Menu

dinsdag 18 december 2018

Winter – Ali Smith


“Winter” is het tweede boek uit Ali Smiths seizoencyclus. Eerder besprak ik de Man Booker Prize-favoriet “Herfst”- zie hier. “Winter” is een kerstverhaal: vier mensen – twee oude zussen, een zoon van een van hen plus een buitenstaander – vieren samen kerst in een kast van een huis in Cornwall, ook al zijn ze eigenlijk vreemden voor elkaar. “Winter” is geen vervolg op “Herfst”, maar heeft wel vergelijkbare thema’s: herinneringen, kunst, politiek, liefde. Het boek is ook een stuk ingewikkelder dan “Herfst”, en toegegeven, je moet er van houden omdat het toch echt wel experimenteel proza is wat Smith ons voorschotelt. Maar dat doe ik. Enorm. Smith laat zien hoe wij ‘anders’ naar ons post thruth-tijdperk kunnen kijken. Ze doet dat op een enorm welwillende, vrolijke, zachte manier. Voor mij heeft ze iets van de wijze oermoeder, zoals bijvoorbeeld Marilynne Robinson dat ook heeft, die niet aarzelt het fenomeen ‘kwantumverstrengeling’ op te voeren, waardoor ‘de oude rituelen van oorzaak en gevolg verschrikkelijk inefficiënt blijken, Einsteins universum mechanistisch en dat van Newton het werk van een prutser’. We weten van alles over ons fysieke brein, maar niets over onze geest. Alsof we een radio uit elkaar halen om te kijken waar de muziek zit. Waar blijft ons ‘gezonde verstand’ als we nadenken over de ‘snaartheorie’ die zeven, nooit waargenomen, dimensies toevoegt aan de ons bekende vier? Kijk, dat vind ik nu opwindende taal. Wat weten we nu helemaal? Wat weten we over ons 'zelf'? Wat weten we over wat we ooit 'zijn zullen' (Romeinen 8)? Dit soort teksten stemmen mij oneindig hoop- en verwachtingsvol.

That reservoir of goodness

Omdat “Winter” een boek is dat zich als het ware ‘ontvouwt’ in plaats van dat het van oorzaak naar gevolg hobbelt, kan ik het eigenlijk net zo goed van achteren naar voren bespreken. Temeer ook, omdat ik het naar het einde toe steeds mooier begon te vinden. Of moest ik gewoon wennen aan de cryptische Smith en begreep ik haar gaandeweg beter? Marilynne Robinson gelooft in een ‘zelf’, een individuele ‘kern’ dan wel ‘ziel’ of ‘geest’, welke naam je er dan ook aan geeft, die moderne neurowetenschappers ontkennen (zie “Wij zijn ons brein” van Dick Swaab). Ik geloof ook in iets als de ziel. Ik denk dat daar de verbinding met het goddelijke plaatsvindt. Marilynne Robinson heeft het zelfs ergens over ‘that reservoir of goodness’, of in christelijke termen ‘genade’. Dat is de essentie van kerst, dat is de oorsprong van het ‘licht’ waar met kerst alles toch eigenlijk om draait. Ik weet niet of Ali Smith gelooft in ‘genade’ of ‘God’. Ze heeft het er nergens over. Toch schrijft ze over de ‘ziel’ die ze naar voren haalt in bestaande kunst. Het gekke is, dat ik de ‘ziel’ ook veel meer ontmoet heb in kunst, dan in de kerk. Zie alleen al het indirecte licht van Caravaggio, waar momenteel een immens populaire tentoonstelling van te zien is in het Centraal Museum van Utrecht. En zijn leerling Rembrandt. Je kunt de ziel niet zien. En daarom bestaat die niet – volgens materialisten. Toch laat Ali Smith een wonderlijk meisje in haar boek zeggen: “… waar zouden we zijn zonder ons vermogen verder te kijken dan we geacht worden te zien…”. Ze heet Lux, licht, een drop-out, die Art heeft ingehuurd om hem met kerst te vergezellen naar zijn moeder, omdat hij niet wil weten dat hij ruzie heeft met zijn echte vriendin. Hij heeft Lux opgepikt bij een bushalte waar ze zat te lezen. Ze heeft iets van een ongrijpbare engel, die de dingen goed komt maken - evenals het baby-meisje in “Kind uit Nergensland” uit mijn vorige verhaal. Jezusfiguren die helemaal bij kerst passen. Ze vindt dat Art een ‘schone geest’ heeft. Voor haar is het bestaan van een ‘geest’ geen vraag: “… Alles wat leeft heeft een geest, zegt ze. Zonder geest zijn we niets dan vlees. En dingen als, zeg maar, vliegen en bromvliegen, zegt hij. Hebben die een geest? Want als ik een geest heb, zal ik je vertellen. Dan is die niet schoon, die is klein, en rot, en ongeveer het formaat van een bromvlieg. Het formaat van de geest van een bromvlieg, zegt ze. Glanzend als een pantser. Heb je ooit gezien hoe vastbesloten een bromvlieg kan zijn als hij door het glas van een raam wil?...”.

Geest en materie

In het verhaal gaat het onder andere over de kunst van Barbara Hepworth en de gaten die ze maakt in haar sculpturen. Een ‘inner circle’ die je ook als de ziel annex geest zou kunnen zien. Een grote steen waarin een kleinere steen past als een koppeling van moeder en kind. Ik heb de ziel altijd als een soort gouden bal gezien, een zon, die tegen je middenrif danst. Het centrum van je lijf en misschien ook wel je leven. Ik heb me vaak afgevraagd of dat een soort van typisch vrouwelijke mystiek is; een equivalent voor de baarmoeder. Maria en het kindje Jezus. Maar ik kom het ook in het werk van mannen tegen, zie bijvoorbeeld de rol van de cirkel in “De christus van Elqui” van Hernán Rivera Letelier. Een fragment waarin Smith de cirkel eveneens met God verbindt: “… Ken je dat verhaal, zegt ze, over de briljante kunstenaar en koning, en de koning stuurt zijn mensen naar de kunstenaar om hem opdracht te geven het volmaakte kunstwerk voor hem te maken, en de kunstenaar tekent een cirkel, alleen een cirkel, niets anders en geeft die aan hen en zegt geef dit van mij aan jullie koning? Dat is een oud verhaal over een kunstenaar die Giotto heet, zegt hij in haar oor. Nee, ik zei niet God, ik zei Giotto. Dat weet ik, zegt ze. Ik bedoel ik weet dat je het niet over God had...”. Het ontroerende is dat iemand mij laatst, toen ik het verhaal over Giotto nog niet kende, wees op het werk van Gisèle d’Ailly, waarover pas een boek is verschenen: “De eeuw van Gisèle”. In een documentaire in “Het uur van de Wolf” vertelt ze ook hoe in een klooster in Griekenland 'de cirkel in haar wakker werd'. Ze heeft het over cirkels die ze als ‘trommels’ ziet. Ik bedacht dat, volgens veel verhalen, in de tropen trommels vaak worden gebruikt om het goddelijke op te roepen. Art in het verhaal weet “… dat geest en materie mysterieus zijn en, als ze samenkomen, abondant…”. Smith speelt met woorden.

God is dood
Terug naar start. “Winter” begint met de indrukwekkende mededeling dat alles ‘dood’ is: “… God was dood: dat om te beginnen. En romantiek was dood. Ridderlijk was dood. Poëzie, proza, schilderkunst, ze waren allemaal dood, en kunst was dood. Theater en film waren allebei dood. Literatuur was dood. Het boek was dood. Modernisme, postmodernisme, realisme en surrealisme waren allemaal dood. Jazz was dood, popmuziek, disco, rap, klassieke muziek, dood. Cultuur was dood. Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood. Geschiedenis was dood. Politiek was dood. Democratie was dood. Communisme, fascisme, neoliberalisme, kapitalisme, allemaal dood, en marxisme, dood, feminisme, ook dood. Godsdienst was dood. Nadenken was dood. Hoop was dood. Waarheid en fictie waren allebei dood. De media waren dood. Het internet was dood. Twitter, Instagram, Facebook, Google, dood. De liefde was dood. De dood was dood. Een heleboel dingen waren dood. Maar sommige waren niet, of nog niet, dood. Het leven was nog niet dood. Revolutie was niet dood. Rassenongelijkheid was niet dood. Haat was niet dood. Maar de computer? Dood. Tv? Dood. Radio? Dood. Mobieltjes waren dood. E-readers waren dood. Huwelijken waren dood, sekslevens waren dood, conversatie was dood. Bladeren waren dood. Bloemen waren dood, dood in hun water…”. Welkom op “… een vrolijke zonnige, post-millenniumwisseling-broeikaseffectochtend de dag voor Kerstmis (Kerstmis, ook dood)…”. En in een verhaal dat “… over echte dingen gaat die echt gebeuren in de echte wereld met echte mensen in de echte tijd op de echte aarde (jaja, de aarde, ook dood)…”. Kijk, dát is schrijven! Het doet me denken aan de postmoderne wetenschapsjournalist John Horgan en zijn interessante studie "Het einde van de wetenschap: Over de grenzen van onze kennis". Alweer uit 1997.

Art in Nature
Later blijkt dat een jongeman, Arthur oftewel Art genaamd, op een aftandse pc in een openbare ruimte in Londen willekeurige woorden in zit te typen op Google om te kijken of er automatisch het woord ‘dood’ achter verschijnt, wat vaak het geval is. Ook met zijn eigen naam: Art is dead. Er staat een ongeduldige rij wachtenden achter hem, maar dat interesseert hem geen bal. Zijn eigen laptop is naar de mallemoer, kapot gesmeten door zijn vriendin voor ze wegliep na een hevige ruzie. Via zijn mobieltje komt hij er achter dat ze in zijn naam nepberichten vol flagrante leugens op internet zet om hem te pesten. Hij beheert een natuurblog (waarvoor hij alle informatie van internet plukt – hij ziet zelf nooit een stukje echte natuur): “… De antwoorden schuimen al binnen als slecht getapt bier. Woede en sarcasme en haat en spot…”. Gelukkig doorziet zelfs zijn bejaarde tante Iris dat hij gefaked wordt, maakt hij op uit haar tweet: “… vertel uit eign ervaring: zijn wij overgeleverd aan techno of techno aan ons?...”. En dan is dakloze Lux daar dus, die wil weten hoe zijn vriendin was, als ze voor duizend pond er mee instemt als haar stand-in te functioneren. “… Lastig, die Charlotte van je? Zegt ze. Beetje overgevoelig? Een nagel aan mijn dooskist, zegt hij…”. Lux: “… Waarom zou je je familie niet gewoon de waarheid vertellen, dat zij een nagel aan je kruis is… Doodskist, zegt hij…”. Haha. Zijn Charlotte: “… Charlotte, slim. Charlotte, stom. Charlotte, aardig… “. En dan: “… Charlotte, mooi. Mooier dan wie ook. Met meer gevoel en begrip dan iemand die hij ooit…”. Dat wordt natuurlijk een knettergek verhaal.

Eigenste kerstkindje

Even overschakelen naar zijn moeder, Sofia Cleves, een oudere vrouw die alles niet meer zo op een rijtje heeft, want ze ziet een vrolijk en beleefd kinderhoofd dat haar overal vergezelt: “… geestig, zoals Duchamp die de Mona Lisa een snor had gegeven; zelfs een beetje als een tafelstilleven van Cézanne, die ze aan de ene kant altijd verwarrend had gevonden en aan de andere kant verfrissend omdat hij onthult, al is het moeilijk te geloven, dat dingen als appels en sinaasappels ook blauw en paars kunnen zijn, kleuren waarvan je nooit had gedacht dat die erin zaten…”. Haar eigenste kerstkindje. Even verder over de Mona Lisa: “… De meesten stonden er met hun rug naartoe omdat ze foto’s maakten van zichzelf met haar; tegenwoordig glimlachte het oude schilderij op zijn superieure manier naar de rug van mensen, mensen die hun telefoon boven hun hoofd in de lucht hielden. Ze zagen eruit of ze een groet brachten. Maar een groet aan wat? De ruimte voor een schilderij waar mensen staan zonder ernaar te kijken? Zichzelf?...”. Ze is er al voor naar een opticien geweest. Als Art met Lux arriveert bij haar woning in the middle of nowhere vinden ze haar met dikke buitenkleding aan in de veel te warm gestookte keuken. Ze heeft het koud zegt ze. Ze is ook veel te mager omdat ze niets eet. Lux krijgt het voor elkaar haar wat lagen kleding uit te laten uittrekken. Er is nergens eten te vinden in huis. Ze moeten iemand bellen vindt Lux. Buiten de dokter kan Art niemand anders verzinnen dan de oude tante waarmee zijn moeder al dertig jaar in onmin leeft: Iris. En die komt midden in de nacht aanzetten met tassen vol boodschappen. De volgende dag, eerste kerstdag, maken de oude dames op een spectaculaire manier ruzie aan de feestdis - op een gegeven moment draait zijn moeder zich zelfs demonstratief om met haar gezicht naar de muur - terwijl Art en Lux hun best doen de gemoederen te sussen. Hun leven lang zijn ze tegengestelde persoonlijkheden geweest. Zo conservatief als de moeder van Art, zo progressief is zijn hilarische tante. Opa heeft de laatste zelfs als puber uit huis gezet vanwege haar provocerende manier van doen. Haar hele leven was en is één grote, dramatische protestdemonstratie: ban de bom, dierenleed, plastic soep. Dat soort dingen. Het huis waar ze zijn blijkt Iris te kennen omdat ze het ooit met een man of vijftien gekraakt heeft.

Balans

Hoe langer je over het verhaal doordenkt hoe meer analogieën je ziet met het klassieke kerstverhaal. Het denkbeeldige kinderhoofdje verandert langzaam in de cirkel zoals uitgebeeld in de stenen van Barbara Hepworth, zodat er een link ligt met het kindje Jezus dat gelovige Christenen in hun hart zeer nabij achten. Art ziet en droomt trouwens ook van alles. Herhaaldelijk klinkt de vraag wat Freud er van zou zeggen. De moeder van Art vertelt midden in de nacht aan Lux, als ze allebei niet kunnen slapen over de vader van Art, die zich over haar ontfermd heeft als een soort Jozef toen zij op het punt stond een alleenstaande moeder te worden. Dus is hij helemaal niet zijn echte vader: “… Het is ook belangrijk in het leven sommige dingen voor je te houden, zei Sofia. En Arthur was mijn zaak. Van niemand anders…”. Art vertelt dat hij zijn vader maar twee keer in zijn leven heeft gezien. Zoals veel gelovigen God ook beschouwen als hun Vader, terwijl ze Hem eigenlijk zelden ervaren. Lux slaapt in de schuur. Voor haar is geen plaats in de herberg. Eigenlijk is ze een (Kroatische) vluchteling. Net zoals Jezus die met zijn ouders naar Egypte vluchtte om aan de moordpartij van Herodus te ontkomen. Alles wordt weer gelinkt aan de vluchtelingen van nu. Misschien zullen juist zij, in het kielzog van Jezus en Lux, uiteindelijk de wereld redden? Het gaat over een crowdfundingsactie waarbij mensen duizenden ponden hebben ingezameld om een boot te financieren die kan worden ingezet tegen de reddingsboten die vanuit het Italiaanse vasteland vluchtelingen op zee helpen die in de problemen komen. Verlaten mensen voor de lol hun huis? Het gaat over de vrienden van Iris die de wereld willen behoeden voor de ondergang – net zoals de Messias. Allerlei kerstverhalen komen voorbij, waarbij ik er vast wel wat heb gemist, omdat ik niet zo erg op de hoogte ben van de Engelse literatuur. Dickens, Keats, Garner, Shakespeare. Cymbeline, het toneelstuk waarin iedereen doet of hij iemand of iets anders is. Net internet. Net henzelf. Op tweede kerstdag komt er een bus met vogelaars langs die op zoek zijn naar de Canadese zanger, die ergens in de buurt gespot moet zijn volgens een fakebericht van de ex van Art. En het verontrustende is: er is nóg een bus onderweg. Zie de Wijzen uit het Oosten. Als Art de waarheid opbiecht, zegt de groepsleider dat het er niet toe doet, dat de busreis een leuk verzetje is met kerst: iedereen viert kerst, ook al gelooft niemand meer. Ondertussen verkoopt Lux de inboedel van de vintagewinkel die zijn moeder ooit dreef, en die staat opgeslagen in de schuur: het consumentisme. Niet alleen de kunst, ook de politieke actualiteit is volop aanwezig: de Brexit, graatmagere fotomodellen, de brand in de Grenfel Tower. De kerstboodschap van Smith: als kunst en politiek met elkaar in samenspraak gaan is er hoop. Volgt er bezinning. Kijk naar het geharrewar van de zussen. Uiteindelijk zingen ze samen een tweestemmig lied. De mens zal altijd komen bovendrijven. En, zoals in Cymbeline, elke chaos streeft naar balans.

Uitgave: Prometheus – 2018, vertaling Karina van Santen & Martine Vosmaer, 308 blz., ISBN 978 904 463 795 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier

zaterdag 15 december 2018

Kind uit Nergensland – Floor Koomen


Subtitel: Een kerstverhaal maar dan anders

Iemand nog een kerstverhaal nodig? Ik hoef geen kerstverhaal voor te lezen, maar als ik dat wel moest, dan wist ik het wel. Ik kende Floor Koomen (Amsterdam, 1963, documentairemaker, formatontwikkelaar, docent media en adviseur Afrika bij diverse media en goede doelen) al van zijn debuut “Soms in Afrika”. Hij schrijft snel, trendy en ook wat sarcastisch en bijterig. Ik houd wel van een beetje rauw...

Broodschrijver

De, na een twintig jaar treurig huwelijk gescheiden vijftiger Rolf van den Brandt, zit in zijn dooie eentje drie hoog achter, een kerstverhaal te schrijven. Kerst: “… God, wat zie ik hier tegenop. De eenzaamheid, dat zoete sentiment, de flauwe films op tv, de romantische verlichting in de binnenstad en die ontheemde Roemeen die, in de natte kou, tussen de Blokker en de H&M Jingle Bells zit te pielen op z’n accordeon. Ik haat het…”. Zijn uitgever, Gijshard - en ik weet toevallig dat deze in het echt Gerhard heet, haha - heeft hem opgebeld met de vraag of hij een klassieke kerstnovelle in de pen heeft zitten. Getverderrie. Maar: brood op de plank. Drie pakjes Marlboro, fles goedkope whisky, paar stazakken soep, twee Unox rookworsten en een halve krat pils. Van den Brandt is er helemaal klaar voor. Terwijl hij de duffe kerstfeesten uit zijn verleden overdenkt herinnert hij zich er eentje die er tussenuit sprong. Ooit werd hij als tweedejaars aan de Toneelschool in Amsterdam ontslagen vanwege onbeheersbaar drugsgebruik. Daarop besloot hij te gaan backpacken: “… Mezelf zoeken. In India. Natuurlijk. Want daar is waar ‘mezelf’ in de jaren ’70 en ’80 volgens velen verbleef. Het bleek nutteloos. Ik heb mezelf nog steeds niet gevonden. Het hoeft ook niet meer. Want wat ik van mezelf weet, is nogal onaangenaam…”. Omdat de grens tussen Iran en Afghanistan indertijd dicht was besloot hij naar Israël af te zakken. Daar maakte hij een levensveranderend avontuur mee, dat hij als kerstverhaal op gaat dissen.

Vragen, vragen
Die Chanoeka en Kerst is Van den Brandt in Jeruzalem. “… Ik ben niet christelijk opgevoed, heb geen last van zondagschoolgedoe of uitleggerige dominees en heb dus geen Maarten ’t Hart- of Jan Cremerachtig gereformeerd trauma. Ik vind dus, nu ik hier toch ben, dat ik moet openstaan voor het kerstgebeuren…”. Voor het eerst leest hij aandachtig het Nieuwe Testament. Dan komt hij op het idee van Jeruzalem naar Bethlehem te reizen. Lopend. Net als Jozef en Maria. Een wandeling van zo’n 25 kilometer. Van Nazareth naar Bethlehem was trouwens wel even een ander verhaal. Een dikke 200 kilometer. Door de hitte. Door de woestijn. Zij hoogzwanger. De spanning die er moet hebben geheerst tussen die twee: “… Jozef worstelt met de vraag: ‘Hoe is mijn vrouw in Godsnaam zwanger geraakt? Dat verhaal over die engel en een heilige geest blijft lastig’. Maria moet zich ook opgelaten hebben gevoeld: ‘Wat moet Jo wel niet denken? Gelooft hij wel echt dat ik geen seks heb gehad met een man? En was het wel echt een gezant van God?’…”. In een krantenartikel over de feiten rond de geboorte van Jezus las ik vanmorgen trouwens dat veel deskundigen denken dat Jezus helemaal niet in Bethlehem geboren is. Hij wordt niet voor niets ‘Jezus van Nazareth’ genoemd. Historicus Fik Meijer denkt dat de wat al te enthousiaste pleitbezorger van de blijde boodschap, Lucas, de volkstelling als motief gebruikte om Jezus, oneerbiedig gezegd, naar Bethlehem in Judea te krijgen. Jezus was immers een nazaat van koning David, en David kwam uit Bethlehem. Sommige tijdgenoten herkennen Hem dan ook niet als Messias volgens een passage in Johannes 7, want ‘de Messias kwam toch niet uit Galilea?’. Ze zagen hem dus als Galileeër. Onder Augustus zou er ook nooit een census hebben plaatsgevonden. Bovendien is het niet logisch dat een Romeinse keizer opdracht gaf om af te reizen naar de plaats waar vele jaren eerder een grootvader geboren was. Die reis zou talloze inwoners weken tot maanden hebben gekost en de economie daardoor hevig ontwrichten. Onder stadhouder Quirinius heeft echter wel een volkregistratie plaatsgevonden. Hij moest orde op zaken gaan stellen omdat zijn voorganger Herodus Archelaüs, de zoon van Herodus de Grote, bij zijn dood een grote bende had nagelaten. Dat betekende: mensen en bezittingen tellen en daar belasting over heffen. Alleen klopt de datering dan weer niet. Jezus werd volgens de evangelist Mattheüs toch echt ten tijde van Herodus de Grote geboren, dus zo’n elf jaar voor de volkstelling van Quirinius (ND; 15.12.2018). Vragen, vragen. De meeste geleerden denken dat Lucas zich heeft vergist.

Het Jeruzalemsyndroom

In ieder geval ontpopt Van den Brandt zich als pelgrim: “… Pelgrims heb je dus in allerlei soorten en ondersoorten, die zich weten aangetrokken tot de ‘heilige’ stad Jeruzalem – van de katholieke nonnetjes tot de übervrome en fanatieke evangelicalen, en van gestoorde nephogepriesters en koningen David tot oude Duitse vrouwen die de terugkomst van Jezus verwachten en de hele dag aan de voet van de Olijfberg zitten te picknicken of zoiets…”. De psychiatrische instellingen in de stad zijn bekend met het zogenoemde ‘Jeruzalemsyndroom’, waarbij een gelovige zich in overdreven mate vereenzelvigt met een persoon of profetie uit de Bijbel: “… Vlak bij de Jaffapoort staat al jaren een oude Fransman met een blikken kroon op zijn hoofd en een gordijn om zijn schouders king David te zijn. In het hostel waar ik verbleef, woont ene ‘Ich komme from Austria und my name ist Elcke.’ Elcke verwacht binnenkort de eind-van-de-wereld-oorlog, Armageddon. Maar omdat Jeruzalem volgens de Bijbel de terugkomplek van Jezus is, wordt deze stad volgens haar gespaard. Hier is Elcke dus veilig. En ziemlich verrückt…”.

Herodus, de kindermoordenaar
Zoals de titel al suggereert bekijkt Van den Brandt het standaard kerstevangelie inderdaad nét even anders dan doorgaans in de kerk het geval is. Hij komt er achter dat de velden van Efrata voor een uitermate onvriendelijk landschap staan met extreme temperaturen. ‘De herdertjes bij nachte’ moeten volgens hem ruige kerels zijn geweest die voor een hongerloontje de geiten en schapen van een of andere kapitalist verzorgden: “… Wat lagen die gasten daar eigenlijk te doen? Hadden ze vrouwen bij zich? Drank? Lagen ze elkaar sterke verhalen te vertellen of namen ze de uits-lagen-bij-nachte door van het afgelopen weekend?...”. De kapitalisten waren landverraders die met vette winst vlees verkochten aan de legioenen van de bezetter. De Romeinen waren verre van vegetarisch. De priesters in de tempel, ook goede klanten van de schapenboeren, evenmin. Omdat ze een ‘heilig’ zakcentje bijverdienden aan elk offer wisten ze deze praktijk behendig te stimuleren. Bovendien mochten ze een deel van het offer zelf opeten. Van den Brandt zegt te twijfelen aan het verstand van de wijzen uit het Oosten. Hoe kun je nu bij de paranoïde dictator Herodus langs gaan om te vertellen dat er een koning van de Joden was geboren. Ze hadden kunnen weten dat hij met barbaars geweld zou reageren: “… Zijn baas, keizer Augustus, zei ooit over hem: ‘Je kunt beter het varken van Herodus zijn dan zijn zoon.’…”. Uit angst voor verlies van zijn positie liet Herodus drie van zijn zoons vermoorden. En minstens twee van zijn vele vrouwen. Trouwens, het is maar de vraag of Herodus alle Joodse jongetjes onder de twee jaar in en rond Bethlehem écht heeft laten vermoorden: “… Flavius Josephus meldt deze vreselijk dramatische gebeurtenis nergens. Het kan natuurlijk zijn dat het als te lokaal werd gezien, of dat er geschriften verloren zijn gegaan. Toch is het opmerkelijk. Ook de hupsakee-lekker-opschieten-evangelist Markus vond er in zijn snelle tekst in het Nieuwe Testament geen plekje voor. De wetenschapper Lucas vermeldt het evenmin, en Johannes, de filosofische mysticus, al helemaal niet. Alleen de meer empathisch ingestelde evangelist Mattheüs schrijft erover…”. Of was moord zo aan de orde van de dag dat het onbelangrijk was? “… Nieuws gaat nu eenmaal over het uitzonderlijke en niet over het dagelijkse…”. Het waanzinnige verhaal gaat dat Herodus heeft verordonneerd dat als hij sterft uit iedere familie ook een vrouw gedood zal worden. Zodat zijn sterfdag altijd met massale rouw zal worden herdacht. Zijn zus Salomé aast op de macht. Als het zover is beveelt ze van de moorden af te zien om draagvlak te creëren voor haar familie: “… Herodus blijft de ‘kindermoordenaar’ en wordt niet ook de ‘vrouwendoder’. Ik vermoed dat hij dat jammer vindt…”.

Hollywoodkerstromantiek
Tussen neus en lippen door vertelt de schrijver dat Franciscus van Assisi in het begin van de dertiende eeuw de eerste levende kersstal inrichtte. In een tijd van analfabetisme een briljant idee natuurlijk. Maar toch. “… Waar komt die Hollywoodkerstromantiek dan vandaan? Die beeldjes van dikkige engeltjes met kleine piemeltjes en lullig kleine toetertjes? Waarom willen mensen dat toch, dat vredige tafereeltje in een stal met os en ezel, en een baby’tje in een houten bakje?...”. De schrijver zal zijn uitgever eens wat leren, met zijn klassieke kerstverhaal: “… Eindelijk mijn kans om af te rekenen met dat mierzoete sentiment. Ik zal de lezers laten weten wat de werkelijke aard van het feest is. Hoe de wereld écht in elkaar zit. Natuurlijk is het historisch gesproken niet helemaal juist wat ik opschrijf. (…) Maar in essentie klopt het. De wreedheid, de machtswellust, de waanzin en de moorden…”. Het is kerst. “… Tegelijkertijd is het lijden van deze dag net als het lijden van de dag van gister en van morgen. Tegelijkertijd zijn er in talloze sloppenwijken in Zuid-Amerika, Afrika en Azië wanhopige en verlaten moeders die niet weten hoe ze hun kinderen morgen te eten moeten geven, laat staan hoe ze het schoolgeld moeten opbrengen om de gruwel van armoede te doorbreken. Overal zijn mensen slachtoffer van wereldhandel en onderdrukking. Overal werken kinderen tot bloedens toe als slaaf op bijvoorbeeld rozenkwekerijen en in kledingfabrieken, zodat wij, de rijken, en voor een habbekrats picobello uit kunnen zien en onze kersttafels met verse bloemen kunnen sieren. Zo houdt ons economisch systeem mensen gevangen in dwang en slavernij. Zijn mensen op de vlucht voor honger en oorlog. Worden meisjes gedwongen hun lichamen voor een paar rotcenten te verhuren om, als het gerief is gekomen, te worden weggegooid als een volgesnoten papieren zakdoekje…”.

Ruwe bolster, blanke pit
Voor Van den Brandt geen ‘witte kerst’ dat jaar. Al lopend en filosoferend laat zijn richtingsgevoel het afweten, raakt zijn water op, en heeft de oorverdovende stilte en laaiende hitte van de woestijn een desoriënterend effect op hem. Honger. Blaren. Uitputting. Het wordt snel donker. En koud. Insecten leven zich op hem uit. Hij wordt bang. Als hele opstandelingenlegers als die van de Makkabeeën in de woestijn konden verdwijnen “… is het niet ondenkbaar dat deze kleine nephippie daar verzwolgen wordt door steen en zand…”. Na een vreselijke nacht strompelt Van den Brandt verder, stuit op een schijnbaar verlaten bedoeïenenkamp, hoort gehuil en vindt tot zijn ontsteltenis een duidelijk doodziek baby’tje. Wat te doen? Hoe dat verder gaat aflopen ga ik natuurlijk niet vertellen. Ter geruststelling: deze ruwe bolster heeft een hele blanke pit. Tegen de tijd dat het verhaal af is vraagt Van den Brandt zich wel af of Gijshard zijn werk zal pikken. Is hij niet veel te ver gegaan voor zo’n beschaafde christen? Nou, dat valt alles mee. Sterker; Gijshard durfde het zelfs aan míj een recensie-exemplaar te sturen...

Uitgave: De Barbaar – 2018, 144 blz., ISBN 978 905 999 139 2, € 13,50
Rechtstreeks bestellen: klik hier

woensdag 12 december 2018

Het Pilgrim Fathers complot – Jeroen Windmeijer


Subtitel: Zes moorden, drie continenten, een wereldwijde cultus en een verborgen manuscript

Het leuke van een leeskring is dat andere mensen je soms op het spoor van een boek zetten waar je in je eentje aan voorbij zou gaan. We hadden het op een gegeven moment over wandeltochten toen iemand vertelde dat er een Leidse thrillerauteur was aan de hand van wiens boek een stadswandeling is uitgezet. En hoe plezant het zou zijn als we met z’n allen die route eens zouden lopen als het wat beter weer wordt. Ik spitste mijn oren, want in een grijs verleden heb ik nog in Leiden gewoond en gewerkt en geleerd. Ze had het over Jeroen Windmeijer (1969), van huis uit antropoloog maar inmiddels leraar godsdienst- en maatschappijleer aan een middelbare school, en zijn omvangrijke boek “Het Pilgrim Fathers complex”. Eerder schreef hij "De bekentenissen van Petrus" en "Het Pauluslabyrinth". We blijken onze eigen Hollandse mix van Erich von Däniken en Dan Brown te hebben…

Puriteinse protestanten

Ik bespreek zelden thrillers vanwege het euvel dat het heel moeilijk is er wat zinnigs over te zeggen – je mag immers de clou niet verraden. Dat ga ik nu natuurlijk ook niet doen. Windmeijer heeft echter ook veel didactisch materiaal in zijn verhaal gestopt; hij is en blijft leraar. Waarom zou je saaie, droge geschiedenisboeken lezen als je ook via een spannend verhaal je horizon kunt verbreden?! De feiten. In 1609 streek een groep Engelse puriteinse protestanten in Leiden neer: de Pilgrim Fathers. Koning Jacobus I kon het niet waarderen dat ze de Anglicaanse kerk als te werelds bestempelden. De Lage Landen stonden bekend om de heersende godsdienstvrijheid (waar je je ook weer niet al teveel van moet voorstellen: zie de zogeheten ‘schuilkerken’ en bijvoorbeeld de controverse rond de radicale Amsterdamse burgemeester Frederick de Vrij die in 1620 als een moderne Christus op de Dam persoonlijk alle Sinterklaaskraampjes omvergooide om een eind te maken aan dit ‘paapse feest’ – gedoe rond Sinterklaas is niets nieuws). Een deel van deze groep trok in 1620 met de Mayflower naar Amerika, waar ze de grondleggers van de Verenigde Staten werden. Een en ander gaat in 2020 groots herdacht worden en in Leiden zal er zeker een graantje van mee te pikken zijn. Daar bevindt zich dan ook al sinds jaar en dag een klein maar dapper American Pilgrim Museum. Verder was taalwetenschapper Piet van Vliet in het voorjaar van 2017 in het archief van Erfgoed Leiden en Omstreken aan het neuzen. Hij vond een manuscript dat een uniek inkijkje biedt in het leven en denken van de Pilgrim Fathers. Rond deze gegevens bouwt Windmeijer zijn intrige.

Intellectuele vuurvreters

“Het Pilgrim Fathers complot” is een ouderwetse whodunit. De rechercheur waarmee we van doen krijgen citeert dan ook regelmatig Agatha Christies legendarische detective Hercule Poirot: “… It is the brain, the little gray cells on which one must rely. One must seek the truth within – not without…”. Hoofdpersoon is de achtenvijftigjarige universitair docent Archeologie en Geschiedenis Peter de Haan. Zijn vriendin heet Fay Spežamor, een weduwe van begin vijftig, docent Griekse en Latijnse taal en cultuur en conservator Romeinse en Etruskische kunst in het Rijksmuseum voor Oudheden. Ze woont samen met haar moeder, óók al een voormalig docente klassieke talen, en dochtertje in een kabouterhuisje achter de grote poortdeur van het rustieke Jean Pesijnhofje, waar ooit veel van de Pilgrims Fathers woonden: “… De oorspronkelijke betekenis van het woord ‘paradijs’, dat was afgeleid van het oud-Perzische ‘pairidaëza’- ‘ommuurde tuin’- kwam er ten volle tot zijn recht…”. Peter en Fay zijn dikke vrienden met Judith Cherve, een voormalig Joodse studente van Peter waar hij stiekem nog steeds een beetje verliefd op is. Inmiddels docent Jodendom bij Religiewetenschappen en freelanceonderzoekster voor het Joods Historisch Museum in Amsterdam en in het verhaal intensief op zoek naar haar roots. Aan de ene kant zegt ze over de Pilgrims: “… Dat puriteinse van hen heeft me altijd wel aangetrokken. Je afwenden van de materie, van bezittingen, je richten op het geestelijke, de blik gericht op het goede, op God. Het leven als een reis, een pelgrimstocht. Wat zij gedaan hebben, naar een nieuwe wereld vertrekken om daar helemaal opnieuw te beginnen, is soms toch wel een aanlokkelijke idee…”. Aan de andere kant zet ze zich ook weer in voor het pro-Palestijnse ‘Een Ander Joods Geluid’, wat vaak met ‘links’ geassocieerd wordt. Bij haar hoort Mark Labuschagne, een briljante maar geestelijk wat labiele hoogleraar Nieuwe Testament. De scheidslijn tussen genialiteit en gekte is dun. Nou, dan heb je wel een stelletje intellectuele vuurvreters bij elkaar, toch?!

Complottheorieën
Peter en Fay bezoeken een open avond van de vrijmetselaars. Fay is namelijk lid van de gemengde loge Ishtar aan het Steenschuur nummer zes in Leiden. Op de zwart-wit geblokte tegels van de werkplaats of tempel, wordt de - ook al - zeer erudiete voorzitter van de groep, aangeduid met de titel ‘Achtbare Meester’ dood gevonden, badend in het bloed, “… als een omgevallen koning op een schaakbord…”. De rechercheur in het jasje van een moderne Prediker: “… Zo aan je einde te komen, dacht Rijnsbergen. Al die wijsheid vergaard, al die boeken bestudeerd, de halve wereld rondgereisd om dan in een zaaltje in Leiden je hersens in te laten slaan…”. En ook al heel christelijk, als de Achtbare in een zwarte bodybag naar buiten wordt gedragen: “… Het leek alsof ze een gigantische cocon van een of ander insect met zich meevoerden, die na verloop van tijd zou ontpoppen om in een nieuwe gedaante tevoorschijn te komen…”. Waarom zou iemand een vrijmetselaar vermoorden? De schrijver neemt de gelegenheid te baat om allerlei praatjes rond het gezelschap bij monde van een insider te ontzenuwen: “… Maar jij, Peter zult vast ook de verhalen wel kennen dat de oorsprong van de vrijmetselaars bij de Orde van de Tempeliers zou liggen, voluit de Orde van de Arme Ridders van Christus en de tempel van Salomo, een christelijke kruisridderorde. Je komt dat fabeltje altijd weer tegen in boeken en op sites vol compplottheorieën. In de tijd van de kruistochten maakten de Tempeliers deel uit van de kruisvaarderslegers die een Heilige Oorlog tegen de moslims voerden in het Heilige Land. Sommige complotdenkers gaan nóg verder terug, helemaal tot aan duizend voor Christus, tot aan koning Salomo en zijn bouwmeester Hiram Abiff, de architect van de eerste tempel in Jeruzalem. Deze meesterarchitect zou over geheime kennis hebben beschikt, die hij verstopte in zijn architectuur. Door de eeuwen heen zou die kennis dan weer van generatie op generatie doorgegeven zijn. In de kathedralen als die van Chartres in Frankrijk of de Rosslyn Chapel bij Edinburgh in Schotland zouden vrijmetselaars geheime boodschappen en codes hebben verstopt, die alleen voor ingewijden duidelijk zouden zijn. Beste Peter, ik kan je vertellen dat dit allemaal klinkklare onzin is. Mensen die zulke dingen geloven zijn vaak maar enkele stappen verwijderd van het geloof in een geheime regering die uit is op een totale heerschappij over de hele wereld…”.

Misschien is de wereld te groot geworden
En even verder: “… Er zijn complotdenkers die denken dat wij vrijmetselaars zo ongeveer achter elk kwaad in de wereld schuilgaan, dat we de hand hebben gehad in 11 september, dat we achter elke bankencrisis zitten die maar plaatsgevonden heeft of plaatsvindt, dat we aan de basis hebben gestaan van de Franse Revolutie, aan de aanval op Pearl Harbor, you name it… de Illuminati, de Novus Ordo Seclorum, de zogenaamde Nieuwe Wereldorde, al die vrijmetselaarssymbolen op het 1-dollar biljet, het Alziend Oog en de niet afgebouwde piramide. Ach, je kent al die verhalen waarschijnlijk wel. Je zou erom kunnen lachen als het niet zo triest was…”. Maar waarom is er dan juist anno 2018 zoveel paranoïa richting de vrijmetselaars? “… Tja, waarom nu? Het zijn rare tijden. Mensen die het idee hebben dat ze de wereld niet langer begrijpen, dat ze er geen vat meer op hebben. Misschien is de wereld te groot geworden. Al de ellende die elke dag weer onze huiskamers binnenkomt, via internet, via onze smartphones. Vroeger konden mensen bij alle ellende die hun overkwam, elke ziekte, misoogst, de dood van een kind, een schipbreuk, nog wijzen naar een god of naar goden. Gelovigen zijn in feite de eerste complotdenkers van de geschiedenis: iets gebeurt niet zomaar, er zit iemand achter, met een bepaald plan. Het is een straf omdat de mensen zich niet aan de goddelijke regels hebben gehouden, niet hebben geofferd of omdat twee goden ruzie hebben, weet ik veel. Maar nu, er gebeuren nog steeds verschrikkelijke dingen in de wereld, volkomen zinloze, toevallige rampen waar geen enkele bedoeling achter zit. Zonder geloof in God kom je dan al snel uit bij mensen, het liefst bij geheimzinnige genootschappen die allemaal uit zijn op werelddominantie…”. Maar, nu eens en voor altijd: “… Wij vrijmetselaars komen gewoon voort uit de gildes van de metselaars van vijfhonderd jaar geleden, daar is niets spectaculairs aan. Die metselaars waren vrij om in Europa van stad naar stad te reizen om kathedralen te bouwen. Ze hadden inderdaad een geheim handenschudritueel, ze hádden wachtwoorden, maar dat waren gewoon manieren waarop iemand aan kon tonen dat hij lid van het gilde was. Die metselaars nodigden weer anderen uit om lid te worden en zo ontstond langzamerhand een broederschap. In de Verlichting werd het pas een meer filosofische beweging of groepering, waarschijnlijk de eerste groep mensen die zich los van een godsdienst organiseerde, zonder overigens daarbij religie af te wijzen. Dát is pas het écht bijzondere aan deze groep, dat het vrijdenkers waren, dat ze tolerant stonden ten opzichte van andersdenkenden, dat was ongewoon…”.

Vijanden
Vervolgens duiken er twee radicale studenten op uit kringen van het Leidse actiewezen (“… Antiglobaliseringsgroepen, milieuactivisten… De Vrijplaats Leiden aan de Middelstegracht met de Fabel van de Illegaal, die opkomt voor vluchtelingen en illegalen… Zulk soort mensen…”), die aandacht vragen voor de Noord-Amerikaanse indianen in het Pilgrimsjaar. Volgens hen is er sprake geweest van genocide. De kolonisten hebben doelbewust geprobeerd een in hun ogen minderwaardig ras van de aardbodem weg te vagen. En dat ook nog Bijbels gemotiveerd. Ze voeren actie tegen de Amerikaanse mythe van ‘het lege land’: “… Er zijn onderbouwde schattingen dat het aantal indianen afnam van ongeveer twaalf miljoen in 1500 tot ongeveer tweehonderdvijftigduizend in 1900, wat het de meest grootschalige uitroeiing in de geschiedenis van de mensheid maakt. Natuurlijk, veel indianen zijn overleden aan ziektes omdat ze in aanraking kwamen met ziektekiemen waar ze niet tegen bestand waren, maar heel veel zijn toch overleden tijdens directe confrontaties met blanken. Zo kun je de geschiedenis van de WIC niet, of niet meer, vertellen zonder de enorme schaduwzijde die ermee verbonden is…”. Ze zijn er van overtuigt dat er een link is tussen de Pilgrim Fathers en de vrijmetselaars. Hoe zouden de vrijmetselaars anders in de Verenigde Staten terecht zijn gekomen? Hoeveel presidenten waren er geen vrijmetselaar? De vrijmetselaars hebben hoe dan ook veel vijanden: “… Maar weet je, dit is zomaar een los idee, hoor, misschien moet je het zoeken in de richting van de katholieke kerk. Er zijn nog genoeg orthodoxe leden die nog steeds niet geaccepteerd hebben dat de wil van Rome al lang geen wet meer is. Ze beschouwen ons als ongelovige duivelaanbidders. Maar we hebben zoveel groepen in de VS. We hebben radicale evangelisten, trigger-happy new-born christians die iederéén uit de weg willen ruimen die niet Pro Life is, we hebben fascistische white-supremacist militas, er zijn boom aanbiddende hippies die de Pilgrim Fathers en misschien ook wel de vrijmetselaars zien als het begin van alle ellende in de VS, het begin van het einde van de inheemse bevolking. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan, echt. Het is niet voor niets dat de vrijmetselaars in dictatoriale regimes vaak als eerste verboden worden…”.

Heilsgeschiedenis
Het verhaal zit opmerkelijk consistent in elkaar. Toch zijn er een paar dingetjes waar ik mijn vraagtekens bij zet. In het gevonden fragment beschrijft een Pilgrim dat er een scheiding is ontstaan tussen een leider van de groep, Josh Nunn, die in Leiden wil blijven, en zijn jeugdige oogappel William Brewster, die Leiden wil inruilen voor Amerika: “… Rond Josh Nunn staan de mensen, onder wie opmerkelijk veel lieden die in de bouw werkzaam zijn overigens, metselaars et cetera – wie oren heeft, die hore – die ervoor kiezen in Leiden te blijven. Josh, die in goeden doen is geraakt, bezit tegenwoordig een eigen loge in de schouwburg, waar de kerngroep regelmatig samenkomt om tijdens de pauzes van een voorstelling met elkaar te overleggen…”. Maar een puritein mag toch helemaal niet in een schouwburg komen? Vanwege zondig en zo? Ik bedoel: een maand of wat geleden is er op de reformatorische hogeschool De Driestar nog een docent ontslagen omdat hij een toneelstuk had geschreven. Ter leeringe ende vermaek notabene: over zijn eigen overwonnen gokverslaving. Omdat het in de tekst gaat over ‘wie oren heeft, die hore’ dacht ik dat er later wel op gereflecteerd zou worden, maar nee hoor. Verder wordt er op het vermoorde lichaam van de Achtbare Meester een envelop gevonden met daarin een hervertelling van het Bijbelboek Exodus. Zelfs bij een leek als ik gaat er direct een rood lampje branden als er staat dat Jacob zijn zoon Jozef kreeg bij zijn lievelingsvrouw Rebekka. Dat was natuurlijk niet Rebekka, maar Rachel. Ik dacht nog even dat het was om de lezer om de tuin te leiden, maar ook hier wordt niet meer op terug gekomen. Het Exodus-verhaal geeft wel aanleiding tot een interessante verhandeling over hoe letterlijk je de daarin vertelde geschiedenis moet interpreteren. Het gaat over zeshonderdduizend mannen die uit Egypte zouden zijn vertrokken. Tel daarbij de vrouwen, kinderen en het dienstpersoneel op en je komt tot zo’n duizelingwekkende hoeveelheid mensen dat als de voorhoede het Beloofde Land heeft bereikt, de achterhoede zich nog in Egypte zou moeten bevinden. Alhoewel er onderweg natuurlijk veel overleden zijn. Toch heb je het over meer personen dan er toendertijd in heel Egypte woonden. Van zo’n grote ontvolking zouden er toch sporen te vinden moeten zijn? En hoeveel manna en miljoenen kwartels waren er niet nodig om zo’n grote groep veertig jaar in de woestijn te voeden? Zelfs het smalle stuk groen langs de Nijl van heel Egypte bracht te weinig voedsel op om het slavenvolk te voeden. Bovendien was het Beloofde Land in die tijd bezet door Egyptenaren. Hele naties worden gebouwd op een combinatie van mythische waarheden en verzinsels. De Bijbel is geen aardrijkskunde- of geschiedenisboek, zoals mijn toch best wel orthodoxe leraar op de gereformeerde basisschool al zei, maar een gelóófsboek. Héílsgeschiedenis.

Rekkelijken en preciezen
Halverwege zijn verhaal komt Windmeijer ook nog met een schitterende lection over de predestinatiestrijd tussen de protestantse hoogleraren Arminius en Gomarus, oftewel de Remonstranten en de Contra-remonstranten. De ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’. De ‘bavianen’ en de ‘slijkgeuzen’. In 1619 werd op de grote synode in Dordrecht bepaald dat de leer van Gomarus de officiële lijn van de Gereformeerde kerk zou worden, en zeker toen prins Maurits zich daar ook nog eens voor ging inzetten, moesten de Remonstranten inbinden. Natuurlijk kwam deze strijd niet uit de lucht vallen. Het was een reactie op de totaal uit de hand gelopen leer van goede werken waarmee je de hemel kon verdienen binnen de katholieke kerk, met als toppunt de koehandel rond dure aflaten. Het geld staken corrupte priesters in hun eigen zak. Een en ander is prachtig uiteen gezet in de volgens de enthousiaste schrijver ondergewaardeerde tv-serie “God in de Lage Landen”, die ik ook nooit heb gezien, maar zeker bij uitzending gemist eens ga bekijken. Als Judith een beurs krijgt aangeboden voor het prestigieuze Harvard in Boston (V.S.) grijpt Peter de kans om bij haar te gaan logeren met beide handen aan. Vervolgens komen ook alle bezienswaardigheden rond de Pilgrims, de Indianen en de vrijmetselarij ter plaatse voorbij, wat smeuïg wordt opgedist, maar wel een beetje véél is op den duur. Het verhaal is en blijft echter een thriller. Uiteindelijk raakt Peter betrokken bij zes moorden op drie oudere mannen en hun jongere protegees. Allemaal in vrijmetselaarskringen. Allemaal ook met een tatoeage die bij de meesten is weggesneden. Hij ontkomt zelfs zelf ternauwernood aan een moordaanslag en een en ander brengt hem naar het Sint-Catharinaklooster aan de voet van de Sinaï, dat rond het brandende braambos van Mozes zou zijn gebouwd, waardoor we weer helemaal terug geraken bij Exodus.

De Bijbel heeft tóch gelijk

Windmeijer staat uitgebreid stil bij de vreselijke fragmenten die Exodus bevat. Verhalen die aan IS doen denken (zie bijvoorbeeld ook docent Oude Testament dr. Hetty Lalleman). Een fantastisch staaltje "En de Bijbel heeft toch gelijk" aangaande de tien plagen van Egypte: “… Toen de Hebreeërs door de woestijn trokken, werden ze volgens de overlevering ’s nachts op hun weg begeleid door een kolom van vuur en overdag door een kolom van rook. Meerdere schrijvers plaatsen om die reden de uittocht in de periode 1650-1600 voor de christelijke jaartelling, toen er in de Minoïsche tijd een waanzinnige vulkaanuitbarsting plaatsvond op het eiland Thera in de Middellandse Zee – een van de grootste vulkaanuitbarstingen die ooit in de geschiedenis op aarde zijn vastgesteld. Een tsunami van minstens achtentwintig meter hoog bereikte Kreta en richtte daar veel verwoestingen aan. Vandaag de dag is nog goed te zien hoe het halve eiland Thera bij de vulkaanuitbarsting de lucht in geblazen werd; het eiland heeft de vorm van een sikkelvormige maan. Van grote afstand was overdag de rookpluim van de vulkaan te zien geweest en ’s nachts had er een enorme gloed van de nagloeiende vulkaan afgestraald…”. En even verder: “… Door de aswolken bleven de regens uit en werd de Nijl een vieze, trage modderstroom, waarin algen welig tierden. Toen die algen massaal stierven, kleurde het water rood. Hierdoor verlieten de kikkers de rivier om op het land hun heil te zoeken. Toen die in de droge woestijn omkwamen, hadden muggen en luizen geen natuurlijke vijanden meer en namen die ongestoord in aantal toe. Ziektes staken de kop op met een enorme sterfte onder het vee als gevolg. Mensen werden op grote schaal gestoken en gebeten, waarna de open wonden door het vele krabben gingen zweren. De as in de lucht kwam in botsing met de onweersbuien, en de hagel kwam met bakken uit de hemel. Hierdoor ontstond een vochtig klimaat, een ideale omgeving voor sprinkhanen om zich snel voort te planten. De asdeeltjes verduisterden bovendien het licht van de zon, waardoor het donker werd op aarde. Door de vochtigheid begon het voedsel te rotten; het graan beschimmelde. Volgens de Egyptische traditie mocht het oudste kind van het gezin altijd als eerste van het graan eten, waardoor alle eerstgeborenen stierven…”. Het grappige is dat Peter op een vliegveld een boek van de vooraanstaande archeologen Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman koopt, "The Bible Unearthed", waarin weer wordt uitgelegd dat het Bijbelboek Exodus allemaal fake is. Nu heb ik dat zelf niet gelezen, maar ik ben wel een goede vriendin en leerling van Finkelstien tegengekomen, die hem geholpen heeft met zijn opgravingen: archeoloog Jennifer Guetta-Peersmann. Toen ze later lid werd van een evangelische groepering distantieerde ze zich van zijn opvattingen, zie hier.

Exit wereldgodsdiensten

Het hele boek door komen mythische analogieën met de Bijbelverhalen aan bod, zoals bijvoorbeeld het Babylonische epos over de koning van Sargon met het Bijbelverhaal over het kindje Mozes. Mijn orthodoxe inspirator Willem Ouweneel zei daar ooit over dat als de mensheid in de dagen van Noach met dezelfde kennis uit elkaar is gegaan alle religies en wereldbeschouwingen vonken van ‘de goddelijke waarheid’ moeten bevatten. De kip- en het eidiscussie. Vandaar dat sommige theologen het christendom niet zozeer tegengesteld zien aan, maar eerder als vervulling van, het heidendom. Bonjourt Windmeijer in het begin van zijn boek het complotdenken rond de vrijmetselaars de deur uit, aan het eind van de boek haalt hij het via de achterdeur net zo hard weer binnen. Ik moest onvermijdelijk denken aan de geschiedenis van Jezus waarin Hij waarschuwt dat als je een boze geest uitdrijft je er zeven voor terug kunt krijgen: Lukas 11:24-26. Peter gaat er, zoals alle samenzwerings -‘idioten’ kan ik niet nalaten te schrijven, met gestrekt been in: “… In een sneltreinvaart had Peter de tekst gelezen, waardoor de volle omvang van de inhoud ervan en de verpletterende consequenties die een eventueel bekend worden ervan voor de officiële geschiedenis van het Jodendom en christendom zou hebben, nog niet volledig tot hem doordrongen…”. Na tweeduizend jaar exit godsdienst omdat eindelijk één slimmerik achter de verborgen waarheid van het wereldgebeuren komt. Zoveel achterlijks gelooft toch niemand zou je denken – maar je zou ze de kost moeten geven die dat wél doen! Het zijn en blijven dan ook fascinerende verhalen…

Uitgave: HarperCollins – 2018, 496 blz., ISBN 978 940 270 162 3, € 19,99
Rechtstreeks bestellen: klik hier