Menu

woensdag 24 april 2013

Secret Scouts en De Verloren Leonardo – Kind & Kind


De proeflezers uit groep zeven en acht van ‘De Gooische School’ zeiden het al: “Secret Scouts en De Verloren Leonardo” is een ontzettend spannend boek! Daar sluit ik mij helemaal bij aan: ik at er mijn vingers bijna bij op. Ik lees dan wel niet zo heel veel kinderboeken, maar als ik het vergelijk met “Harry Potter”, dat ik natuurlijk wél heb gelezen (omdat iederéén dat las - dat hoort zo’n beetje bij je culturele bagage), dan vind ik “De Verloren Leonardo” zelfs spannender. Dat komt omdat ik bij Harry Potter met zijn gekke bezemgevechten op de Zweinstein Hogeschool geen ogenblik dacht: ‘dit zou echt gebeurd kunnen zijn’. De schrijvers van “Secret Scouts”, het Larense echtpaar Dennis Kind en Wendel Kind-Wagenaar, geven je dat gevoel wel. Doordat er allerlei historische situaties in voorkomen en het over de werkelijk bestaand hebbende renaissance-kunstenaar Leonardo da Vinci gaat staat het dichter bij de realiteit.
Enne: je zal maar in zo’n ongelooflijk avontuur belanden…


Wie zijn de Secret Scouts?
Pas op het laatst van het boek worden ze zo genoemd: “… De onbekende man ging nog wat dichter naast Leonardo staan en leek hen op het scherm aan te staren. Enthousiast stak hij van wal. ‘You must be the Secret Scouts Leonardo told me about! You are crazy! Genius!’ schreeuwde hij in de camera. De telefoon begon met een korte hapering ook de Engelse tekst te vertalen. ‘Jullie zijn de geheime verkenners… jullie zijn gek! Jullie moeten me komen opzoeken, echt! Kom zo snel mogelijk! Kom naar één één één zes één…!’…”.
De Secret Scouts zijn een vriendenclub die bestaat uit Sophie: “… Een control freak als het ging om de dag indelen, huiswerk maken, dingen uitpluizen, berekeningen maken…, dan was ze in haar element. Haar vader noemde haar niet voor niets ‘Mastermind’, maar in gezelschap kwam ze vaak niet goed uit haar woorden, of zei ze net de verkeerde dingen. Vooral als ze boos was…”; haar slordige, uitbundige, en soms best wel irritante zusje Lisa: “…Lisa loog nooit, maar bleef net zo lang praten en draaien tot de ander het opgaf. Ze kon iemand nog laten geloven dat een vierkant rond was…”; en hun schoolgenoten Jack en Tom. De jongens wonen zonder moeder “… in de achterste helft van het vroegere conciërgehuis van de houtzagerij. Een echt mannenhuis, rommelig, zonder al te veel gezelligheid en met een constante geur van sigaretten. Soms bleven de gordijnen gewoon de hele dag dicht. Hun tuin lag pal naast het terrein van de houtzagerij, waardoor overdag het indringende geluid van kettingzagen steevast hoorbaar was in elke kamer. Op school wist eigenlijk niemand dat de vader van Jack en Tom de eindjes elke maand maar net aan elkaar kon knopen. Jack baalde er weleens van, maar met zijn lange verschijning en blonde krullen was hij erg populair en had hij niet de behoefte openheid van zaken te geven. Zijn broertje kon het allemaal niets schelen, zolang hij maar kon skateboarden…”.

Tijdreizen
Als Sophie en Lisa van hun moeder een pakje zelfgebakken koekjes naar buurvrouw Zemel - die er een geheimzinnig wit hermelijntje als huisdier op nahoudt - moeten brengen, krijgen ze een oude prent van haar mee. Volgens het oude vrouwtje hoort die bij hun verbouwde woonboerderij. De plaat doet Sophie aan een boek van haar vader denken, die kunsthistoricus is. Met z’n vieren gaan ze er in zijn werkkamer stiekem naar op zoek, waarbij ze de boel nog net niet afbreken, maar wel een verborgen deuropening naar een geheim vertrek vinden. Ze vinden er rare dingen: een enorm wit-overgeverfd schilderij, een oud boek dat in spiegelschrift is geschreven (ik laat dat niet in de titel zien omdat het onpraktisch is voor de google-zoekfunctie, maar grappig is dat de schrijvers hun naam op de kaft van het boek ook gespiegeld hebben), en een vreemd apparaat dat een ‘orrery’, een planetarium, blijkt te zijn waarmee je door de tijd kunt reizen. Jawel.
Het fenomeen ‘tijdreizen’ komt wel vaker in boeken voor en is een mooie truc van schrijvers om hedendaagse mensen in aanraking te brengen met personen en plaatsen uit het verleden. Een ander jeugdboek waarin dat gebeurt is b.v. “Kruistocht in spijkerbroek” van Thea Beckman, waarin een jongen zich als vrijwilliger aanmeldt voor een laboratorium-experiment en terecht komt in de Kinderkruistocht. Een boek voor volwassenen waarin iemand uit de Gouden Eeuw opduikt in het hier en nu is “Vrij man” (zie mijn blog van 02.01.13) van Nelleke Noordervliet. En natuurlijk niet te vergeten: de bekende Suske en Wiskestrips met professor Barabas en zijn teletijdmachine.
In theorie zou je echt in de tijd kunnen rijzen als je sneller beweegt dan het licht. Maar ja; als je bedenkt dat licht een snelheid heeft van maar liefst driehonderdduizend kilometer per seconde…

Homo Universalis
De Secret Scouts begrijpen al gauw dat de spullen in de geheime kamer te maken hebben met de Italiaanse ‘Homo Universalis’, de universele mens oftewel duizendpoot, Leonardo da Vinci (1452-1519). Hij heeft wereldberoemde schilderijen gemaakt, tekeningen, anatomische schetsen en allerlei - voor die tijd hypermoderne - uitvindingen gedaan, zoals gekke vliegmachines, een brug, machinegeweren, een muziekinstrument, een onderzeeboot en iets wat lijkt op een mechanische rekenmachine.
De kinderen komen achter de gebruiksaanwijzing van het planetarium, huren verkleedkleding, en beamen zich terug in de tijd om Leonardo te ontmoeten.
Het eerste wat ze tegenkomen is een verpletterende stank. Leonardo is een dood paard aan het ontleden. Hij blijkt ook lijken van een kerkhof in Florence te jatten, omdat hij wil kijken hoe lichamen er van binnen uitzien. Overal stinkt het trouwens waanzinnig: mensen dumpen hun uitwerpselen gewoon op straat.
Kinderen boven de vijf drinken verdunde wijn, omdat je van water ziek kunt worden. Er zijn paardenraces dwars door de stad en er wordt een gevaarlijk spel gespeeld, calcio, een soort archaïsch rugby, waarbij het gaat om leven of dood.
Gaandeweg leer je allerlei bijzondere feiten over de schilderijen van het genie Leonardo da Vinci, die de schrijvers met veel fantasie in het verhaal hebben verwerkt. Het gaat o.a. over een onbekend schilderij “De Verloren Leonardo” dat in maart 2012 werd ontdekt in het Palazza Vecchio – het gemeentehuis – in Florence, achter een muur waarop een ander beroemd kunstwerk is geschilderd. Daardoor kan niemand erbij. Ze zijn er achter gekomen toen er een klein gaatje in de muur werd geboord.
Je komt zelfs te weten wie er (zogenaamd) model heeft gestaan voor de geheimzinnige “Mona Lisa” en waarom Da Vinci sommige engelen op zijn schilderijen met loodvrije verf heeft geschilderd.
Verder gaat het over de twee ‘verdwenen’ jaren van Leonardo, waarvan niemand weet wat hij toen uitvoerde, maar die wel bepalend zijn geweest voor zijn talent. Het gaat ook over ‘De Codex Leicester’, het enige werk van Da Vinci dat in particulier bezit is, en wel van Bill Gates, de oprichter van Microsoft, die er in 1994 eenendertig miljoen dollar voor heeft betaald!
Het aller-spannendste fragment speelt zich af op een spookeilandje voor de kust van Venetië: Poveglia. In de Romeinse tijd en de middeleeuwen werd het gebruikt om duizenden slachtoffers van de pest te isoleren. Er zouden meer dan 160.000 mensen om het leven zijn gekomen. In 1922 werd er op het eiland een psychiatrisch ziekenhuis gebouwd: “… Een krankzinnige arts voerde gruwelijke testen uit op de patiënten. Hij heeft ze verschrikkelijk gemarteld en genadeloos afgeslacht. De arts is zelf uiteindelijk gek geworden en van de toren afgesprongen. De geesten van de doden dwalen nog steeds rond op het eiland.’ Sophie slikte een paar keer en probeerde haar ademhaling onder controle te krijgen. ‘Sinds 1968 is het gekkenhuis gesloten en het eiland verlaten. Niemand mag het eiland meer betreden, het is tot op heden verboden voor bezoekers…”.

Op naar het volgende boek
Tegen de tijd dat je deze pil van 317 blz. uit hebt ben je een expert op het gebied van Leonardo da Vinci.
Toch is het verhaal nog lang niet af, denk ik. Door het boek struint een rare oom die niet bepaald zuiver op de graat is, maar waar je verder niet veel meer van te weten komt dan dat hij waarschijnlijk een gestolen kunstwerk aan de muur van zijn privévertrek heeft hangen. Verder komt er aan het eind iemand opdagen die ook van alles over Leonardo blijkt te weten, maar wie dat nu weer is? Gelukkig wordt “Secrets Scouts” een serie.
Op naar het volgende boek - zou ik zeggen!

Uitgave: House of Sprouts - 2013, 317 blz., ISBN 978 908 203 530 8, €18,95
Rechtstreeks bestellen: klik hier

maandag 22 april 2013

Wat burnout met je doet – Pieter Dingemanse


Met een pastorale werkgroep een boekje (173 blz.) over burnout uit de serie “Wat … met je doet” – eindredactie Arthur Hegger, psycholoog/psychotherapeut bij Eleos, een stichting voor gereformeerde geestelijke gezondheidszorg – gelezen. Weliswaar al uitgegeven in 2003, maar ik heb niet de indruk dat de problematiek minder is geworden gezien alle krantenberichten die ik sindsdien onder ogen heb gehad over twintigerstwijfel, dertigerscrisis, veertigersvermoeidheid, en last but not least het onlangs gepubliceerde onderzoek van de Landelijke Studenten Vakbond, waaruit blijkt dat maar liefst de helft van de studerenden moe, gestrest of depressief is. Nederland is moe. Die moeheid sluipt vaak zo langzaam het leven binnen, dat mensen soms niet eens in de gaten hebben dat er wat mis is: “… Een risico van de geleidelijke opbouw van vermoeidheid is dat mensen blijven doorgaan. Ze houden vol, ondanks klachten, en kunnen zich hiermee uitputten tot alle reserves opgebruikt zijn…”. Dan is de accu leeg. Een burnout is het laatste stadium in een langdurig uitputtingsproces.

Burnoutsymptomen
Pieter Dingemanse (1976) werkte als GZ-psycholoog met burnout binnen de HSK-groep, een centrum voor arbeidsgerelateerde hulpverlening, en binnen GGZ-Buitenamstel.
Het boek begint met vijf diepte-interviews met mensen met burnoutervaring die maatschappelijk werker Henneke Danner-Rodenboog maakte in het kader van haar afstudeeropdracht aan de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening Christelijke Hogeschool Ede.
Voordat je aan het informatieve gedeelte begint heb je dus al een aardig beeld over wat het voor mensen betekent om met burnout te kampen.
Dingemanse staat uitgebreid stil bij burnoutsymptomen. Naast een chronisch gevoel van lichamelijke of geestelijke vermoeidheid is een tweede belangrijke indicator een verminderde betrokkenheid op het werk, want burnout is werkgerelateerd. Verder zijn er vaak lichamelijke symptomen zoals hoofdpijn, maagklachten, duizelingen, hyperventilatie, langdurige griep, enzovoort. Je gedrag verandert. Meestal zijn je huisgenoten de eersten die dat in de gaten hebben, en de laatsten naar wie je luistert. Helder legt de schrijver uiteen wat het verschil is met overspannenheid (in tegenstelling tot burnout ontstaan deze klachten in korte tijd en hebben een duidelijke aanleiding waarvan je ook veel sneller herstelt) en depressie (je hebt wel energie maar vindt nergens plezier in - bij burnout vindt je sommige dingen nog wel leuk om te doen, je bent er echter te moe voor; depressieve mensen zijn constant somber in plaats van in buien; alleen bij depressie is er sprake van gewichtsverlies en geen zin meer hebben in het leven).
Aan de hand van een vragenlijst kun je zelf checken of je last hebt van burnout klachten.

Veranderde kijk op werk
Tot de jaren tachtig was het fenomeen burnout vrijwel onbekend. Onze veranderde kijk op werk heeft de opkomst ervan sterk bevorderd. Werk is steeds meer een ‘zingever’ geworden. Het gaat allang niet meer alleen om ‘brood op de plank’. Werk bepaalt je identiteit. Mensen vragen niet ‘wie je bent’, maar ‘wat je doet’. Werk moet bijdragen aan zelfontplooiing. Werkrelaties moeten betekenisvol zijn. Werknemers willen hun capaciteiten benutten en voldoening halen uit hun baan. Mensen ‘zijn’ hun werk. Daarmee heeft werk een bijna sacrale status gekregen. Het is duidelijk dat de dagelijkse praktijk zelden in de buurt komt van deze torenhoge idealen; wat een hoop frustraties en spanningen teweeg brengt.
Daarnaast is de werkdruk omhoog geschoten. Er wordt veel geëist van mensen. We leven in een prestatiemaatschappij. Er is veel regeldruk van bovenaf omdat er efficiënt gewerkt moet worden, wat gevoelens van onvrijheid met zich mee brengt. Uiteindelijk draait het in onze 24-uurs economie natuurlijk niet om mensen maar om centen.
De meeste stress veroorzaken leidinggevenden. Zij hebben de touwtjes in handen en kunnen jou maken of breken. Vanwege de toegenomen individualisering kunnen werknemers vaak op niemand terugvallen als het moeilijk wordt. De ‘ieder voor zich’ mentaliteit is de norm (zie b.v. ook mijn blog over "Identiteit" van Paul Verhaeghe).
Bij burnout is er sprake van onbalans tussen energie en stress. Als werk je geen goed doet, geen energie geeft; maar je teveel kost, teveel energie vreet, raak je opgebrand.

Falen
Langdurige stress werkt op onze hormoonspiegel. Met name adrenaline en cortisol zorgen ervoor dat ons lichaam goed reageert op stress. Maar we moeten die hormonen wel weer kwijt raken (b.v. door te zweten tijdens het sporten). Een constant verhoogde adrenalinespiegel veroorzaakt een constant verhoogde alertheid, irritatie en spanning. Met uiteindelijk uitputting als gevolg. Het is te vergelijken met een kapotte thermostaat waardoor de kachel het door oververhitting begeeft. Een hoge cortisolspiegel beschadigd op den duur de hippocampus (een klein hersenonderdeeltje) wat weer zijn invloed heeft op het geheugen, het concentratievermogen en het immuunsysteem.
Burnout gaat vaak gepaard met het gevoel te falen. Dan hebben we het over ‘schaamte’ en ‘schuld’: “… Het is verhelderend om deze gevoelens te onderscheiden. Je bent schuldig om wat je ‘gedaan’ hebt en je schaamt je om wie je ‘bent’. Bij schaamte worden je ‘eigen’ grenzen overschreden, bij schuld ben je over de grenzen van de ‘ander’ gegaan. Je kunt dit herkennen aan een accent in het volgende zinnetje: ‘Ik ben schuldig omdat ik ‘dat’ gedaan heb. Ik schaam me omdat ‘ik’ dat gedaan heb.’ Bij schaamte kun je het gevoel krijgen dat je door de grond wilt zakken, alsof je er niet meer wilt zijn. Het raakt je eigen identiteit en je valt jezelf tegen. Je bent je bewust van je eigen afgang. Schuld is meer objectief. Je hebt een (externe) regel overtreden. Je keurt je eigen daad af. Je doet iets dat je moeilijk goed kunt maken…”.
Drie sterke karaktereigenschappen kunnen tegelijk een valkuil zijn voor burnout: perfectionisme, te sterk verantwoordelijkheidsgevoel en daardoor beter voor anderen dan voor jezelf zorgen, en de neiging hebben jezelf groot te houden (wat denk je b.v. van al die ongelooflijk geweldige facebookprofielen!).

Wat helpt
Na een uitgebreide burnoutanalyse gaat Dingemanse ver door over zaken die het herstel kunnen bevorderen. Wat de één helpt, helpt de ander niet, omdat niet iedereen hetzelfde in elkaar steekt. Het is dus zoeken. De eerste stap is meestal een afspraak met je huisarts die je eventueel medicatie voor kan schrijven om rustig te worden of te slapen en op weg helpt naar professionele hulp, waarbij je moet denken aan fysiotherapeuten en bedrijfsmaatschappelijk werkers of psychologen. Een behandeling bij burnout is voor iedereen op maat gesneden.
Dingemanse geeft ruim advies aan partner’s, kinderen, vrienden, en collega’s over hoe ze het beste met burnout kunnen omgaan.
Bij zijn richtlijnen en oefeningen ter bevordering van lichamelijk herstel van burnout moet je denken aan zaken als ontspannen activiteiten, gezonde leefgewoonten en een goede conditie, reageren op lichamelijke signalen, bewust energiegebruik, leren slapen en anders piekeren.
In een hoofdstuk over omgaan met werk gaat het over of je qua capaciteiten wel op de juiste plek zit: is je werk niet te zwaar of juist te licht (hoe zit het met je karakter, je vaardigheden en je verwachtingen) en omgaan met hoge tijdsdruk en conflicten. Belangrijk is een heldere taakomschrijving zodat werknemers weten waar ze aan toe zijn.
Een aantal ‘denkfouten’ wordt bekeken, en de manieren om ze te bestrijden.
En tenslotte gaat het over het werkhervattingsplan: “… Terugkeer naar het werk is het doel van vrijwel iedereen die een burnout heeft. Maar wanneer ga je beginnen? Zo snel mogelijk of toch langer wachten? Het blijkt dat kort uitrusten om de accu op te laden goed is. Langer uitrusten kan echter heel negatief uitwerken. Lichaam en geest raken gewend aan niet-werken. Je kunt dit vergelijken met de eerste dag na een lange vakantie. Je bent er een tijd uit geweest en moet dan weer beginnen. Die dag is voor velen zeer vermoeiend. Lichaam en geest zijn ontwend om lang te werken. Ze passen zich hieraan aan. Bij burnout gebeurt hetzelfde, alleen in veel sterkere mate. Wie langer dan zes weken thuis zit, merkt dit al. Na ongeveer drie maanden ontstaat gewenning. Je geeft je leven een andere daginvulling. De motivatie om weer aan het werk te gaan, moet dan wel sterk zijn. Na een jaar is een langdurig opbouwtraject nodig om terug te keren. Om deze reden is het percentage WAO-ers dat terugkeert in het werk zeer laag. Om te voorkomen dat je te lang thuis blijft, is goede hulp die snel op gang komt van essentieel belang…”.

Niet één en al ellende
Een burnout zet je letterlijk stil; maar betekent niet alleen ellende. Terugkijkend zeggen veel mensen die een burnout hebben meegemaakt dat ze er veel van hebben geleerd: “… Een burnout is vaak een moeilijke periode waar je sterker uit kunt komen. Het is een crisis in het leven van een werknemer waarin hij (opnieuw) over zijn keuzes in het leven gaat nadenken. Tegelijk is het een tweede kans om je leven anders vorm te geven. Soms betekent dit dat je het roer omgooit en een andere koers gaat varen. Wie terugkijkt op zijn burnout kan zeggen: ‘Het was moeilijk, maar ik ben er sterker uitgekomen. En dat is mij heel wat waard!’…”.
Achterin dit verrassend informatieve en duidelijke boek staat een uitgebreide lijst met internetadressen en leestips.

Uitgave: Boekencentrum - 2003, 173 blz., ISBN 978 902 391 312 2, €14,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

dinsdag 16 april 2013

Het verlies – Siegfried Lenz


Met mijn boekenclub het fijnzinnige “Der Verlust”, in het Nederlands “Het verlies”, gelezen. Douanierszoon Siegfried Lenz (1926, Lyck – Oostpruisen) behoort samen met wijlen schrijver/vertaler Heinrich Böll (1917-1985) en schrijver/beeldhouwer Günter Grass (1927) tot Duitslands grootste drie antitraditionele topauteurs: een generatie getekend door WO II.
Lenz kwam op 13-jarige leeftijd bij de Hitlerjugend terecht. In 1943 werd hij soldaat bij de marine, maar deserteerde toen hem het bevel werd gegeven een opstandige collega dood te schieten. Hij was een tijdje krijgsgevangene van de Britten, die hem al gauw weer vrij lieten. Na de oorlog studeerde hij Engels, literatuurwetenschap en filosofie in Hamburg; de plaats waar ook “Het verlies” zich afspeelt (zo las ik op de achterflap, uit het verhaal kon ik dat niet halen). In 1948 werd Lenz journalist bij “Die Welt”. In 1951 publiceerde hij zijn eerste roman: “Es waren Habichte in der Luft”. Hij werd lid van de “Gruppe 47”, een Duitse groep literatoren, die kort na de Tweede Wereldoorlog sterk van zich liet horen. Af en toe trad hij politiek op de voorgrond voor de SPD. Lenz ontving veel literaire prijzen waaronder in 1988, als bekroning op zijn loopbaan, de “Friedenspreis des Deutschen Buchhandels”. “Het verlies” dateert al van 1981, maar werd vorig jaar opnieuw uitgegeven door uitgeverij Van Gennep.


Hoe zit dat met dit stel?
Het verhaal draait om de niet meer zo heel jonge Uli Martens, een getalenteerde spraakwaterval, die als stadsgids zijn kost verdient. Een ex over hem: “… Nooit heb ik een mens gekend die zo graag praatte als hij; als hij praatte dan leefde hij. Pratend kon hij alles bewijzen. Eens, na een Engelse film, praatte hij me zo omver, dat ik heilig geloofde dat wij onszelf in de film hadden gezien, met al onze problemen…”.
Juist deze kletskous krijgt een beroerte - een proces dat bladzijden lang minutieus wordt beschreven - waardoor hij niet meer kan praten: “… Verlies van de spraak, dat is hetzelfde als verlies van de wereld…”.
Zijn vriendin Nora, een onzekere en verlegen bibliothecaresse waarmee hij een tamelijk onnavolgbare latrelatie heeft, ziet het als verlamd aan en kan zich er niet toe zetten hem in het ziekenhuis op te zoeken. Ze grijpt van alles aan om er onderuit te komen. Ze vraagt haar hospita – mevrouw Grant – om hulp. Ze probeert Uli’s broer voor haar karretje te spannen; maar de familieverhouding blijkt op zijn zachts gezegd nogal vertroebeld. Ze excuseert zich omdat haar ouders haar nodig hebben.
En daar begint voor mij het bevreemdende van dit boek. Hoe zit dat met dit stel?

Uli
De schrijver zet Uli en Nora neer als elkaars volstrekte tegenpolen. Hun persoonlijkheden worden volkomen binenstebuiten gekeerd. Uli is een extraverte, joviale man, die met iedereen overweg kan. Wel leeft hij heel bewust volgens het ‘voorlopigheidsprincipe’. De toekomst moet ‘open’ zijn. Hij wil zich niet vastleggen, zich nergens aan binden. Een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken: als hij zijn baantje zat is begint hij gewoon aan iets anders. Zelfs de inrichting van zijn flat is niet ‘af’. Hij is in staat alles weg te geven wat een ander mooi vindt. Zijn broer noemt zijn levenswijze ‘slordig’, en natuurlijk kennen wij in onze tijd de manier waarop vaak gedachteloos van ‘kick’ naar ‘kick’ geleefd wordt maar al te goed. Bij Uli krijg je echter de indruk dat hij er een tot in zijn uiterste konsekwenties aanvaardt levensprincipe van maakt. Het kost hem zelfs zijn eerste lief: ze loopt bij hem weg (om zich vervolgens in de armen van zijn broer te storten; vandaar de ruzie). Ze houdt de opgedrongen onzekerheid bij Uli niet vol. Hij overreedde haar om met haar studie te stoppen; zelf brak hij zijn studie ook af – hij was hard op weg een veelbelovende arts te worden.

Nora
Nora, zijn laatste vriendin, laat zich meer ‘ondersneeuwen’ – heb ik het idee. Ze past zich aan, is onzeker, ondoortastend, zit vol faalangst, voelt zich voortdurend overweldigd door de mensen om haar heen, weet niet wat ze moet doen, weet niet wat ze moet zeggen, en gedraagt zich behoorlijk dwangmatig (als Uli ‘verdwenen’ is stopt ze alle dingen die aan hem herinneren weg; als ze weer contact met hem heeft haalt ze ze allemaal weer tevoorschijn).
Dit denkt de hospita van Nora: “… Vanaf het eerste ogenblik dat Nora bij haar was verschenen, had zij de behoefte gevoeld voor haar te zorgen, voor die niet meer zo jonge vrouw die helemaal niets wilde zijn, die al excuses vroeg voor haar komst alleen, die slechts in aanduidingen over zichzelf sprak zo ze dat al deed. Alles aan haar scheen definitief en voorbeschikt: haar bescheidenheid, haar zachtheid, haar bereidheid om terug te treden, weg te smelten in zichzelf...”.
Toch houden Uli en Nora onmiskenbaar van elkaar.
Als Nora niet op komt dagen besluit Uli haar te gaan zoeken, en glipt stiekem het ziekenhuis uit. Een hallucinerende zoektocht door de stad is het gevolg. Uiteindelijk pikt een agent de volkomen uitgeputte man op, en zorgt dat hij terugkeert naar de plek waar hij hoort. Ondertussen is Nora ook zover dat ze het besluit heeft genomen de verantwoordelijkheid voor Uli op zich te nemen; dus alles komt goed.

Verlies

Het hele boek door behandelt Siegfried Lenz het begrip ‘verlies’, en hoe mensen daarop reageren. Het is niet alleen Uli die zijn spraakvermogen verliest (zijn behandelend arts doet buitengewoon invoelend uit de doeken wat dat vergt van een mens), het gaat b.v. ook over ouders die hun huurwoning moeten verlaten en over een vermiste jongen die dood wordt aangetroffen. Het gaat zelfs over mensen die hun bibliotheekboeken kwijt zijn, óók een vorm van ‘verlies’: “… Ze had veel ervaring op dat gebied en zou hen kunnen adviseren waar nalatige lezers volgens hun eigen bekentenis ten slotte toch beet hadden gekregen; dat gold voor de zakken van winterjassen evenzeer als voor de groentevakken van koelkasten, voor de kartonnen dozen waarin gezelschapsspelen werden bewaard niet minder dan voor de smalle ruimte tussen het hoofdeinde van het bed en de muur…”. En over een minder begaafd meisje op een veerboot die haar moeder wil laten zien hoe een meeuw een in de lucht gegooid stukje brood oppikt: “… Snuivend wendde het meisje zich tot haar moeder, stootte een gillende juichkreet uit, trok aan de vrouw, probeerde haar aandacht te trekken, maar toen dat gelukt was en zij zich omdraaide, waren de meeuwen allang weer opgestegen, het beeld van de neerstrijkende vogels bestond niet meer. Die teleurstelling, die radeloosheid! Snuivend eiste het meisje het verdwenen ogenblik terug, ze maakte pikbewegingen in de richting van de meeuwen, bukte zich opeens en begon op de heupen van haar moeder te hameren…”.
Nora en Uli hebben allebei eerder een geliefde verloren; dat lijkt hen samen te binden.

Taal
Prachtige stukken zijn gewijd aan het fenomeen 'taal': “… Het uitvallen van de spraak had altijd angst en depressie ten gevolge en het verlies werd intenser gevoeld naarmate de patiënt intelligenter was…”. Nora, die vluchtig bladzijden leest “… waarop geen woord stond dat ze onthield, alles schoot voorbij: de voortdurende vragen of het strottenhoofd misschien alleen maar toevallig was ontstaan en of daarom de taal zelf ook een product was van het toeval; de keurig gerangschikte bewijsvoering, dat taal in het begin alleen een middel was om moeder en kind aan elkaar te binden, dat hij later tot een instrument van sociale binding was geworden en zich pas in onze tijd ontwikkeld had tot een systeem van informatie en nieuwsoverbrenging, dat bewust werd gebruikt om anderen te beïnvloeden…”. Over een waanzinnig taalexperiment: “… Nora moest aan de oude keizer denken – hoe heette hij ook alweer? – op wiens bevel zuigelingen in een toren werden gebracht, in een warme kerker waar het hen aan niets ontbrak, niet aan voedsel en niet aan speelgoed, maar waar, eveneens op bevel van de keizer, geen enkel woord tot hen mocht worden gericht, want hij wilde op die manier ontdekken wat woorden betekenden in het leven, of iemand wel kon leven zonder een ingedruppelde, met geduld verrijkte woordenschat; was het niet de een of andere Friedrich, wiens experiment eindigde met de wetenschap dat de kinderen aan het zwijgen stierven?...”.
Uli heeft het over de ‘spreekkamer’, annex ‘zwijgkamer’, van de dokter.

Literatuur
En over boeken. Nora kan zich duidelijk de gezichten en stemmen van haar klanten voor de geest kan halen: “… Haar stamgasten die, zo dacht ze weleens, aan een merkwaardige ontevredenheid leden: soms moest ze wel geloven dat elk geconcentreerd lezen ten slotte op een teleurstelling uitliep, enkel en alleen omdat de intensiteit van het gevoel dat in een boek werd ervaren, in het zogenaamde echte leven niet bereikt kan worden…” en “Hij, Uli, was van mening dat de taak van de literatuur óók was: de bevestiging van de onherkenbaarheid van de mens…”. Wat me onmiddellijk doet denken aan criticus Rien van den Berg, die ooit zei: “De boodschap van elke roman hoort altijd te zijn: lezer, de zaken liggen ingewikkelder dan jij denkt”.

“Dreug wordt joen deern nog mooier”
Wat mij betreft staat de allermooiste zin van dit boek – zo’n onsterfelijke zin die je nooit meer vergeet - in een fragment waarin Nora zich herinnert dat zij en Uli door een zwaar onweer werden overvallen en zeiknat schuilden in een bedompte wachtkamer bij een aanlegsteiger. Een oude bootsman reikte hen een vale handdoek aan. Toen Uli haar onder de opmerkzame blikken van de bootsman begon droog te wrijven knikte deze tevreden en zei (met complimenten aan de vertaalster: erven W. Wielek-Berg): “… Dreug wordt joen deern nog mooier…”. Geweldig.
Voor iedereen die meer over afasie wil weten is "Verlies" een aanrader. Als je het hebt over een ‘psychologische roman’. Ik zou zo gauw geen ander boek weten dat dit predikaat meer verdient. Het doet me een beetje denken aan "Hersenschimmen", waarin Bernlef het aftakelingsproces dat dementie veroorzaakt beschrijft. Siegfried Lenz is zo'n iemand die met alle tijd van de wereld en een aandachtig observatievermogen ieder detail van zijn onderwerp tot op het bot analyseert.

Uitgave: Van Gennep Amsterdam - 2012, ISBN 978 946 164 092 5, €18,90
Rechtstreeks bestellen: klik hier