Terwijl ik mijn vorige blog zat te schrijven, vroeg ik me af wie er tegenwoordig nog Dostojevski leest. Tot ik een verrassend artikel uit het NRC (06.02.25 – Nina Reid) tegenkwam waarin het ging over zijn novelle “Witte nachten” (1848), momenteel een enorme TikTok-knaller onder jonge lezers: “… Iedereen voelt zich soms zo…”. Het korte verhaal werd uitgegeven als goedkope Rainbow-pocket, waarbij je de existentialistisch getinte roman “Ondergrondse notities” (1864) er gratis bij krijgt. Volgens mij een minstens zo sterk boek. Het is geschreven vanuit de psyche van de ‘ondergrondse mens’, een gefrustreerde looser die je anno nu zou kunnen zien als een Andrew Tate-achtige ‘incel’ (involuntary celibate - onvrijwillige celibatair), een rancuneus type dat volop in de schijnwerpers staat door de immens populaire Netflix-serie "Adolescence". Zie de thema’s ‘ontspoorde mannelijkheid’, ‘schaamte’ en ‘chaos’. Alleen is de hoofdpersoon in de film een dertienjarig jongetje en de protagonist in het boek een veertigjarige volwassene.
Geen verhaal
Allereerst “Witte nachten” dat gebracht wordt als een ‘sentimentele roman’ en ‘herinneringen van een dromer’. Het verhaal gaat over een eenzame zesentwintigjarige jongen die nog nooit verkering heeft gehad, in een wonderlijk mooie sterrennacht waarin je je afvraagt “… kunnen er onder zo’n hemel werkelijk allerlei boze en onverdraagzame mensen leven?...” door Sint-Petersburg struint, en de gelegenheid bij de haren grijpt om een zeventienjarig meisje te hulp te schieten dat wordt lastig gevallen door een snode dronkaard. Hij brengt haar thuis. Ze vindt het goed hem de volgende nacht op dezelfde plek weer te ontmoeten, mits hij belooft niet verliefd op haar te worden. De dodelijk verlegen jongen is helemaal in de wolken. De nacht daarop vraagt ze of hij haar zijn ‘verhaal’ wil vertellen. Hij schrikt zich te pletter: “… ‘Mijn verhaal! Maar wie heeft u verteld dat ik een verhaal heb? Ik heb geen verhaal…’ ‘Maar hoe heeft u dan geleefd, zo zonder verhaal?’ onderbrak ze me lachend. ‘Absoluut zonder wat voor verhaal dan ook! Gewoon, ik heb zoals ze bij ons zeggen, op mezelf geleefd, dat wil zeggen alleen – alleen, volstrekt alleen – begrijpt u wat dat is, alleen?’…”.
Wat een tijden!
De jongen praat over zijn eindeloze fantasieën en luchtkastelen die hem beletten zich in het echte leven te storten: alsof hij aldoor YouTubefilmpjes in zijn hoofd heeft… Dostojevski zit vol humor. Het meisje stelt zich voor als Nastjenka en vertelt dat haar blinde oma, bij wie ze inwoont, haar jurk al twee jaar lang met een veiligheidsspeld vastmaakt aan de hare, om te beletten dat ze de hort op gaat. Om rond te kunnen komen verhuurde de blinde oma ooit een zolderkamer aan een jeugdig heerschap waarvan ze wilde weten of hij er ‘aardig uitzag’. Best aardig, vond haar kleindochter, waarop oma klaagde: ‘ Wat een tijden! Dat had je vroeger niet!’. Nastjenka: “… Oma zou willen dat alles net als vroeger was! Want vroeger was ze jonger en de zon was vroeger warmer en de room vroeger niet zo vlug zuur – allemaal vroeger! En ik zit daar en houd mijn mond, en ik denk bij mezelf: waarom brengt oma me nu zelf op ideeën door te vragen of hij knap is en jong, die huurder? Zomaar, ik dacht het alleen maar, en ik ging meteen mijn steken weer tellen en mijn kous breien, en daarna vergat ik het helemaal…”. Edoch, de huurder gaf het meisje boeken om aan oma voor te lezen (Nastjenka moest eerst controleren of hij er niet stiekem liefdesbriefjes in had verstopt) en nam de vrouwen ook nog mee naar het theater. Hij snapte wel dat het hem nooit zou lukken Nastjenka alleen mee uit te nemen. Toen hij aangaf terug te keren naar Moskou, smeekte Nastjenka haar met zich mee te nemen. Dat kon echt niet, maar als hij zijn zaakjes geregeld had zou hij terug komen. Precies na een jaar. Inmiddels is het zover. Hij is in de stad, beweert Natsjenka, maar hij heeft zich nog niet laten zien. Samen bedenken ze een plan om de voormalige huurder voor het blok te zetten. De jongen moet hem een brief van Nastjenka bezorgen.
Love hurts
De derde nacht zitten ze samen op haar geliefde te wachten, die niet op komt dagen. Nastjenka vertelt de jongen al haar gevoelens, terwijl de jongen de zijne verbijt als nooit tevoren. “… Ik weet eigenlijk niet hoe ik u dit kan vertellen, wat ik voel; maar ik denk dat u nu bijvoorbeeld… alleen nu al… ik denk dat u iets voor mij opoffert…”, zegt ze tegen het lijdend voorwerp. “… Als u ooit van iemand gaat houden, wens ik dat God u geluk zal schenken voor haar!...”, voegt ze er ook nog eens aan toe. De vierde nacht hebben ze het gevoel dat de huurder Nastjenka heeft laten zitten. Beiden zetten het op een janken. De jongen bekent haar zijn liefde. Zij denkt dat als ze over de huurder heen is ze misschien wel wat voor hem kan gaan voelen. Nóg meer hete tranen. En o, wat een klootzak, en o, wat een rotvent, die huurder. Wilde plannen worden gesmeed en als de jongen haar eindelijk zowat aflevert bij haar huis komt er een jongeman voorbij die zijn pas inhoudt en haar naam roept…
She’s in her Dostojevski era
De Britse boekeninfluencer Jack Edwards maakte vorig jaar een filmpje waarin hij vertelde dat hij “Witte nachten” had gelezen. Hij deelde wat aansprekende citaten. “… ‘Dit is een van de meest hartverscheurende liefdesverhalen die ik ooit heb gelezen,’ verklaarde Edwards in de video. Zijn aanrader sloeg aan: video’s met de hashtag #whitenights zijn inmiddels al meer dan 40 miljoen keer bekeken en het boek staat in Amerika momenteel op nummer vier in de lijst van best verkochte vertaalde literatuur…”, aldus Nina Reid in het NRC. “… ‘Eenzaamheid, we’ve all been there,’ pent een ander…”. Over een Dostojevski-qoate: “… We kunnen ons allemaal inleven, als Dostojevski zegt: ‘Ik wil met één persoon over alles kunnen spreken zoals ik over alles met mezelf spreek.’…”. De Dostojevski-trend gaat alle kanten op. Soms zijn de reacties melancholisch, maar even vaak ook komisch : “… ‘You can’t fix her, she’s in her Dostojevski era.’ In je ‘Dostojevski era’ zijn, betekent dus dat je depressief bent, of je eenzaam of onbegrepen voelt…”. Hier en daar is de respons ook negatief: “… ‘Depressieve man wordt ge-friendzoned,’ schrijft een lezer. ‘Het gezwets van een wanhopige maagd,’ zegt een ander…”. Even verder: “… Veel – vermoedelijk jonge – lezers zien in de hoofdpersoon van ‘Witte nachten’ een engerd: een man van midden twintig die zich opdringt aan een meisje van zeventien. Zo’n leeftijdsverschil is natuurlijk voor de moderne lezer opvallend, en in de 21ste eeuw niet gangbaar, maar komt in 19de-eeuwse literatuur maar al te vaak voor; Jane Eyre is in de roman van Charlotte Brontë achttien, Mr. Rochester bijna veertig…”. Iemand anders: “… Het lukte me niet om de hoofdpersoon sympathiek te vinden, maar het was waarschijnlijk ook niet Dostojevski’s bedoeling om hem likeable te maken…”. De conclusie: “… Wie bekender is met het oeuvre van Dostojevski, weet dat hij doorgaans nóg nihilistischer en ongelukkiger personages op papier zet – het valt te betwijfelen of hij zich er zorgen over maakte dat lezers twee eeuwen na dato geen sympathie meer kunnen opbrengen voor een ratelende ‘einzelgänger’…”.
De ondergrondse mens
Vervolgens “Ondergrondse notities”, waarin Dostojevski de donkere gedachten beschrijft van een cynische man die worstelt met zichzelf, de liefde en de maatschappij. Een verhaal over twijfel, woede en de zoektocht naar betekenis. Met zijn scherpe blik legt Dostojevski de diepten van de menselijke emoties bloot en raakt hij thema’s die nog altijd universeel herkenbaar zijn. Ik vond het verpletterend. “… Ik ben een ziek persoon… Ik ben een vilein persoon. Een onsympathiek persoon ben ik. Ik denk dat ik een leverziekte heb. Ik snap overigens geen bal van mijn kwaal en heb geen idee wat eraan scheelt…”, zo begint de man. Voorheen was hij ambtenaar. Sinds een van zijn verre verwanten hem zesduizend roebel naliet, nam hij dadelijk zijn ontslag en komt zijn ‘hol’ niet meer uit: “… een smerige rotkamer aan de rand van de stad. Mijn hulp is een oude boerenvrouw, een snibbig en dom wijf, dat daarbij ook nog een uur in de wind stinkt…”. Toen hij nog werkte, vond hij het leuk de mensen die naar zijn bureau kwamen te pesten. Maar als iemand hem een kopje thee aanbood was hij weer tot tranen geroerd, vertelt hij. “… Trouwens, waar kan een fatsoenlijk mens met het grootste genoegen over praten? Antwoord: over zichzelf. Laat ik het dan ook maar over mezelf hebben…”.
Hoogbegaafde hufter
Okay. “… Ik geef u op een briefje dat ik heel vaak een insect heb willen worden. Maar zelfs dat kon ik niet opbrengen…”, vertelt hij. Zie de link met het beroemde verhaal van Franz Kafka, “De gedaanteverwisseling”. Zijn euvel is zijn hoogbegaafdheid. Daarom kan hij er niets aan doen dat hij zo’n hufter is. “… Ik ben bijvoorbeeld enorm zelfingenomen. Ik ben achterdochtig en prikkelbaar als een bultenaar of een dwerg, maar ik heb echt ogenblikken gehad dat als het was voorgekomen dat men mij een opdonder had gegeven, ik daar misschien wel blij om zou zijn geweest…”. Hij is iedereen echter te slim af. Hij denkt altijd net een stapje verder dan de rest. Hij heeft te veel bewustzijn: een vreselijke ziekte. Je kunt beter ’dom’ en ‘normaal’ zijn. Het jongetje in “Adolescence” is trouwens ook bovengemiddeld intelligent. De gewezen ambtenaar ervaart ‘al het sublieme en schone’ veel sterker dan anderen, maar: “… Hoe meer ik me bewust was van het goede en van al dit ‘sublieme en schone’, des te dieper zakte ik af in mijn drab en des te meer was ik genegen er volledig in weg te zakken…”. Sky high - deep down. Dat is zijn vloek. De rottigheid waartoe hij in staat is, schenkt hem genot. Hij voelt zich constant beledigd. Beschouwt zichzelf als een ‘geridiculiseerde’ muis, want niemand ziet wat hij in zijn mars heeft, en wel ‘levend begraven’ in een ‘kil, giftig en bovenal eeuwigdurend venijn’.
Lijden kweekt bewustzijn
De ondergrondse mens fulmineert uitgebreid tegen het rekenkundige dogma dat ‘twee maal twee vier is’: “… Rebelleren heeft geen zin…”. Zie “1984” van George Orwell waarin het gepeupel wordt wijsgemaakt dat ‘twee plus twee vijf is’. De man filosofeert door over het feit dat we in de toekomst waarschijnlijk alle menselijke handelingen mathematisch, via logeritmetafels, automatisch kunnen voorrekenen. Dat alle reacties op alle acties voorspelbaar en alle mogelijke antwoorden op alle mogelijke vragen domweg voor handen zullen zijn, waardoor ons leven ongelooflijk saai zal worden, “… maar daar staat tegenover dat alles er rationeel zal toegaan…”. Het is alsof Dostojevski de mogelijkheid van robotisering en artificiële intelligentie voorzag. Echter, de rede bevredigt alleen de verstandelijke vermogens binnen de menselijke natuur, die misschien maar een twintigste deel van de levensdrift uitmaken, laat hij de ondergrondse mens orakelen. Hebben we een ‘vrije wil’ of zijn we niet meer dan een ‘pianotoets’ of een ‘orgelklep’? Hij vertelt dat Cleopatra ervan hield om gouden spelden in de borsten van haar slavinnen te steken omdat ze plezier beleefde aan hun kreten en krampen. Als alles wiskundig voorspelbaar wordt, gaan ‘mensen dat gedoe met die gouden spelden misschien ook wel weer lollig vinden’. Leuker zullen wij er beslist niet op worden, wel? Trouwens, “… Is het u opgevallen dat het bijna altijd de meest geciviliseerde heren zijn die de meest geraffineerde bloedvergieters zijn, aan wie lieden als Attila of Stenka Razin niet kunnen tippen?...”. Ik hoef maar te verwijzen naar de hedendaagse talkshowtafels. “… In ieder geval heeft civilisatie de mens zo niet bloeddorstig dan toch zeker op een gemenere, stuitender manier bloeddorstiger gemaakt dan vroeger. Vroeger zag hij iets rechtvaardigs in bloedvergieten en liquideerde hij met een gerust geweten wie daarvoor in aanmerking kwam; en hoewel we bloedvergieten tegenwoordig als iets stuitends beschouwen, gaan we er gewoon mee door, ja, misschien nog wel meer dan vroeger…”. Killerdrones. Kernwapens. “… Wat is erger? – dat mag u zelf uitmaken…”. De mens houdt hartstochtelijk veel van verwoesting en chaos. Toch pleit de ondergrondse mens voor de vrijheid ‘oerdom’ te mogen handelen. De mens zal expres krankzinnig worden wanneer hij gedwongen wordt tot redelijkheid. De mens zal te allen tijde, en desnoods tegen zichzelf in, willen bewijzen dat hij geen ‘klepje’ is. De mens verlangt er naar ten koste van alles onafhankelijk te zijn. Autonoom. Ook al overziet hij zijn toestand niet. Edoch, misschien heeft de mens wel ‘net zoveel baat bij lijden als bij voorspoed’: “… Lijden is immers de enige oorzaak van bewustzijn…”. Zie mijn blogs over “De extase van de jagers” van Kris Pint en “Op een andere planeet kunnen ze me redden” van Lieke Marsman.
Een vernederde en gekrenkte vlieg
Even later verklaart de ondergrondse mens dat je geen woord moet geloven van wat hij hierboven heeft geschreven: “… ik lieg dat ik barst…”. Even verder: “… bent u nou werkelijk zo lichtgelovig dat u denkt dat ik dit allemaal zal laten drukken en nog aan u zal laten lezen ook?...”. Een en ander belet hem niet een geschiedenis te vertellen die hem niet wil loslaten. Hij was destijds net vierentwintig. “… Mijn leven was ook toen al somber, ongeregeld en eenzaam – op het mensenschuwe af. Ik ging met niemand om, vermeed het zelfs om te praten en zonderde me steeds meer af. Op mijn werk, mijn kantoor, deed ik mijn uiterste best om niemand aan te kijken, en ik had heel goed door dat mijn collega’s me niet alleen zonderling vonden maar – dat was mijn stellige indruk – met een zekere weerzin naar mij keken…”. Ondanks zijn opgeblazen ego heeft hij onafgebroken het regelrechte gevoel “… dat ik een vlieg was in de ogen van deze hele wereld, een smerige, walgelijke vlieg, intelligenter, ontwikkelder, nobeler dan iedereen – dat spreekt vanzelf – maar een vlieg die voortdurend iedereen uit de weg ging, door iedereen vernederd en door iedereen gekrenkt…”. Hij gaat naar de hoeren en is doodsbang dat hij betrapt wordt. Hij raakt geobsedeerd door een officier die niet voor hem aan de kant gaat als hij in de weg loopt. Hij steekt zich in de schulden om er zo sjiek uit te zien dat zijn vermeende tegenstander als vanzelf op straat voor hem zal uitwijken. Uiteindelijk stoten ze met hun schouders tegen elkaar als ze elkaar in volle vaart passeren. De officier merkt het niet eens, de ondergrondse mens barst uit in ‘Italiaanse aria’s’.
Paradoxenfreak
Ooit was hij de beste op school. Het is niet te beschrijven met wat voor een idioten hij zat opgescheept: “… Al op mijn zestiende stond ik er gewoon perplex van; toen al stond ik verbaasd over hun kleingeestigheid, hun debiele hobby’s, spelletjes en gesprekken…”. Hoewel hij een gruwelijke hekel heeft aan zo ongeveer iedereen, nodigt hij zichzelf toch uit als een stel voormalige klasgenoten iemand op een afscheidsetentje willen trakteren. Ze kunnen hem moeilijk weigeren. Het is zaak niet als eerste aan te komen in het restaurant, anders denken ze dat hij dolblij is dat hij mee mag doen. Toch is hij er veel te vroeg, omdat ze hebben vergeten hem in te lichten dat het diner een uurtje is verzet. Als de rest binnenkomt, beginnen ze hem te bespotten om hem vervolgens te negeren. Hij drinkt teveel waarna hij het gezelschap beledigt dat naar een zithoek vertrekt en hem in zijn sop laat gaar koken. Drie uur lang ijsbeert hij om hen heen. Tot de groep opbreekt om een clandestien bordeel te bezoeken, hem achterlatend want: ‘niet goed wijs’. Uiteindelijk besluit hij ze te volgen. De heren zijn allang weer weg als hij arriveert. Hij heeft seks met een jonge prostituee die hij nadien flink de les leest en zijn adres geeft, mocht ze haar leven willen beteren. Ze staat voor zijn neus in zijn armoedige hol als hij net hysterisch ruzie maakt met zijn knecht. Hij gaat af als een gieter, wat hem alleen nog maar meer opfokt. Alsof hij zichzelf recenseert: “… In elk geval heb ik me tijdens het schrijven van dit romannetje voortdurend zitten schamen: dan is het geen literatuur meer maar strafwerk. Het ophangen van lange verhalen, bijvoorbeeld over hoe ik mijn leven heb verknald door in moreel opzicht weg te rotten in mijn hoekje, door niet met anderen om te gaan, door te vervreemden van al wat leeft en door doelloos te zitten wrokken in mijn ondergrondse wereldje – dat is om de drommel niet interessant; in een roman heb je een held nodig, maar hier zijn expres alle kenmerken van een antiheld bijeengebracht…”. Vervolgens projecteert hij zijn ongenoegen op zijn lezers: “… wij zijn allemaal vervreemd van het leven…”. Hij weet best dat die dit niet zullen pikken: “… Spreekt u voor uzelf, zult u zeggen…”. Maar hij heeft tenminste zijn grenzen opgezocht, daar zijn ‘wij’ te laf voor. “… Hiermee eindigen de ‘notities’ van deze paradoxenfreak overigens nog niet. Hij kon het niet laten om ermee door te gaan. Maar wij vinden dat het nu welletjes is…”, aldus (blijkbaar) de uitgever.
Uitgave: Rainbow – 2025, vertaling Madeleine Mes & Gerard Cruys, 256 blz., ISBN 978 904 171 639 2, € 11,-
Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier