weinig mensen naar het avondmaal. De meesten voelden zich ‘onbekeerd’, en daar zat niemand mee. Zie ook de “Heliand”. Jezus is ‘de Geweldige’. De discipelen zijn ‘helden’. De Bergrede heeft de sfeer van een ‘Dingtag’. En eerlijk gezegd heb ik zelf ook veel meer met het beeld van Jezus in Openbaring 1, “… Zijn hoofd en haren waren wit als witte wol of sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s. In zijn rechterhand had hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de felle zon…”, dan met het lievige herdertje in soepjurk en lammetje op schoot van de zondagschoolplaatjes. Abel Herzberg meent dat de Joden niet gehaat worden omdat zij de Christus zouden hebben gekruisigd, maar omdat zij de Christus hebben voortgebracht. Soms bezoek ik oude kerken, kijk naar de crucifix, en bedenk dat de gedode God evengoed een expressie van de overwinning van het heidendom zou kunnen zijn. Miskotte: “… Wie het antisemitisme bij benadering begint te verstaan, die ziet daarin samengestuwd eeuwen verzwegen afval, het leed van de tweespalt in duizenden harten, de naweeën van het syncretisme, de diepste oorzaak waarom men zich niet uit kan drukken dan in daden…”. Waren er geen woorden voor hoe men leed aan de kerk? Kerken en altaren en pelgrims vormden niet meer dan een toneelwand. De tweespalt, die de nazi’s onder andere projecteerden op ‘rassenvermenging’, werd (te) lang verdragen en verborgen. Henk Vreekamp in “Het tegoed van Miskotte”: “… De bloedmystiek in de Graallegenden heeft het bloed dat in ons stroomt en het bloed dat voor ons gevloeid heeft, niet uit elkaar kunnen houden…” (zie mijn vorige blog). De existentiële strijd in de ziel bleef een ‘eenzaam-verbeten’, uitputtend, halfslachtig, schizofreen gebeuren. Het antisemitisme is “… een grenzeloze, veel te lang verzwegen haat tegen den God van de Thora, die ook de God der kerk is…”.

 

Het imperialisme van Oer

Niemand is erbij gebaat dat het almagaam van voorstellingen en gevoelens in de volksziel voortduurt, aldus Miskotte. Het maakt de zielen ziek. Het brengt een verwrongen geestesstaat mee waar tenslotte niemand meer een weg uit zal weten, zodat een uitbarsting, een ‘gewelddadig tabula-rasa-maken’ de konsekwentie zal zijn. Wanneer je door je eigen innerlijke vijand wordt verslonden kom je precies uit waar je niet wezen wilt. Miskotte pleit voor het breken van de ban aangaande dit innerlijk-onmogelijk compromis. Een bewuste keuze te maken om het lijden aan ‘de vreemdheid van God’ op te heffen. Afval óf bekering. Hij staat een radicale ‘scheiding der geesten’ voor, wat echter ook kan leiden tot het nihilisme van Loki (‘het imperialisme van het Oer’, aldus Miskotte). Kijk om je heen zou ik zeggen. Kwam onder Nietzsche’s aankondiging van de Übermenschtoch eigenlijk niet vooral de ‘Urmensch’ tevoorschijn? Komen de Germaanse goden anno 2025 niet weer uit de wouden gekropen? Klimmen zij niet naar boven en presenteren zij zich vandaag - uiteraard - niet vooral via de elektronische snelweg? Staan mythe en computer niet aan hetzelfde front? Precies daarom pleitte wijlen Henk Vreekamp, een van mijn grote inspirators, ervoor de Edda een plek te geven in de kerk. Zodat we ons bewust kunnen worden van onszelf.

 

Uitgave: Kok - 2008, 298 blz., ISBN 978 904 351 549 8, 39,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier