Menu

maandag 10 november 2025

Wewelsburg – Evertjan van Roekel

 


Subtitel: De occulte kant van Himmlers SS

 

Het is bizar op hoeveel manieren de tweede wereldoorlog overal terugkomt: zie mijn vorige blog. Het middeleeuwse kasteel ‘Wewelsburg’, in het hart van Duitsland, werd door SS-baas Heinrich Himmler aangewezen als semireligieus oord in het middelpunt van de wereld, waar de Germaanse elementen van het nazisme zouden worden gecultiveerd. Op basis van meedogenloze dwangarbeid moest het bolwerk worden uitgebouwd tot een gigantisch SS-Vaticaan. Hoewel er van de plannen uiteindelijk weinig terechtkwam, is het kasteel in de naoorlogse populaire media – van films tot de bekende ‘Wolfenstein’-games – vaak gelinkt aan occulte wetenschap en bovennatuurlijke verschijnselen, die onlosmakelijk met het Derde Rijk verbonden zijn. Historicus en jurist Evertjan van Roekel (1984) belicht de achtergronden, geheimen en eigenaardigheden van Wewelsburg en verdiepte zich in de mystieke kanten van Himmlers SS. Ook verkent hij de grens tussen feit en fictie in het naoorlogse beeld van de burcht. Een cultuurgeschiedenis.

 

Nazificatie

Wolfenstein 3D’, dat bekend staat als een van de eerste ‘first-person shooter’-schietspellen, is een bekende videogame uit begin jaren negentig, waarin een geallieerde krijgsgevangen spion moet ontsnappen uit het duistere nazikasteel ‘Wolfenstein’, dat gebaseerd is op de middeleeuwse Wewelsburg in Büren, Westfalen, bij Paderborn. Wewelsburg staat symbool voor de esoterische kant van het nationaalsocialisme. Tien jaar later verscheen een verbeterde versie, ‘Return to Castle Wolfenstein’, met sadistische wetenschappers en gemuteerde soldaten. Meer spin-offs volgden. Naoorlogse fictie, zowel in films en boeken als videogames, zijn op een meestal vrij platte en smeuïge manier bevolkt met gestoorde naziwetenschappers en hun bovennatuurlijke aspiraties. Zie de Indiana Jones-films met de stereotypering van nazionderzoekers op expeditie. In feite stelden al ten tijde van het Derde Rijk enkele auteurs dat Hitler en de nazi’s zwarte magiërs waren die gebruik maakten van bovennatuurlijke krachten. In 1934 publiceerde de Franse auteur René Kopp een artikel waarin hij beweerde dat Napoleon, Mussolini en Hitler heersers waren die door hogere machten naar de aarde waren gestuurd. In zijn boek “Le tyran nazi et les forces occultes” uit 1939 schreef een andere Franse schrijver, Edouard Saby, eveneens dat Hitler een medium en magiër was. De invloedrijkste publicatie, “Hitler Speaks” (1939), kwam van Hermann Rauschning, een Duits conservatief politicus die meer kritische boeken over het naziregime schreef en in 1942 Amerikaans staatsburger werd. Hitler zou volgens hem bezeten zijn door kwaadaardige machten. De combinatie van sensatie en politieke actualiteit maakte van het boek direct een bestseller. Inmiddels is vast komen te staan dat Rauschning alles uit zijn duim zoog. Het ‘occulte’ beeld van Hitler was echter gevestigd en inspireerde menige auteur die later op dit thema zou voortborduren. Zie bijvoorbeeld Lewis Spence in “Occult Cause of the Present War” (1940): Hitler móet wel een pact met de duivel hebben gesloten - hoe valt zijn verbijsterende succes anders te verklaren?!

 

Cryptohistorie

Zo ontstond wat Van Roekel ‘cryptohistorie’ noemt, een speculatief en sensationeel genre dat sterk gelieerd is aan samenzweringstheorieën: werken die veelal gekenmerkt worden door onnauwkeurigheden, vergezochte aannames en het compleet negeren van primaire bronnen. Een stortvloed aan pseudowetenschappelijke boeken, documentaires en films kwam op gang. Als standaardwerk over de Wevelsburg gold “Himmler: The Evil Genius of the Third Reich” van de Oostenrijkse journalist Willi Frischauer. Internationale bestsellers werden “The Morning of the Magicians” van Louis Pauwels en Jacques Bergier uit 1960 , waarin de SS beschreven wordt als een religieuze orde van ‘monniken’ die bezig was met onverklaarbare magie en futuristische technologie, en “The Spear of Destiny” van Trevor Ravenscroft uit 1973, die er de jacht op de Heilige Lans aan toevoegde, een object met ongekende ‘occulte krachten’. Steven Spielberg vestigde dit concept stevig in de populaire cultuur met 'Raiders of the Lost Ark' uit 1981 en 'Indiana Jones and the Last Crusade' uit 1989, waarin naziwetenschappers jagen op respectievelijk de Ark van het Verbond en de Heilige Graal, teneinde bovennatuurlijke krachten te verwerven waar ze de wereld mee kunnen overheersen. Van daaruit werd de stap naar videogames gemaakt met de gebruikelijke nazistereotypes: de gestoorde arts-wetenschapper (naar het voorbeeld van de beruchte Josef Mengele), de dikke, luie, incompetente generaal (met Herman Göring als origineel) en de griezelige vrouwelijke kampbewaker (gebaseerd op onder andere Irma Grese, de heldin van Sigrun: zie mijn vorige blog). Historie en mythe raken verstrengeld in dit soort entertainment. Amusement is het expliciete doel. Recente voorbeelden met het occulte nazi-imago zijn ‘Hellboy’ (2004), ‘Captain America’ (2011) en ‘Iron Sky’ (2012). ‘Red Notice’ (2021), op het moment van schrijven de duurste Netflix productie ooit, gaat over de zoektocht naar één van de drie fictieve gouden eieren die een geschenk zouden zijn geweest van Marcus Antonius aan Cleopatra. Het artefact ligt verborgen in een gigantische opslag van naziroofkunst in de jungle van Zuid-Amerika. Ook in serieus bedoelde documentaires raken feit en fictie vaak verweven. Zie de door Discovery Channel geproduceerde tv-documentaire: ‘Nazis:The Occult Conspiracy’ uit 1998, waarin befaamde historici als George Mosse geïnterviewd worden, maar de inhoud toch zeer discutabel blijft. Zie bijvoorbeeld ook de eerste thriller van de Nederlandse auteur Alex van Galen: “De Opvolger” (2007), wederom een verhaal dat draait om de Heilige Lans in de geest van “De Da Vinci Code”, wat een link legt naar de Heilige Graal en het Heilige Bloed. De grande finale speelt zich af in de crypte van de Wewelsburg. Deze plek speelt eveneens een rol in “Black Order” (2006) van James Rollon. In het verhaal komt een evolutiemachine voor, in een verborgen kasteel in de Himalaya, die Übermenschen creëert.

 

Völkisch

Op eerste kerstdag 1907 werd voor het eerst een vlag met de swastika gehesen. Boven kasteel Werfenstein in Opper-Oostenrijk, door een vanwege celibaat-perikelen uit zijn ambt gezette monnik: Jörg Lanz von Liebenfels. De swastika zou krachten oproepen voor het smeden van een Arisch imperium. Dat Arische ras zou óf de hele wereld overwinnen óf creperen: het was alles of niets. Nu waren in  zijn tijd zulk soort gekke rituelen schering en inslag, dus waarschijnlijk heeft hij niet beseft wat hij ontketende. Het nazigeloof  vond zijn oorsprong in een opkomende interesse in het Duitse erfgoed en aloude Noordse en Germaanse tradities. In tegenstelling tot andere Europese landen vormde Duitsland (Germania) pas in de negentiende eeuw vanwege de Duitse eenwording een natiestaat. Hierdoor ontstond een nationalistische ideologie met een obsessieve fascinatie voor een romantisch oerverleden vol ruige, vrije, rechtschapen, eenvoudige, krijgshaftige Germanen in duistere wouden en hun onvoorwaardelijke trouw aan plaatselijke stamhoofden. Zie de beroemde nederlaag die Arminius (Hermann de Germaan) de Romeinen toebracht tijdens de Slag bij het Teutoburgerwoud, waar 20.000 legionairs over de kling werden gejaagd. In werkelijkheid zwierven er in het verleden allerlei sterk verschillende groepen door Duits gebied, waardoor de opvatting over ‘zuiver bloed’ een farce is. De minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder het naziregime, Joseph Goebbels, probeerde het heidense verleden tot leven te wekken door gigantische ‘Thing-theaters’ te bouwen: openluchtarena’s met heroïsche eiken en rotsachtige bodems waar je aloude Noordse schouwspelen kon bijwonen. Niemand liep er warm voor. Vandaag de dag zijn er nog een aantal terug te vinden; vervallen, vergeten of in gebruik voor rockconcerten. Het Duitse nationalisme ontwaakte als oppositie tegen de binnenvallende Franse revolutionairen. Daarom was het ook sterk antimodern en anti-Verlichting. Het volkse karakter kwam tot ontwikkeling in cultuurgemeenschappen. Men vereerde helden en legenden, en wees globalistische invloeden en verstedelijking af (zie mijn vorige blog). Vanaf het begin waren er twee duidelijke vijanden: de vrijmetselaars en de Joden – belichamingen van de Franse Verlichting en het kosmopolitisch kapitalisme. Het völkische was tevens een sterke reactie op het moderniseringsproces in de jaren 1870 en 1880, dat werd gezien als een bedreiging voor de lutherse geloofstraditie.

 

Oerrunen

Allerlei wetenschappers stimuleerden de nationale propaganda met nieuwe onderzoeksvelden op het gebied van genetica en erfelijke eigenschappen: voer voor racisten. Ideeën die na Duitslands nederlaag in de Eerste Wereldoorlog weer werden opgepakt door de opkomende nazipartij. Opvattingen over zuiver bloed en een heerservolk werden gelinkt aan de Vikingen. De Noordse volken vertegenwoordigen de omschrijving van de ‘Ariërs’ het meest: blond haar, blauwe ogen, smalle gezichten en een relatief lange lichaamslengte. Eén leidende nazi geloofde oprecht in Noordse religieuze aspecten: Heinrich Himmler. Hij integreerde allerlei rituelen en symbolen (waaronder de Noordse runen) in zijn SS-organisatie. Himmler raakte begeesterd door de visie van Lanz, de voornoemde monnik, inzake het ‘Arisch christendom’. Volgens de laatste waren de biologisch superieure Ariërs ‘godmensen’ met telepathische en andere geheimzinnige krachten. De inferieure rassen zouden het resultaat van geslachtsgemeenschap met beesten zijn. Het was zaak het ware Arische ras ‘terug te fokken’. Het oorspronkelijke Arische meesterras kwam van het mythische eilandenrijk Atlantis, dat als straf van Zeus naar de zeebodem zonk, aldus de populaire Oostenrijkse dichter en schrijver Guido van List. Het meest verheven subras dat uit de Atlantiërs ontstond was, je raadt het nooit, het Teutoonse. List zette de ‘Hoher Armanen-Orde’ op poten, die zich richtte op het propaganderen van ideeën over de aloude elite der ‘Armanen’. List zat eveneens achter de opleving van de ‘Armanen-runen’: achttien Germaanse oerrunen. De runen waren niet alleen letters, maar hadden ook een diepere betekenis. Zo staat de Gibor-rune voor ‘geschenk’, maar lijkt tevens en vooral een replica van de ‘wolfsangel’, een symbool dat te maken heeft met ‘de band met het land’ en al eeuwenlang wordt geassocieerd met geweld. In de middeleeuwen was het een talisman om weerwolven af te schrikken. Het komt in de wapenschilden van diverse dorpen en steden voor en duikt op tijdens verschillende vijftiende-eeuwse boerenopstanden alsmede de Dertigjarige Oorlog in de zeventiende eeuw. Het was als insigne zichtbaar op de kraagspiegels van onder andere de Nederlandse Landstorm. De bekendste rune is de sig-rune, de ‘bliksemschicht’ van de SS, afkorting voor ‘Schutzstaffel’. Oorspronkelijk stond deze voor de zon. List veranderde de betekenis in ‘Sieg’: overwinning.

 

Swastika

De swastika maakt geen deel uit van de runen. Het woord ‘swastika’ komt uit het Sanskriet en betekent zoveel als ‘wees gezond’ of ‘wees gelukkig’. Het symbool duikt vanaf de bronstijd niet alleen in Europa, maar ook in Noord-Afrika en delen van Azië op. In China stond de swastika van oudsher voor ‘geluk’. Het was een religieus symbool binnen het hindoeïsme en boeddhisme en sierde de blazoenen aan het hof van Karel de Grote. In de Noordse mythologie staat de swastika voor de (pool)zon, dan wel het ‘zonnewiel’, die wordt vereerd als schepper van leven en voorspoed. Het Arische ras was dan ook de erfgenaam van vroegere Indo-Europese volken.

 

Het Thule-Gesellschaft

In 1918 richtte Rudolf von Sebottendorff het Thule-Gesellschaft op, de opvolger van verschillende Germanenorden, met het doel de Duitse geschiedenis c.q. de Noordese mythologie te onderzoeken en de Duitse kunst te bevorderen. De term Thule is ontleend aan ‘Ultima Thule’, het uiterste Noorden, de noordpoolcirkel waar ‘hyperboreaanse’, mythische volkeren woonden. Een plek die werd geassocieerd met het verloren continent Atlantis. De Griekse ontdekkingsreiziger Pytheas van Massalia had er in 330 v. Chr. de ‘Hyperboreeërs’ ontdekt. Niemand in zijn thuisland geloofde zijn verhalen over uitgestrekte zuiver witte landschappen, bevroren zeeën en vreemde schepsels waaronder grote witte beren. Zo werd Thule een fabelachtig land met een betoverende lading. Het Thule-Gesellschaft verzette zich tegen de socialistische opstanden na de Eerste Wereldoorlog. Sebattendorff probeerde in 1933 het Thule-Gesellschaft, dat nadat de communisten waren verslagen uiteen was gevallen, nieuw leven in te blazen. Hij viel echter in ongenade bij de naziautoriteiten, vertrok naar Turkije waar hij voor de Duitse inlichtingendienst van Istanbul ging werken en is waarschijnlijk ook een dubbelspion voor de Engelsen geweest. Op 8 mei 1945, de dag van de Duitse capitulatie, sprong hij in de Bosporus: zelfmoord. Het Thule-Gesellschaft focuste zich vooral op een racistische ideologie. Plaatsvervangend Führer Rudolf Hess, en gouverneur-generaal van bezet Polen Hans Frank, waren korte tijd lid. Dietrich Eckart en Alfred Rosenberg hadden de status van, overigens graag geziene, ‘gast’.  Hitler omschreef de groep evenwel als ‘völkisch dwalende geleerden’ en werd nooit lid. Himmler ook niet. Hitler verbond zich wel aan de Deutsche Arbeiderspartij (DAP), die door Thule-leden werd opgericht om een politieke brug te slaan naar de arbeidersklasse. Eckart zag Hitler als ‘de rijzende ster van Duitsland over wie de wereld ooit zal spreken’. Ze bouwden een innige vriendschap op. Hitler zag hem als een soort vaderfiguur. Tot aan zijn dood door een hartaanval (waarschijnlijk vanwege een morfineverslaving) in 1923 bleef Eckart een mentor voor de eenentwintig jaar jongere Hitler. Hij trainde Hitler in podiumpresentatie, dictie en welsprekendheid. Men fluisterde dat Eckart Hitler ook instrueerde in de donkere kunst van mesmerisme en ‘channeling’. Eckart zou Hitlers greep naar de macht niet meer meemaken.

 

Partij of sekte?

De popcultuur schetst het beeld dat de nazi’s niet gezien moeten worden als een politieke partij, maar als een sekte. Zie de onaantastbare spiritueel leider, de kledingcodes van volgelingen, eedafleggingen, geheime rituelen en de machtige totem: het hakenkruis, dat het christelijke kruis en de davidster moest vervangen. Volgens Van Roekel waren het vooral Hitlers volgelingen die zich onderdompelden in occultisme. Rudolf Hess en Joseph Goebbels geloofden sterk in astrologie. Filosoof Alfred Rosenberg baseerde zijn nazireligie op Noordse mythen. Heinrich Himmler was wellicht de grootste aanhanger van de ‘ariosofie’. Hitler groeide op in Braunau am Inn, een streek die vergeven was van mediums, zieners en andere mystici. Hij was dus wel wat gewend. Volgens Hitler ging zijn strijd echter hoofdzakelijk om Arisch ‘Gemeinnutz’ (algemeen welzijn) versus Joodse ‘Eigennutz’ (eigenbelang en materialisme). Hitler vond dat christenen de wederopstanding van Duitsland tegenwerkten omdat ze geloofden in Jezus, die ook een Jood was. Daarom moest religie zich niet mengen met politiek. Hij had dan ook weinig geduld met Himmlers extreme obsessies, die hij herhaaldelijk afkeurde. Hij maakte de ideeën over Atlantis belachelijk en toonde een zekere minachting voor het Noordse heidendom. Hij wantrouwde geheime genootschappen. De Holocaust was geen macaber ritueel, volgens Van Roekel, maar een door politieke  ideologie gedreven massamoord gebaseerd op het trauma van de Eerste Wereldoorlog en de theorieën van Haeckel, Nietzsche en Schopenhauer. Hitler was een pragmatische en opportunistische straatvechter die alles kon gebruiken wat in zijn kraam te pas kwam: ook occulte ideeën. Hij gebruikte zo nodig helderzienden en grenswetenschappelijke doctrines om het volk, dat er in geloofde, te paaien. Na 1937 begon het naziregime het occultisme echter actief te onderdrukken – vooral omdat ze controle over de publieke opinie wilde houden. Alle vrijmetselaarsloges (want gecorrumpeerd door de Joden), theosofische kringen en daaraan gerelateerde groepen en publicaties werden verboden. Een en ander zou vooral het gevolg zijn van de vreemde vlucht naar Engeland van Rudolf Hess (1941). De esoterische charlatans om hem heen zouden hem gek hebben gemaakt. In werkelijkheid was het allemaal erg dubbel. Toen de geallieerden Nostradamus-voorspellingen over de ineenstorting van Duitsland begonnen te verspreiden, zorgde minister van propaganda Goebbels er voor dat er een boekje verscheen waarin werd beweerd dat de eindoverwinning van de nazi’s juist in de sterren geschreven stond. Ook zette men tijdens de bekende operatie ‘Unternehmen Eiche’ helderzienden in om de afgezette fascistische dictator Benito Mussolini te redden uit zijn gevangenschap (met succes trouwens). De biodynamische landbouw en zogeheten ‘Welteislehre’ werden eveneens van alle kanten gesteund.

 

Welteislehre

De ‘Welteislehre’ is ontwikkeld door de Oostenrijkse pseudowetenschapper Hanns Hörbiger, volgens wie de kosmos moet worden gezien vanuit een eeuwige strijd tussen vuur en ijs. Het heelal en de aarde zouden zijn ontstaan uit reusachtige zwevende ijsblokken. Eens in de zoveel tijd botst de maan op de aarde, waardoor zo’n beetje alles wat leeft, uitsterft en steeds een nieuwe ijstijd optreedt. Zie de legende van Atlantis. Sommige superwezens wisten tijdens de ondergang van Atlantis te ontsnappen naar Tibet. Zij zijn de voorouders van alle Indische en Europese volken. “Der Mythus des 20. Jahrhunderts” van Alfred Rosenberg vormde de definitieve legitimatie van de rassentheorie van de nazi’s. Het ging allemaal om het kweken van een puur Noords ras. Voor de nazi’s vormde de ‘Welteislehre’ een uitstekend ‘tegengif’ voor de ‘Joodse fysica’ van relativiteit tot kwantummechanica.

 

Ahnenerbe

De ‘Welteislehre’ werd de basis onder de zogeheten ‘Ahnenerbe’: het door Heinrich Himmler opgerichte nationaalsocialistische onderzoeksinstituut dat tot doel had ‘wetenschappelijk’ bewijs te vinden voor de superioriteit van het ‘Arische ras’. Van Roekel noemt de namen van pronazi-intellectuelen en –functionarissen als SS-Obersturmführer Hans Robert Scultetus, SS-onderzoeker Edmund Kiss, de vader van de Blut und Boden-ideologie Walther Darré, onderzoeker Herman Wirth, SS-kolonel Wolfram Sievers en de indogermanist Walther Wüst die de bekende Duitse verzetsmensen Hans en Sophie Scholl van de geweldloze studentengroep ‘Witte Roos’ arresteerde. Er ontstonden allerlei onderzoeksrichtingen zoals de afdeling ‘Ausgrabungen’, waar archeoloog Herbert Jankuhn de scepter zwaaide. Hij stimuleerde overal het plunderen van musea. Er was een afdeling meteorologie die het weer probeerde te beïnvloeden. De afdeling indogermaanse-Duitse muziek bestudeerde volksliedjes, traditionele gezangen en plaatselijke danscultuur. De afdeling ‘Runen, letters en symbolen’ onderzocht de schriftcultuur. Er was een aparte afdeling speleologie die legenden over ondergrondse tunnels en rijken onderzocht. De afdeling ‘grafonderzoek’ onderzocht allerlei grafheuvels. De afdeling ‘occulte wetenschappen’ bestudeerde vooral de alchemie, de thaumaturgie en de goetia. Verder werd er onderzoek gedaan naar entomologie, sprookjes, heraldiek, astronomie, yoga, paarden fokken, dierenverhalen/fabels, volkse geneeskunst, Keltische etnografie, Noord-Afrikaanse cultuur en middeleeuws Latijn.

 

Exotische expedities

De nazi’s organiseerden exotische expedities naar de verste uithoeken van de wereld. Naast de zoektocht naar het verloren gewaande Atlantis zocht men ook naar legendarische voorwerpen als de Heilige Graal. De Finse folklorist Yrjö von Grönhagen trok naar Fins Karelië om ‘magische’ liederen en rituelen te verzamelen. Obersturmführer Otto Schulz-Kampfhenkel zag wel kansen voor een nieuw nazi-Reich in Brazilië, waar hij naar dinosaurussen en de verloren stad El Dorado zocht, zoölogische en botanische monsters verzamelde en de sjamanen van het lokale Aparaivolk filmde. Wirth en Sievers gingen op pad naar de regio Bohuslän in Zweden om de betekenis van bepaalde Noordse runen te achterhalen. Edmund Kiss reisde naar Bolivia, Abessinië (het huidige Ethiopië) en Libië om de mythische stad ‘Zerzura’ te zoeken. Verschillende onderzoekers gingen naar IJsland, wat als een mogelijk thuis van zuivere Arische cultuur werd gezien. Schatzoeker Hans Schleif visiteerde de oud-Griekse steden Delphi, Troje en Pergamon. Er werden Romeinse overblijfselen in Roemenië onderzocht. Oriëntalist Inge Kircheisen reisde naar Afghanistan. De Nederlandse geoloog Assien Bohmers onderzocht grotten in Beieren en rotstekeningen in Frankrijk. Op zoek naar eventuele ruïnes van Atlantis werden er expedities ondernomen naar de Canarische eilanden en Madagaskar. Ernst Schäfer vertrok naar Tibet om de sporen van een oeroude Arische superbeschaving te vinden.

 

Experimenten met mensen

Het Ahnenerbe speelde ook een rol in de raciale screening van rekruten voor de Waffen-SS om daadwerkelijk een ‘groot-Germaans’ leger te vormen. Toen de oorlog in 1939 begon, ging het onderzoek van het Abenerbe zich op experimenten met mensen richten. Schedels van vergaste personen moesten aantonen dat raciale, geestelijke en lichamelijke verschillen samenhingen met de menselijke schedelbouw. Concentratiekampgevangenen dienden om nieuwe gifgassen op uit te testen. Professor August Hirt droomde van een museum met een horrorexpositie van Joodse skeletten, omdat hij er van overtuigd was dat het niet lang meer zou duren voordat het Joodse ras definitief was uitgeroeid. Veel vertegenwoordigers van het Ahnenerbe wisten aan het eind van de oorlog te ontsnappen via de ‘rattenlijnen’ richting Zuid-Amerika of deals te sluiten met de geallieerden. Wetenschappers die niet duidelijk waren te linken aan de gruwel van de concentratiekampen traden na de oorlog gewoon weer tot de academische gelederen toe, ondanks het feit dat de SS tijdens de Neurenberger processen werd veroordeeld als criminele organisatie. Veel informatie over het Ahnenerbe kwam in handen van de geallieerden en is nog steeds en misschien wel voor altijd in duister gehuld.

 

De Heilige Graal

Heinrich Himmler kreeg de functie van Reichsführer-SS. Hij had twee doelen voor ogen: het vormen van een raciale elite, een meesterras, liefst met een ‘Noordse spirituele houding’, en de uiteindelijk totale vernietiging van ‘raciaal inferieure wezens’. De SS was oorspronkelijk ontstaan als lijfwacht van Hitler. Ze zou de toekomstige aristocratie van Duitsland moeten vormen. De Heilige Graal van het nazisme lag dan ook in het zuivere bloed van deze Arische supermensen. Himmler geloofde in de Heilige Graal die volgens hem sacraal Arisch bloed zou hebben bevat met enorme magische kwaliteiten, wat nogal merkwaardig is, aangezien conform de legende het bloed in de Heilige Graal afkomstig was van Christus, een Jood. De protestantse theoloog Walter Grundmann stelde echter dat Jezus helemaal geen Jood was, maar een Ariër. Himmler was ook hevig onder de indruk van het werk van de schrijver Otto Rahn, die beweerde dat de Heilige Graal bewaakt werd door de katharen in Zuid-Frankrijk. Het object zou een tijd verborgen zijn in Château de Montségur, het zenuwcentrum van het katharisme. Tijdens een beleg door kruisvaarders wisten drie katharen ermee te ontsnappen. Rahn omschreef het artefact echter als ‘een steen die uit de hemel is komen vallen’. Himmler bleef er in het geheim tot het eind toe in oude tunnels en grotten naar zoeken.

 

De speer van Longius

Hitler was vooral geobsedeerd door de Heilige Lans waarmee de Romeinse soldaat Longius de zijde van Jezus had doorboord om te controleren of Hij daadwerkelijk overleden was. De  speer dook overal in Europa op, minder als een christelijke relikwie dan wel een cultisch machtsinstrument. Via Karel de Grote en de keizers van het Heilige Roomse Rijk kwam de Heilige Lans in een museum in Wenen terecht (zie Trevor Ravenscroft in “The Spear Of Destiny”). Hitler schraapte in zijn jonge jaren het geld bij elkaar om naar de opera “Lohingrin” van Richard Wagner te gaan. De speer die de Graalkoning Amfortus verwondde en Lohingrin heroverde om de koning te genezen en het land te herstellen, linkte hij aan de lans van Longius. Ernst Kaltenbrunner haalde de speer naar Neurenberg om hem in de Katharinenkirche te plaatsen. Het godshuis werd in 1942 door de Engelse luchtmacht gebombardeerd. Expres? Churchill gaf er nooit openheid over. Hitlers ‘heilige talisman’ werd in 1945 door de Amerikaanse luitenant Walter Horn gevonden en meegenomen. In 1946 werd de lans door de Amerikaanse overheid weer geretourneerd naar Wenen, maar hardnekkige geruchten doen de ronde dat het om een replica gaat. De ‘echte’ Heilige Lans zou in de fundering van het Pentagon zijn verwerkt. Jawel. In Wewelsburg kwam ook een kopie terecht. Of toch de originele?

 

Bloedhond

Kasteel Wewelsburg moest, op advies van Himmlers zonderlinge ‘RaspoetinKarl Wiligut, zijn occulte centrum voor de orde van de Heilige Graal, de SS en zijn eliteridders, worden. Van hieruit zou de magische kracht van het naziregime stralen. Van Roekel beschrijft uitgebreid de complexe geschiedenis van Wewelsburg, het enige driehoekige kasteel in Duitsland. De streek staat bekend om de vele legenden. De wortels van de Yggdrasil, de Wereldboom uit de Noorse mythologie, zouden hier liggen (de naam betekent letterlijk ‘paard van Yggr’ oftewel ‘paard van Odin’ wat verwijst naar de felle levenskracht die hem draagt en overal heen voert). Er staan prehistorische monolieten die lijken op die van Stonehenge: de ‘Externsteine’. Hier vond ook de beroemde slag bij het Teutoburger Wald in het jaar 9 plaats, waardoor het de Romeinen onmogelijk werd gemaakt de Rijn over te steken, en leidde Widukind in het jaar 785 het Saksische verzet tegen de Franken. Volgens Himmler was het kasteel ‘geladen met occulte energie’. In de burcht was een heksenkamer waar ter dood veroordeelde vrouwen werden opgesloten door de katholieken, omdat ze heidenen waren. Er zat ook een ‘bezeten’ man die ervan werd beschuldigd een weerwolf te zijn. Dat sprak de romantische Himmler hevig aan. Hij hoorde over een IJslandse sage waarin een oude stam zich eens per jaar in wolven kon veranderen. Zocht naar het bloed van die stam. Misschien konden er ‘wolfsmensen’ worden geproduceerd. Himmler kwam er in 1939 achter dat hij zelf ook een heks in de familie had. Margaretha Himbler. In 1629 verbrand in ‘Morgentheim’, waarschijnlijk het huidige Bad Mergentheim. Himmler liet onder andere onderzoek doen naar alternatieve energie door zelfverklaard uitvinder Karl Schappeller. Hij gaf Karl Wolff de leiding over een klein bataljon ‘Hexensoldaten’ dat zich vooral bezig hield met wichelroedelopen om mijnen te ontdekken en het voorspellen van weersomstandigheden. Hij beloonde zijn SS-discipelen met een elitaire doodshoofdring die bij het verlaten van het leven weer terug gegeven moest worden. Amerikaanse soldaten hebben er veel als souvenir meegenomen naar de Verenigde Staten. Een ooggetuige noemt in het boek “De Rattenlijn” van Philippe Sands Himmler ronduit een griezel, die de ‘bloedhond’ werd genoemd – de wreedheid in eigen persoon. Hij was een ‘Automat’: iemand die onbarmhartig uitvoerde wat hem werd opgedragen. Hij hield zich voor de reïncarnatie van Hendrik de Vogelaar die in 919 tot koning werd gekozen en de grondslagen legde voor de eenheid van het Duitse Rijk.

 

Neuadel

Himmler zag Wewelsburg als een pseudoreligieus SS-instituut in lijn van de Teutoonse ridderorde die ook kastelen gebruikten voor scholing in krijgskunst en religie. Hij wilde er tevens een zoveel mogelijk geheim gehouden, comfortabele plek van maken, waar hogere SS-officieren - de ‘Neuadel’ - zich, buiten de ogen van de pers, konden terugtrekken en bijtanken. Nieuwe rekruten moesten worden opgeleid tot ‘geloofsridders’. Het was de bedoeling dat de Wewelsburg het middelpunt zou worden van een gigantisch complex, een nieuwe Heilige Stad, met een diameter rondom van 1,29 kilometer. Himmler gaf de kunstenaar Hans Lohbeck de opdracht een soort altaarstuk in drie panelen te schilderen met als thema kasteel Wewelsburg, dat bij diverse studies bleef (zie de omslag van dit boek). Een en ander moest duidelijk het utopische beeld van de nazi-ideeën weergeven: een brute veroveringsoorlog waarna de nieuw veroverde ‘Lebensraum’ in het oosten op raciale gronden zou worden gekoloniseerd, leidend tot een boerensamenleving met de door de nazi’s verheerlijkte Arische familie als basis. Gek genoeg reisde Himmler niet vaak naar Wewelsburg. Daar was hij veel te druk voor.

 

Concentratiekamp Niederhagen

In de buurt werd concentratiekamp Niederhagen uit de grond gestampt van waaruit dwangarbeid moest worden geleverd voor de bouwprojecten. Sadistische criminelen kregen het commando. De meeste gevangenen stierven na enige weken of maanden. Ze werkten zich dood. Ze verhongerden. Ze werden doodgeslagen, opgehangen of neergeschoten. De jongste gevangene die werd vermoord was de veertienjarige Joodse jongen Günther Ransenberg die een sneeuwbal naar een passerend ‘Arisch’ meisje had gegooid: ‘rassenschande’! Je snapt niet dat Himmler, die geloofde in geesten, niet bang was dat de kampdoden verhaal kwamen halen. De hel was compleet daar. Toen het tij begon te keren moest alle dwangarbeid worden ingezet voor de ‘Endsieg’ en werd het kamp verlaten. Slechts een klein groepje van 42 gevangenen dat het beoogde ‘SS-Walhalla’ nooit had mogen betreden, werd door de Amerikaanse troepen uit kasteel Wewelsburg bevrijd. De bekendste Nederlandse kampgevangene was Gerrit Visser.  

 

Zwarte zon

Het heilige der heiligen van het kasteel was de ridderzaal met zijn ronde tafel naar de Koning Arthur-legenden. In het midden van de marmeren vloer, boven de swastika in de crypte, was het vloermozaïek ingelegd met een patroon van het zonnewiel, of de zwarte zon (zie mijn vorige blog). Als tegenovergesteld symbool van de christelijke God, die wordt geassocieerd met licht waarin geen spoor van duisternis is (zie 1 Johannes 1:15), komt de zwarte zon ronduit satanisch over. Het stelt de sinistere zon voor waaronder het Arische ras herboren zou worden. Een logische keuze als esoterisch teken voor Himmlers Zwarte Orde. Himmler wilde een Graalkapel inwijden voor eedsafleggingsceremonies. Er was een banketzaal en een ijskoude, donkere, vochtige SS-grafkelder voor de urnen van overleden SS-generaals. Er moesten midzomervieringen worden georganiseerd ter vervanging van de christelijke feestdagen, om zo de christelijke doctrine en traditie te onderdrukken, te vervangen en te laten sterven. Himmler hield trouwceremonies voor SS-mannen en hun bruiden, ter vervanging van het kerkelijk huwelijk dat verboden was voor SS-leden. De jonggehuwden werden formeel opgenomen in de ‘SS-Sippengemeinschaft’. Uiteindelijk gebeurde er weinig ‘occults’ in de burcht. Alles bleef in de planfase steken. Het kasteel werd in de fik gestoken door terugtrekkende soldaten en leeggeroofd door dorpsbewoners, voordat de geallieerden er arriveerden: “… In ieder geval zouden troepen van de SS-pantserbrigade Westfalen getuige zijn geweest van een bonte stoet burgers die beladen met geplunderde spullen in processie uit het kasteel zouden zijn getrokken. Ze zouden naar verluidt onder meer 40.000 flessen wijn hebben buitgemaakt, wat ertoe zou hebben geleid dat het hele dorp een week lang dronken zou zijn geweest…”.

 

Apocalyptische strijders

Van Roekel heeft Wewelsburg verschillende keren bezocht. De angst dat het kasteel een bedevaartoord voor (neo)nazi’s wordt, overheerst bij de openbare rondleidingen die het huidige museum geeft. Aan de andere kant wil men de slachtoffers niet vergeten en de jongere generaties waarschuwen tegen totalitarisme, onverdraagzaamheid, wreedheid en fascisme. Dat is de spagaat waarin Duitsland constant zit. Van Roekel registreerde hoe de dorpsomgeving langzaam het gruwelijke verleden onder ogen leerde zien. De laatste keer werden de SS-ers betiteld als ‘apocalyptische strijders’ die zichzelf positioneerden als voorvechters in de ‘eindstrijd’ van het goede tegen het kwaad, waarin letterlijk álles geoorloofd was. Dus ook terreur en massamoord.

 

Uitgave: Spectrum – 2023, 224 blz., ISBN 978 900 038 662 8   26,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier 

woensdag 5 november 2025

De kleindochter – Bernhard Schlink

 


Net in de week dat we moesten stemmen, bespraken we met de leeskring de fijnzinnige, politiek geladen roman “De kleindochter” van de Duitse schrijver en jurist Bernhard Schlink (1944), over een (stief-)opa in het Westen die in contact komt met een verzwegen extreemrechts opgevoede kleindochter uit het Oosten. Je zou bijna kunnen zeggen: D66 ontmoet PVV. Als geen ander toont Schlink hoe wij allemaal het product zijn van de mythe die we ons hebben eigen gemaakt: zie filosoof Bernardo Kastrup. Lukt het opa zijn kleindochter te laten inzien hoe gebrekkig haar mythe volgens hem is? Lukt het de kleindochter een meer voldoening schenkende mythe te omarmen? In ieder geval beschrijft Bernhard Schlink heel goed hoe moeilijk een paradigmaverandering is. Het zwart-wit denken, het demoniseren, het geschreeuw en erger, is opa wel voorbij. In plaats daarvan toont hij zich een vat van bedachtzaamheid, begrip en geduld. Ondanks de luchtige, korte zinnen heeft “De kleindochter” de typische ‘zwaarte’, eigen aan de Duitse literatuur: ik hou ervan.

 

Dood in een badkuip

Het verhaal. Een Berlijnse boekhandelaar op leeftijd, loopt na koopavond door een park naar huis: een sjieke bel-etage in Jugenstil-stijl. Het appartement is een zooitje: zijn vrouw blijkt te worstelen met een drankprobleem. Hij denkt dat ze naar bed is gegaan, eet wat, doet de afwas, ruimt de doel op en gaat naar haar op zoek. Hij vindt haar: verdronken in het diepe bad. Hij moet enorm van haar gehouden hebben: “… In zijn rouw, waarin hij Birgit overal en aldoor miste, alsof ze altijd en overal om hem heen was geweest, was hij vergeten hoe vaak en hoe ver weg ze was geweest…”.

 

Jongeren

Birgit blijkt al een jaar of tien bezig te zijn met het schrijven van een roman. Als er een brief komt van een uitgever met de vraag naar het onafgemaakte manuscript, doorzoekt de boekhandelaar, die trouwens Kaspar heet, de mappen in de werkkamer van zijn vrouw, waarbij hij onder andere op de volgende tekst stuit (waarvan je dan stante pede weet dat dit de achtergrond is waartegen het verhaal zich gaat afspelen): “… In de veertig jaar waarin ze bestond sloot de DDR 120.000 jongeren op in tehuizen. In gewone tehuizen, bijzondere tehuizen, jeugdwerkinstellingen, opvoedings- en werkkampen of doorgangshuizen. Bij binnenkomst werden ze gevisiteerd, werden hun lichaamsopeningen geïnspecteerd en werd hun haar afgeschoren. Vervolgens werden de jongeren opgesloten in eenpersoonscellen met een brits, een krukje en een emmer. Daarna kwamen ze in groepscellen. Wie opstandig was werd opgesloten met wreedaards, wie cultureel of politiek verzet had gepleegd met criminelen, slachtoffers van geweld werden geplaatst bij geweldplegers, slachtoffers van seksuele misdrijven bij zedendelinquenten. Ze kwamen dáár terecht waar ze het snelst werden afgebroken. De anderen braken ze omdat ze anders waren, omdat ze hen kónden breken, omdat ze gebroken waren. Maakten ze hun bed niet goed op, zetten ze hun tandenborstel verkeerd in de bekers, zeiden ze iets als ze geacht werden te zwijgen of zwegen ze als ze iets moesten zeggen, dan bestrafte de leiding het collectief en het collectief hen. Sommigen probeerden te vluchten. Als dat mislukte, probeerden ze te vechten. Als dat mislukte, verstijfden ze. Ze bevroren. Ook na hun vrijlating ontdooiden ze niet meer: ze leden aan geheugenverlies, claustrofobie, pleinvrees, ze leden geestelijk of fysiek, ze werden impotent of frigide, kregen miskramen, ze werden alcoholist. Zoals jongeren in jeugdtehuizen in de DDR werden opgevoed en afgebroken, werden ze ook vóór 1945 in Duitse weeshuizen al opgevoed en gebroken, ook na 1945 werden ze nog lang in…”. 

 

Het leven als vlucht

Wrevelig constateert Kaspar dat de uitgever meer over zijn vrouw weet dan hij. Haar werk zou over ‘het leven als vlucht’ gaan. Iets waar Kaspar geen idee van had. Hij heeft haar weliswaar helpen vluchten (uit de DDR), maar ook laten ‘landen’. Toch? In hoeverre kende hij haar eigenlijk? Als student kwam Kaspar in West-Berlijn terecht. Omdat hij nieuwsgierig was naar Oost-Berlijn stapte hij over de grens en zag tijdens een Oost-Duitse jongerenmanifestatie Birgit, die op een briljante manier de  'antifascistische Muur' verdedigde. Het meningencircus leek vooral een kwestie van gevatheid. Kaspar: “… ‘Waarom discussiëren jullie eigenlijk? Jullie weten toch alles al? Wat jullie hierna zullen zeggen en wat de ander hierna zal zeggen…”. Hetzelfde heb ik de afgelopen weken ook vaak gedacht. Kaspar even verder: “… ik denk dat discussies niets opleveren als je niet praat over waarom je meent wat je zegt. Wat je daarbij hoopt, wat je daarbij angst inboezemt, wie je met die mening bent en wat je zonder die mening zou zijn – begrijpt u wat ik probeer te zeggen? ...”. Ze praatten over de politieke tegenstellingen tussen Oost en West. Over boeken. Toen westerse studenten tijdens ontmoetingen met oosterse studenten vroegen mensen mee te nemen die leken op de romanhelden uit hun literatuur, bleken ze nergens te vinden. Birgit had steeds meer beseft hoe haar utopische denken faalde. Enfin, Kaspar en Birgit werden verliefd. Hij wilde wel verhuizen naar het Oosten, zij wilde perse naar het Westen. Het lukte hem vijfduizend mark bij elkaar te sprokkelen. Hij zorgde voor valse papieren. Via Praag en Wenen bracht een zenuwslopende treinreis Birgit naar een nieuw leven.

 

Orpheus en Eurydice

Het lukt Kaspar na een hoop gepuzzel het wachtwoord van Birgits computer te vinden. Het bestaat uit hun door elkaar gehusselde voornamen, wat hem plezier doet. Was hij toch belangrijker voor haar geweest dan hij dacht? Terwijl hij op haar bureaustoel gaat zitten om te lezen wat ze voor hem verborgen heeft willen houden, schiet de mythe van Orpheus door zijn hoofd, die Eurydice terug gaat halen uit het dodenrijk. Is hij zelf niet net zo bezig? Hij is bang. Zal ze hem ook ontglippen? Het duurt lang voor hij haar ontboezemingen durft te lezen. Ze schrijft over haar niet-geleefde levens: “… Ik wilde niet wachten op een nieuwe tijd, een nieuw land of de nieuwe mens…”. Ze had niet doorlopend over haar schouder willen kijken, niet steeds hoeven opletten met wat ze zei of dacht: “… ik wilde leven…”. Even verder: “… Ik wilde de hele wereld…”.  En toch: “… Ik ben blij dat ik niet ben gebleven. Ik ben blij dat ik ben gegaan. Ik wil geen van die niet-geleefde levens. Maar ik kan niet van ze loskomen…”. Geen wonder. Tijdens een reisje met de studentenbigrade papte ze aan met de districtleider, Leo, een getrouwde man, van wie ze zwanger raakte. Kaspar had niets gemerkt tijdens hun ontmoeting. Toen ze Kaspar tijdens de zomermaanden een tijdje niet kon zien, bracht ze bij haar vriendin, Paula, haar kind  ter wereld. In een datsja aan de oostkust. Paula, die ze had bezworen de baby op de stoep van een ziekenhuis, weeshuis of een dominee te vondeling te leggen, was met haar dochtertje weggereden in een gehuurde trabant. Tegenover Kaspar zweeg Birgit in alle talen. Ze had geen band gevoeld met wat er in haar groeide. Was ze een monster? Haar manuscript blijkt de zoektocht naar haar dochter te bevatten, dat deel uitmaakt van de zoektocht naar zichzelf: “… Ik kan mijzelf niet vinden als ik haar niet vind of tenminste alles doe wat ik kan om haar te vinden…”.

 

Zwijgen

Birgit: “… Dat je niet aan jezelf kunt ontkomen, dat je jezelf overal meedraagt, wist ik, maar ik wist niet dat je anderen ook altijd en overal mee naartoe neemt…”. Even verder: “… Ik wist niet wat zwijgen aanricht. Dat ik altijd afstand van hem zou bewaren, een voorbehoud zou koesteren ten opzichte van Kaspar, dat mij en hem belemmert…”. Ze verliezen zich nooit echt in elkaar. Kaspar weet niet waar Birgit ’s nachts van wakker ligt. Begrijpt niet waarom ze zo geheimzinnig doet over het schrijven. In haar dromen houdt ze zichzelf constant voor dat haar dochter inmiddels een ‘sterke, levenslustige, gelukkige vrouw’ is (ik heb wel eens gelezen dat mensen hun toekomst doorgaans rooskleuriger inschatten dan redelijk is). Birgit ziet toevallig bij een vriendin een tv-uitzending over de verloren DDR-generatie die tijdens de Wende halverwege de twintig was. Hun opleiding stelde in het verenigde Duitsland niets meer voor (ook voor de ouderen was wat ze in de DDR hadden geleerd en gedaan in veel gevallen waardeloos). Ze hingen werkloos en rellend rond. Sloegen soms punkers, daklozen of buitenlanders in elkaar. Een flink aantal van hen waren in weeshuizen opgegroeid en hadden geen familie. Ze ziet een foto van een jonge vrouw, die met zwaar getatoeëerde kerels op soldatenlaarzen bij een bushalte staat met graffiti, bier en drankflessen op de grond. Ze lijkt als twee druppels water op haar: haar dochter?

 

Brood op de plank

Ze beschrijft hoe ze allebei hun leven hebben omgegooid toen ze samen zijn gaan wonen. Kaspar stopte met zijn studie en werd boekhandelaar. Birgit schrijft zich aan de Vrije Universiteit in voor Duitse taal- en letterkunde. Ze voelt zich vreselijk. Blijft een buitenstaander. Iedereen kijkt op haar neer: “… Mij overkwam in het klein wat ik na de Wende in het groot met de Oost-Duitsers zag gebeuren…”. Haar ideeën over literatuur stroken totaal niet met die van haar professoren: “… Ik wilde weten wie de auteur was, wanneer, waarom en waarvoor hij de tekst had geschreven, ik wilde de invloed kennen die de tekst bij verschijning had, de werking ervan op het heden voelen, ik wilde me erdoor laten raken, erdoor veranderen, ik wilde de kracht, de schoonheid, de grootsheid ervan begrijpen, ondergaan en leren liefhebben…”. Terwijl het haar medestudenten gaat “… om haarkloverijen, metaforen, symbolen en allegorieën, immanentie en diachronie, sociologische en politieke aspecten, om narratologische, vreemde woorden die banaliteiten maskeerden, zodat je iets terugblikkend, vooruitkijkend, een keer of vaker, in de directe of indirecte rede kunt vertellen. Ik begreep niet wat iemand eraan had…”. Nou, ik ook niet, eerlijk gezegd. Na twee semesters stopt ze en wordt ook boekhandelaar, met liefde. Kaspar laat haar zonder slag of stoot gaan als ze een periode naar Bhagwan in India wil. Ze probeert het nog een tijdje als zilversmid en kok. Tenslotte kiest ze voor het schrijven. Ze komt erachter dat Paula nog leeft en is getrouwd met een plattelandsdokter. Daar stokt haar  zoektocht. Kaspars liefde blijkt ondanks alles veel voor haar te betekenen: “… Je houdt nog steeds van mij, ik weet het. Het is de grote troost in mijn leven: wat ik mijn leven ook allemaal niet ben, wat ik voor jou niet ben – ik ben genoeg om nog steeds door jou te worden liefgehad…”.

 

Leuk voor jullie

Kapar neemt de zoektocht van zijn vrouw over. Hij vindt Paula terug. Ze vertelt dat ze het niet over haar hart kon verkrijgen Birgits dochter ergens op een stoep te dumpen. Ze heeft de baby regelrecht aan haar biologische vader overhandigd. Leo en zijn vrouw adopteerden haar graag. Noemden haar Svenja. Paula stuurt Kaspar door naar het dorpje Niesky, waar het stel zou wonen. Een oude man op een bankje in het centrum wijst Kaspar de weg. Leo blijkt inmiddels een bejaard, verbitterd, autoritair heerschap. Svenja was een lief meisje, verpleegster in opleiding, toen ze verliefd werd op ‘een stuk stront’, aldus Leo: “…een losgeslagen jongen, die bazelde over anarchie, zijn haar langs zijn oren opschoor en het verfde. Later ging hij in drugs handelen. Wat hebben we op Svenja ingepraat, hè, Irma?...”. Ze gaven haar een bromfiets, waarmee ze een ongeluk kreeg terwijl ze dronken was. Ze leerde er niet van, het werd alleen maar erger. Ze liep weg. Leefde in kraakpanden. Toen ze haar terug vonden heeft Leo haar zes maanden laten opnemen. Dat had hij niet moeten doen, zegt Irma steeds. En daarna nog eens drie maanden. Dat heeft haar kapot gemaakt, volgens Irma. Eenmaal meerderjarig, werd ze ontslagen en vertrok ze naar Berlijn. Ze kwam met hangende pootjes terug om tot aan de Wende in een treinfabriek te werken. “… Na de Wende hing ze weer rond met die jongen met wie alles was begonnen. Hij had inmiddels een kale kop, droeg een bomberjack en legerlaarzen en zat achter jongeren met geverfd haar en Vietnamezen aan. ‘Ongediertebestrijding’. En hij handelde in drugs, op zo’n grote schaal dat hij dacht dat ze hem niets konden maken. De politie kreeg hem niet te pakken, maar in 1991 is hij doodgeschoten – voor het bordeel met Tsjechische meisjes dat hij net had geopend. Toen is Svenja vertrokken…”. Irma geeft Kaspar stiekem een papiertje met het adres en telefoonnummer van een man die na zijn carrière in het Westen aan de deur had gestaan omdat hij Svenja terug wilde zien. Hij kende haar uit de jeugdinrichting: Raul Buch uit Bonn. Hij blijkt inmiddels goed te boeren, maar weet niet of Svenja nog leeft. Hij is een burgerman, zegt hij, Svenja een rebel. Ze wilde kapotmaken wat háár kapot had gemaakt: “… Ze gebruikte drugs, mishandelde homo’s en buitenlanders, ze surfte op metro’s en treinen. Allemaal dingen die je niet zo makkelijk overleeft…”. Svenja was écht, zegt hij. “… ‘Hier in het Westen gaat het nergens over. Dat is leuk voor jullie.’ Hij schoot in de lach. ‘Het is ook leuk voor mij. Mooi, makkelijk en slap.’ …”.

 

Extreem rechts

Omdat het spoor dood loopt, rijdt Kaspar naar Frankfurt an der Orde, waar de foto met de skinheads bij het bushokje is genomen. Op het politiebureau herkent een oude agent het meisje. Hij vertelt dat de skinheads in de jaren negentig vertrokken. Eentje, hij mag geen namen noemen, wilde een bevrijd nationalistisch dorp beginnen in Nedersaksen door boerderijen op te kopen. Er bestaan een paar van zulk soort dorpen. Kaspar vindt artikelen over nationalistische nederzettingen op internet en begint rondom Güstrow te zoeken, waar de meeste zijn. Hij informeert bij de dominee, de rector van een school en een linkse beeldhouwer die elk jaar een muziekfeest tegen de rechts-extremistische scene organiseert. Ze hebben net zijn schuur in de hens gezet: “… Nu krijgen ze me helemaal niet meer weg…”. De man zegt dat een van de jongens op de foto een eettent heeft gehad. Het spul staat leeg, maar een vrouw wijst de weg naar het huis van de eigenaar. Voor hij het weet, zit Kaspar aan de keukentafel bij een vermoeide maar vriendelijke Svenja, een agressieve Björn Renger met een ontiegelijk grote bek, en hun veertienjarige dochter Sigrun. Het enige wat de pater familias wil weten is of Svenja iets heeft geërfd. Boven het aanrecht een foto van Rudolf Hess, volgens Björn ‘een martelaar van de vrede’. “… Nu, schoot het door Kaspars hoofd, mag ik niets verkeerds doen. Als ik contact met Svenja wil hebben, mag ik haar man niet tot vijand maken…”. Hij zegt dat hij zich nooit met Hess heeft bezig gehouden. Dat hij onmogelijk elke nieuwe uitgave uit zijn boekhandel kan lezen. Sigrun laat hem het boek zien dat ze zit te lezen: “De scheepsjongen van de grote keurvorst”. “… De Hollanders, die papzakken, gunden ons de koloniën niet. Ze hebben tegen ons gelogen en bedrogen. Iedereen was tegen ons. Alleen de negers lieten ons niet in de steek…”. Een keurig gehersenspoeld gansje.

 

Redder

Birgit zou een testament hebben opgesteld waarin is geregeld dat er een hoop geld richting haar dochter gaat, mits eventuele kleinkinderen ieder jaar vijf weken, verdeeld over de schoolvakanties, bij hem mogen logeren, beweert Kaspar. Wil hij Sigrun ‘redden’? Björn gaat er node mee akkoord. Sigrun  laat hem haar kamer zien, waar niets meisjesachtig is te ontwaren. Wel drie ingelijste portretten van haar ‘helden’. Wederom Rudolf Hess, Irma Grese, die carrière maakte bij de SS, en Friederike Krüger, die zich verkleedde als man om mee te kunnen vechten in het leger van Napoleon. Kaspar wordt meegenomen naar een dorpsfeest ter ere van de ‘dankdag voor het gewas’. Hij valt alleen al op door zijn hippe spijkerbroek, T-shirt en colbertje. Meisjes in grijze rokken en jongens in korte lederhosen, allemaal met witte overhemden, houden wedstrijdjes hardlopen en touwklimmen. Er wordt gegeten en gedronken: water, vruchtensap en bier – geen cola. Er gaat een houtstapel in de fik. Björn houdt een toespraak waarin hij de boerengemeenschap prijst en waarschuwt voor de moslims die het land willen overnemen. Er worden vaderlandse liederen gezongen bij een kampvuur. 

 

Cool 

Svenja vindt het goed dat haar dochter bij haar stief-opa gaat logeren, mits ze wel zichzelf blijft. Zo gauw ze merkt dat hij haar beïnvloedt, is het over. Kaspar snapt dat Svenja in haar extreme gedachtegoed eindelijk het houvast heeft gevonden dat ze altijd zocht. Het voelt of Birgit hem Sigrun heeft nagelaten. Hij maakt een kamer voor haar in orde. Zoekt romans voor het boekenkastje dat hij er neerzet. Dat valt nog niet mee. Drank, drugs en seks maken zestienjarige meisjes in de westerse literatuur cool. Moet Sigrun dat leren? Björn komt Sigrun brengen. Inspecteert het hele huis en somt op wat verboden is: “… geen tv, geen bioscoop, geen sigaretten, geen spijkerbroeken, geen lippenstift, geen gaatjes in de oren…”. Net zoals vroeger bij ons op de Biblebelt. Sigrun zegt dat haar ouders bang zijn dat ze wegloopt naar ene Irmtraud die een klein zilveren hakenkruisje boven in haar oor heeft, en bij de Autonomen in Berlijn woont. Kaspar hoeft niet bang te zijn, ze is niet van plan te vluchten, maar later wil ze er er wél bij. Sigrun is geweldig onder de indruk van Berlijn. Kaspar rijdt met haar op het bovendek van een bus en in de metro door de stad. Neemt haar mee naar de opera, restaurants en musea. Bezoekt met haar de Dom, de Neue Wache en Alexanderplatz. Op de rand van haar bed vertelt hij haar het verhaal over “Die Zauberflöte” , laat de deur open staan en zet de cd op om Papegeno’s lied te draaien. Hoe lief!

 

De hyena van Auschwitz

Via Wikipedia leest hij zich in over de Autonome Nationalisten. Kan niet geloven dat Sigrun revolutie wil: “… Trokken na die brave rokken en blouses die ze droeg zwarte broeken, hoody’s, honkbalpetjes en handschoenen haar zo aan?...”.  Als hij over Irma Grese leest wordt hij nog wanhopiger: “… Op haar zeventiende wilde ze verpleegster worden, op haar negentiende werd ze kampbewaakster in Ravensbrück, later was ze opzichter over dertigduizend vrouwen en leidde ze uiteindelijk een dodenmars naar Bergen-Belsen. Ze was uitzonderlijk wreed, sloeg, gebruikte een zweep en liet honden op mensen los, werd als de ergste vrouw van het kamp omschreven en ‘de hyena van Auschwitz’ genoemd…”. Wat zag Sigrun in haar? “… Kon het haar niet schelen wat Grese had gedaan? Wist ze het niet? Wilde ze het niet weten?...”.  Sigrun begint voor hem te koken. Ze schaken samen. Ze vertelt hem dat Germaanse voorouders via runen met hen spreken. De Odal-rune: het symbool van de vrijheid. De ‘zwarte zon’: het symbool van de voleinding. Kaspar luistert belangstellend en serieus. Hij draait Bach, Glass en Brahms voor haar. Neemt haar mee naar de boekhandel. Ze verdiept zich in de kast met boeken over hedendaagse geschiedenis. Zegt dat een boek over Rudolf Hess vol leugens staat, zoals alle boeken op de plank: “… Hitler wilde geen oorlog, hij wilde vrede. En de Duitsers hebben de Joden niet vermoord…”. Even verder: “… Ze liegen over Auschwitz. Met Zyklon B kunnen mensen niet worden vergast, in elk geval niet zoveel en zo snel als over Auschwitz wordt beweerd…”. Hoe of zij kan weten dat historici die jarenlang onderzoek doen, liegen? “… Ze zijn gekocht. Ze worden betaald. De bezetter wil Duitsland klein houden. We moeten ons schamen. Dan kunnen zij ons onderdrukken en uitbuiten…”. Sigrun: “… Je kijkt op ons neer. Je vindt ons dom, je vindt dat wij alles verkeerd zien, dat er niet met ons te praten valt. Je denkt dat je beter bent dan wij…”. Kaspar: “… Alles verkeerd zien – moet je alles goed of verkeerd zien? Moet je het meeste niet eerst gewoon zien?...”.

 

Een andere wereld

Als hij Sigrun op de piano van haar oma hoort tingelen, schakelt Kaspar een pianoleraar in. Ze blijkt uitzonderlijk begaafd. Sigrun begint boeken uit zijn bibliotheek mee te nemen, maar praat niet over wat ze leest. Als ze weg is, valt Kaspar weer terug in zijn eenzaamheid. Hij mist haar verschrikkelijk. Hij leest dat op het Joelfeest de huizen voor iedereen openstaan, dat mensen in en uitlopen en gastvrij worden onthaald. Hij besluit Sigrun een cadeau te gaan brengen: een kleine cd-speler met een stapeltje cd’s. Hij komt er achter dat ze elke dag aan het oefenen is op een keybord. Achter Björns rug om neemt Kaspar haar moeder mee voor een bezoek aan Paula. Svenja zegt dat ze niet snapt wat Kaspar van hen wil. Hij heeft zich aan hen opgedrongen. Wat hen betreft: zij kunnen zijn geld wel gebruiken. Voor een boerderij. “… Waarom heb je ons niet met rust gelaten? Wil je onze ziel redden? Sigruns ziel?...”. Kapar zegt dat ze op Birgit lijkt. Dat hij graag kinderen en kleinkinderen wil. Svenja bespot hem omdat hij weigert de strijd met haar aan te gaan. Waarschuwt hem voor de zoveelste keer niet met Sigrun te sollen. Hij zal een andere tactiek moeten proberen, bedenkt Kaspar, hij is nu eenmaal geen vechtersbaas. “… Hij moet Sigrun een andere wereld laten ervaren, andere ervaringen laten opdoen dan haar ouders boden…”. Hij moet in haar buurt blijven.

 

Holocaustontkenning

Wanneer Sigrun weer komt wil hij met haar op reis. Een mooie stad bezichtigen. Maar Sigrun weigert te vliegen. Vanwege het milieu. Niet alles is fout aan haar. Toch wordt Kaspar ontzettend moe van Sigruns overtuigingen en onwetendheid: “… Ik zie niet dat het met buitenlanders beter gaat dan met Duitsers, en jij ziet het ook niet. Waar zie jij Joden die met hun geld alles bepalen?...”. Die verstoppen zich, volgens Sigrun. Hoe of ze dan weet of ze er zijn? “… Omdat er Holocaustleugens bestaan. Als er geen Joden waren die van de leugens profiteren, waren die leugens er niet…”. Sigrun dwingt Kaspar een boek te lezen waarin wordt beweerd dat het dagboek van Anne Frank een vervalsing is. Ze draaien vast in eindeloze cirkelredeneringen. Hij zegt dat ze niet op anderen moet afgaan. Zelf moet uitzoeken wat er aan de hand is. Buitenlanders, moslims en Joden in de ogen moet kijken, voor ze over hen oordeelt. Bovendien kent ze er al een: haar pianoleraar. Ze zou hem kunnen vragen of ze misschien een keertje mee mag naar de moskee. “… Ik weet het niet…”, zegt ze kleintjes.

 

Overal aardige en onaardige mensen

Sigrun komt graag in de boekwinkel. Kaspar ziet in haar al zijn opvolger. Ze zeurt net zolang tot hij haar meeneemt naar concentratiekamp Ravensbrück, waar haar heldin Irma Grese tekeer is gegaan. Ze vindt het beter dat ze allebei hun eigen gang gaan in het kamp en elkaar na afloop weer treffen. Heel slim. Op de terugweg zegt Kaspar: “… Ik… ik kan je niet vertellen hoe gelukkig ik zou zijn als de Holocaust niet had plaatsgevonden, maar hij is er geweest, en met dat feit zal ook jij moeten leren leven…”. Voor het eerst lijkt hij een beetje vat op Sigrun te krijgen. “… Maar waarom moet er zoveel herinnerd en over gepraat worden? Dat doe je toch niet. Dan doen anderen met hun erge dingen toch ook niet?...”. Kleine erge dingen worden vergeten, zegt Kaspar. Maar grote erge dingen, die iedereen weet… Als je doet alsof er niets aan de hand is, wil niemand meer iets met je te maken hebben. “… Je moet verantwoordelijkheid nemen voor wat je hebt gedaan, anderen laten zien dat het je spijt, dat je ervan hebt geleerd en dat je het niet nog eens zult doen. Dan nemen ze je weer in hun kringen op….”. Sigrun denkt niet dat ze daar bij haar vader mee hoeft aan te komen. Kaspar vraagt zich af of er nationaalsocialisme zou bestaan zonder Jodenvervolging en –vernietiging. Hoeveel heeft het één met het ander te maken? Sigrun vraagt waarom ze niet trots zou mogen zijn op het feit dat ze een Duitser is. Kaspar vindt dat je alleen trots kunt zijn op iets wat je hebt gepresteerd. Je hoeft van niemand te houden, maar er “… zijn overal lieve en onaardige mensen, en als je de Fransen niet mag, maak je het jezelf moeilijker om aardige Fransen te vinden…”.

 

Het gemis van een gemeenschap

Als Sigrun weg is, leest Kaspar wat hij kan vinden over extremisten, oude en nieuwe nazi’s, de NPD (tegenwoordig 'Die Heimat') en de AfD, Autonome Nationalisten, de identitaire beweging, Artamanen, de Volksen, hun vestigingen, bevrijde zones en hun vrouwen- en jeugdorganisaties. Hij heeft nooit geweten hoe groot de beweging is, hoe de aanhang in de middenklasse is gegroeid en hoeveel kinderen van artsen, advocaten, leraren en professoren er deel van uitmaken. Ik ook niet. Steeds gaat het over het ervaren van ‘gemeenschap’. “… Bleef de maatschappij de jeugd een positieve beleving van gemeenschap schuldig?...”. De gemeenschap versus de globalisten. De provincie versus de randstad. De praktisch opgeleiden versus de hoogopgeleiden. De armen versus de rijken. Het is er bij ons ook allemaal.“… Kon hij Sigrun een beter alternatief bieden dan haar kampen, haar avonturen, haar strijdlust, haar verantwoordelijkheden als jeugdleidster?...”. Nee. Hoe hij ook zoekt, hij vindt niets. Hij zou Sigruns gedachtewereld willen verbreden, openbreken. Maar hóe dan? De westerse wereld verdrinkt in egoïsme en hedoïsme. Alles lijkt om geld en genot te draaien. Maakt dat je blij? Ik dacht het niet: zie de jongeren die massaal in de knel zitten. Wat kan hij tegenover haar belevingswereld zetten?

 

Een draai om je oren

Kaspar leeft op als Sigrun komt. Ze hebben het fijn met elkaar. Ze vertelt over haar jeugdwijding. Het houdt een feestelijk afscheid van de kinderjaren in door middel van het volbrengen van een opdracht in een grote kring van familie, vrienden en lotgenoten. Met fakkels rond een groot vuur. Liederen en spreuken. En ten slotte een draai om je oren, omdat het volwassen worden pijn doet. Ze heeft zesendertig uur zonder proviand in een bos doorgebracht. Ze kreeg een spreuk mee: ‘Brand en schijn als de zon’. “… Hij had haar in zijn hart gesloten – maar onder het voorbehoud dat ze haar wereld zou afzweren en de zijne zou omarmen? Nee, zo wilde hij niet liefhebben. En hoe kon hij ook maar even denken dat zijn persoonlijkheid, zijn aanwezigheid, zijn invloed in een paar weken zouden corrigeren wat vijftien jaar lang verkeerd was gegaan?...”.

 

Verraad

Op een dag belt een huilende Sigrun op om te vragen of hij die zondagmiddag langs wil komen. Haar vader is laaiend. Op tafel ligt een boek over een jonge vrouw die afrekent met haar extremistische ouders en het rechtse milieu waarin ze is opgegroeid vaarwel zegt. De tierende en dreigende  Björn beschuldigt hem van het feit dat hij het boek in de koffer van zijn dochter heeft gestopt. Ze willen hem nooit meer zien. Hij kan zijn geld in zijn reet stoppen. Kaspar kent het boek niet, maar als hij Sigruns smekende blik ziet, kiest hij ervoor zich niet te verdedigen. Zwijgend loopt hij het huis uit. Uiteindelijk snapt hij Björn ook wel weer: “.. Ouders doen zulke dingen als ze van hun kinderen houden…”. Sigrun verdwijnt uit zijn leven, maar niet voorgoed.

 

Bevrijding

Na twee jaar belt ze bij hem thuis aan. Hij herkent haar amper met haar zwartgeverfde haar, zwarte hoody en zwarte spijkerbroek. Ze is op de vlucht voor de politie. Tijdens een gevecht met een linkse knokploeg zijn er doden gevallen. Kaspar is in eerste instantie woedend: waarom vergooit ze haar leven ?! Ze beschuldigt hem ervan dat hij haar in de steek heeft gelaten. Voor Kaspars gevoel is het net andersom. Hij zegt dat hij een advocaat voor haar gaat regelen. Kaspar beveelt haar min of meer de volgende dag naar de politie te gaan, om haar verhaal te vertellen. De advocaat zal met haar meegaan. En daarna? Misschien kan ze naar het conservatorium. Misschien kan ze bij hem blijven wonen. De nacht voor de aangifte vraagt ze of ze het manuscript van haar oma mag lezen. Om tien uur de volgende dag belt de advocaat naar de boekhandel. Sigrun is niet komen opdagen. Kaspar weet niet hoe gauw hij thuis moet geraken. Op de tafel een afscheidsbrief van Sigrun. Ze wil geen ‘rat’ zijn. Ze heeft zijn creditcard ingepikt, die ze niet zal misbruiken, en een koffer op wieltjes. Ze zou graag bij hem willen blijven, maar ze weet ook dat haar vrienden en haar ouders haar niet met rust zullen laten. “… Ik begreep oma toen ik vannacht haar aantekeningen las. Soms moet je toegeven wat je kunt en wat niet. Soms moet je vluchten. Ik hou van je, opa…”. Sigrun heeft zich bevrijd. Op een hele volwassen manier. Precies zoals Kaspar het zich altijd heeft gewenst. Desondanks is hij diep bedroefd. De afschrijvingen van de creditcard komen uit Australië. Wanneer ze steeds minder worden, beseft hij dat ze zich gesetteld moet hebben. Hij brengt zijn tijd door met het lezen van boeken over Sigruns nieuwe land. Op een dag zal hij er heen vliegen en alle conservatoria aflopen. Er zijn er buiten die in Brisbane nog twaalf. Dat is te overzien…

 

Uitgave: Cossee - 2023, vertaling Marcel Misset, 336 blz., ISBN 978 946 452 038 5, 24,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier