Menu

vrijdag 5 september 2025

Het verbrande kind – Stig Dagerman

 


Verder met de Noordse literatuur. “… Leren schrijven doe je in de hel…”, aldus Jón Kalman Stefánsson in “Jouw afwezigheid is duisternis” (zie mijn vorige blog). Dat zou zomaar kunnen betekenen dat wij in de toekomst in ieder geval een serie geweldige schrijvers kunnen verwachten, gezien op het ogenblik Gen Z de ongelukkigste generatie ter wereld is. Het geldt al helemaal voor de grootste naoorlogse auteur van Zweden: Stig Dagerman (1923 – 1954). Hij schreef om zijn ‘behoefte aan troost te stillen’. Rekende zichzelf ‘tot het geslacht der zelfmoordenaars’. “… Het oeuvre van Stig Dagerman staat in het teken van verstikkende angst en eenzaamheid, melancholie, schizofrenie, het besef van onveiligheid en machteloosheid, bezetenheid van de dood. Hopeloosheid. Troosteloosheid. Het oeuvre van Sysifus: - alles is bij voorbaat vergeefs…”, aldus Jeroen Brouwers in “De levende stilte van Stig Dagerman”. Toevallig zag ik vandaag een interview op YouTube met theoloog/filosoof Rico Sneller die zegt dat mensen die zinloosheid ervaren daar altijd anderen mee willen besmetten. Hij noemt dat niets anders dan ‘een misdaad tegen de menselijkheid’. Dagerman verwierf desondanks de faam een wonderkind te zijn. Hem lezen zegt misschien wat over de hedendaagse zingevingscrisis. 

 

Trauma

Stig Halvard Dagerman doet denken aan Eríkur uit mijn vorige blog. Had net zo’n ‘zwart gat’ in zijn ziel. Was óók een onwettig kind dat opgroeide op de boerderij van zijn straatarme grootouders: volgens eigen zeggen ‘de fijnste mensen’ die hij ooit heeft gekend. Veertien dagen na de geboorte verdween zijn moeder. Dagerman heeft haar nooit gezien. Door zijn hele jeugd trok een stoet oude, haveloze, zwervers die zijn goedhartige oma nooit de deur wees: in sommige van zijn romans en verhalen refereert hij hieraan. Op zekere dag kwam zijn vader hem ophalen om hem zelf op te voeden in Stockholm. Kort daarna werd zijn grootvader door een verwarde streekbewoner met zeventien messteken om het leven gebracht en stierf zijn grootmoeder ten gevolge van de shock.

 

De ‘Veertigers’

In  Dagermans zwaarbewolkte werk gaat het vaak over ‘reinheid’, ‘zuiverheid’: zijn wat je in de christelijke wereld ‘zondebesef’ noemt, moet gigantisch zijn geweest. Een en ander doet me denken aan Etty Hillesum die vertelt hoe gruis en stenen de innerlijke weg naar  haar levensbron versperren. Die moet ze wegruimen om het licht van God te kunnen ervaren. Dagerman ziet ook de noodzaak zijn ‘innerlijke ruimte’ schoon te houden. Steeds terugkerende symbolen zijn de zee, eilanden en steekwapens. Dagerman was een anti-militaristische socialist. Geen wonder. In 1946 maakte hij een reportagereis door het verwoeste Duitsland waar ieder panorama uit ruïnes bestond, even surrealistisch als in een angstdroom. “… De mensen leefden er als ratten in onder water gelopen kelders, donkere krochten, treinwagons, en zonder veel benul meer van enige moraal…”, schrijft Jeroen Brouwers. “… Stig Dagerman behoorde tot de opmerkelijkste talenten van ‘De generatie van de jaren veertig’, een modernistische stroming in de Zweedse letteren, waarvan de vertegenwoordigers de met de geest van de tijd harmoniërende toon van uitzichtloos pessimisme aansloegen. Uit het proza van deze ‘Veertigers’ blijkt de levens- en maatschappij-angst, veroorzaakt door de chaos van de tweede wereldoorlog…”. Ook al was Zweden officieel neutraal, overal was de oorlog voelbaar. “… Innerlijke verscheurdheid, ongeloof, cynisme, miserabilisme – het zijn de romanconstanten die in die tijd in de literaturen van alle Europese landen werden aangetroffen. (In de Nederlandse literatuur bijvoorbeeld in het werk van Willem Frederik Hermans, in de Vlaamse literatuur in dat van vooral Louis Paul Boon, die wel meer met Dagerman gemeen heeft.) De prozawerken van de Zweedse ‘Veertigers’ dragen de invloeden van de Amerikaanse roman, Kafka, het Frans surrealisme, het existentialisme…”. Even verder: “…al was hij een vernieuwer van internationaal niveau, hij kwam onmiskenbaar voort uit de Zweedse literatuurtradities. In zijn preoccupaties met de dood vond hij aansluiting bij voorgangers als August Strindberg (1849-1912) en Birger Sjöberg (1885-1919), en bij oudere tijdgenoten als Per Hallström (1866-1960) en Pär Lagerkvist (1891-1974)…”. J. Bernlef introduceerde zijn werk in Nederland. In de vier jaar tussen zijn officiële debuut in 1945 en zijn laatste publicatie in boekvorm ("Bruiloftslied") in 1949, schreef Dagerman vier romans, twee verzamelbundels toneel, een bundel novellen, een reisreportage, veel verhalen en een stroom van krantenartikelen. Hij verwierf twee belangrijke literaire prijzen. Er viel hem een overrompelende publiciteit ten deel. Hij was zeer beroemd. En doodongelukkig.

 

Nachtspelletjes

Op den duur raakte hij opgebrand. Zijn leven viel in het slot. “… Dagerman was geparalyseerd  in het idee-fixe dat hij naar alle kanten was doodgelopen, dat alles wat hij had neergeschreven waardeloze rommel moest zijn en dat hij in alle facetten van zijn bestaan was mislukt…”. Zou hij zo consciëntieus zijn geweest dat hij ook wel inzag dat niemand vrolijk werd van zijn boeken? Dat zijn werk de lezers eerder naar de afgrond zou trekken dan inspireren? In “De levende stilte”, een essay vol messen, scheermessen, hakblokken, bijlen, ‘scherpe voorwerpen’ en nog ander ‘gereedschap van de dood’, spreekt Dagerman zich uit over zelfmoord, ‘het enige bewijs van de menselijke vrijheid’. To be, or not to be. In een brief aan een vriend: “… Ik kan niets meer, niet meer schrijven, niet meer lachen, niet meer praten, niet meer lezen. Ik voel dat ik overal buiten sta. (…) Zelf heb ik geen mens meer wat te vertellen…”. Naarmate de einddatum van zijn leven naderde, jakkerde hij s’ nachts steeds vaker op topsnelheid met zijn auto over de wegen om de dood te provoceren. Hij gaf zich over aan zijn ‘nachtspelletjes’: met draaiende motor in zijn auto in de garage zitten om te kijken hoe lang hij het in de ontsnappende koolmonoxide kon uithouden. Hij was eenendertig jaar en een paar dagen oud, net een jaar getrouwd en vader van een dochtertje, toen dat mis ging. ‘Per ongeluk’ of zelfmoord?

 

Decorum

Ondanks alle narigheid is het sterk autobiografische “Het verbrande kind” (1948) een bijna hypnotiserend verhaal over de twintigjarige Bengt Lundin junior die zijn moeder gaat begraven. Een ziel zonder eelt. Alles komt bij hem binnen en registreert hij: “… Geluidloos valt het januarilicht de kamer binnen en weerkaatst in alle blinkende krakende schoenen…”. Zijn vader houdt van een jonge, knappe tante, omdat hij van alles houdt wat mooi is. Bengt houdt van een oude, lelijke tante, omdat ze om zijn moeder gehuild heeft. Feilloos pikt hij ieders onoprechtheid op: “... Onder de lamp staan de zusters met vier vrienden van de vader die vrij hebben genomen op deze maandagmorgen om de begrafenis bij te wonen. Men had op meer gehoopt maar zelfs zij die gekomen zijn geven niets om de dode…”. De sneeuw die valt vergoedt veel: “… Vijf zwarte auto’s in een blauwe sneeuwval. Vijf zwarte auto’s die onverbiddelijk voor de deur glijden en zacht stoppen met sneeuw op hun dak…”. ‘Mooi maar afschuwelijk’ ritselen de kleren, klinken de hakken, schrapen de stoelen, klikken de sloten van de handtasjes en sluiten alle deuren zich ‘barmhartig stil’. Onderweg wordt een dominee opgepikt die zijn overleden schaapje van geen meter kent. Hij informeert hoe zijn moeder leefde en of ze in het ziekenhuis is gestorven (dat gebeurde in de slagerij tegenover hen). Hij preekt “… over een goede huisvrouw voor een goede echtgenoot en een goede moeder voor een goede zoon en een goede dochter. Want de dominee denkt dat de verloofde van de zoon een dochter van de overledene is…”, over “… een leven vol ijver en over het grote geduld dat nodig is om een ziekte te kunnen dragen…” (in feite terroriseerde zijn moeder de boel en zeurde alles aan elkaar) en over “… het geluk om in zijn eigen huis te mogen sterven, omringd door zijn geliefde naasten…” (toen het gebeurde was zijn vader zich aan het scheren en de zoon zat op zijn kamer te pokeren tegen zichzelf). Toch doet de serene plechtigheid de jongen goed.

 

Het trieste masker van de weduwnaar

Na de dienst is er een begrafenismaal in een duur restaurant (zijn vader houdt van sjiek). De weduwnaar gaat per ongeluk op de symbolisch lege stoel van zijn overleden vrouw zitten waarvoor een kaars brandt. Laat ook nog wat vallen. Zenuwachtig schiet hij in de lach waarop zijn bitse schoonzus ‘snijdend hoog’ reageert met:“… ‘Lach niet, Knut!’ Nee, hij mag niet lachen…”. Gezicht weer in de plooi. “… Dan drinken zij zwijgend op de dode. Iemand boert na het drinken maar zijn vrouw hoest om het te verbergen…”. De vader vraagt een minuut stilte voor de dode: “... Daarna is het de hele avond geen minuut meer stil…”. De aanwezigen lusten wel een borrel: “… Eerst wordt men er warm van en krijgt men mooie ogen. Alle anderen krijgen ook mooie ogen. Alles wat hard is wordt zacht…”. Even verder: “… De drank is goed. Als iemand stil zit merkt niemand het. Als iemand bang is om naar de kaars te kijken merkt ook niemand dat. Het kan zijn dat de dood een groot leeg gat is en dat verdriet betekent te begrijpen hoe leeg dat gat is, maar dat geldt slechts wanneer men nuchter is. Als men gedronken heeft kan men het gat vullen met alle schone gedachten die men maar kan verzinnen en alle mooie woorden die men kan vinden. Tot de rand kan men het vullen. En er daarna een steen op plaatsen…”. Als de vader zijn laatste gasten uitzwaait, wordt de zoon aan de telefoon geroepen. Een vreemde vrouwenstem vraagt hoe het met haar ‘lieveling’ gaat. Hij vraagt met wie hij spreekt. ‘Met Gun’ fluistert ze en gooit daarna in paniek de hoorn op de haak. Terwijl hij zijn handen om de brandende kaarsvlam vouwt, vertelt hij zijn binnenkomende vader dat ene Gun heeft gebeld: “… En het masker valt, het trieste masker van de weduwnaar. En onder het masker heerst vreugde, een wilde afschuwelijke vreugde…”. Op dat ogenblik brandt de zoon zijn handen. De vader blaast glimlachend de kaars uit.

 

Rein

Zijn moeder adviseerde haar zoon ooit, wanneer hij treurig was, een brief aan zichzelf te schrijven: “… Het loont altijd de moeite aan jezelf te schrijven…”. Dat doet Bengt dan ook. Hij vertelt hoe zijn vader de deur uitgaat om een krant te kopen en pas om twee uur aangeschoten in een taxi terug komt. Zonder krant. Als Bengt hem daarop wijst, vraagt hij of zoonlief hem soms bespioneert. Bengt gooit hem voor de voeten dat hij zijn vrouw bij leven heeft bedrogen. Zijn vader schreeuwt dat hij geen verantwoording aan hem schuldig is. Dan vraagt hij of Bengt denkt dat zijn moeder het geweten heeft. Ja, liegt Bengt reviaans, ze wist het allang en huilde altijd als hij ’s avonds weg was. “… Ik wil haar niet zien, schreeuwde ik, nooit! Toen antwoordde hij: Zij zal je moeder worden, dus je zult wel moeten….”. Hij haat zijn onbetrouwbare vader. “… Daarom wil ik rein zijn…”, schrijft hij. “… Als ik dat niet zou willen, zou ik mezelf in mijn gezicht slaan…”. Toch is hij zelf ook verre van een heilig boontje. Hij spijbelt steeds vaker van zijn colleges, terwijl hij zijn vader, een meubelmaker die lange dagen maakt op zijn werkplaats, wijsmaakt dat het allemaal prima verloopt op de universiteit. Hij wil geen medelijden van mensen die hem vanwege zijn rouwband mijden alsof hij een besmettelijke ziekte heeft, zegt hij. Zijn verloofde, Berit, beschrijft hij als een mager, zielig, nerveus meisje dat constant loopt te huilen, het aldoor koud heeft en meestal barst van de koppijn. Zijn vader vindt haar lelijk. Hij vindt haar lief.

 

Liegen uit beleefdheid

Vader en zoon doen alsof ze verdriet hebben: “… dat heet beleefdheid…”. De vader vindt de ogen van zijn zoon verschrikkelijk. Zijn blik is ‘zo naakt en onbarmhartig en jong ’: “… Er bestaat niets zo angstaanjagends voor een verhard geweten…”. De blik van zijn zoon ‘weet niets’ en ‘begrijpt daarom alles’. “… Hij is niet bang voor zijn zoon. Hij is bang voor het lelijke in hem…”. De vader blijkt met kerst een prachtige rode jurk voor zijn vrouw te hebben gekocht, in een te kleine maat. Het was nooit de bedoeling dat ze de jurk zou dragen. Hij wist dat ze gauw ging sterven. Er is trouwens een hoop gedoe met kleren en schoenen in het verhaal, waarop ook de tantes azen. Ze weten het een en ander in de wacht te slepen, maar de mooiste japonnen zijn weg. Ze proberen er bij de zoon achter te komen waar een en ander is gebleven, die wederom een stuk aan elkaar liegt. Uit een tweede brief wordt duidelijk dat hij helemaal niet meer naar college gaat. Hij maakt zichzelf wijs dat hij tijd uitspaart als hij thuis studeert. Hij verzint allerlei grappige voorvallen met professoren om zijn vader om de tuin te leiden als ze 's avonds (doorlopend) erwtensoep eten: “… In lang heeft hij niet zo gelachen. Waarom zou men iemand niet blij maken als men kan?...”. Zijn vader schaft een hond aan die hij voor een koopje uit een kennel zou hebben gehaald: tegen de eenzaamheid. De kennel bestaat helemaal niet, weet Bengt. Als hij vraagt naar zijn moeder’s rode jurk, zegt de vader dat hij hem heeft verkocht.

 

Arglistig is het hart

De vader gaat uit met de hond want honden hebben beweging nodig. De zoon besluipt zijn vader op straat, die in de buurt van een kleine bioscoop pleegt te verdwijnen. De vader loert in een kroeg naar zijn zoon, die steeds naar buiten komt als hij net is vertrokken. Op een avond biedt zijn vader Bengt een borrel aan. Dan pas durft hij met hem te praten. “… Als de zoon vrolijk wordt, wordt ook de vader vrolijk, want onze gevoelens zijn listig als slangen. Ze zijn ook vals als slangen heten te zijn…”. Voorzichtig probeert de vader zijn zoon te masseren richting de acceptatie van zijn minnares: “… ‘Bengt,’ fluistert hij en legt de hand op de zijne, ‘dood is dood. Daarom moet je verder gaan. Je moet denken aan hen die leven. Gauw genoeg ben je zelf dood, Bengt. Dan is het goed om geleefd te hebben. Begrijp je wat ik bedoel?...”. Even verder: “… Zij is erg aardig. Dat zul jij ook vinden. Ik geloof dat jij haar aardig zult vinden…”. Bengt blijft volhouden dat hij haar nooit wil zien, maar in zijn roes neemt zijn weerstand toch wat af. Pas als hij in de kleine bioscoop opmerkt dat de cassière op zijn moeder lijkt en zijn vriendin dat tegenspreekt maar wel zegt dat ze dezelfde rode jurk aan heeft, gaat bij hem een lichtje branden. Thuis draait hij het nummer dat hij in de portefeuille van zijn vader achterop een kruideniersbonnetje heeft gevonden. ‘Bioscoop De Lantaarn’, zegt een vrouw in zijn oor. Beet…

 

Vervolgingswaan

In de derde brief schrijft Bengt dat het gemis van zijn moeder het hem onmogelijk maakt zich te concentreren op zijn studie. Ook denkt hij dat zijn vader aan vervolgingswaanzin lijdt. Zo gauw hij hun flat verlaat, zit zijn vader hem op de hielen: “… Ik geloof dat hij mij met de hond najaagt, de hond mijn sporen laat ruiken…”. Hij bedriegt zijn vader met de onzin dat hij cum laude is geslaagd voor zijn tentamens. Als deze op een zeker moment tegen middernacht thuiskomt, deelt hij zijn zoon zonder meer mee dat zijn minnares de volgende avond op bezoek komt. Hij moet zijn vriendin ook maar uitnodigen. Dat is even slikken.

 

Alles gaat altijd anders dan je denkt

De hele dag denkt Bengt na over hoe hij de zaak gaat aanpakken. Die avond zorgt hij dat er een theeservies klaarstaat voor vijf personen. Zijn moeder is er onzichtbaar bij. Een brandende kaars vertegenwoordigt haar wederom. Terwijl hij voor het raam staat, ziet zijn vader dat de pendule stilstaat op drie uur: het tijdstip van overlijden van zijn vrouw. De sleutel is zoek. De vader verdenkt zijn zoon er in stilte van dat expres te hebben gearrangeerd. Hij is zelfs zo bang voor Bengt dat hij in gang de zakken van zijn jas controleert op een verborgen wapen. Beiden verstijven van het geluid dat de vriendin van Bengt in de keuken maakt: alsof de dode er weer rondscharrelt. De vader commandeert haar te zingen: “… Dan begint Berit te zingen, omdat hij tegen haar geschreeuwd heeft het te doen. Alles wat men haar schreeuwend vraagt, doet ze. Zelfs alles waar men haar gewoon om vraagt, doet zij. Daarom krijgt men zin haar het onmogelijke te vragen. Haal de maan naar beneden Berit, wil men schreeuwen, of doof de zon! Als men dat doet, begint Berit te huilen. Niet omdat men onrechtvaardig tegen haar is, maar omdat het niet kan…”. Bengt is van plan zich als graniet op te stellen tegenover Gun. Wat hij niet verwacht is dat ze hem een bos bloemen in de handen duwt, die hij verbouwereerd aanneemt. Achteraf bedenkt hij dat hij dat nooit had moeten doen. Gun gaat ook nog eens geanimeerd met Berit aan de gang. Diep in Bengt ligt een schreeuw begraven, schrijft Dagerman: “… Het is een ei dat onder heet zand begraven ligt en er zal nog veel meer hitte nodig zijn om het te doen breken. Als het gebroken is zal het uitkomen maar niet voordat de schaal gebroken is zal iemand weten hoe het eruit zal zien. Zelfs hijzelf zal dat niet weten…”. Met andere woorden, wanneer Bengt ontploft is zijn gedrag volkomen onvoorspelbaar.

 

Dierenmishandeling

Bengt heeft zijn vingers alweer verbrand toen hij eerder die dag even controleerde of de kaars goed brandde. Hij drukte de lont uit, maar vergat zijn vingers met spuug te bevochtigen. De stilte die er na de thee valt, doorbreekt zijn vader tijdens het afruimen door net te doen of hij struikelt met het dienblad. Hij heeft er zelfs een apart apparaatje voor geleend van zijn collega. Het maakt een geluid van een vracht vallend porselein. Gun glimlacht verontschuldigend naar Bengt. Bengt glimlacht verward terug, terwijl hij zich wel voor zijn kop kan slaan. Dat had hij nooit moeten doen: “… Streng en hard zijn en niet glimlachen. Maar als Judas thee en port met ons gedronken had, zouden wij teruglachen als hij naar ons glimlachte…”. Tot opluchting van zijn vader zegt hij dat hij Berit terug naar huis gaat brengen en voorlopig even wegblijft. Buiten merkt Berit op dat zijn aanstaande stiefmoeder de rode japon van zijn moeder aanheeft. En haar schoenen. Het maakt hem razend. Hij suggereert hoofdpijn, zet haar op de tram en keert terug naar huis. Op zijn tenen sluipt hij de flat binnen en opent voorzichtig de deur naar de kamer waar hij Gun naakt op zijn moeders divan ziet liggen. Hij wíst het gewoon! Met de hond rent hij naar buiten de regen in. Háár hond, snapt hij plotseling. En dan gebeurt het moeilijkst verteerbare van heel het boek, vind ik persoonlijk. Uit frustratie grijpt hij de hond en mishandelt het dier tot er ergens een licht aangaat. Even later heeft hij alweer spijt: “… Koud van schaamte sleept hij hem met zich mee de trappen op. Want het ergste van dieren slaan, is dat men ze niet om vergeving kan smeken…”.

 

De gezagscrisis

In de vierde brief schrijft Bengt weer uitgebreid over zijn visie op ‘reinheid’. Hij weigert sinds kort de grote kamer te betreden als zijn vader er is. Ouders leven altijd een veel onreiner leven dan hun kinderen, omdat ze zichzelf alles vergeven, volgens hem. Hun zogenaamde ‘levenservaring’ is louter cynisme. De ‘naïviteit’ waarvan ze kinderen betichten, hun ‘onervarenheid’, is in feite nog ‘onbezoedelde  reinheid en eerlijkheid’. Opvoeding is niets anders dan de poging van ouders “… om bij hun kinderen te verstikken wat zij herkennen als het verstikte in henzelf…”. Hoogmoedig en verwaand scheppen zij met valse trots op over hun levenservaring, “… alsof het iets bijzonders en opmerkelijks zou zijn het beste in zichzelf vernield te hebben…”. Nooit zal hij de daden accepteren die zijn vader zonder berouw, schaamte of gewetenswroeging pleegt. Hij neemt niet eens meer de moeite zijn bezoeken aan zijn minnares te verbergen. Bengt ziet zijn nauwgezette zelfanalyse als het voornaamste wapen om zich zowel tegen de slechte voorbeelden van anderen, als tegen de driften in zichzelf te beschermen: “… ik geloof dat er voor degene die zichzelf kent en steeds zijn situatie en zijn daden analyseert geen verleiding bestaat die hem een kant op kan drijven die hij zelf niet wilde gaan…”. Meneer pastoor zou het niet beter kunnen zeggen, denk ik. Hij snapt maar al te goed waarom zijn vader de veertigjarige Gun een ‘heerlijke vrouw’ vindt: “… Omdat hij bij haar precies die ‘onverantwoordelijkheid’ en dat gebrek aan plichtsgevoel vindt waarvan het ontbreken in moeder hem altijd ergerde…”. In wezen heeft Gun een koude en voor het lijden van anderen onverschillige natuur, gelooft Bengt. Anders had ze zijn vader op de dag van de begrafenis wel met rust gelaten. Hij spreekt zichzelf parmantig toe: “… De reinheid is een strenge heer, Bengt, maar gehoorzaam je hem dan ben je gelukkig. Daarom moet je hem gehoorzamen, in alles, zelfs als die gehoorzaamheid je in moeilijke conflicten kan brengen…”. Plotseling herinnert hij zich dat hij als kind met mazelen in bed lag en er ene Eric was binnengekomen, waartegen zijn moeder op een gegeven moment fluisterde: ‘Nee, nee, niet nu, Bengt kan het horen’. Pas nu dringen de implicaties daarvan tot hem door. Zelfs zijn moeder was niet van een onbevlekte reinheid. De enige die je kunt vertrouwen ben je uiteindelijk zelf, concludeert Bengt. Hij merkt dat zijn gevoelens er ten opzichte van zijn moeder door veranderen. Ergens lijkt hij ook opgelucht dat hij dus niet meer zo verdrietig hoeft te zijn. Inmiddels heeft de vader de hond teruggegeven aan zijn minnares. Ik denk dat het voorgaande een goed voorbeeld is van de opstand tegen het patriarchaat die na de Tweede Wereldoorlog losbarstte: de vaders hebben de ondergang niet weten te voorkomen.

 

Midzomer op een eiland

Gun vraagt of Bengt met zijn vader en verloofde Midzomer wil doorbrengen in haar vakantiehuisje op een eiland. Bengt zegt ja. Daar kan niemand weg. Dan kan hij zich op haar wreken. Terwijl ze naar het eiland varen: “… Ze zitten in een boot, in een bootje op een enorme zee. Met mensen in een bootje gebeurt iets vreemds…”. Tussen mensen in bootjes ontstaat ‘onvoorziene genegenheid’: “… Men heeft slechts elkaar en het diepe water schrikt af en bootjes zijn erg breekbaar. Een ieder wordt de anders reddingsboei…”. Even verder: “… Daarom zullen wij aardig voor elkaar zijn zolang er water is…”. Tijdens de vakantie houdt Bengt de minnares van zijn vader constant in de gaten. Hij raakt geobsedeerd door haar. Als een eersteklas voyeur bespiedt hij het stel dat in het donker in de baai zwemt, terwijl zijn eigen lief ‘ziek’ in bed ligt.  Hij is woedend als ze samen in een bootje vertrekken en hij achter moet blijven omdat zijn vriendin niet mee wil. Op een nacht roeit hij met wilde zelfmoordvisioenen de zee op. Geniet van het idee hoe ontdaan Gun zal zijn als het bootje als een doodskist terug zal drijven. Wanneer de boot tegen een klip stoot, weet hij echter niet hoe snel hij terug moet roeien. Niemand die het opvalt dat hij weg is geweest. Hij merkt dat Gun bang wordt van zijn starende blik, wat hem een oppermachtig gevoel geeft. Op de laatste avond, als Gun in haar eentje nog laat spullen aan het inpakken is, springt hij uit zijn bed, gaat naar haar toe en kust haar. Waarom hij zo blij is, vraagt zijn verloofde, als hij terug komt. Niet omdat hij verlost is van een gezworen wraak, weet hij. Maar omdat hij verlost is van een langdurige jaloezie.

 

Jezelf opofferen

In een brief aan Berit schrijft Bengt dat ze zich absoluut niet ongerust hoeft te maken dat zij de rest van de zomer bij haar ouders doorbrengt, terwijl hij in de hete stad blijft. Hij moet nog zoveel studie inhalen! Als Gun langskomt terwijl zijn vader naar een verjaardag is, gaan ze met elkaar naar bed. Uit een brief aan Gun blijkt dat hij zijn vader heeft wijsgemaakt dat hij op herhalingsoefening moet in het leger, om met Gun samen te kunnen zijn in een huisje van haar vriendin. Hij krijgt het voor elkaar zijn visie over ‘reinheid’ in een dergelijk vat te gieten dat hun affaire er zelfs het toppunt van wordt. “… Anderen bedriegen is niet netjes, maar jezelf bedriegen is gevaarlijker…”. Bovendien hebben zijn ouders het ook gedaan. Is ‘reinheid’ niet “… alles te kunnen opofferen behalve het ene waar je voor leeft…”? Ja, door Gun heeft hij zelfs de mogelijkheid gekregen om een rein leven te leiden: “… Nu wil ik alles opofferen: mijn studie, mijn verlangen naar moeder, mijn vaders vertrouwen, mijn verloofdes toegevendheid, voor het enige wat ik de moeite waard vind om voor te leven: mijn liefde voor jou…”.

 

Moordenaar

Na tien dagen zijn ze elkaar goed zat: “… Dan kan men slechts de bitterste van alle waarheden erkennen, de bitterste maar ook de beste: dat twee mensen die elkaar liefhebben niet alleen op een eiland kunnen zijn zonder dat hun liefde eindigt; dat zij geen eiland zijn. Zij hebben banden met het vasteland nodig, ze hebben alle andere mensen nodig…”. Op een nacht wordt Bengt wakker en begrijpt dat het afgelopen is. Hij ziet dat Gun oud is en dat hij haar nooit jong zal kunnen maken: “… als de lust in ons begint te doven komt de gewetenswroeging en komen de vele vragen. Zolang het genot duurt kunnen we gelukkig zijn. Zolang kunnen wij ook rein zijn. Maar nu ligt hij daar en voelt zich vreselijk smerig…”. Daarom haat hij Gun en heeft haar even later weer lief. In hem huizen ‘een tijger en een gazelle’. In een la vindt hij een pijp. In haar tasje een sigarettenetui met de initialen E.S. Hij begrijpt dat ze van zijn voorgangers zijn. Dat alles bedrog is: “… Als wij zelf een mens bedriegen kunnen we dat heel goed begrijpen omdat iedere naakte daad die wij stellen een eskorte van verklaringen met zich meevoert. Maar dat wij zelf misschien bedrogen kunnen worden is onbegrijpelijk…”. Hij werpt Gun voor de voeten dat ze niet van hem houdt. Ze antwoordt dat zij het niet kan helpen dat ze twee keer zo oud is als hij. Natuurlijk heeft ze voor hem vele anderen gehad. Wat dacht hij dan? Ze merken dat ze niet met elkaar kunnen praten: “… werkelijk bang worden wij pas als wij begrijpen dat een andere naam voor diepte, leegte is…”. In de keuken stort Bengt zich op de hond om hem te wurgen. Gun knijpt hem tot hij loslaat. Vervolgens is Bengt weer bang dat hij ‘niet normaal’ is. Gun beseft dat ze opgescheept zit met een moordenaar als hij de hond écht doodt, tijdens een roeitochtje.

 

Vrede

Uit een brief die Bengt met kerst naar zijn vader stuurt, blijkt dat het leven gewoon op de oude voet is doorgegaan. Hij heeft het leuk bij de ouders van zijn vriendin. Die winter trouwt zijn vader met Gun en gaan ze met z’n vieren per slee over het ijs naar het vakantiehuisje van Gun op het eiland. In het huisje wordt veel gedronken en kan Bengt zijn schizofrene toestand niet langer hendelen. Hij probeert zich op te hangen aan een boom, maar de tak breekt. Een tijdje later krijgt hij het scheermes van zijn vader te pakken en snijdt zijn pols door. Iedereen schiet onmiddellijk in de zorgmodus en is een en al aandacht voor hem. Ze krijgen hem op tijd in een ziekenhuis waar de jaap gehecht wordt. Zijn omgeving is zo overweldigend aardig voor hem dat het is alsof hij in een warm bad glijdt. Nog nooit  is hij zó gelukkig geweest. Voor het eerst voelt hij iets van vrede. Eindelijk is hij weer het kleine, lieve jongetje van vroeger. Hoe noem je zoiets ook al weer in de psychologie? Regressie toch?

 

Uitgave: Kopernik – 2022, vertaling J. Bernlef,  ISBN 978 908 326 213 0, 23,50

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

maandag 1 september 2025

Jouw afwezigheid is duisternis – Jón Kalman Stefánsson

 

 

“… Alleen God kent de antwoorden, staat er ergens geschreven, maar God heeft in tweeduizend jaar geen woord gezegd en de mens blijft zitten met de vragen, de onzekerheid, de angst voor de zinloosheid. God kent de antwoorden en de context, de mens leeft in onzekerheid en daar komen de verhalen vandaan. Maar waar wil je de duivel plaatsen?...”, vraagt de ongrijpbare verteller die zijn geheugen kwijt is geraakt, en ook niet meer terug krijgt, aan de lezer in het lijvige, eindeloos weemoedige en onwerelds romantische “Jouw afwezigheid is duisternis” van Jón Kalman Stefánsson (Reykjavik 1963). Zijn familiesaga ís bijna de ruige, stille, mistige, koude, winderige hoogvlakte waar het verhaal zich afspeelt, schaars bevolkt door zoekende maar halsstarrige mensen die zich, met hun heftige doch vaak onmogelijke liefdes, een weg door het leven ploeteren. En dat alles gelardeerd met heel veel popliedjes en, waar ik zelf nooit genoeg van krijg: boeken. Kalman werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won zowel de IJslandse literatuurprijs als de Per Olov Enquist-prijs. In 2019 werd hij geridderd in de Orde van de Valk. Emma Menkveld in De Volkskrant van 18 oktober 2024: “… De gevierde IJslandse auteur geldt al jaren als Nobelprijskandidaat, al stond hij dit jaar niet erg hoog op de lijstjes van de bookmakers. Het is te hopen dat het er nog eens van komt. Stefánssons oeuvre is één groot pleidooi voor de verbeelding en haar vermogen om menselijke grenzen te overschrijden. Volstrekt origineel schrijft hij over thema’s als verlies, ons besef van sterfelijkheid, het verlangen naar een veilig thuis, meestal verpakt in verhalen over zwijgzame, zonderlinge personages die deels in de verbeelding leven. De grens tussen fantasie en werkelijkheid is steevast poreus, net als die tussen de levenden en de doden…”.

 

Tot in het derde en vierde geslacht

Jón Kalman Stefánsson begint met een uiteenzetting van zijn levensfilosofie, wat misschien een tipje van de sluier oplicht rond zijn boek: “… Het belangrijkste is dat de dingen die een blijvend effect op je hebben, diepgaande gevoelens, vervelende ervaringen, tegenslagen, intens geluk – beproevingen of geweld die in de samenleving of in jouw wereld erin hakken -, je zo diep kunnen raken dat ze in de genen worden geperst, vervolgens van generatie op generatie worden doorgegeven, en zodoende degenen vormen die nog niet geboren zijn. Dat is een natuurwet. Ze dragen het enthousiasme, de herinneringen, ervaringen en tegenslagen van de ene ziel over naar de andere en op die manier leven sommigen van ons verder, lang nadat wij zijn verdwenen, zelfs helemaal vergeten. Het verleden zit dus altijd in ons. Het is een onzichtbaar, geheimzinnig continent dat je soms in half wakkere toestand tegenkomt. Een continent met bergen en zeeën die een constante invloed hebben op het weer en de lichtstralen in je binnenste…”. 

 

Picknicken op het kerkhof

Het verhaal. Een jongeman komt bij zijn positieven in een koude plattelandskerk zonder een herinnering aan wat dan ook. Hij is niet alleen. Achter hem ontdekt hij iemand die hem spottend opneemt. De predikant? De duivel? “… Als er vragen zijn, moeten er dan geen antwoorden te vinden zijn?...”, zegt de iemand. “… Maar hou er rekening mee dat de vragen soms het leven zijn, het antwoord de dood – stap daarom voorzichtig rond op aarde, man!...”. Daarna wuift hij de jongeman weg die opstaat en over de krakende vloer naar buiten loopt, waar een blauwe Volvo staat die blijkbaar van hem is. Hij wil net instappen als er een vrouw op hem af komt die hem kent en verrast omhelst. Ze nodigt hem uit voor een picknick bij het graf van haar moeder. De titel van het boek blijkt een grafschrift: “… De herinnering aan jou is licht, jouw afwezigheid is duisternis…”. Het doet denken aan historische en culturele tradities waarbij een dodenmaal op het graf werd/wordt gehouden, variërend van de oude  Romeinen tot de Mexicaanse viering van Allerzielen. Terwijl ze samen een fles wijn soldaat maken, vertelt de vrouw het levensverhaal van haar moeder, Aldís, die op haar negentiende met haar verloofde naar het verafgelegen Krossneslaug op weg was, om in een warmwaterzwembad recht tegenover de turbulente Noordelijke IJszee de liefde te bedrijven: “… Dat moest een soort inwijding zijn en vervolgens een bezwering of een plechtige belofte aan het lot dat het leven vervuld zou zijn met kracht van de oceaan en omhuld met de warmte van de liefde…”.

 

Het  noorderlicht van IJsland is als de hasjiesrook van God

Edoch, niet ver van de kerk krijgen de verloofden een lekke band en vragen hulp aan een jonge boer op een tractor, wiens absurd blauwe ogen in Aldís’ binnenste een blikseminslag veroorzaken. Weer thuis, kan ze alleen nog maar aan hem denken, slaapt niet meer, eet niet meer, stort zich na vier dagen in de armen van haar moeder, die in plaats van haar tot bezinning te brengen (en getriggerd door haar eigen teleurstellende huwelijk), aanmoedigt de kans te pakken die andere vrouwen nooit krijgen: namelijk om haar eigen lot vorm te geven. Ze zet haar dochter met twee leesboeken voor de ellenlange rit op de bus terug naar het noorden: “Twenty Love Poems and a Song of Despair” van de Zuid-Amerikaanse dichter Pablo Neruda en “The French Lieutenant’s Woman” van de Engelse schrijver John Fowles. Als Aldís de jonge boer weer ziet, neemt hij haar ook mee naar de windstille plek achter de muur van het kerkhof, om samen een fles wijn leeg te drinken terwijl ze praten. Aldís zal voor altijd bij haar boer, Haraldur, blijven, die aan het bedrijf vast zit omdat zijn vader in elkaar is gezakt en overleed, even nadat zoonlief kenbaar had gemaakt naar de universiteit te willen om ‘gelukkig te worden’ (terwijl op de radio “De moeder” van Maxim Gorki werd voorgelezen). Hij kan zijn moeder moeilijk aan haar lot over laten. Aldís en Haraldur krijgen twee dochters: Sóley  en Rúna. De droom om te studeren verdwijnt niet, en als de meisjes groot genoeg zijn, verpachten hun ouders het land en gaan beiden alsnog naar de universiteit. Na zeven jaar Reykjavík en Parijs keren ze pas weerom. Als de vertelster, Rúna, inmiddels gepromoveerd in historische filosofie, haar ouders na een avondje uit eten in een nieuw restaurant naar huis rijdt, wordt ze als het ware betoverd door het krachtig golvende poollicht: “… Het noorderlicht in IJsland is als de hasjiesrook van God!...”. De weg is spiegelglad. Rúna verliest de macht over het stuur. Aldís verongelukt en Haraldur belandt tot zijn middel verlamd in een rolstoel. Rúna  houdt voorlopig haar vader gezelschap en de schapenboerderij zo’n beetje draaiend, terwijl haar zus Sóley een hotel bij een fjord runt dat door een uitgekiende reclame op de sociale media steeds meer toeristen begint te trekken, ware het niet dat corona roet in het eten gooit. Welnu, die avond is daar een festival, waar de jongeman beslist heen moet:  Sóley zal niet weten hoe ze het heeft als ze hem ziet.

 

Wie ben ik?

Dus rijdt de jongeman gehoorzaam naar het hotel. Onderweg wordt hij bijna plat gereden door een paar  tegemoet komende vrachtwagens die  de bergweg af komen jakkeren en ziet hij meerdere streekbewoners met geweren. De onwaarschijnlijk mooie eigenaresse van het hotel schijnt hem inderdaad te kennen. Sterker: het is of ze wat met elkaar hebben gehad. Sóley voorziet hem van een pilsje en wanneer ze aan de telefoon is, leest de man zonder geheugen een artikel in een tijdschrift over de argumenten die wijzen op het bestaan van oneindig veel universums waarin je misschien gelijktijdig bestaat. Daardoor komt de vraag ‘Wie ben ik?’ in een wel heel vreemd licht te staan. Ligt hier misschien iets van een verklaring voor zijn toestand? “… Dan is het alsof iets me tegenhoudt – en alles komt met een razende vaart in mijn binnenste in beroering. Het lijkt erop dat ik een krachtige elektrische schok heb gekregen die een stroom wazige gedachten en irrationele gevoelens in mijn binnenste vrijmaakt. Ik loop snel naar de balie, zie een stapel A5-memo’s liggen met de naam van het hotel bovenaan. Ik strek mijn hand uit naar een paar blaadjes, vind een pen en begin te schrijven. Eigenlijk zonder erbij na te denken…”.

 

Onder de oppervlakte

We moeten “… terug in de tijd, in het verleden, daar waar we allemaal vandaan komen, daar waar we allemaal van afstammen, waar de meeste verklaringen te vinden zijn, daar waar alles begint…”, volgens Jón Kalman Stefánsson. Terwijl de Industriële Revolutie Europa in de negentiende eeuw totaal veranderde, gaf IJsland geen krimp - zie de boeken van Halldór Laxness en Kristmann Guðmundsson. De tijd had er zich in duizend jaar amper geroerd: “… het leek of wij op een andere planeet woonden, in het zuiden van Europa en het westen van Amerika verrezen fabrieken en steden, treinen reden steeds sneller, revolvers kregen steeds meer precisie, maar hier werden de vogels niet eens schuw, we bleven slecht geschoeid, hadden constant natte voeten, kwamen nog steeds uit dezelfde donkere schaapskooien, lage koeienstallen, maaiden de met grasbulten bedekte weiden volgens een duizend jaar oude methode…”. Even verder: “… Opmerkelijk toch, een wonder zou ik zeggen, zei Skúli, dat dit volk niet heel lang geleden van verveling gestikt is, simpelweg in die verdomde stilstand weggerot is…”. Maar onder de oppervlakte, o man : “… Wie oordeelt naar de oppervlakte, begrijpt niet veel…”.

 

Krankzinnig worden omdat je het leven begrijpt

Het verhaal rolt naar een hippie met een buks die de man zonder geheugen buiten heeft zien lopen. Eríkur. Hij moet misschien naar de gevangenis omdat hij op een vrachtwagen heeft geschoten die een paar van zijn puppy’s heeft overreden. Hij is, evenals zijn opa, een buitenechtelijk kind: zie hoe de geschiedenis zich herhaalt. Welnu, Eríkur’s overgrootmoeder, een totaal ongeschoolde, doodarme, negentiende-eeuwse boerin zonder zelfs maar stemrecht, stuurde ooit een zelfgeschreven artikel over de regenworm naar een gerenommeerd tijdschrift, dat op het bureau van een van de redacteuren, dominee Pétur belandt: een vanwege de dood van zijn dochtertje getraumatiseerde man. Terwijl hij zich zit te bedrinken, wrijft hij zijn ogen uit. In gedachten overlegt hij met de dode Duitse dichter Hölderlin die hij, in een kistje bewaarde, brieven schrijft. Moet hij de onbekende schrijfster antwoorden? Ja, vindt Hölderlin, “… een mens moet het leven grijpen en nooit formeel zijn tegenover iets wat zich op zo’n ongewone manier aandient, grijp het aan en maak je niet druk over de consequenties…”. Zie de moeder van Aldís. “… Waarom zou ik jou serieus moeten nemen, vraagt Pétur, heb jij soms niet je verstand verloren, ben jij de laatste jaren in de toren niet krankzinnig geworden? Bovendien ben je dood, wat weet jij van het leven?...”. Hölderlin: “… Ik werd krankzinnig omdat ik het leven begreep…”. De brief gaat de deur uit en het artikel wordt geplaatst.

 

De kompasnaald van je hart

Wat is beter: de kompasnaald van je hart volgen, zelfs als daar werelden door vergaan, of je hart te smoren zodat alles bij het oude blijft, en daarmee jezelf op te offeren? “… Er staat ergens geschreven en het wordt als waar gezien: ‘Het is onmogelijk om als mens te leven zonder tenminste één keer je speelgoed te breken.’…”. Is dat zo? De dominee gaat zélf drie boeken naar de schrijfster op het verafgelegen keuterboerderijtje brengen. Zes uur rijden op zijn paard. De schrijfster heeft de roddels al vernomen over dat hij een atheïst zou zijn die tóch kan troosten. Ze zou hem wel eens willen horen preken, de meeste dominees vindt ze zo inspirerend als een koeienkont. Als hij aankomt luistert ze in het duister van de gang naar de conversatie tussen hem en haar echtgenoot buiten. Ze laat hem anders denken, zegt de eerwaarde. Ze heeft het talent de mensen alles met andere ogen te laten zien (en dat is precies het doel van literatuur). Dan treedt ze in het licht.

 

Leren schrijven doe je in de hel

Het hele verhaal van hierboven blijkt de man zonder geheugen op minstens zeventig blaadjes met het logo van het hotel te hebben gekalkt, waar Sóley verbijsterd naar kijkt als ze de telefoon heeft neergelegd. “… Ik herken je gekriebel, zegt ze. Weet je nog, je noemde het een duivelsschrift. Je zei dat je in de hel had leren schrijven, altijd zo heerlijk dramatisch. De hel is natuurlijk de uitgelezen plek voor een dichter om te leren schrijven…”. Ooit schijnt hij tegen haar te hebben gezegd dat hij alleen maar bestond, als hij schreef. Nou, dat is in dit geval dan letterlijk waar. Er komt een reus van een bosbouwer, met in zijn kielzog een kleine filosoof die straalmotoren verkoopt, om de feesttent in de tuin op te zetten. De bomenkweker vertelt hoe zijn pornoverslaving hem op het pad bracht van twee in de prostitutie gedwongen Syrische vluchtelingenzusjes die hij bij wijze van boetedoening heeft gered. “… Ik begon me in te lezen over mensenhandel en kwam erachter dat het net zo lucratief is als de handel in drugs en illegale wapens. Je verdient met het verkopen van kinderen en vrouwen in de seksslavernij net zoveel als met de verkoop van straaljagers – alleen al in Europa zijn er de afgelopen tien jaar duizenden in de seksslavernij verkocht…”. De zusjes koken in het restaurant inmiddels het lekkerste eten van de wereld. Sóley biedt de man zonder geheugen een kleine stacaravan aan om in te overnachten. Hij schrikt zich rot als hij er de predikant annex duivel in aantreft (“… Zat er een zwavelgeur aan zijn vingers?...”, staat er ergens, wat me aan “De schaduw van de wind” van Carlos Ruiz Zafón doet denken). Hij zegt dat de man zonder geheugen hem maar ‘Snuffel’ moet noemen, of anders ‘Dingdong’. Een eindje wordt hij zijn ‘geheimzinnige gids’ genoemd, wat bijna aan Vergilius van Dante doet denken. Voor hem liggen de volgeschreven blaadjes. Hij moedigt de man zonder geheugen aan door te gaan met schrijven. “… Waarom schrijf jij niet? Voor jou lijkt alles volkomen duidelijk…”, zegt de auteur. Zijn gids: “… Wie alles weet, kan niet schrijven. Wie alles weet, verliest het vermogen te leven, want het is de onzekerheid die de mens voortdrijft. Onzekerheid, angst, eenzaamheid en verlangen. Niet te vergeten de paradox. Jij weet niet veel, dat is waar, maar terwijl je schrijft, zie je door muren heen, door heuvels en hoogten…”.

 

Degenen die twijfelen

De geportretteerde boerin wordt uitgenodigd voor een redactievergadering in de grote stad. Blijft logeren bij een dokter. Ziet zichzelf naakt in een manshoge spiegel: “… Ze draait in de rondte om zichzelf van alle kanten te bekijken. De ijdelheid won, de duivel scoorde punten. Ach, is dat wel zeker? Wat weten wij over goed en fout? Misschien maakt dit soort ijdelheid deel uit van de zelfanalyse, het zelfonderzoek en misschien heeft de duivel altijd een stapel boeken op zijn nachtkastje, een fervent lezer van zowel nieuw als oud, met Dante en Jo Shapcott, Knut Hamson en Amos Oz naast zich, eerlijk gezegd is dat niet onwaarschijnlijk. Weet je, de duivel is een gevallen engel (zie mijn blog over “Lucifer”), een rebel die zich niet kon verzoenen met de dictatuur van de hemel – degenen die twijfelen en het leven van alle kanten willen zien, zoeken het in fictie…”. Ze verdiept zich in  “De onderwerping van de vrouw” van John Stuart Mill  en ziet dominee Pétur terug, die komt binnenvallen met de boodschap dat Émile Zola is gearresteerd (vanwege Dreyfus). Natuurlijk worden ze stapelverliefd op elkaar. Een liefde die niet mag bestaan. Uiteindelijk kiezen ze voor hun gezin. Heeft de man zonder geheugen eenzelfde lot ondergaan?

 

Geef mij duisternis en dan weet ik waar het licht is

De gids bakt als troost pannenkoeken voor de schrijver en zegt dat hij “… niet moet vergeten dat degene die nooit door de liefde is beschadigd het leven niet kent. Zelfs nooit heeft geleefd…”. Vervolgens wordt het verhaal vertelt van hippie Eríkur die opgroeit op de boerderij van zijn opa en oma, samen met zijn bijna altijd afwezige vader, een muzikant en verhalenverzamelaar, en zijn oom, de eerste fjordbewoner die naar de universiteit gaat om geschiedenis en filosofie te studeren, en promoveert op Kierkegaard. “… Wie is Kierkegaard, vroeg Eríkur. Halldór: Een Deense filosoof die naar God schreef en antwoord kreeg…”.  Volgens Kierkegaard kun je het leven samenvatten onder het motto: “… Geef mij duisternis en dan weet ik waar het licht is…”. Wie oren heeft om te horen, die hore.

 

De mysterieuze kracht die de mens altijd heeft gevoeld

Eríkur weet niet beter als dat zijn moeder is gestorven bij zijn geboorte. Daarom leeft hij met een ‘zwart gat’ in zijn ziel. Het is ingewikkeld om mens te zijn, zegt zijn oma. Een briljante methode om blij te worden, te vergelijken met vele uren bij een psycholoog, is jezelf vergeten, je bewustzijn ontlopen, weg van de kwelling die het ik achtervolgt, volgens haar: “… Vergeten dat je bent wie je bent. Dat kan bevredigend zijn, een grote opluchting, een welkome rust, maar natuurlijk niet zonder gevaar, want sommigen raken aan de alcohol of drugs, worden meegezogen in seks of religie, maken eindeloze reizen in de hoop aan te komen op een plek waar ze zichzelf nergens vinden…”. Achter alles zit een formidabele kracht die de mens waarschijnlijk altijd heeft gevoeld, aldus zijn opa: “… Een stille, onzichtbare, mysterieuze kracht die we ofwel God ofwel het lot hebben genoemd – maar we hebben er altijd moeite mee gehad ze van elkaar te onderscheiden. Maar hoe de kracht ook genoemd wordt, hij lijkt al het leven voort te stuwen. Zowel het grote als het kleine. Het leven van de mens en dat van de regenworm. Het leven van de aarde en van de Melkweg. Hij drijft het zonnestelsel aan, hij drijft de sterrenstelsels aan en hij omringt waarschijnlijk het universum…”. Even verder: “… We verdwijnen erheen, vervloeien ermee en worden er één mee…”. Volgens Eríkur denken zijn oma en opa veel na over die mysterieuze kracht: “… en ik denk dat ze geloofden dat ons leven hier en nu, ons denken en handelen, op de een of andere manier een constante invloed erop heeft. En de mens is dientengevolge, of hij het nu leuk vindt of niet, niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf en zijn eigen leven, maar voor de gehele wereld. Of, met andere woorden: de wereld vormt ons en wij vormen haar met ons gedrag en ons leven. Maar dat is niet genoeg, want wat je hier aan deze zijde van het leven doet, zal op de een of andere manier aan gene zijde op je wachten…”.

 

Dark matter

Met zijn opa filosofeert hij over ‘dark matter’, de zwarte materie waar vijfentachtig procent van het heelal uit bestaat. De essentie van het universum is volledig onzichtbaar. Niemand die er een fatsoenlijke verklaring voor heeft. Huist daar de kracht waar zijn opa en oma in geloven? Eríkur verbindt deze vijfentachtig procent later met zijn verborgen leven, getekend door een geheime relatie met een getrouwde vrouw, die uiteindelijk voor haar man en kinderen kiest. Achteraf is deze verliefde periode beslist geen positieve ervaring: “… Vier jaar lang blokkeerde dat alles. Verlamde alles…”.  Even verder: “… Er is niets zo egoïstisch als de liefde. Ze neemt je volledig in bezit. Ze is als een vergif. Ze kan een mens tot slaaf maken. Vooral de liefde die je niet kunt zien. Dan verandert ze in donkere materie die de wereld regeert…”. Hij liegt niet alleen over zijn eigen leven, hij komt er achter dat hij zelf ook is voorgelogen, als hij een brief vindt die (nog) niet voor zijn ogen is bestemd. Zijn moeder blijkt wel degelijk in leven, maar heeft hem bij zijn opa en oma gebracht omdat ze uiteindelijk ook voor haar gezin koos in plaats van voor zijn vader. Hij is dus niet schuldig aan haar dood. Of indirect verantwoordelijk voor de daaruit ontstane drankzucht van zijn moeilijke vader, met wie hij nooit goed heeft kunnen praten. Ook hij is de vrucht van een buitenechtelijke relatie. Het boek heeft iets weg van een bloemkool, met telkens weer dezelfde herhalingen. Een en ander maakt dat Eríkur niet meer weet wie hij is. Het maakt hem kwaad op alles en iedereen. “… Wees niet zo wreed, zei Elías. Woede en wrok vervalsen ons denken, vervormen alles, beroven de mens van zijn zuurstof. Vergevingsgezindheid daarentegen opent deuren en maakt het leven groter…”. Even verder: “… Vergeven is soms hetzelfde als accepteren wie je bent. Wie vergeeft vindt zichzelf. En wie zichzelf vindt, is vrij…”. En, na alles, misschien wel de belangrijkste les: “… vind jezelf voordat je naar anderen op zoek gaat…”.

 

Mysterie

Er komen nog veel meer boeken voorbij: “De meester en Margarita”, “Pan”, “Kapitein Nemo’s bibliotheek”. Volgens de gids hebben God en de duivel de mens samen geschapen. God gaf hem het bewustzijn en toen voegde de duivel het onderbewustzijn toe aan de mens. Dat maakt de mens tot een mysterie. Op het feest komen alle levenden en doden bij elkaar. Heel leuk: de muziek die er gedraaid wordt  is te beluisteren via een playlist op YouTube - zie hier.

 

Uitgave: Ambo|Anthos 2022, vertaling Marcel Otten,  512 blz., ISBN 978 902 635 609 4, 26,99

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier

zaterdag 23 augustus 2025

Hamlet – William Shakespeare

 


Subtitel: Prins van Denemarken / Vertaald, ingeleid en geannoteerd door Willem J. Ouweneel

Naar aanleiding van mijn blog over “De verdwijning der engelen uit kerk en theologie” wees iemand mij op de tragedie van Vondel, “Lucifer” (zie mijn vorige blog), die in zijn twijfel aan de raadsbesluiten van de Almachtige, een zelfde soort figuur zou zijn als “Hamlet” van Shakespeare (1564 – 1616, Stratford-upon-Avon, Verenigd Koninkrijk). Ik vond dat zo’n intrigerende gedachte, dat ik ook het koningsdrama “Hamlet”, geschreven tussen 1600 en 1602, ben gaan lezen. Inderdaad roepen de stukken dezelfde vragen op. Wanneer is het geoorloofd in opstand te komen? Is het okay je eigen positie te verdedigen als je deze in gevaar ziet komen – en zo ja, hoe ver mag je dan gaan? Of is het gezag van de heerser allesbepalend? Lost wraak de dingen op? Tot mijn verrassing constateerde ik dat één van mijn christelijke inspirators, Willem J. Ouweneel, óók een inleiding plus vertaling van “Hamlet” heeft gepubliceerd. Hij is bepaald niet de enige. Er bestaan meer dan 25.000 analyses van dit misschien wel beroemdste toneelstuk ter wereld: wie kent niet  de onsterfelijke quotes “To be er not to be”, “Something is rotten in the state of Denmark” en “There are more things between heaven and earth”? Hamlet is dan ook een ‘Elckerlyc’, heeft iets universeels, laat zichzelf zien als iemand waarin iedereen zich nog steeds herkent. Emeritus hoogleraar dr. Willem J. Ouweneel (1944), promoveerde in de biologie, de filosofie en de theologie. Hij doceerde deze laatste twee vakken plus o.a. cultuurgeschiedenis aan academische instellingen in verschillende landen.

Eerste bedrijf

Ik doorloop eerst het werk zelf. Shakespeare baseerde zijn tragedie op de Scandinavische legende “Hamlet of Amleth”, opgetekend in de 13de eeuw. Het toneel speelt zich dan ook af aan het hof van Denemarken. Het begint als een spookverhaal. Rond het middernachtelijk uur wordt de wachtpost, Francisco, afgelost door iemand anders: Barnardo. Ook twee mede-wachtposten duiken in het donker op: Marcellus en Horatio. Marcellus zegt dat hij Horatio heeft meegenomen omdat de laatste niet gelooft dat ze in de afgelopen twee nachten een geest hebben gezien. Horatio denkt dat de verbeelding hen parten speelt. Als ze zitten te praten, komt tot Horatio’s verbijstering het spook wederom opdagen. Hij lijkt sprekend op de overleden koning: Hamlet senior. “… Bernardo: ‘Hij wil aangesproken worden’. Marcellus: ‘Vraag hem iets, Horatio’. Horatio: ‘Wie bent u, die deze tijd van de nacht misbruikt, in die schone en krijgshaftige gestalte waarin de majesteit van de thans begraven Denemarken (zo werd dat vroeger uitgedrukt) eertijds rondschreed? In ’s hemels naam, ik gebied u te spreken’…”. Beledigd door de hoge toon die Horatio opzet, schrijdt de geest weg. Horatio geeft doodsbleek toe dat het inderdaad om de geest van de oude koning lijkt te gaan. Waarom verschijnt hij? Is er een ramp op komst? Horatio herinnert zich dat, toen “… Rome op z’n verhevenst en zegevierendst was…”, kort voordat de machtige Julius Ceasar ten val kwam, “… de lijken in hun lijkwaden gillend en piepend door de straten …” gingen. “… Sterren met vurige staarten (kometen) en dauw van bloed kwamen als dreigende voortekenen van de zon, en de vochtige ster, die de standen van Neptunus’ rijk bepaalt (de maan), was, bijna als op de oordeelsdag, door verduistering getroffen…”  (de dag van Christus’ wederkomst en het laatste oordeel, zie Matt. 10:15, 11:22-24, 12:36, 2 Petr. 2:9, 3:7, 1 Joh. 4:17). Als de geest nog een keer zichtbaar wordt, proberen de mannen hem tegen te houden, maar er kraait een haan die het ochtendgloren aankondigt, waarop het fantoom schielijk verdwijnt. Als de kersttijd aanbreekt kraaien de hanen volgens Marcellus de hele nacht, waardoor geen geest zich durft te bewegen. In deze ‘heilzame’ nachten richten de planeten geen kwaad aan, slaat geen fee toe en heeft geen heks macht om te toveren. Een en ander doet me denken aan George Sand (1804-1876) die schrijft dat de boeren en herders in haar omgeving allerlei ‘verschijningen’ en ‘fantomen’ zien en volgens haar nog echt het vermogen hebben om te ‘hallucineren’.

 

Vuil spel

In de daaropvolgende scène komt onder trompetgeschal de Koninklijke familie met hun hofhouding op. Koningin Gertrude blijkt na het overlijden van haar man binnen een maand te zijn getrouwd met haar zwager Claudius. Haar volwassen zoon, prins Hamlet, vindt dat onverdraaglijk en schaamt zich kapot voor zijn moeder. In Skakespeares tijd werd een huwelijk met een broer van de overleden echtgenoot door katholieken én protestanten dan ook als bloedschande (incest) beschouwd: zie Leviticus 18:16, 20:21 en Matt. 14:3. De sombere, in zichzelf gekeerde renaissanceprins draagt nog steeds zijn zwarte rouwkleding, die scherp aftekent tegen de bonte kleding aan het hof. De nieuwe koning vraagt waarom er constant  ‘wolken om hem heen hangen’. Dat ziet hij verkeerd, hij staat juist in de ‘zon’, antwoordt Hamlet sarcastisch, waarmee hij zijn oom bedoelt. Het wordt tijd dat haar ‘lieve Hamlet’ zijn ‘nachtkleur’ van zich afwerpt, vindt zijn moeder, en Denemarken ‘een vriendelijk gezicht toont’. Hamlet uit zich bijzonder depressief: “… O, ik wou dat mijn vaste vlees zou smelten, wegdooien, zich in dauw zou oplossen, of dat de Eeuwige zijn gebod niet tegen zelfmoord had gericht…”, zie Ex. 20:13 en Deut. 5:17. Niets kan hem opvrolijken: “… Hoe moeizaam, muffig, saai en zinloos lijken mij alle bezigheden van deze wereld…”. Zijn omgeving komt hem over als gehuld in een grauw waas: “… Ze is een ongewiede tuin die welig tiert; walgelijke en ordinaire kruiden hebben er helemaal bezit van genomen…”.  Over zijn moeder: “… een beest dat geen denkvermogen bezit, zou langer gerouwd hebben…”. Hij moet zijn mond houden, maar zo snel ‘tussen de bloedschennige lakens te springen’ is niet goed, en er kan ook zeker niets goeds van komen. Dan ziet Hamlet zijn vriend en collega-student Horatio op zich afkomen, met in zijn kielzog Bernardo en Marcellus. Hij omhelst hem verrast en vraagt wat hij komt doen. Horatio zegt dat hij voor de begrafenis van zijn vader naar het hof is gekomen. Weet hij dat wel zeker? Was het niet eerder om de bruiloft van zijn moeder mee te maken? De gebeurtenissen volgden elkaar inderdaad snel op, beaamt Horatio ongemakkelijk. Allemaal zuinigheid, beweert Hamlet spottend, en overdreven: “… De baksels van de begrafenis sierden koud de bruiloftstafels. Ik wou liever dat ik mijn naaste vijand in de hemel ontmoet had dan dat ik die dag had gezien…”. Dan vertelt Horatio dat hij de afgelopen nacht de geest van zijn vader, gewapend en al, heeft waargenomen. De beide andere heren zijn zijn getuigen. Hamlet is ontzet en vraagt hem het schouwspel onder de pet te houden: “… Ik vermoed iets van vuil spel…”. Hij zal die nacht tussen elf en twaalf zélf naar het bordes komen om het fenomeen te onderzoeken.

 

Ophelia

Hamlet blijkt wat te hebben met Ophelia, de dochter van een intieme vertrouweling en raadgever van koning Claudius: Polonius. Als haar broer Laërtus op het punt staat naar Frankrijk af te zeilen, waarschuwt hij haar voor Hamlet als geen ander. De kroonprins is onderworpen aan zijn geboorte: “… hij kan niet, zoals gewone mensen doen, zelf zijn weg bepalen, want van zijn keuze hangen de heiligheid en gezondheid van dit hele land af…”. Polonius overlaadt zijn zoon met goede raadgevingen bij zijn vertrek en vindt zijn dochter maar een dom gansje wat Hamlet betreft. Ze moet niet alles geloven wat haar vrijer zegt, ‘hij mag nu eenmaal aan een langere riem rondlopen dan haar gegeven kan worden’. Met andere woorden: ze moet over haar maagdelijkheid waken als een verborgen schat.

 

Engel of demon

Die nacht wachten Hamlet met Horatio en Marcellus in de vinnige ijzige kou op de komst van de geest, die inderdaad verschijnt. Hamlet weet niet of hij te maken heeft met een ‘gezonde geest’ of een ‘verdoemde duivel’, die ‘een bries van de hemel’ of de ‘rukwinden van de hel’ met zich meeneemt. Zijn de bedoelingen van het spook boosaardig of weldadig? Hamlet besluit hem evenwel ‘vader’ te noemen. Waarom heeft het graf de dode weer uitgespuwd? De geest wenkt Hamlet, die besluit met hem mee te gaan, ook al protesteren zijn vrienden heftig. Ze zijn bang dat het fantoom, mocht het een duivel zijn, Hamlet mee zal lokken naar een eenzame plek waar hij tot zelfmoord zal worden gedreven. Hamlet peinst er niet over naar hen te luisteren, zodat ze besluiten hem dan maar te volgen.

 

Wraak

Het spook stelt zich aan Hamlet voor als de geest van zijn vader, “…gedoemd om voor een bepaalde tijd ’s nachts rond te dolen en overdag beperkt tot het vasten in vlammen (vagevuur), totdat de vuile wandaden die ik tijdens de dagen van mijn leven gepleegd heb (n.m. de nodige slemp- en braspartijen), verbrand en weggezuiverd zijn. Als het me niet verboden was de geheimen van mijn gevangenhuis (zie 1 Petr. 3:19) te vertellen, zou ik een verhaal kunnen onthullen waarvan het simpelste woord je ziel zou verbijsteren, je jonge bloed zou bevriezen, je twee ogen als sterren uit hun sferen zou doen wijken, je keurig gevlochten lokken verwarren en elke afzonderlijke haar overeind laat staan als de pennen op het schuwe stekelvarken…”. Jawel. Dan krijgt Hamlet te horen dat de oorzaak van de dood van zijn vader geen giftige slangenbeet is, die hij opliep tijdens een middagslaapje in de boomgaard, zoals algemeen wordt aangenomen, maar dat hij vergiftigd is door zijn bloedeigen broer Claudius, die hem het sap van de giftige herbona in zijn oren heeft gegoten: dat bloedschennige, overspelige, wellustige zwijn! Om over zijn schijnbaar deugdzame koningin maar te zwijgen. Zoonlief moet hem wreken. Hamlet junior reageert volkomen hysterisch. Als zijn vrienden hem roepen, gebiedt hij hen te zweren op zijn zwaard dat ze niets over wat er is gepasseerd zullen rondvertellen. Wanneer de stem van de geest ook beveelt: ‘zweer’, noemt Hamlet hem toch ‘de knaap uit de kelder’ en even later ‘ouwe mol’, blijkbaar nog steeds onzeker of hij met een goede dan wel een kwade geest van doen heeft. Het feit dat het fantoom  er impliciet op aandringt te zweren bij het kruisvormig gevest en bij de genade van God, bevestigt echter dat het een goede geest is.

 

Tweede bedrijf

Juist wanneer papa Polonius zijn dienaar Reynaldo (veritalisering van de naam Reinhard, dan wel Reinaert, een passende naam voor een ‘sluwe vos’) opdraagt zoonlief Laërtus in Parijs te gaan bespioneren, vliegt een ontstelde Ophelia de kamer binnen. Ze is zich rot geschrokken van Hamlet die zonder hoed en met open wambuis opdook toen ze aan het naaien was, “… met vuile kousen zonder kousenbanden en afgezakt tot op zijn enkels, bleek als een hemd, met klapperende knieën, en met een blik zo meelijwekkend van uitdrukking alsof hij uit de hel was losgelaten om over gruwelen te spreken…”. Beiden komen tot de conclusie dat hij door Ophelia’s afwijzende houding gek van liefde moet zijn geworden. Dat hoort de koningin te weten…

 

Haviken

Ondertussen zetten de koning en koningin twee hielenlikkers in om Hamlet junior wat afleiding te bezorgen: Rosencrantz en Guildenstern. Gertrude lijkt nog steeds te denken dat Hamlet depressief is vanwege de dood van zijn vader. Rosencrantz en Guildenstern menen evenals de koning in stilte wel beter te weten: Claudius heeft bij de opvolging Hamlet van zijn troon gedrongen. Dan komt Polonius tussen de bedrijven door (hij heeft net een schikking weten te bewerkstelligen met Noorwegen die het land wilde aanvallen) vertellen dat hij weet waarom Hamlet gek is geworden. De oorzaak is zijn dochter. Als bewijs overhandigt hij hen een liefdesbrief van Hamlet. Natuurlijk heeft hij zijn dochter verboden met Hamlet om te gaan. Hamlet is immers een prins die ‘haar gesternte verre te boven gaat’. Door haar afwijzing verviel de prins “… tot somberheid, toen tot vasten, daarna tot slapeloosheid, daarna tot zwakheid, daarna tot lichthoofdigheid, en door deze neergang tot de waanzin waarin hij nu raast en die wij allen berouwen…”. Hoe kunnen ze er achter komen dat zijn verliefdheid inderdaad de oorzaak van zijn gekte is? Wel, soms loopt Hamlet wel vier uur achtereen op en neer in de voorzaal. Als de vaders zich nu eens achter het wandtapijt verstoppen en een ontmoeting tussen Ophelia en Hamlet bekokstoven? Dan kunnen ze met eigen ogen zien hoe dat uitpakt. Als Hamlet al lezend binnen slentert, stuiven de koning en de koningin weg en maakt Polonius een raar praatje met hem, waarna Rosencrantz en Guildenstorm aantreden. Ik heb me rot gelachen om het gevatte gesprek dat volgt als Hamlet aan de ‘beste kerels’ vraagt hoe het met hen gaat: “ … Rosencrantz: ‘Als de alledaagse kinderen van de aarde’. Guildenstern: ‘Gelukkig in die zin dat we niet overgelukkig zijn: op de muts van Fortuna zijn we niet bepaald de knoop’! Hamlet: ‘Evenmin de zolen van haar schoenen’? Rosencrantz: ‘Ook niet, heer’. Hamlet: ‘Dus verkeren jullie ergens om haar leest, of in het middelpunt van haar gunsten’? Guildenstern: ‘Inderdaad, wij zijn haar intimi’. Hamlet: ‘In de intieme delen van Fortuna? O, al te waar, ze is een snol. Wat nieuws’? Rosencrantz: ‘Geen enkel, heer, behalve dat de wereld fatsoenlijk is geworden’. Hamlet: ‘Dan is de oordeelsdag nabij…’…”.  Hamlet voelt op zijn klompen aan dat ze gestuurd zijn door de koning en de koningin, wat ze uiteindelijk schoorvoetend toegeven. Hij zegt dat zijn ‘oom-vader en tante-moeder’ op de ‘verkeerde weg’ zijn. Hij is alleen maar gek bij noord-noord-westenwind (dus als het zo uitkomt): “… Als de wind zuidelijk is, kan ik een havik van een reiger onderscheiden…”. Met andere woorden, de haviken aan het hof moeten niet denken dat ze een loopje met hem kunnen nemen.

 

Lucifer

Wanneer Polonius komt melden dat er een groep toneelspelers is aangekomen, begint Hamlet een gedicht over de dochter van Jefta te declameren om Polonius te stangen. Jefta uit Richt. 11 beloofde God Hem het eerste te schenken dat hem tegemoet zou komen. Dit bleek zijn enige dochter te zijn. Jefta ‘offerde’ haar, wat vermoedelijk betekent dat zij maagd moest blijven, volgens Ouweneel. Hierin ligt een duidelijk verband met Polonius en zijn dochter. Vervolgens laat hij een toneelspeler een doodenge alleenspraak opvoeren over de intrige rond het houten paard van Troje van Vergilius in zijn "Aeneis": “… De ruige Pyrrhus, hij wiens gitten harnas, / Zwart als zijn plannen op de nacht geleek, / Toen hij verstopt lag in ’t noodlottig paard, / Heeft nu zijn zwart gedaante ingesmeerd / Met heraldiek nog aak’liger. Van hoofd / Tot voet is hij nu rood, gruw’lijk besmeurd / Met bloed van vaders, moeders, dochters, zonen, / Gekoekt, verkorst in de verschroeide straten, / Die tiranniek hun doemlicht werpen op / Hun laag gemoord. Verzengd van toorn en vuur / En zo beschilderd met ’t gestolde bloed, / Met oog’n als kolen zoekt de helse Pyrrhus / Voorvader Prianus…”. Dat klinkt toch bijna als een beschrijving van Lucifer (zie mijn vorige blog)? Het voorspelt niet veel goeds. De acteurs zijn ‘de uittreksels en korte kronieken van de tijd’, zegt Hamlet ook nog, dus ze moeten goed behandeld worden. Een poosje staat hij te smoezen met de eerste speler. Vraagt of hij zo’n twaalf tot zestien regels in het stuk zou kunnen inlassen dat ze de volgende dag zullen opvoeren. No problem, aldus de speler. “… Ik zal deze spelers iets laten spelen als de moord op mijn vader voor de ogen van mijn oom. Ik zal op zijn blikken letten; ik zal hem nauwkeurig op de proef stellen. Als hij maar even ineenkrimpt, weet ik wat mij te doen staat…”.

 

Derde bedrijf

Nadat Rosencrantz en Guildenmond hun opdrachtgevers berichten dat ze niet veel wijzer zijn geworden van Hamlet, laat Ophelia zich nogal onnozel door haar vader en de koning als lokaas gebruiken. Ze spreekt Hamlet aan in de voorzaal. Hij zegt prompt dat hij nooit van haar heeft gehouden en dat ze zich maar beter kan laten opsluiten in een nonnenklooster als ze geen ‘fokker van zondaars’ zoals hij wil worden. Hij lijkt zo gek als een deur, al weten de beide vaders weer geen raad met wat hij zegt. “… Er zit iets in zijn ziel waar zijn melancholie op zit te broeden, en ik vermoed wel dat wat uit het ei komt, een zeker gevaar inhoudt…”, vreest de koning. Misschien is het het beste hem onmiddellijk naar Engeland te sturen om de achterstallige belastingen op te eisen. Dan is hij tenminste uit hun buurt.

 

“The Mousetrap”

Ondertussen spreekt Hamlet met zijn boezemvriend Horatius af dat ze samen op koning Claudius' reactie zullen letten tijdens een scène die over eenzelfde soort moord als van zijn vader gaat: een koning die vergiftigd wordt door de minnaar van zijn echtgenote. Het stuk heet  “De muizenval” en “… is de val waarmee ik het geweten van de koning vangen zal…”. Het gaat hier dus om een toneelstuk in een toneelstuk. Terwijl Hamlet de gek uithangt tijdens de uitvoering, staat de koning bij het drama van de vergiftiging op en trekt zich geheel van de kaart terug. Raadsheer Polonius schreeuwt dat het spel gestaakt moet worden en de lichten aangestoken. Hamlet springt het toneel op en geeft zijn eigenhandig gefabriceerde epiloog ten beste. Guildenstern komt naar Hamlet toe met de boodschap dat zijn moeder hem in ‘grote geestesbenauwdheid’ laat roepen. Hamlet steekt de draak met hem, maar stemt wel toe: “… Nu is het juist de heksentijd van de nacht, wanneer kerkhoven gapen en de hel zelf bedorvenheid de wereld in blaast. Nu zou ik heet bloed kunnen drinken en zulke bittere dingen doen dat de dag bij de aanblik ervan zou sidderen. Stil, nu naar je moeder. O hart, verlies je natuurlijke gevoel niet. Laat nooit de ziel van Nero deze krachtige boezem binnendringen. Laat me wreed zijn, niet onnatuurlijk. Ik zal dolken tot haar spreken, maar er geen gebruiken…”. Keizer Nero liet zijn moeder Agrippina, de vrouw van keizer Claudius, vermoorden op grond van de beschuldiging dat zij haar man zou hebben vergiftigd. De legende vertelt dat Nero de buik van zijn moeder opensneed om de plaats te zien waar hij vandaan was gekomen.

 

Waanzinnig uit list

Wanneer Hamlet op weg is naar zijn moeder treft hij koning Claudius op zijn knieën aan in een donkere gang: biddend. Het is hét uitgelezen om hem een kopje kleiner te maken, maar Hamlet kan het niet. Hij is té christelijk om een bidder te vermoorden, ook al is het een monster. Bovendien zou hij zijn oom dan rechtstreeks naar de hemel helpen! Hij wenst hem de eeuwige verdoemenis! Hamlet weet niet dat Claudius’ wroeging onoprecht is. Hij wil zijn positie en lief niet opgeven: “… Kan iemand vergeving ontvangen en het loon van zijn misdaad behouden?...” (zie Spr.15:29, 28:9 en Jes. 1). Polonius heeft zich ondertussen achter het gordijn in de kamer van de koningin verstopt om de zaak in de gaten te houden. Terwijl Hamlet zijn moeder de les leest, ziet hij het gordijn bewegen, roept ‘een rat’, en steekt toe, wat Polonius’ dood tot gevolg heeft. De koningin vreest dat Hamlet volkomen knetter is. Hamlet sist haar echter toe dat hij ‘slechts waanzinnig is uit list’ (zie David). Of ze weet dat hij naar Engeland moet? Met zijn twee oude schoolkameraden Rosencrantz en Guildenstern die hij evenveel vertrouwt als giftige adders? Welnu, hij is niet van gisteren. Ze zullen in het gat vallen dat ze zelf voor hem hebben gegraven, belooft hij. Uiteindelijk wenst hij zijn moeder, die verbijsterd toekijkt, een goedenacht en sleept het lijk de kamer uit.

 

Vierde bedrijf

Hamlet wordt vlug naar het schip gestuurd voor zijn geplande zeereis en Polonius stiekem begraven. Praatjes doen de ronde en bereiken Laërtes in Frankrijk, die met een meute volgelingen, het kasteel van de koning bestormt om opheldering te eisen. Dan komt Ophelia zingend en met wilde, losse haren tevoorschijn en begint knettergek (óók al) iedereen een bloem uit de bos die ze bij zich heeft aan te bieden: het uitdelen van bloemen en kruiden was een oud begrafenisgebruik. Wil ze haar vader alsnog een passend einde geven? Een bode brengt ondertussen een brief van Hamlet, waarin deze vertelt dat hij in zijn eentje en ‘uitgeschudt’ (door dieven) weer in het land is. Of hij permissie heeft langs te komen. In feite heeft hij een stel zeerovers zover gekregen dat ze hem op zee oppikten en terugbrachten. Hamlets aanwezigheid geeft Laërtus de gelegenheid om de dood van zijn vader te wreken middels een tweegevecht. Samen met Claudius smeedt hij het snode plan zijn degen in te smeren met gif en de koning zal voor de zekerheid ook nog zorgen dat er een beker met toxische drank op tafel staat, mocht Hamlet dorst krijgen tijdens het duel. Dan rent koningin Gertrude radeloos binnen: Ophelia is dood gevonden. Volgens getuigen boog het meisje zich te ver over het water toen ze de takken van een treurwilg wilde plukken om een krans te maken: de wilg is een symbool voor rouw en versmade liefde. Ze viel in de beek. Ze bleef met gespreide armen drijven terwijl ze oude lofzangen zong, totdat haar gewaden zich vol hadden gezogen  en haar naar beneden trokken.

 

Vijfde bedrijf

Twee grafdelvers, hier ‘clowns’ genaamd, waarmee in de oorspronkelijke betekenis ‘landarbeiders’ werden bedoeld, maar die in deze setting ook zeker staan voor een komisch duo, zijn een gat aan het graven als Hamlet aankomt. Ze discussren of het om zelfmoord gaat of niet. Dollen een beetje met opgespitte schedels. Ze schijnen Hamlet niet te herkennen omdat ze argeloos vertellen dat de gekke prins  naar Engeland is gestuurd ‘om zijn verstand terug te krijgen’. Als dat niet gebeurt, is er nog niets aan de hand. Waarom niet? vraagt Hamlet. Omdat niemand het zal merken, want iedereen is gek daar. Okay. Pas als een kleine stoet onder leiding van een priester, bestaande uit Laërtus en de koning en de koningin, zijn ex komen begraven, dringt het tot Hamlet door dat het om Ophelia gaat. Laërtus en Hamlet vliegen elkaar bij het geopende graf in de haren en moeten uit elkaar getrokken worden. Hamlet neemt de uitdaging voor een duel met Laërtus aan, waarbij zo’n beetje iedereen omkomt, behalve Horatius die de ware toedracht van het drama aan de wereld moet vertellen. De koningin drinkt per ongeluk uit de vergiftigde kroes die voor Hamlet is bestemd. Laërtus steekt Hamlet met het giftige wapen, waarop Hamlet zo boos wordt dat ze hun degens laten vallen om elkaar naar de keel te grijpen. De wapens worden verwisseld als ze die weer oppakken, waarna Hamlet Laërtus een giftige steek toebrengt. Razend maait hij de koning neer als Laërtus op het randje van de dood het gifschandaal opbiecht. Uiteindelijk zijn er alleen maar verliezers.

 

Interpretaties

Ouweneel: “… Zo ongeveer elke criticus heeft zijn eigen interpretatie van het stuk. Dat pleit niet zozeer tegen de critici als wel vóór het geniale, ‘dus’ multi-interpretabele karakter van “Hamlet”. In de negentiende eeuw was Hamlet natuurlijk de romantische melancholicus. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw, in een na-oorlogs Engeland van zelfonderzoek en heroriëntatie, beeldde de grote Engelse acteur Laurence Olivier hem uit als een ontheemde, introspectieve zoeker. In de revolutionaire jaren zestig was Hamlet een opstandige student. In de jaren zeventig presenteerde een Duitse voorstelling hem als een Baader-Meinhof-terrorist. Eind jaren tachtig stelde een Roemeense productie Denemarken voor als een totalitaire staat beheerst door een Ceausescu-achtige dictator. En in de jaren negentig, na de Golfoorlog, beeldde Mel Gibson Hamlet op het witte doek uit als een wijsneuzige, stoere jongen, terwijl de film ‘The Lion King’ belangrijke elementen van Hamlet overhevelde naar het dierenrijk. Rond 2000 zet de ene voorstelling ‘drastisch het mes in het aantal doden’, laat een andere voorstelling Hamlet resp. Ophelia in bepaalde scènes naakt optreden, presenteert de volgende (Poolse) voorstelling Rosencranz en Guildenstern als twee biseksuele vrouwen, die kennelijk seksuele ervaringen met Hamlet gehad hebben, en wordt de relatie tussen Hamlet en Horatio volgens een criticus als ‘duidelijk homo-erotisch’ gepresenteerd. Allemaal elementen die met het stuk als zodanig niets te maken hebben, er ook niets aan toevoegen, maar blijkbaar nodig geacht worden om het hedendaagse publiek te boeien…”. Er zijn Hamlet-opera’s bekend van onbekende componisten als Caruso (1789), Andreozzi (1792), Mercadante (1822), Maratzek (1840), Buzzolla (1848), Zanardini (1854), Stadtfeld (1857), Moroni (1860), Faccio (1865), Hopp (1874), Hignard (1888), Keurvels (1891), Marescotti (1894), Grandi (1898) en Zafred (1961). En van de bekendere componisten Hector Berlioz (1834) en Ambroise Thomas (1868). De meest recente toonzettingen zijn de opera ‘Ophelia’ van Rudolf Kelterborn (1982/83) en de opera ‘Hamlet’ van Carson Kievman (1987-92).

 

Hamlet als Messiaanse gestalte

Het ‘christelijke’ aan Hamlet ziet Ouweneel onder andere in de manier waarop de mens beschreven wordt als allesbehalve een prooi van het noodlot, maar met geweldige mogelijkheden in zichzelf: “… Als de mens al gevangene is dan niet van het noodlot buiten hem, maar van de zonde in hem…”. Hamlets wederwaardigheden hangen af van de goede of slechte keuzes die hij maakt ten aanzien van de geboden van God. Hamlet zegt dat hij geen mens kent die geen slaaf van zijn hartstochten is. In de Bijbel wordt de zonde dan ook samengevat als (seksuele) verdorvenheid en geweldenarij. Gods ‘voorzienigheid’ doet niets af aan de menselijke ‘verantwoordelijkheid’: “… Wat zijn verantwoordelijkheid betreft is hij (Hamlet) een moordenaar, wat Gods voorzienigheid betreft is hij een ‘gesel en dienaar’ van God…”. Al naar gelang de mens de weg naar het heil gevonden heeft, zal de mens in het hiernamaals een ‘dienende engel’ in de hemel of een ‘jankend wezen’ in de hel zijn, om het in de onverbloemde taal van Laërtus te zeggen. Ouweneel ziet in Hamlet, vooral vanwege zijn eenzaamheid, een Messiaanse gestalte. Hij heeft alleen God tegen wie hij kan praten. Zie Job13:24, Job 16:19, Job 19:13 en 19, Ps. 41:10, Ps. 69:9, Ps. 88:9 en 19Joh. 7:5, Joh.13:18. Of is Hamlet een soort Julius Caesar, hetzij in de Messiaanse dan wel anti-Messiaanse betekenis? In ieder geval heeft hij vanuit de hogere wereld een goddelijke opdracht gekregen om zijn vader te wreken door Claudius te doden. Ook de Bergrede beoogt nimmer het kwaad ongestraft te laten (zie bijv. Matt.5:22-26). Het gaat hier niet om persoonlijke wraak, maar om het welzijn van het lánd. “… Hamlet is een man met een last op de rug – net als Christian in John Bunyans ‘Pilgrim’s Progress’…”. Hamlets opdracht steunt vooral op twee morele pilaren: de klassiek-christelijke gerechtigheid en de christelijke liefde. Hij faalt op de kritieke momenten in deze hoofddeugden. Hamlet jaagt de gerechtigheid na, maar vergeet de liefde. Dat beseft hij op het eind van zijn leven maar al te goed, wat zijn geestelijke grootsheid weergeeft. De val van de imponerende held is tevens zijn apotheose. Vandaar Horatio’s afscheidswoorden: “… Nu breekt een nobel hart. Goedenacht, lieve prins. En mogen zwermen engelen je naar je rust zingen…”.

 

Uitgave: Aspekt – 2004, 302 blz, ISBN 978 905 911 348 0, € 24,95

Rechtstreeks bestellen bij bol: klik hier