Menu

dinsdag 17 januari 2023

De wijsheid van de heks – Susan Smit

 


Subtitel: Wat ik de afgelopen twintig jaar van de oude natuurreligie heb geleerd

 

Hoeveel angst en afschuw de door de eeuwen heen vergiftigde term ‘heks’ nog steeds onder christenen oproept, wordt wel duidelijk uit het ‘dappere’ interview dat Tijs van den Brink had met Susan Smit in het programma ‘Adieu God’ van 4 april 2021. Ik heb het geboeid terug zitten kijken na het lezen van  “Het evangelie volgens de vrouw” van Karen Armstrong - zie mijn vorige blog. Schrijfster Susan Smit (1974) noemt zich een aanhanger van ‘de oude religie’ en heeft zich laten wijden als heks. Christenen denken dat heksen zich inlaten met kwade krachten en boze geesten, maar Smit maakt in het gesprek duidelijk dat zij de deur naar de occulte wereld net zo gesloten houdt als de e.o.-er Van den Brink. Het viel me op, dat ík althans, als christen meer met haar gemeen heb dan verschil. Het moet maar eens klaar zijn, schrijft ze in haar boek, met dat mensen banger zijn voor de vrouwen op de brandstapel, dan voor de mannen die het vuur aanstaken. En daar heeft ze natuurlijk helemaal gelijk in.

 

De mond gesnoerd

Ten tijde van het hoogtepunt van de heksenjacht, 1550 tot 1650, was de natuurreligie al lang en breed gekerstend: jaarfeesten waren omgevormd tot christelijke feesten en op voormalige heilige plekken verrezen kathedralen. In de dossiers van de heksenprocessen staan de gekste ‘bewijzen’ van toverij, maar één aantijging is vrijwel unaniem: de verdachte heeft een scherpe, of is vlot van, tong (ik vind Smit anders ook bijzonder welbespraakt). Mondige vrouwen zijn lastig: “… Bregje Hofstede schrijft in haar essay over vrouwenhaat door de eeuwen heen dat vrouwen met een sterke mening soms, in plaats van een heksenproces te ondergaan, het dragen van een ‘scold’s bridle’ of een ‘witch’s bridle’ als straf kregen opgelegd. Dit was een metalen kooi die om het hoofd werd geplaatst met een bit in de mond waaraan een scherpe pin was bevestigd  die de draagster het spreken onmogelijk maakte. Haar werd, letterlijk, de mond gesnoerd…”. De verdachte moest vernederende inspecties ondergaan zoals het zoeken naar ‘stigma diabolica’, ‘sporen van de duivel’: wijn- en moedervlekken. Ze mocht één maal gemarteld worden om haar een bekentenis te ontfutselen, die nodig was voor een veroordeling: “… In 1252 gaf paus Innocentius IV de Inquisitie een bijna onbeperkt recht op marteling in de strijd tegen ketters, die pas in 1816 door de katholieke kerk weer verboden werd…”. Strafvermindering hield in dat je werd gewurgd voordat je levend werd verbrand. “… Schattingen van het aantal ter dood gebrachte heksen in Europa lopen uiteen van dertigduizend tot zestigduizend, nog zonder de slachtoffers mee te rekenen die tijdens hun proces bezweken door marteling, verkrachting of slechte omstandigheden, of zij die werden verbannen…”. In ongeveer vijftien procent van de gevallen ging het om mannen, die vooral slachtoffer werden omdat hun echtgenote of een ander vrouwelijk familielid als heks werd aangewezen. Vergeet het sprookjesachtige woord ‘heksenjacht’; het ging zonder meer om ‘femicide’, een systematische uitroeiing van vrouwen (zie ook: "De vrouwen van Vargø" van Kiran Millwood Hargrave).

 

Heggenvrouw

“… Het woord ‘heks’ had oorspronkelijk een positieve betekenis: het komt van het Middelnederlandse woord ‘hexe’, ‘de plaatselijke wijze man of vrouw’, en mogelijk van het Oudgermaanse woord ‘hagetisse’ of het Oudengelse ‘haegtesse’, dat ‘zij die op de hagen rijdt’, ‘heggenvrouw’ of ‘heggenrijder’ betekent…”. Het doet denken aan de heg als symbolische drempel tussen twee werelden. “… Het Engelse ‘witch’ is afgeleid van het Angelsaksische woord ‘wicce’ of‘wicca’, dat ‘wijze’ of ‘ziener’ betekent…”. Smit vertelt dat toen ze in 2001 naar buiten kwam als heks, gelovigen dachten dat ze een pact met de duivel had gesloten. Ze werd beveiligd. Haar uitgever kreeg serieuze dreigbrieven en voor de bibliotheek van Katwijk stonden protesteerders met spandoeken. Waar een klein land al niet groot in is. Vind je het gek dat sommige christenen het moeilijk vinden om er voor uit te komen dat ze bij een geloofsgemeenschap horen?! Het lijkt wel of de kerk de polarisatie heeft uitgevonden, denk ik wel eens in mijn meest sombere momenten. Sigrid Kaag, Femke Halsema, Margaret Thatcher, Hillary Clinton, Angela Merkel: allemaal zijn ze te pas en te onpas voor ‘heks’ uitgemaakt. Volgens Smit gaat de tegenwoordige heksencultus terug op de verering van de moedergodin in een vrouwvriendelijke samenleving tijdens de oude steentijd, zo’n 30.000 tot 25.000 jaar voor Christus, al wil de officiële wetenschap daar nog niet zo aan. Zie “De moedergodin in de Oudheid” van C.J. Bleeker, en daar tegenover het oeuvre van bijvoorbeeld Annine van der Meer. De laatste heeft het over een omslag rond het jaar 1000 voor Christus van een vrouwen- naar een mannencultuur, waarin vrouwelijke sjamanen en orakelende priesteressen werden verboden. Paganisme is afgeleid van het Latijnse ‘pagani’, dat ‘bewoners van het platteland’ betekent. De landbouw vormde de basis voor paganistische jaarfeesten, rituelen en gebruiken waarin de cycli van zon en maan centraal stond. Zie ook de Veluwe-trilogie van mijn geliefde inspirator, wijlen Henk Vreekamp.

 

Een wijze crone worden

Smit duidt zichzelf als een solitaire heks in tegenstelling tot hen die zich aansluiten bij een ‘coven’. Ze zegt zich thuis te voelen bij de Reclaimingtraditie, wat zoiets betekent als ‘terugvorderen’ (van het eigen gezag welteverstaan). Een en ander is gebaseerd op het besef dat de aarde leeft en alle levensvormen heilig en onderling verbonden zijn. Het gaat om een diepe, spirituele verbintenis met onze wereld. Heling. Politiek bewustzijn. Actievoeren voor het milieu. Dierenrechten. Gelijke rechten en mogelijkheden voor ieder mens. Wie kan daar nu op tegen zijn, denk ik dan. Smit: “… Je zou Reclaiming kunnen zien als mystiek ecofeminisme met een activistisch tintje…”. Ze zegt dat ze zo dicht mogelijk bij de bezielde natuur, de wijsheid van het lichaam en haar intuïtie en verbeelding wil blijven: “… In een wereld waar het letterlijke en het rationele regeren, zonder ik me af om de innerlijke beleving de ruimte te geven. Te midden van de hedendaagse verheerlijking van het materialisme, waarbij er buiten de fysieke wereld niets zou bestaan, heb ik het tegenwicht nodig van het mystieke…”. Dat is precies waarom ik christen ben. Ze schrijft dat ze gelooft in een goddelijke vonk die alles wat leeft, bezielt en samenbindt. Dat doe ik ook. Ze bekent dat ze de wereld áltijd door heksenogen bekijkt, dat het geen bril is die ze op of af kan zetten. Dat geldt voor mijn christelijke blik idem dito. Ze noemt hekserij, met haar gerichtheid op haar innerlijke wereld, een ‘ervaringsreligie’; dat is mijn geloof ook. Ze wil een wijze ‘crone’ worden; dat wil ik ook. Wat ik niet wist: tegelijk met het hoogtepunt van de heksenjacht werd de bijzondere status van de begijnen afgeschaft, omdat ze in hun hofjes ontsnapten aan elke vorm van mannelijk gezag. Halverwege de zeventiende eeuw werden ook de alleenstaande vrouwen in Duitsland verboden buitenshuis te werken of zelfs maar binnenshuis goederen te maken. Waarom kijken wij in het Westen toch zo op van de Taliban?

 

Brandstapelangst

Evenals Karen Armstrong in mijn vorige blog merkt Smit op dat er iets van het wantrouwen richting de vrouw in het onbewuste van vrouwen lijkt te zijn blijven hangen, dat we radicaal moeten afwijzen. Bevlogen pleit ze voor onderlinge solidariteit en ‘sisterhood’. Ze vraagt aandacht voor het idee dat het goddelijke een vrouwelijke component kan hebben, in plaats van enkel het patriarchale Vader, Zoon en Heilige Geest. Zelf denk ik de Heilige Geest als vrouwelijk, naar de joodse Sjechina. Vrouwen moeten niet alleen ‘zorgen’, volgens Smit, maar ook streven naar ‘persoonlijke voldoening’. Daar ben ik van overtuigd, dat voorkomt dat je een verbitterd oud wijf wordt. “… In de eeuwen dat vrouwelijke energie werd onderdrukt, werd de mannelijke energie net zo goed verminkt. Het is belangrijk te beseffen dat het patriarchaat voor beide seksen schadelijk en beperkend is geweest…”, vindt Smit evenals Karen Armstrong. Laten we het kinderachtige hij-zij denken achter ons laten. Dat zou de wereld een stuk vrediger maken. Smit heeft nog steeds last van wat ze ‘brandstapelangst’ noemt. Behalve als ze schrijft, alleen is, in de natuur wandelt of een hartsverbinding voelt met een ander: “… Dan gaat het licht op groen en zakken mijn schouders…”. Het heeft volgens haar te maken met je schrap zetten tegen iets. Met maatschappelijke angst. Of dat woord iets met mij doet? Nou en of. Elke keer als ik een blog plaats heb ik ook ‘brandstapelangst’. Denk ik: wie gaat me nu weer affikken. Het slaat nergens op, ik weet het. Smit: “… Als de heks in je spreekt, richt ze zich tot de wilde natuur, tot het hartstochtelijke, het creatieve, het intuïtieve, het destructieve (als dat nodig is), het zinnelijke en het onderzoekende in jou. Als je naar haar stem luistert, word je sterker en eigenzinniger. Hekserij is als parelduiken, niet zonder gevaar en ongemak, maar met de grootst mogelijke beloning: het kennen van je hele zelf en dat aan de wereld durven tonen; het herstellen van de vitaliteit van de vrouw door haar oorspronkelijke kracht en weerspannigheid op te diepen; het naar de oppervlakte brengen van haar ongetemde natuur, die speels en onderzoekend is…” (zie ook “De ontembare vrouw” van Clarissa Pinkola Estés). Dat klinkt toch geweldig allemaal? Weet je wat? Misschien ben ik gewoon een christelijke heks.

 

Maanziek

Zoals ik al zei is het geloof van Smit te typeren als een natuurreligie: “… Alles in de natuur zoekt de beste omstandigheden op, groeit naar het licht, beweegt in cirkels – en als mens doe je er goed aan hetzelfde te doen…”.  Ze wijst erop hoe alles om ons heen met elkaar is verbonden en onderhevig is aan universele cycli of natuurwetten: “… De microkosmos en de macrokosmos, het tastbare en het ontastbare, het grote en het kleine gedragen zich hetzelfde…”. Zie de bomen: “… Hun takken zitten nooit die van een ander in de weg en via hun wortels en netwerk van schimmeldraden wisselen ze voedingsstoffen en informatie uit. In alle natuurreligies worden bomen gezien als symbool voor de connectie tussen hemel en aarde: hun takken groeien even hoog de lucht in als hun wortels de aarde in groeien. Hun evenwicht kan je tot voorbeeld dienen…”. Ze oriënteert zich vooral op de wassende en afnemende maan: “… Haar ritme is mijn ritme geworden…”. Even verder: “… De mens bestaat voor zeventig procent uit water en vloeistoffen en het is dus niet zo’n gek idee dat wij – net als de sapstroom in planten en bomen – door de maan worden beïnvloed zonder dat we ons daarvan bewust zijn…”. Alles is trilling, aldus de heks, en de moderne natuurkunde geeft haar gelijk: “… De kwamtumfysica stelt dat alles in het universum, inclusief wijzelf, dieren, planten en rotsen, energetische trillingen zijn op verschillende frequenties. De Wet van Vibratie stelt eveneens dat verschillende manifestaties van energie verschillende trillingsfrequenties hebben. Alles, van de kleinste gedachte tot aan de grofste vorm van materie, is trilling. Niets blijft hetzelfde, leren we van de Wet van Vibratie, alles beweegt…”. Tussen een toestand van vorm en vormloosheid, in een constante cyclus van schepping en vernietiging. Energie die vorm heeft gekregen valt op een zeker moment weer uiteen, “… dat geldt voor een vlinder die sterft en op de grond valt en wordt opgenomen in de grond, en voor de manier waarop het universum terugvalt in de zwarte gaten…”. We kunnen wel proberen de dingen te repareren en in stand te houden, maar dat is nogal vermoeiend. Zoals speelgoed opruimen met vier buurkinderen over de vloer. Alles vervalt in chaos waar nieuwe orde uit ontstaat. Als het lukt ons daarbij neer te leggen, is er opeens niet zoveel meer aan de hand.

 

Solitude

Smit heeft het over het op zichzelf staan als heks. Ze ‘neemt wat gezonde afstand van de mores van de tijd’. Dat doet een christen natuurlijk ook. “… Ze heeft een gevoel van thuishoren in zichzelf en is tegelijk verbonden met anderen, met de natuur, met het heilige om haar heen…”. Ze definieert zich niet aan de hand van een mannelijk referentiekader maar put uit een ‘innerlijk’ reservoir, waar volgens mij het hele christendom eveneens om draait. De ‘binnenkamer’ van het hart. Smit noemt het een ‘heilige ruimte’ in haarzelf, “… waar niemand met zijn modderschoenen of kousenvoeten doorheen mag banjeren…”. Even verder: “… Als heks probeer ik te leven vanuit dat ‘midden’…”. Smit: “… Schrijver worden is natuurlijk niets meer dan een legitimatie om op een fatsoenlijke manier een kluizenaar te zijn…”. Ze schrijft over het belang van stilte. Het afglijden in ‘solitude’: “… een ei moet van binnen worden gebroken om een leven te beginnen. Wezenlijke inzichten komen altijd van binnenuit. Wees niet bang voor het niets, de lege pagina, het niet-weten…”. Ik ben ontzettend blij dat er onder protestanten ook langzaamaan wat meer belangstelling voor mystiek komt. Zie de ‘School van Spiritualiteit’ van Jos Douma. Smit: “… Een filosoof vraagt: waarom gebeurt dit? Een theoloog vraagt: welke heilige tekst zegt hier iets over? Een mysticus of mystica zwijgt en ervaart. Veel dingen laten zich niet verklaren, alleen beleven…”. Zonder de mystieke kant negeer je de halve werkelijkheid, aldus Smit: “… De mystica richt haar blik niet op het waarom en het hoe, maar op wat de ervaring haar vertelt. Ze zoekt de ‘unio mystica’: de vereniging van de ziel met god…”. Even verder: “… Een vrouw die in contact staat met wat er ten diepste in haar leeft, hoeft geen navelstaarder te worden, want de werkelijkheid zal juist zuiverder bij haar binnenkomen…”. Smit zegt haar inspiratie te vinden bij nonnen als Teresa van Ávila en Hildegard van Bingen, die we ook in mijn vorige blog tegen kwamen. En natuurlijk de ‘apostola apostolorum’: Maria Magdalena (zie de tentoonstelling in het Museum Catharijneconvent in 2021). Ze pleit voor Eros én Logos, de samenwerking van hoofd én hart, zoals alle groten (zie bijvoorbeeld “Willem van Saint-Thiery en de liefde” van Paul Verdeyen), teneinde het ‘heilig huwelijk’, de ‘hieros gamos’, de man en vrouw in jezelf met elkaar te verbinden: “… Je willen ontworstelen aan genderverwachtingen is fantastisch, maar als je daarbij het vrouwelijke deel van jezelf wegdrukt alleen maar omdat dit als ‘vrouwelijk’ (en dus minder cool) wordt gezien, is dat zonde…”. Ze hoopt dan ook dat al het gehannes met lhbtq en nog meer, vanzelf verdwijnt, om daarna weer gewoon en simpel jezelf te mogen zijn.

 

De wolkenlucht in een doosje willen doen

Het basale voorschrift in de Bijbel is ‘God liefhebben boven alles, en de naaste als jezelf’. Dat lijkt me zo ongeveer hetzelfde als wat Smit de gouden regel in het heksendom noemt: ‘Doe wat je wilt, zolang het niets of niemand schaadt’. Wat niet goed is voor het welzijn van allen, is ook niet goed voor jou. Smit gelooft in pantheïsme, ik zie meer in panentheïsme. Het goddelijke gaat het beperkte menselijke voorstellingsvermogen te boven, schrijft ze. Daarom gebruiken christenen vaak on- en loos- woorden als ze iets over God willen zeggen: onbeschrijfelijk, grenzeloos. God opsluiten in woorden is zoiets als ‘de wolkenlucht in een doosje willen doen’. Om iets over God te zeggen hebben we kunst nodig, poëzie, muziek, beeldhouwwerken, schilderijen, dans. Voor Smit is moeder Maria ‘een christelijke afgeleide van het goddelijke vrouwelijke’. Ik denk dat ze dat heel goed ziet. Zoals alle goden uit het pantheon een afgeleide en verzelfstandigd element van God lijken te zijn. Smit gelooft dat je terugkrijgt wat je geeft. De Bijbel zegt dat je oogst wat je zaait. Ze gaat diep op het onderwerp vergeving in, wat makkelijker is als je ook je eigen aandeel in het gebeurde onderzoekt. De hele ‘contextuele therapie’ draait in wezen om het kweken voor begrip richting de ander en jezelf. Smit heeft het over ‘zorg dragen’ voor jezelf, inclusief je gevoelens: “… Het verdriet, de rouw, de woede om wat er is gebeurd zijn van jou…”. En reken maar dat Smit weet waarover ze schrijft want ze komt uit een relatie waarin ze werd mishandeld. Ze wijdt dan ook een stevig item aan ‘zelfbescherming’: “… Do no harm, but take no shit…”. Je draagt verantwoordelijkheid. Ook naar jezelf toe. Je moet leren afstand te nemen van mensen die een negatieve  invloed op je hebben: “… Geloof iemand maar als hij je laat zien wie hij of zij is, zei Maya Angelou ooit…”.

 

Een zegen zijn

Even verder: “… Er zijn drie soorten dingen in het leven, zo luidt de theorie. Eén: ‘my business’. Twee: ‘his business’. En drie: ‘God’s business’…”. De enige categorie waarbij het zin heeft om je er druk over te maken is natuurlijk de eerste. “… En hoe zalig is het om na het zoveelste ellenlange klaagverhaal van een collega over haar ex-man verder te gaan met je werk en te denken: ‘Not my monkeys, not my circus.’…”. Macht en invloed geven je verantwoordelijkheid: “… Er dient daarom beheersing, gevoeligheid en zorgzaamheid mee gepaard te gaan…”. Een samenleving zonder machtigen is onmogelijk, zoals dat ook in de dierenwereld niet bestaat. Het is nodig om een veilige structuur te creëren, waarin de zwakken worden beschermd. Macht in de handen van goede en wijze mensen kan veel goeds bewerkstelligen. Met de verkeerde mensen aan het roer ontstaat er een schrikbewind. Met alleen maar onmachtigen valt de groep of samenleving als los zand uit elkaar. Smit: “… Verlichting gaat niet over het verkrijgen van goddelijke kwaliteiten. Het gaat over leren wat het betekent om mens te zijn op deze aarde…”. Even verder: “… De hoogste vorm van ethiek is voor mij waarachtig zijn: ervoor zorgen dat er zo min mogelijk ruimte zit tussen je intentie, je woorden en je daden…”. Dat is precies wat ik bedoel met ‘eenheid’, ‘heelheid’. Zie ook het ‘Sjema Jisrael’. Smit heeft het over zo min mogelijk ‘ruis’ op de lijn; in het christendom ‘zonde’. Ze waarschuwt niet te hard met je waarheidszwaard om je heen te slaan, waardoor de ander zich gaat verschansen in defensieve oneerlijkheid. Je waarheidszwaard is vooral bedoeld om aan te wijzen en hooguit te prikken. Iedereen ontwikkelt zich nu eenmaal op zijn eigen manier en tempo. Iedereen is beduidend. Iedereen is onbeduidend: “… Uiteindelijk zijn we allemaal maar mens tussen de mensen…”. En dat is niet niks, want elk woord en iedere handeling spreidt zich wel langzaam maar zeker uit over je omgeving. Zoals een kring in het water.

 

Tegengestelden

Een heel hoofdstuk gaat over ‘de man als norm en de vrouw als afwijking’ tot in het fabriceren van medicamenten, klimaatbeheersingssystemen, autogordels en kogelwerende vesten aan toe, “… Ons denken en handelen is doordrenkt van het idee ‘een man, tenzij anders vermeld’…”, maar daar ga ik het verder niet over hebben, want daar is in mijn vorige blog al genoeg over gezegd. Wat ik wel leuk vond, is dat Smit voorstelt dat als mannen opgewonden raken van vrouwenhaar ze hem maar een blinddoek moeten geven; in plaats van haar een hoofddoek. Dat is precies wat Jezus voorstelt, alleen nog een stukje heftiger. Als je oog je verleidt, ruk het uit. Er zit iets sarcastisch in. “… Als je kat elke dag vogels vangt en doodmaakt, doe je hem een belletje om de nek; je gaat toch niet alle vogels uit de tuin weren?...”. Nou in Afghanistan wel hoor. Volgens de Wet van polariteit kent alles zijn tegenpool. Alles in het universum is dualistisch van aard. Goed-kwaad, dag-nacht, eb-vloed, zomer-winter, licht-donker, rechter-linkerhersenhelft, gevoel-verstand, in-uitademing, voorspoed-tegenslag, ziekte-gezondheid, vreugde-verdriet. “… Tegengestelden zijn afhankelijk van elkaar; het één ontstaat uit het ander en ze houden elkaar in balans. Ze geven elkaar bestaansrecht…”. Met de figuur van satan hebben christenen het kwaad gepersonificeerd en buiten zichzelf geplaatst. Entgen in “De heks van Limbricht” zegt echter: “… Het duivelse dat ik in mijn lange leven ben tegengekomen, zat altijd gewoon in de godvruchtige mensen zelf. Het toonde zich vanonder een laagje beleefdheid en goedpraterij, maar was toch zo zwart als het kwaadste kwaad. Hoogmoed, hebzucht, afgunst, machtswellust en gemakzucht heb ik gezien, en die laten zich niet verhullen voor wie goed wil kijken…”.

 

De gulden middenweg

Volgens Smit zijn er twee soorten ‘daders’: zij die door woede worden overmand en zij die hun misdaad zorgvuldig plannen in de overtuiging dat ze het goede doen. De laatste soort is de gevaarlijkste. Zie de terroristen die de wereld willen helen door bepaalde mensen of instituten te vernietigen. “… Volgens Socrates berust het kwaad op een ‘vergissing van de dader over de vraag wat het goede is’…”. Over het Bijbelverhaal van Adam en Eva die uit het paradijs werden verdreven, vanwege het eten van de vrucht van de boom des kennis van goed en kwaad: “… Eerder dacht ik: het is toch juist handig om dat onderscheid te kunnen maken? Maar hoe langer ik erover nadacht, des te meer ik inzag hoe gevaarlijk het is om te denken in ‘goed’ en ‘kwaad’, ‘voor’ en ‘tegen’ en ‘mens’ en ‘onmens’, want je kunt het zomaar mis hebben…”. We stellen hoge eisen aan onszelf. We willen ons voortdurend goed gedragen om zo van onszelf te kunnen blijven houden. Een ander mag gerust een steekje laten vallen, van onszelf vinden we het onverdraaglijk iets verkeerd te doen. Als je van jezelf accepteert dat je een feilbaar mens bent, kun je herstellen wat verkeerd gaat. Wat je in jezelf hebt begrepen kun je bij anderen begrijpen. Smit is een groot voorstander van het toestaan van negatieve gevoelens. Door ze ‘deemoedig’ te ondergaan, verdwijnen ze. Je kunt met de Wet van Polariteit werken door iets op te zoeken wat tegenwicht biedt. Er iets naast te zetten, wat balans kan bewerkstelligen. Je kunt je negatieve gevoelens zelfs namen geven, mevrouw Verdrietig, meneer Boos, mejuffrouw Zielig, en als gast aan tafel beschouwen. De prijs voor het barricaderen van zielenpijn is veel te hoog. Want je kunt dan ook geen diepe vreugde meer voelen. Alles botst tegen je gepantserde hart: “… Op den duur ben je niet meer echt te raken en wordt alles grijs en betekenisloos…”. We moeten onszelf leren pijn te verdragen. Onze emotionele wonden leren verzorgen. Alles is zo relatief, alle waarheden zijn halve waarheden, afhankelijk van je perspectief. Het gaat erom overeenkomsten te zien in verschillen, en verschillen in overeenkomsten. In het publieke debat en op sociale media bevinden we ons momenteel op het hoogtepunt van de voor en tegen-cultuur. De persoonlijke mening is heilig. Het doodt de gezonde twijfel, de openheid, de flexibiliteit, de nieuwsgierigheid naar en betrokkenheid op elkaar. De dialoog is zoveel interessanter dan de discussie. Het verzoenen van tegengestelden is een ware kunst. De deugd ligt in het midden, zeiden de Romeinen al. Mijn moeder had het altijd over ‘de gulden middenweg’. Ik vind het moedgevend dat mensen de hedendaagse polarisatie zat zijn volgens berichten in de media.

 

Giftig amusement

Smit over ademhaling: “… De rust die mijn adem kan geven, ligt altijd maar drie zuchten van me af…”. Ze doet veel met rituelen en visualisaties. Focust op de vier jaargetijden en is in de weer met kruiden, mineralen, wierook, kaarsen, stenen, water en weet ik wat allemaal. Ik heb daar zelf niet zoveel mee, maar als ik zie hoe traumatherapeut Bessel van der Kolk werkt met psychodrama (bekijk vooral het item 'ideale ouders'), geloof ik direct dat het helpt. Smit heeft het over het amusement dat ons ‘vergiftigt’ in onze vrije tijd: “… Wat neem je tot je? Gewelddadige films, oppervlakkige tijdschriften, akelige nieuwsberichten en kwetsende reacties op sociale media komen in je systeem terecht…”. Ze vertelt hoe ze haar ‘consumptiepatroon’ veranderde: “… Ik zette mezelf op een dieet van louter voedend amusement en zuivere ontspanning: ik selecteerde rustgevende muziek, goede documentaires en kwaliteitsseries, mooie tijdschriften en liet mijn telefoon voortaan in de keuken liggen…”. Ze werd er een stuk opgewekter en rustiger van: “… Je omringen met kunst, muziek, literatuur en communicatie met een hoge trilling heeft een positief effect op je hele toestand…”. Schoonheid doet wat met je. Je kunt erdoor worden opgetild, zodat je opgeladen en geïnspireerd weer verdergaat met je leven. Ze zegt dat ze niet kan mediteren zonder zich open te stellen voor de bron. Iets dat groter is dan jijzelf. Het middelpunt van het universum, dat ze geen naam geeft, maar waar vandaan ‘het licht’ haar overspoelt. Als ze ‘verzadigd’ is stuurt ze het licht naar de mensen die dicht bij haar staan en naar wisselende mensen van wie ze weet dat ze het zwaar hebben. Ik ben een christen. Ik noem dat ‘bidden’ en ‘de bron’ is voor mij God.

 

God beware me voor de heiligen onder ons

Zeg je ‘heks’, dan zeg je ‘intuïtie’, waar een heel hoofdstuk over gaat. Volgens Smit draait het in je spirituele ontwikkeling niet om werken aan een nog betere versie van jezelf, maar om worden wie je ten diepste bent. Om ‘cirkelen naar je middelpunt’. Want ‘je blijft altijd een zondig mens’, zeggen ze in de kerk. Theresa van Àvila schreef: “… God beware me voor de heiligen onder ons…”. Het gaat om ‘heling’, ‘heil’ volgens de Bijbel. Carl Jung heeft het over ‘individuatie’. We hebben ‘schaduwwerk’ te doen, aldus Smit. We moeten onze zonden onder ogen komen, vinden ze in de kerk. Door zonde, trauma’s, blokkades kan onze levensenergie niet meer ongehinderd stromen. Moet het daaromheen. Het is beter wat je dwars zit uit de weg te ruimen. Hele families kunnen vastzitten in toxische relaties en alle mogelijke verstoringen doorgeven aan hun kinderen. ‘Tot in het derde en vierde geslacht’, aldus de Bijbel. Freud heeft het over ‘Wiederholungszwang’. Zie ook de trauma’s op collectief niveau: Black Lives Matter, het slavernijverleden. Groepswonden die nooit zijn erkend en verzorgd. De golven uit het verleden kunnen in de toekomst een tsunami worden. Zie Nietzsche's 'ressentiment'. De evolutie van de geest volstrekt zich in een spiraalbeweging; de geest komt vaak langs dezelfde plekken, maar toch met steeds een iets ander perspectief. Het ‘heil’, de ‘verzoening’ komt niet vanzelf; we moeten het steeds weer ‘veroveren’. Door in therapie te gaan, eindeloos te schrijven, huilen, mediteren en wandelen, ontstond er een nieuwe ruimte in haarzelf, vertelt Smit. “… Ik voelde me lichter, schoner, echter, opener. De ruimte in mezelf vulde zich met liefde en een vredig gevoel van ‘het is goed zo’…”. Smits wijze moeder zei heel vaak: “… Vraag niet waarom, maar vraag waartoe…”. Dat hebben christenen mij ook duizenden keren geantwoord. Een afdeling in de onderwereld is nodig, zie Persephone. De mythe wordt voorgesteld als een cyclus met drie fasen: de afdaling, de zoektocht, de beklimming. De Heidelbergse Catechismus heeft het over ‘ellende, verlossing, dankbaarheid’. De afdaling is een inwijding die een ‘bekering’ tot gevolg heeft: “… Spirituele ontwikkeling is het afleggen van alles wat vals is tot we onze kern in het oog krijgen…”. Even verder: “… Tijdens de crisis lijk je te vallen in een oneindige diepte totdat je ineens op een stevige bodem ligt – een bodem die van jou is, onafhankelijk van omstandigheden, waar het veilig is en goed is. Dat is je thuis. En dat wordt je nieuwe fundament…”. Vergelijk dat maar eens met wat Pauline Weseman en Johan Roeland zeggen in “Ziel zoekt zin”.

 

Het koninkrijk Gods is binnen in u

Als aanhanger van een natuurreligie gaat de klimaatcrisis Smit zeer aan het hart. Toch ziet ze niets in agressief verzet. Natuurlijk moet je doen wat je kunt om elke vorm van klimaatschade tegen te gaan, maar Smit wijst er op dat de beste actie ‘groen’ stemmen is. De politiek kan écht iets veranderen. Tegen al het geleef in het hier en nu in, breekt Smit een lans voor het dagdromen. Creatie als ‘ontvankelijkheid’: “… Je kunt de muze niet ontbieden; zij bezoekt en verlaat jou zoals het haar schikt…”. Evenals Joke Hermsen heeft ze het over ‘kairos’: de kansrijke tijd, het juiste ogenblik – zie hier. “… De moed om wat het leven je toewerpt aan te gaan, daar ligt alles in…”, aldus Teresa van Ávila. Onze vurige wensen en verlangens vallen in het niet bij het grotere plan dat alles omvat en biedt oneindig meer. Het gaat er niet om wat jij doet met de goddelijke voorzienigheid, maar wat de goddelijke voorzienigheid met jóú doet. Dat is ware nederigheid. Smit: “… Ter gelegenheid van de nieuwe Bijbelvertaling in 2012 mocht ik in een tv-programma een zin uit de Bijbel kiezen die me aansprak. Ik koos ‘Het koninkrijk Gods is binnen in u’ (Lukas 17:21) omdat hierin duidelijk wordt dat het uiteindelijk draait om een persoonlijke relatie met het goddelijke…”. Tot haar ontsteltenis deelde de presentatrice droogjes mee dat dit zinnetje in de nieuwe vertaling is veranderd in ‘Het koninkrijk Gods ligt binnen uw bereik’. Dat lijkt inderdaad de doodsteek voor de mystiek, ware het niet dat er ook andere teksten zijn die naar God in je ‘binnenste’ verwijzen. Maar Paulus schrijft eveneens dat dit een ‘geheimenis’ blijft, dat je hiervan niets kunt weten, zolang je het niet ervaart (en dan zijn we dus weer terug bij de term ‘ervaringsreligie’). Ik heb niets met Smits geloof in reïncarnatie en bovennatuurlijke gidsen. Ze is dan ook opgegroeid binnen de katholieke kerk waar beschermheiligen en het fenomeen Allerzielen tot de traditie behoren – ik niet. Maar met haar lofzang op de ziel stem ik volkomen in: “… Het Goddelijke Zelf, Diepere Zelf of de ziel is gewichtloos en onzichtbaar, hoogstens haar weerspiegeling kun je opvangen, indirect als een echo. Ze is als rook, laat zich niet vangen door logica, is elke verklaring te slim af, en als je haar te nadrukkelijk wilt voelen ontvliedt ze. En toch is ze daar, jouw ziel, dwars door de grillen, listen en gebreken van het leven heen…”.

 

Uitgave: Lebowski – 2022, 352 blz., ISBN 978 904 886 481 2, 22,99

Rechtstreeks bestellen bij bol.com: klik hier

dinsdag 10 januari 2023

Het evangelie volgens de vrouw – Karen Armstrong


 


Door mijn blogs over “Het Evacomplex” van Jeroen Windmeijer en “Was Eva overal de schuld van?” van Pinchas Lapide kwam ik er achter dat Karen Armstrong (Wildmoor, Worcestershire, 1944), een ongelooflijk erudiete, vrijzinnige deskundige  op het gebied van godsdienstgeschiedenis, in haar jonge jaren ook een boek over de positie van de vrouw in het christendom heeft geschreven: “The Gospel According To Woman”. Ze is auteur van de bestseller “Een geschiedenis van God”. In de jaren zestig bracht ze een aantal jaren door als non in een klooster van een katholieke onderwijscongregatie. Ze studeerde en doceerde Engelse taal en literatuur. Ze beschreef deze tijd in “Door de nauwe poort. Mijn zeven kloosterjaren, een spirituele ontdekkingsreis”. Armstrong is geen hardcore feminist. Ze is een warm pleitbezorger voor gelijkheid tussen de seksen. Ze schrijft ook opvallend mild over de islam en de apostel Paulus, die toch nogal hoog scoren op de hedendaagse lat der vrouwonvriendelijkheid. Een en ander komt voort uit haar kijk op ons rampzalige kolonisatieverleden. Eerder besprak ik van Karen Armstrong “Compassie” en “Paulus. Onze liefste vijand”.

 

Koekjes voor de broeders

Het christendom is officieel heel positief over vrouwen geweest, aldus Armstrong in haar inleiding. De irrationele en inconsistente houding tegenover de vrouw heeft binnen de christelijke wereld dan ook vooral te maken met verborgen en verdrongen emoties. Het gevolg: af en toe heftige uitbarstingen uit een afzonderlijk deel van de gelovige geest, wat niets met de leer van doen heeft. Zie de kruistochten, waarbij christenen op beestachtige wijze moslims en joden hebben afgeslacht, wat volledig in tegenspraak is met de christelijke leer van naastenliefde. Dit zijn neuroses volgens haar. En een neurose is veel moeilijker kwijt te raken dan een overtuiging. Ik denk dat Armstrong daar zó gelijk in heeft. Mijn mond viel open toen ik op oudejaarsdag de gênante twee pagina’s grote foto in het Nederlands Dagblad zag, die persfotograaf Dick Vos afgelopen april maakte inzake een orthodoxe kerkvergadering over de vraag of vrouwen predikant, ouderling dan wel diaken mogen worden. Titel: ‘Koekjes voor de broeders’ – zie hier. Ik vind het een iconisch beeld. Het zegt meer dan duizend woorden. Ik word er tegelijk een beetje giechelig van. Het zou zo een shot uit “The Handmaid’s Tale” kunnen zijn. De vrouw in vrolijk gekleurde outfit staat. De mannen in uniforme zwarte pakken zitten. Dat geeft op zich al een soort machtsverhouding weer. Het lijkt alsof de mannen de vrouw die hen wat te smikkelen aanbiedt niet eens aan durven kijken (als je het over de duvel hebt…). Het doet me denken aan Eva en de appel. En aan de juf op een kleuterschool, eerlijk gezegd. En als ik langer kijk, aan een dierentuinbezoeker die een giraf of een olifant een snoepje geeft (nee, geen aap, ik wil ook weer niet té flauw doen). Iets dergelijks. Er kan geen lachje af. Sacherijnige mannen achter de tralies van hun eigengebouwde gevangenis. Wie is hier nu zielig, dacht ik. Zij, de vleesgeworden ‘Mother Mary’? Of moet ik haar zien als een hedendaagse ‘Marta’? Dan wel die treurige, autistisch aandoende heren? Als je het hebt over neurotisch… Je zou van minder de zenuwen krijgen, toch?!

 

Een culturele conditionering van tweeduizend jaar

Zo eenvoudig is het allemaal niet, volgens Armstrong: “… Waar we mee geconfronteerd worden, is een culturele conditionering van tweeduizend jaar lang…”. Seculieren kunnen zich wel seksueel vrijgevochten voelen, maar zij blijken evengoed al te bereid om hun liefdesleven te laten bestuderen door deskundigen. Op precies dezelfde manier als christenen hun seksleven vroeger door de priesters lieten analyseren. “… We kunnen onze opvattingen veel gemakkelijker wijzigen dan dat we een destructief patroon in ons leven uitbannen, hoezeer we ook ons best doen. Zo is het ook met religie en zo is het ook met cultuur. Onze religieuze opvattingen kunnen wel veranderd zijn, maar onze emotionele dwangimpulsen zijn dezelfde gebleven…”. Met andere woorden: je kunt een mensenkind wel uit de oorlog halen, maar de oorlog niet uit een mensenkind. En vul voor het woord ‘oorlog’ gerust ‘kerk’ in. In alle culturen is de vrouw een inferieur wezen geweest. Haar plaats was thuis waar ze haar man moest behagen en moeder had te zijn. Armstrong meent dat de vrouw in het christelijke Westen er nog een stuk bekaaider afkwam, omdat ze gehaat werd vanwege haar gevaarlijke en beangstigende seksualiteit. In het Jodendom heeft het celibaat nooit veel aanzien gehad omdat het voortzetten van het ‘uitverkoren volk’ altijd belangrijk is geweest. Het boeddhisme leert dat iemand  die onvrijwillig afziet van seks geen verlichting kan bereiken, omdat hij in zijn ego verstrikt zal raken. Islamitische vrouwen worden niet onderdrukt omdat de islam een afkeer van seks heeft, maar omdat ze het bezit is van de man. Mohammed vond vrouwen beslist niet walgelijk. Het aloude christendom wel, en in de rest van het boek bewijst Armstrong dat. Wat mij betreft: zie de met zijn moeder dansende moslim-voetballer tijdens het afgelopen WK. Vergelijk dat met de alle achterlijkheid ontheven, geëmancipeerde Telegraaf-columnist, die oudere vrouwen uitgedroogde citroenen noemt. De laatste zal het niet geloven, maar hij zit volgens Armstrong vaster in het christelijke denken dat hij door heeft.

 

Product van de maatschappij

Het is goed te beseffen dat Armstrongs boek stamt uit de jaren tachtig, dus vóór  9/11, het openbaar worden van de misbruikschandalen in de rooms-katholieke kerk, de MeToo-beweging, het opkomen van social media, de door corona gepushte complottheorieën, de huidige genderverwarring, woke, de roeptoeterende lhbtq-gemeenschap, de opstand in Iran na de moord op Mahsa Amini en de uitsluiting van vrouwen in Afghanistan. Haar verhaal is er alleen maar actueler op geworden, naar mijn idee. Ze schrijft aan de hand van Michel Foucaults boek “Histoire de la sexualitédat er niet zoiets als ‘ware seksualiteit’ bestaat. Iemands seksualiteit, althans hoe die wordt geuit, is een product van de maatschappij. Alles overziende, lijkt dat er sterk op, ja. Daar komt bij dat het ideaal van het ‘heilig huwelijk’, hetwelk de meeste christenen tegenwoordig vanzelfsprekend vinden, nog maar heel kort bestaat. Daarvoor werd het getrouwd zijn gezien als een nogal ‘dierlijke’ staat. Volgens Armstrong hebben Jezus en Paulus de vrouw bevrijd uit het oude paternalistische patroon en haar een volledige gelijkwaardigheid aan de man gegeven: ‘In Christus is het niet man en vrouw’. Zowel Jezus als Paulus geloofden dat het koninkrijk van God aanstaande was. Daarom zou je kunnen zeggen dat het gezin in hun ogen een gepasseerd station was, waaraan je geen energie moest verspillen. Hun visie behelst echter absoluut geen haat tegen seks. Paulus reageert in zijn brieven aan de Korinthiërs wel een paar keer hevig geïrriteerd richting vrouwen, maar dat is zeker niet standaard. De Korinthiërs, die ook een lastercampagne tegen hem zouden beginnen, baarden hem een hoop kopzorgen. Ze hielden zich, zou je kunnen zeggen, aan God noch gebod: “… Iedere christen meende dat hij vanwege de inspiratie door de Heilige Geest zijn eigen wetten kon stellen en dat alles wat hij graag wilde doen – zelfs het bezoeken van prostituees, het dronken worden tijdens de eucharistie en het deelnemen aan heidense feesten van afgoderij – volkomen geoorloofd was omdat hij toch al verlost was…”. Paulus deed zijn uiterste best de Korintiërs wat verantwoordelijkheidsgevoel mee te geven. Hij accepteerde echter volkomen dat vrouwen evenals mannen profeet konden zijn: “… Het kan zijn dat deze situatie sommige vrouwen (letterlijk) naar het hoofd gestegen was en dat het prestige dat zij met hun profetieën verwierven, tot gevolg had dat zij thuis de baas begonnen te spelen op een manier waarmee Paulus, die uiteindelijk in zijn hart een jood was, niet kon instemmen…”.

 

Ziek

Aangezien God genoeg waarde aan het lichaam hechtte om zelf een lichaam aan te nemen om de wereld te verlossen, en Jezus ook nog eens lichamelijk opstond uit de dood, zou het christendom logischerwijs van alle religies de godsdienst moeten zijn die het meeste respect voor het lichaam toont. Het tegenovergestelde was het geval. Vanaf de tweede eeuw zijn mensen binnen het christendom bang gemaakt voor seksualiteit. Franciscus van Assisi noemde zijn lijf ‘broeder ezel’. De grote theologen Augustinus en Hiëronymus hadden een masochistische verhouding met hun ‘vlees’ dat hen tot ontucht verleidde. ‘Wellust’ was het grote kwaad – of je nu getrouwd was of niet. Uit het fenomeen ‘erfzonde’, dat zijn definitieve vorm kreeg in de vierde eeuw en in het Jodendom onbekend was – evenals het (Griekse) dualisme lichaam/ziel, ontwikkelde zich de haat tegen seks en vrouwen. Niets werd met zoveel afkeer bekeken als het vrouwenlichaam: “… ‘Een vrouw omhelzen,’ schreef Odo van Cluny in de twaalfde eeuw, ‘is hetzelfde als een zak mest omhelzen.’…”. De protestanten lijken soepeler met seks om te zijn gaan dan hun katholieke broeders. De waarheid is dat ze in het verleden juist wreder en meedogenlozer tekeer gingen tegen overtreders van de seksuele moraal. Hoe ver waren ze verwijderd van de manier waarop Jezus de overspelige vrouw behandelde: “… Een ‘zondige’ vrouw moest bijvoorbeeld gekleed in een wit laken in de kerk gaan staan. Een echtpaar met een onwettig kind werd afgeranseld en door het hele dorp gejaagd. In ‘The Scarlet Letter’ geeft Nathaniel Hawthorne een beeld van de wijze waarop in de begintijd in New England deze moraal werd opgelegd. Hester moet aan de publiekelijke schandpaal staan ten teken van haar seksuele zonde, die niet als een privé-kwestie wordt behandeld, maar als een misdaad tegen de wet van het land. Daarna moet ze voortdurend een scharlakenrode letter ‘A’ op haar borst dragen als teken van haar overspel (adultery) en wordt zij uit de gemeenschap gestoten…”. Al dit soort onzichtbare trauma’s maken dat vrouwen nog steeds snel overlopen van schuldgevoelens – iets waar mannen veel minder last van hebben, aldus Armstrong. De enige vrouwen die ooit prestige en aanzien genoten, waren degenen die aan het hoofd stonden van seksloze ketterse bewegingen zoals Mother Ann Lee en haar opvolger Lucy Walker van de shakers. Of de kathaarse Esclarmonde de Foix. Van de weeromstuit zijn we heden ten dage, met onze  doorgeslagen cultuur inzake lichaamscorrecties en gemanipuleerde foto’s op sociale media, in het andere uiterste beland. Seks wordt krachten toegekend die ze nooit kan hebben, en verwachtingen die onmogelijk zijn te vervullen. Dat is net zo ‘ziek’ natuurlijk.

 

Vrouwen-seks-zonde

In de eerste brief aan Timoteüs, die zo’n zestig jaar na de dood van Paulus, aan het begin van de tweede eeuw zou zijn geschreven, begint het onheilspellende ‘zwart maken’ van vrouwen als zijnde ‘dochters van Eva’: “… In deze tijd heeft het christendom te maken met de niet-joodse wereld van het Laat-Romeinse Rijk en zijn verschrikkelijke seksuele uitspattingen…”. De angst voor bestialiteit veranderde het officiële beleid van de kerk richting de vrouw. Aan de hand van een aantal enge teksten van kerkvaders als Augustinus, Tertullianus en Hiëronymus - de laatste raakte al opgewonden van het kraken van een vrouwenschoen - beschrijft Armstrong hoe de neurotische drie-eenheid ‘vrouwen-seks-zonde’ zijn beslag kreeg. De hele geschiedenis door heeft het christendom vijandbeelden gecreëerd die op projectie berusten. Elke vrouw is een hoer die de man naar de ondergang leidt. De enige goede dame is een seksueel afstotend wezen. Thomas van Aquino wist niet waarom God überhaupt zo’n ‘mislukking van de natuur’ geschapen had. Ziedaar: de oorsprong van de vrouw als gemankeerde man. Luther was het van harte met Augustinus eens. Uitgerekend Calvijn was de eerste christelijke theoloog die gunstig over vrouwen sprak. Het rare is dat vrouwen erg jaloers en intolerant naar elkaar toe kunnen zijn. Gedrag dat ze van mannen hebben overgenomen, zegt Armstrong. Tegen de achtergrond van vrouwenhaat ontstond de cultus van de hoofse liefde, die ons de mythe van de romantische liefde heeft nagelaten. De liefde voor zijn onbereikbare ‘Domna’ bracht de troubadour ertoe haar te verafgoden. Voorwaar: een religieuze ervaring. Zie Dante’s liefde voor Beatrice in zijn “Divina commedia” en Petrarca’s liefde voor Laura in zijn “Sonnetten”. Ten opzichte van zulke geïdealiseerde liefdes konden ‘gewone’ vrouwen echter alleen nog maar tegenvallen (werkt porno niet precies zo?).

 

Een monster van deugdzaamheid en zelfgenoegzaamheid

Maria was het antwoord van de kerk op deze hoofse liefde: de volmaakte, seksloze vrouw. In heel Europa werden kathedralen ter harer ere gebouwd. Als Roland in “Le chanson de Roland” op sterven ligt, denkt hij geen moment aan zijn mooie Aude, maar wijdt hij zijn laatste woorden aan zijn zwaard Durendal: “… In de elfde eeuw was de religie krijgszuchtig en mannelijk geweest: de beschermheilige van Frankrijk was aartsengel Michaël, die in de plaats kwam van Wodan, de heidense oorlogsgod…”. Maria  nam zijn plaats in als hoofdpersoon in het volksgeloof  en de legenden. De Mariadevotie had een element van afwijzing van de dominante masculiene wereld in zich. Maria was de enige die woestelingen onder de duim kon houden. Het lijkt een protest tegen de agressieve harde mannenwereld. De geïdealiseerde en seksloze vrouw verloor haar bedreigende eigenschappen. Ze ging een tijdje ondergronds tot ze in het Victoriaanse Engeland weer opdook als het maagdelijke, onderdanige, frigide kindvrouwtje - hoeveel nakomelingen deze ‘huisengel’ ook op de wereld zette. “… Het is weer de oude projectie, maar nu andersom. Mannen kunnen niet overweg met hun seksualiteit en daarom houden ze zichzelf voor dat vrouwen er nog veel minder mee overweg kunnen…”. Seks werd iets weerzinwekkends dat nu eenmaal moest gebeuren. Veel Victoriaanse mannen gaven de voorkeur aan de liefde van kleine meisjes boven die van volwassen en rijpe vrouwen. Het is alsof in de periode dat religie in diskrediet raakte en de mensen zich opmaakten voor een nieuwe, wereldse tijd, van vrouwen werd gevraagd de plaats van religie in te nemen. Als ‘heilige maagd’ welteverstaan. Het waren eerder onnatuurlijke monsters van deugdzaamheid en zelfgenoegzaamheid, wiens bekrompen zienswijze hen veelal veroordeelde tot een ontstellende banaliteit. Ondertussen probeerden de meeste heren zo vaak mogelijk te ontsnappen aan het ondraaglijk saaie  huis. Richting een nabijgelegen hoerenkast of mannenclub. Een eeuw later evolueerde dit vrouwbeeld in het ‘aardige meisje’ dat vooral haar ‘goede naam’ niet ‘te grabbel’ mocht gooien. En zij ontwikkelde zich weer tot de bovenmenselijke ‘supervrouw’ van tegenwoordig, die én een volmaakte schoonheid wil bezitten én een perfecte echtgenote, moeder, huishoudster en carrièrevrouw wil zijn. Vind je het gek dat burn-out onderhand volksziekte nummer één is.

 

Heksenjacht

Armstrong schrijft een fascinerend hoofdstuk over de heksenjacht die in de zestiende en zeventiende eeuw in Europa woedde. Het ergst in Schotland, Frankrijk, de Duitse vorstenstaten en Zwitserland. In het nuchtere Nederland kwam ze slechts sporadisch voor. De heks was een christelijke creatie. Ze was een ketter van de ergste soort omdat ze seks had met de duivel; dé grote projectie voor al het absolute ‘kwaad’ dat men niet van zichzelf kon accepteren. Ze kon stormen oproepen, gewassen ruïneren en impotentie, steriliteit, ja, zelfs de dood veroorzaken. Ze vloog ’s nachts door de lucht om een heksensabbat bij te wonen waar ze zich overgaf aan kannibalistische rituelen en perverse orgieën. Pizzagate is er niets bij. Inmiddels is aangetoond dat de heidense culten in Europa die antropoloog Margaret Murray (1863-1963) beschreef, en waar moderne heksen zeggen van af te stammen, nooit hebben bestaan. Ze was een collectieve fantasie in de emoties en verbeelding van bijgelovige christenen, en op zo’n krachtige manier dat veel verwarde en eenzame vrouwen in hun dromen en/of nachtmerries oprecht geloofden dat ze een heks waren. En dat is nog veel gevaarlijker. Zo ontstaan massapsychoses. Het is moeilijk in te schatten hoeveel mensen er zijn gemarteld en gedood door in alle andere opzichten beschaafde en ontwikkelde mannen, maar het aantal lijkt schrikbarend hoog. Sommigen hebben het over meer omgekomen mensen dan in alle Europese oorlogen tot 1914 bij elkaar. In enkele Zwitserse dorpen bleef nauwelijks een vrouw over.

 

Femme fatale

Armstrong bespreekt uitgebreid het heksenhandboek van de inquisiteurs, de "Malleus maleficarum" (‘Heksenhamer’). Auteur: Jacob Sprenger. Het allergekste is wel het geloof dat heksen met ‘glamour’, een magische kracht, mannen konden castreren. Er deden verhalen de ronde over heksen die soms wel twintig of dertig penissen verzamelden en verstopten in een vogelnest waar ze zelfstandig bewogen en haver en graan kregen te eten: “… Dit is door velen gezien en is een algemeen verschijnsel…”. Jawel. Als ze het lief vroegen, kregen sommige jongemannen hun lid ook wel weer terug. De heksen bij Sprenger zijn verre van oud en lelijk. Integendeel. Het zijn eerder sirenen. Wrede, sensuele en gevaarlijke femme fatales die je ‘betoveren’ met hun ‘charme’ (‘charmeren’ = ‘bezweren’). Behagen. Paaien. Als camouflagetactiek. Zie Delila. Zie de latere Becky Sharp in Thackery’s “Vanity Fair” en de gevaarlijke vrouwen van Rossetti: Pandora, Lucrezia Borgia. Of de zeemeermin op het schilderij ‘De diepten van de zee’ van Burne-Jones waarnaar ze een dode man meesleurt, terwijl ze met immorele opgewektheid de kijker toelacht. Er is niets nieuws onder de zon. De vroege christenen onder de Romeinen, de heksen, de katharen, de waldenzen, de fraticelli, de tempeliers, de joden, allemaal zijn ze beschuldigd en gedwongen bekentenissen af te leggen inzake kannibalisme, seksorgieën en satanisme. Op internet is de heksenjacht inmiddels weer volop terug. Zie onder andere “Waarheidszoekers” van Cees Zweistra.

 

Manwijven

Een ander hoofdstuk behandelt de christelijke maagd. Tot de Reformatie er een eind aan maakte, zijn voor de meeste christenen de beschermheiligen met hun kuisheid vertrouwdere figuren geweest dan God of Jezus. Hun macht was plaatsgebonden, evenals de Romeinen de ‘genius’ een bepaalde plek toekenden. Seks en huwelijk hoorde in de kerk bij tweederangs vrouwen. De enige echte onafhankelijke en zelfstandige vrouwelijke heilige bewaarde haar maagdelijkheid tot elke prijs. Daardoor behoorde ze tot de geestelijke elite. Als de vrouw zich van haar seksualiteit kon bevrijden, werd ze spiritueel en mannelijk, een soort ereman. Het christendom had een enorme bewondering voor mannelijke vrouwen. Armstrong behandelt maagdelijke heiligen als Thekla, de legendarische leerlinge van Paulus, Marta en Margaretha van Antiochië - de vrouwelijke versies van Sint-Joris de drakendoder, de geëmancipeerde Sint-Coleta van Corbie en Sint-Catharina van Siena, en de vele travestieten zoals  Sint-Pelagia, Sint-Marina, Eugenia van Alexandrië en Athanasia van Antiochië, die zich verkleedden als man, waarvan de beroemdste natuurlijk Jeanne d’ Arc was (zie ook “Woestijnvaders” van Mattias Rouw). Armstrong verbindt het moderne feminisme, dat eveneens erg geringschattend over ‘vrouwelijkheid’ kan doen, met dit ideaal. Maagdelijkheid maakte je in de mythes onkwetsbaar. Maar deze onontvankelijkheid voor de wereld was ook een prelude op de dood: de voltooiing van het leven van de maagd en haar enige weg voorwaarts. Haar lot had de onverschilligheid van een lijk. Menige vrome maagd koos dan ook de dood vóór schending.

 

Hysterici

Een van de eerste ‘actieve’ nonnen was de Engelse Mary Ward, die op een serieuze manier onderwijs begon te organiseren, tot woede van de kerk. Het protestantisme sloot dan wel de kloosters en schafte het celibaat af, maar maakte van het christendom een mannenreligie als nooit tevoren. Oude vrijsters ontwikkelden zich echter tot een nieuw ‘type’ mens. Zie Florence Nightingale. Armstrong vertelt hoe Hiëronymus en Ambrosius maagden suggereerden om in hun fantasie een eigen wereld te scheppen, waarin ze maar al te vaak een absurde erotische en nogal masochistische relatie met een imaginaire Jezus begonnen te onderhouden, die geen enkele basis in de realiteit had. De merkwaardige katholieke verering van het ‘Heilig Hart’ hebben we te danken aan de mystieke extases van de duidelijk waanzinnige Margaretha Maria, voor wie Jezus zijn borst ontblootte en een bollend hart toonde, getooid met een aureool van vlammen (liefde) en een doornenkroon. Sommigen, zoals Juliana van Norwich, maakten zelfs een vrouw van Jezus. De mars van extreme feministes, weg uit de mannelijke wereld, duidt Armstrong  als dezelfde woedende verwerping van de al dan niet seksuele realiteit der hysterici hierboven. Zie bijvoorbeeld Mary Daly die de aankoop van kerstbomen veroordeelde omdat sparren vroeger een symbool voor de vrouw waren. Het rituele kappen van sparrenbomen voor de kerst zou het mannelijk verlangen voorstellen om het vrouwelijk geslacht uit te roeien. Dan heb je toch te doen met fanatici?! Wanneer je de mannelijke wereld afwijst, wijs je misschien veel slechts af, maar ook veel goeds. Andersom evenzo. Veel maagden hongerden zich uit zoals anorexiapatiënten nu doen. Je vrouwelijke vormen verdwijnen, je menstruatie stopt, je krijgt een neutrale sekse. Zo kun je de last van het vrouw-zijn van je afwerpen: dat is macht. Een euforische anorexiapatiënt kan soms even pronkzuchtig en uitdagend zijn als de heilige non Catharina van Siena, die vaak met een ziekelijke opgewektheid de aandacht op haar exhibitionistische eetproblemen vestigde: “… ‘Komt allen!’ riep ze dan op weg naar de eetzaal, ‘de gevangene gaat nu naar de plaats van executie.’…”. De religie van Catharina draait als elke overdreven slankheidscultus om een ongezonde fixatie op de eigen persoon. Armstrong: “… Een werkelijke religie richt zich op het verlies van het eigen ik en de zoektocht naar God…”.

 

Martelaren

De cultus van lijden en zelfopoffering zit diep verankerd in het christelijke Westen. De vroege kerk keek heel anders tegen het martelaarschap aan dan de latere gelovigen. De martelaren in de begintijd voerden een kosmisch duel met de duivel. Ze beschikten over bovenmenselijke krachten. Ze raakten vervuld van Christus die in hen streed. “… De martelaren werden niet geëerd omdat ze met grote moed de pijn doorstonden. De martelaren werden verheerlijkt omdat ze helemaal geen pijn voelden…”. De Romeinen gingen niet naar de christenen in het stadion kijken om een spektakel van menselijke volharding te zien. De professionele gladiators en dierenjagers gaven veel betere shows weg. De Romeinen waren onder de indruk omdat christenen geen pijn schenen te lijden: een hele bijzondere religieuze ervaring. De late oudheid kende een groot aantal culten met verschillende soorten extatische trances en ‘vervuld raken’ van goden. De Heilige Geest bracht christenen in vervoering, waardoor ze onverschillig werden voor hun omgeving. Daarom was het martelaarschap een vreugdevolle ervaring. Als voorbeeld haalt Armstrong Blandina en Perpetua aan. Toen de vervolgingen eindigden werden de praalgraven van heiligen, waar het verhaal van hun ‘passio’ werd voorgelezen, belangrijke centra van wonderbaarlijke genezingen. Een en ander ontwikkelde zich tot een soort van psychodrama. Hoe afgrijselijker het verslag van de passio, hoe krachtiger de genezingen. Volgens Gregorius van Tours was de martelaar op zo’n moment werkelijk aanwezig. De basiliek vulde zich met een zoete geur en de zieken en kreupelen schreeuwden het uit als ze zijn kracht voelden. Lijden werd gebruikt om lijden te beëindigen.

 

Passie

Gaandeweg was het martelaarschap ontaard in een ongezond ideaal. De externe vijand werd een interne vijand. Martelaarschap werd geïnterpreteerd als haat tegen het eigen lichaam en ascese op seksueel gebied. Christenen werden aangespoord het lijden op te zoeken. De nieuwe martelaren probeerden hun leven door ‘versterving’ zo pijnlijk en onplezierig mogelijk te maken. In naam van de kerk begonnen er allerlei middeleeuwse legendes vol morbide genotzucht, sentimentele erotiek, obscene wellust en masochistisch geweld te circuleren. Jezus bleek een onverzadigbaar verlangen te hebben om zijn ‘bruiden’ te zien lijden en kreeg meer weg van een innerlijke demon. Lijden was het enig mogelijke antwoord op de liefde van God. Lijden werd een vorm van zelfexpressie en een manier om roem te vergaren. Het kreeg een soort circusachtig karakter (zie de ‘stigmata’), soms met een regressie naar de kinderlijke staat als gevolg. Vrouwen werden er een meester in zich door middel van lijden te laten gelden. Armstrong ziet een directe lijn lopen vanuit dit denken naar de lijdende vrouwen van De Sade en in “Woeste hoogten” van Emily Brönte. Zie ook de zelfopoffering van Maggie Tulliver in “The Mill on the Floss” van George Eliot, de dood van Little Nell in “The Old Curiosity Shop” van Dickens, het werk van Edna O’Brien, Norman Mailer en Mickey Spillane en de Westerse liefdesromans in het algemeen. Ik ga ook een beetje begrijpen waarom een bepaald soort streng-reformatorische prediking bijna kickt op hel en verdoemenis. Het is dan ook apart dat het woord passie waar we tegenwoordig een heftig seksueel gevoel mee bedoelen, vroeger werd gebruikt voor lijden tot de dood erop volgde.  

 

Mystici

Het meest intrigerende hoofdstuk van Armstrongs boek gaat wat mij betreft over mystiek. Door middel van een gedisciplineerd proces van meditatie streven mystici uit alle religies ernaar boven het zelfzuchtige ego uit te stijgen, een ‘hogere’ staat van zijn te bereiken, en daarmee een gevoel van heelheid en vrede. Wanneer een mysticus afdaalt in de diepte van zijn geest komt hij daar een ‘aanwezigheid’ tegen die verschilt van hem-‘zelf’. Het gaat om een ontvankelijke gemoedstoestand die wordt gekenmerkt door heel andere hersengolven dan die nodig zijn voor de rationele en intellectuele activiteiten die in de Westerse wereld zo gewaardeerd worden. Het valt te vergelijken met het vermogen van sommige mensen om poëzie te schrijven of muziek te componeren. Lang niet iedereen heeft zo’n gave. Gebrek aan opleiding maakt het mystieke pad echter uitermate gevaarlijk. Meditatie kan de gezondheid ernstige schade toebrengen. Om het onderbewuste onder ogen te zien, moet je mentaal en emotioneel echt stabiel zijn. Niet iedereen kan wat hij in zichzelf ontdekt het hoofd bieden. Zie de ‘bad trips’ en tijdelijke gektes. Zie het hysterische en theatrale pseudo-mystieke gedrag dat enkel aandachttrekkerij ten doel heeft. In de Romeinse wereld was het heel gewoon dat je God ontmoette in het diepst van je eigen persoonlijkheid. Zie de apostelen op het pinksterfeest. In alle culturen is het doel van de mystiek het verlies van het ik. Het is een manier om bevrijding te vinden van het veeleisende en zelfvernietigende ego. Tegen de vierde eeuw veranderde deze zoektocht in een vlucht. Er zijn veel verslagen van nonnen die letterlijk ‘versteenden’ in soms urenlange bewusteloze extases. Armstrong duidt het fenomeen als een oplossing inzake immuniteit voor pijn. Te vergelijken met het heden ten dage op een seculiere manier slikken van enorme hoeveelheden kalmeringsmiddelen om te ontsnappen aan de ellende van het bestaan: “… een zorgwekkende indicatie van de spirituele onvruchtbaarheid van onze huidige maatschappij waarin mensen geen innerlijke middelen hebben tegen pijn…”. Zie de depressieve vrouwen die zich tegenwoordig bij de psychiatrische hulpverlening melden omdat ze ‘geen gevoel’ meer hebben.

 

Nieuwe onontdekte wegen

De mystieke reis wordt traditioneel gezien als een methode om de mysticus zichzelf te laten vinden door zichzelf te verliezen. Zie ook Pauline Weseman en Johan Roeland in “Ziel zoekt zin”. Mystiek kan een ontzagwekkend vindingrijke doorbraak zijn naar een nieuwe ervaringswereld, volgens Armstrong. “… Op vergelijkbare wijze moet de echt creatieve denker zijn eerdere vertrouwde ideeën en denkwijzen opzijzetten om echt nieuw terrein aan te boren…”. Zie Archimedes. Zie de wetenschappelijke atheïst Einstein die beweerde een mysticus te zijn, en zijn verstandelijke vermogens ‘duf’ noemde in vergelijking met zijn intuïtie.  “… De mysticus zegt dat hij een pad van voortdurende gedisciplineerde ontbering bewandelt, weg van wat hij al weet naar wat hij niet weet. De mysticus kan nooit zeggen wat God is, maar alleen wat hij niet is…”. Even verder: “… De mysticus en de creatieve denker reizen beiden weg van het vooroordeel en de reeds gevestigde categorieën naar iets wat onvoorstelbaar en schijnbaar onbevattelijk is…”. Alle mystici hebben de impuls gemeen zich op nieuw terrein te begeven. Hierdoor konden ze zich vrij bewegen in een veel grotere wereld dan waar ze normaal toegang hadden. Zie Catherina van Siena, Hildegard van Bingen en Teresia van Ávila, die via hun mystieke vermogens werden bevrijd van hun hinderlijke neurosen, waardoor hun energie in goede banen werd geleid en ze volledig andere en nog onontdekte wegen insloegen. Teresia had een visioen van de hel als opgesloten zitten in een nauw en duister hol. “… Theologen hebben vaak gezegd dat de hel niet een soort ander land of aanwijsbare plaats is, maar meer zoiets als het voor eeuwig in ongetemperde vorm moeten verdragen van het ik in al zijn kleinzielige en beperkende egotisme…”. Teresia ervoer ook de gevangenschap van het ego. Het doet me denken aan Heschel die het in “God zoekt de mens” eveneens heeft over het gevaar ingesloten te raken in ‘ruimten zonder licht en zonder beweging’. De diepere, onbewuste krachten van de geest zijn creatief. Het is geen wonder dat mannen, vanwege hun vaak uiterst rationele benadering van het leven, moeite hadden daarmee in contact te komen.

 

Het land van koning Arthur

Het beeld van de extatische vrouw drong ook door in de seculiere maatschappij. Zie Rossetti’s ‘Beata Beatrix’ en de Ladies of Shalott van Waterhouse en Holman Hunt. Keats spoorde de dichter aan het ‘mystieke duister’ binnen te gaan. Virginia Woolf zegt dat ‘de schrijver moet achteroverleunen en zijn geest de bruiloft in het duister laten vieren’. Er moet innerlijk ‘een soort huwelijk van tegenstellingen worden voltrokken’. Alleen zo kan een nieuwe schepping ontstaan. “… De negentiende eeuw was ook de tijd van grote vrouwelijke schrijvers en veel van hen schenen het creatieve proces als een vorm van extase te zien. Zo spreekt Elizabeth Gaskell van de ‘verborgen wereld van de kunst’ als ‘een toevluchtsoord voor vrouwen’ die de vrouwen weghaalt van ziekelijkheid en trivialiteit ‘naar het land waar koning Arthur zich verborgen houdt en hen troost met zijn vrede’. George Eliot ‘ontmoette’ ongetwijfeld vreemde aanwezigheden of krachten in haar geest wanneer ze aan het schrijven was…”. Doris Lessing, eveneens een kampioen op het gebied van mystiek, laat zien dat dit proces een tijdelijke gestoordheid kan opleveren: “… Haar zuiver seculiere mystici rollen huilend over de grond, slaan met hun hoofd tegen de muur, kauwen op hun nagels totdat ze voortdurend bloeden, zwerven ’s nachts hallucinerend en raaskallend door de straten, mompelen en brabbelen ongecontroleerd door de voorstelling in het theater heen….”. De mystieke heldin in Margaret Atwoods “Boven water” verwerpt het menselijke ras volledig en wil een dier worden: “… Ze sluipt naakt rond in de bossen en krabt in de grond op zoek naar eetbare wortels en planten en ze is voortdurend aan het controleren of ze een vacht krijgt…”. Als dit de verworvenheden van de mystiek zijn, wie zit er dan op te wachten? Lessing zorgt er wel voor dat haar mystici opkrabbelen en een rijker bestaan en betere gezondheid krijgen dan ooit tevoren. De ontregeling is een tijdelijke maar noodzakelijke toestand. Alleen door middel van psychisch geweld kan een vrouw blijkbaar echt mens worden. Er is een catharsis nodig (zie ook "Broeder Ezel" van Liesbeth Goedbloed en "Wormmaan" van Mariken Heitman). Net als bij de zogeheten  'twice born'-christenen, bedacht ik. Een wedergeboorte. Pas dan ontdek je écht wat je allemaal in je hebt. Noch voor Atwood noch voor Lessing is de mystieke queeste een traditionele religieuze weg, maar het pad dat haar heldinnen volgen is in wezen hetzelfde. Derhalve rest mij maar één conclusie: alles komt altijd uit de Bijbel!

 

Uitgave: Anthos –  1997, vertaling Jorien Hakvoort & Albert Witteveen in samenwerking met Iemke Epema, 360 blz., ISBN 978 904 140 245 5, bij bol.com alleen nog tweedehands verkrijgbaar, zie hier