Menu

donderdag 4 februari 2021

Walging – Jean-Paul Sartre

 


Filosofiestudent Marie, in “De wetten” van Connie Palmen (zie mijn vorige blog), vindt de sartriaanse ziel zwaar om te torsen, en is blij als mijnheer Foucault zich aandient, bij wie ze haar vrijheid weer (gedeeltelijk) kan inleveren. Je kunt jezelf nu eenmaal niet aan je eigen haren uit het moeras trekken. In “La Nausée” (1938), de in dagboekvorm geschreven roman “Walging” van Sartre (1905-1980) die in 1938 verscheen, zijn de bouwstenen van zijn existentiefilosofie al volop aanwezig. Zijn wijsgerige hoofdwerk “L’Etre et le Néant”, “Het Zijn en het Niet”, kwam in 1943 uit. En inderdaad, je moet wel tegen een stootje kunnen, wil je niet ondergaan in de briljante zwartgalligheid van “Walging”, dat Sartre in eerste instantie niet voor niets “Mélancholia”, naar Albrecht Dürer, wilde dopen. De Lutherse predikante Nadia Bolz-Weber zegt in “Vrijspraak voor losers” dat ze geen idee heeft wat ze zich moet voorstellen bij het woord ‘demonen’, maar dat ze haar eigen depressie wel als een ‘aanwezigheid’ voelde, die ze zelfs een naam gaf: Frances. Ook de epilepticus in “De wetten” ziet zijn ziekte als een ‘kwaadaardige elf’ die zich schaterend op zijn hypofyse zet. De ‘walging’ die af en toe in het gemoed van de schrijver Antoine Roquentin opdoemt,  zou je als een zelfde soort kwaadaardige entiteit kunnen beschouwen: het doet me een beetje aan het bizarre werk van H.P. Lovecraft denken.  

 

Van je leven een verhaal maken

In een voorwoord van de uitgever wordt meegedeeld dat het dagboek van ene Antoine Roquentin, die na diverse reizen door Centraal-Europa, Noord-Afrika en het Verre Oosten, al drie jaar in Bouville (volgens kenners gebaseerd op Le Havre) woont om daar zijn historisch onderzoek naar de markies de Rollebon te voltooien, begint in 1932. De aanleiding tot zijn schrijven is een unheimliche gebeurtenis. Als Roquentin tijdens een wandeling ziet hoe een paar jongens steentjes over het water laten scheren, pakt hij ook een keitje. Op dat moment overvalt hem een intens bevreemdend gevoel, ‘een weeïge afkeer’, ‘een soort walging in mijn handen’, tegenover het voorwerp dat hij vasthoudt. Hij laat het prompt vallen. Het gebeuren bezorgt hem een onberedeneerde angst. Toch weet hij zeker dat hij niet gek aan het worden is. Om vat te krijgen op de werkelijkheid besluit hij een dagboek bij te gaan houden (zie ook “Dagboek van een gek” van Nikolaj Gogol). Ik las ergens dat Sartre zich onder andere heeft laten beïnvloeden door Kafka. Inez Weski, die tijdens haar optreden in “Zomergasten” wat leesadviezen gaf, zei dat ze “Het proces” van Kafka had ondergaan als de waanvoorstelling van Josef K. Dus, om de cirkel rond te kletsen: ik denk dat Roquentin toch meer van het padje af is dan hij misschien beseft. Ik vind zijn voorstelling in ieder geval niet ‘normaal’. Ik zou hem zeker naar de psycholoog sturen als ik hem tegen kwam. Die zou hem helpen van zijn leven weer ‘een verhaal’ te maken, want dat is het wat hem ontbreekt, zoals ik in het vervolg zal uitleggen.

 

Demonen

Over zijn demonen: “… Er is iets aan de hand, dat weet ik nu wel zeker. Iets heeft zich behoedzaam in me genesteld, stiekem, als een ziekte en niet als een doodgewone zekerheid, een realiteit waarvan het bestaan aantoonbaar is. Ik voelde me een beetje uit mijn doen, een beetje onbehaaglijk, meer niet. Maar toen het eenmaal post had gevat is het niet meer weggegaan. Het heeft zich koest gehouden, zodat ik me zelf ervan heb weten te overtuigen dat ik niets mankeerde en alles loos alarm was. En nu opeens merk ik dat het erger wordt…”.  Hij voelt zich niet meer ‘vrij’, hij kan niet meer doen wat hij wil. Even verder: “… Ook buiten hoor ik een veelheid van lugubere geluiden die in de straten blijven hangen. Er heeft zich dus een verandering voltrokken, de laatste weken. Maar waar? Het is een abstracte verandering die nergens aanwijsbaar is. Ben ík soms veranderd? Als dat niet het geval is, dan zijn mijn kamer, de stad waar ik woon en de natuur om me heen veranderd. Ik moet kiezen…”. Het punt is dat hij zichzelf nooit enige rekenschap geeft over wat er in hem leeft. Doordat hij constant op de buitenwereld is gericht, weet hij niet wat hem innerlijk beweegt: “… Er stapelen zich een hele hoop kleine metamorfoses in me op zonder dat ik er aandacht aan schenk, en dan, op een goede dag, vindt er een ware omwenteling plaats. Daardoor heeft mijn leven zo’n hortend verloop en hangt het als los zand aan elkaar…” (geen verhaal). Het is alsof hij wakker is gekust uit een slaap die zes jaar heeft geduurd. Hij is bang: “… Ik zou me zelf graag beter willen begrijpen voor het te laat is…”.

 

De geworpenheid in het bestaan

Iedereen heeft anderen nodig om bevestigd te worden in zijn of haar bestaan. Hij niet: “… Ik leef alleen, volkomen alleen. Ik praat met niemand, nooit. Ik geef niets, ik ontvang niets…”. Hij gaat met de waardin van het café waar hij eet (kosteloos) naar bed, “… Maar meer dan een paar woorden zeggen we niet tegen elkaar. Waarom zouden we? Ieder voor zich…”. De seks is emotieloos als van dieren. In de bibliotheek waar Roquentin zit te werken, ontmoet hij een mannetje dat zich op alfabetische volgorde door het boekenaanbod leest: de Autodidact. De laatste is zeer benieuwd naar de avonturen die Roquentin op zijn vele reizen heeft beleefd. Roquentin heeft echter het gevoel “… dat me mijn hele leven lang nooit iets is overkomen dat op een avontuur lijkt, sterker nog, ik weet niet eens wat het woord avontuur betekent…”. Avonturen bestaan alleen in boeken, hebben een begin en een eind. Hij heeft op zijn hoogst wat ‘gebeurtenissen’ dan wel ‘voorvallen’ meegemaakt in een structuurloze tijd. “… Nog nooit heb ik zo sterk als op dit moment het gevoel gehad dat ik een open boek ben, dat ik niets méér ben dan mijn lichaam en een paar vederlichte gedachten die uit mijn lichaam omhoog stijgen als luchtbellen. Ik construeer mijn herinneringen aan de hand van mijn heden. Eenzaam en hulpeloos ben ik in het heden gepoot. Tevergeefs probeer ik het contact met het verleden te herstellen: het lukt niet aan me zelf te ontkomen…”. En even verder: “… Mijn herinneringen zijn als de gouden munten van de duivel: als je zijn beurs openmaakt, vind je alleen een paar dorre bladeren…”. Hij gaat zo ongeveer dood van verveling: “… Ik gaap zo hartgrondig dat de tranen me in de ogen springen…”. Hij heeft zelfs schoon genoeg van Rollebon. Het is alsof hij de historische feiten die hij heeft verzameld aan elkaar liegt om tot een hypothese te komen. Te bewijzen valt er niets: “… Langzaam, traag en onwillig onderwerpen de feiten zich aan de ordening die ik ze op wil leggen, maar het blijft een ordening die van buitenaf komt. Ik heb het gevoel dat mijn werk op louter fantasie berust…”.

 

Onmenselijk

Om zich niet teveel van mensen de verwijderen gaat Roquentin naar zijn  vaste kroeg: “… Maar ik bleef altijd aan de oppervlakte van de eenzaamheid, heel dicht bij de mensen, vastbesloten om in geval van nood mijn toevlucht bij ze te zoeken…”. Tegelijk drukken anderen hem meedogenloos op het feit van zijn isolatie: “… heel langzaam glijd ik weg naar de bodem van het water, naar de angst. Ik ben alleen te midden van de opgewekte, redelijke stemmen om me heen. Al die kerels brengen hun tijd door met uitleggen wat er in ze omgaat, om tot hun vreugde te ontdekken dat ze het roerend met elkaar eens zijn. Mijn God, wat vinden ze het belangrijk om allemaal precies hetzelfde te denken…”.  Niet in staat zich te bewegen, kijkt hij naar zijn omgeving die oplost in kleurvlekken: “… De Walging zit niet in mij: ik voel haar daar op de muur, op de bretels, overal om me heen. Ze vormt één geheel met het café, ik bevind me in de Walging…”. Alleen een liedje raakt hem nog: ‘Some of these days’. “… Ik voel me zo gelukkig als ik luister naar de stem van een negerin: tot welke toppen van geluk zou ik niet kunnen stijgen als mijn eigen leven het materiaal vormde waaruit de melodie is gemaakt…”. Volgens Sartre is alleen de kunst in staat je te verheffen. Buiten, op afgelegen rangeerterreinen waar geen mens zich waagt, voelt Roquentin zich ook okay: “… ik voel mijn eigen lichaam niet meer. Ik ben overweldigd door de zuiverheid van alles om me heen. Niets levends te zien, de wind giert, rechte lijnen verliezen zich in de duisternis…”. En even verder: “… De boulevard Noir is onmenselijk. Onmenselijk als een mineraal…”. Als je het hebt over van jezelf verlost zijn: “… De Walging is daarginds, in het gele licht, achtergebleven. Ik ben gelukkig; de kou is zo zuiver, zo zuiver is deze nacht. Ben ik niet zelf ook een vlaag ijskoude lucht? Niet meer van vlees en bloed te zijn…”. Zelfs als hij in een spiegel kijkt ondergaat hij een soort depersonalisatie: “… Toen ik klein was zei tante Bigeois altijd tegen me: ‘Als je te lang achter elkaar in de spiegel kijkt, zie je op het laatst een aap.’ Ik zal wel veel langer naar mijn spiegelbeeld hebben gekeken, want wat ik zie is minder dan een aap, bijna iets plantaardigs, een poliepachtig organisme…”. En even verder: “… Met open ogen val ik in slaap, het gezicht in de spiegel wordt groter, steeds groter, het is een enorme, bleke halo die opduikt in het licht… Plotseling word ik wakker doordat ik mijn evenwicht verlies…”.

 

Film

Verder over zijn gedachten omtrent het vertellen van verhalen: “… om van het meest alledaagse voorval een avontuur te maken hoeft iemand het alleen maar aan een ander te vertellen. Daardoor worden de mensen misleid: ieder mens is een verhalenverteller. Hij leeft omringd door zijn eigen verhalen en de verhalen van anderen en hij probeert zijn leven te leven alsof hij het vertelde…”. Volgens Roquentin bedrieg je daarmee jezelf: “… Wanneer je leeft gebeurt er niets. De decors wisselen, mensen komen en gaan, dat is alles…”. Alsof er een film voorbij komt. En even verder: “… Maar als je je leven vertelt, verandert alles. Alleen merkt niemand die verandering op. Het bewijs daarvoor is dat je praat over ware verhalen. Maar waar gebeurde verhalen bestaan niet…”. Vandaag schaamt hij zich voor de holle frasen en hoogdravendheid van gisteren. Over zijn eigen schrijverij: “… Verbazend hoe iemand zo kan liegen…”. Zie ook studente Marie in “De wetten” die het heeft over het ‘liegen van de waarheid’.

 

Vrije zondagmiddag

Tijdens een ledige zondag beschrijft hij uitgebreid de scheiding tussen ‘aristocratieën, elites en beroepsgroepen’ die hij op straat tegenkomt. Het is trouwens “… Niet mijn middag…”, maar “… hun middag…”. Hij doet er niet aan mee, hij heeft altíjd vrij. Zijn verleden is een enorm gat. Hij is een wrak zonder geheugen. Zonder herinnering, “… waar zou ik mijn verleden moeten laten? Je kunt je verleden niet in je zak stoppen; je hebt een huis nodig om het in op te bergen. Mijn enige bezit is mijn lichaam; een man die moederziel alleen is, met alleen zijn eigen lichaam, kan geen herinneringen vasthouden. Ze gaan dwars door hem heen. Maar wat klaag ik eigenlijk: vrij zijn, dat was juist wat ik wilde…”. Hij veegt de vloer aan met gezag. Mensen die van routine hun beroep hebben gemaakt: “… doktoren, priesters, magistraten en officieren kennen de mens als hun broekzak…”. Over de kleurloze, afgestompte bubbel waar ze in verkeren: “… En dan, als ze tegen de veertig lopen, beginnen ze hun vastgeroeste ideetjes en een handjevol spreekwoorden ‘ervaring’ te noemen en gaan ze zich als automaten gedragen: twee dubbeltjes in de linkergleuf en anecdotes, verpakt in zilverpapier, rollen te voorschijn; twee dubbeltjes in de rechtergleuf en je krijgt waardevolle adviezen die aan je tanden blijven plakken als kleffe caramels…”. Achter hun dikdoenerij verbergt zich alleen maar luiheid en desinteresse. De buitenkant van de dingen gaat slaperig langs hen heen: wéér niets nieuws onder de zon.  Dat zijn nog maar de professionals. Wat dacht je van de amateurs: “… Hun wijze raad houdt in dat je je zo onopvallend mogelijk moet gedragen, zo min mogelijk moet léven, dat je niet moet laten merken dat je er bent…”. Bek houden, onbenul…

 

Rechten en plichten

Onnavolgbaar sarcastisch vertelt Sartre hoe Roquentin het museum bezoekt waar in een zaal honderdvijftig portretten van beroemdheden hangen die Bouville hebben groot gemaakt: “… Zachtjes waren ze afgegleden naar de dood, op hun sterfdag als alle andere dagen in het reine met God en de wereld, om het deel van het eeuwige leven waarop ze recht hadden op te eisen. Want ze hadden recht gehad op alles: op het leven, op werk, op rijkdom, op macht, op respect en, ten slotte, op de onsterfelijkheid…”.  Over een lid van deze arrogante elite: “… Ik zag aan zijn ogen hoe hij me rustig en onverbiddelijk veroordeelde…”. Het snijdt door Roquentin heen als een zwaard: “… zelfs het feit of ik wel recht van bestaan had werd erdoor aan de orde gesteld. En inderdaad, ik had het me altijd al gerealiseerd: ik had geen recht van bestaan. Mijn komst op de wereld berustte op toeval, ik bestond zoals een steen, een plant of een microbe bestaat. Mijn leven is een soort woekering, er viel geen lijn in te ontdekken. Soms gaf het me onduidelijke signalen; op andere momenten ving ik niets op, alleen maar onbestemd gruis…”. Over het portret van een zestiger die vast, zonder één moment te twijfelen, gebruik had gemaakt van zijn recht om te leven: “… De schitterende grijze ogen van die man! Nooit was er een zweem van twijfel in te lezen geweest. En nooit had Pacôme zich vergist. Altijd had hij zijn plicht gedaan, op elk gebied, zijn plicht als zoon, als echtgenoot, als vader en leider. Ook had hij altijd onwrikbaar op zijn rechten gestaan: als kind op het recht een goede opvoeding te krijgen, in een harmonisch gezin; op het recht erfgenaam te zijn van een onbesproken naam en een bloeiende zaak; als echtgenoot op het recht liefderijk verzorgd en met tederheid te worden omringd; als vader op het recht op handen te worden gedragen; als leider op het recht zonder tegenspraak te worden gehoorzaamd. Want aan ieder recht zit altijd een plicht vast, dat is de keerzijde van de medaille. Zijn uitzonderlijk succes (de Pacômes zijn op dit moment de rijkste familie van Bouville) had hem waarschijnlijk nooit verwonderd. Hij had zich nooit gerealiseerd dat hij een gelukkig man was en als hij zich een pleziertje gunde, ging hij daar waarschijnlijk maar gedeeltelijk in op. ‘De boog kan niet altijd gespannen zijn,’ zei hij dan. Zo kreeg ook de ontspanning de waarde van een recht, waardoor zij van haar aanstootgevende frivoliteit werd ontdaan…”.

 

Loser

Het is duidelijk, vergeleken met hen is Roquentin een ongelooflijke loser: “… En de soldaten? Ik stond middenin het vertrek, doelwit van zoveel ernstige ogen. Ik was geen grootvader, geen vader, zelfs geen echtgenoot. Stemmen deed ik niet, ik betaalde nauwelijks belasting: ik kon me niet laten voorstaan op de rechten van de belastingbetaler, niet op de rechten van de kiezer, zelfs niet op het bescheiden recht dat iemand na twintig jaar trouwe dienst toch wel toekomt. Ik begon me in ernst over mijn bestaan te verbazen. Bestond ik eigenlijk wel echt??...”. Over een andere leider in hart en nieren, waarvan de zekerheid dat hij het recht aan zijn zijde had je gewoon tegemoet stráált: “… Het feit dat hij bezeten was van één idee maakte hem ongecompliceerd. Hij bestond alleen nog uit botten, dood vlees, en Onversneden Recht. Volgens mij was hij werkelijk geobsedeerd. Als het Recht je eenmaal in zijn greep heeft, is er geen vorm van exorcisme dat het kan uitbannen. Jean Parrottin had zijn hele leven gewijd aan het formuleren van alles waar hij Recht op had, met iets anders had hij zich niet beziggehouden. In plaats van de lichte hoofdpijn die ik, zoals altijd wanneer ik een museum bezoek, voelde opkomen, zou hij zijn pijn in zijn slapen hebben opgevat als het recht om verzorgd te worden. Je moet hem niet te veel stof tot nadenken geven, hem niet attent maken op minder plezierige kanten van de realiteit, op zijn mogelijke dood, of op de ellende van andere mensen. Op zijn sterfbed, het moment waarop je sedert Socrates geacht wordt een paar verheven woorden uit te spreken, had hij waarschijnlijk tegen zijn vrouw gezegd, net als een oom van mij tegen zijn vrouw die twaalf nachten bij hem had gewaakt: ‘Jou hoef ik niet te bedanken, Thérèse, jij hebt alleen maar je plicht gedaan.’ Als iemand zover is gekomen, moet je je pet voor hem afnemen…”. Ziedaar: “… het bouquet van de Rechten van de Mens en de Burger. Zonder reserve bewonderde ik de heerschappij van de mens…”. Als hij de zaal verlaat: “… Vaarwel, bloem der natie, onberispelijk in uw geschilderde heiligdommetjes, vaarwel, ons aller trots en reden van bestaan, vaarwel, Schoften…”.

 

Humanisme

Roquentin besluit definitief met zijn Rollebon-project te stopen: “… ‘Wat wil ik eigenlijk,’ dacht ik moedeloos bij mezelf, ‘ik heb niet eens de kracht mijn eigen verleden vast te houden. Hoe kan ik verwachten dat ik het verleden van een ander aan de vergetelheid zal ontrukken?’…”. Het enige wat bestaat is het beangstigende heden. Rollebon had hij alleen maar nodig om het naakte ‘zijn’ niet te voelen: “… hij had me van me zelf verlost…”. Vervolgens raakt Roquentin als het ware verstrikt in een gevecht met Descartes, die stelde : ‘Ik denk, dus ik ben’. Volgens Roquentin is het precies andersom, ik ben/besta, en dan volgt pas het denken. In allerlei categorieën waarin we ons zelf opsluiten. En via alle etiketjes die we onszelf en anderen opplakken. Maar Roquentin wil niet ‘geannexeerd’ worden. Dat bestaan is trouwens volkomen absurd en zinloos. Zeg nu zelf: je had er net zo goed niet kunnen zijn. De Autodidact nodigt hem uit om een hapje met hem te gaan eten. Tijdens deze maaltijd laat de Autodidact zich kennen als een humanist en socialist. In een geniale gedachtegang fileert Roquentin/Sartre daarop het humanisme tot op het bot. Humanisten zijn er in allerlei soorten en maten (net als christenen): “… de humanist die van mensen houdt zoals ze zijn, de humanist die van ze houdt zoals ze zouden moeten zijn, hij die ze wil redden met hun instemming en hij die ze wil redden of ze willen of niet, de humanist die nieuwe mythen wil creëren en hij die genoegen neemt met de bestaande, de humanist die gefascineerd wordt door de mens omdat hij doodgaat en hij die gefascineerd wordt door de mens omdat hij leeft, de optimist die altijd een kwinkslag bij de hand heeft en de pessimistische humanist die je vooral bij dodenwaken tegenkomt. Onderling staan ze elkaar allemaal naar het leven: als individuen, wel te verstaan – niet als mensen. Maar daar heeft de Autodidact geen idee van: hij heeft ze in zijn hart gesloten als katten in een leren zak en ze verscheuren elkaar zonder dat hij het merkt…”. Neemt u mij niet kwalijk, maar ik moest direct aan het Christelijk Informatie Platform denken. En aan de hedendaagse filosoof John Gray die in “Strohonden” fulmineert dat het humanisme niets anders is dan christendom zonder God.

 

Bevinding

Na het restaurant belandt Roquintin op een bankje in een park, waar hem een adembenemende grens- dan wel piekervaring overkomt: “… Ik draai om mijn eigen as en alle dingen draaien met me mee, bleek en groen als oesters. Zinloos…”. Roquentin ervaart in die as (nog) niet God, zoals ik: “… ik bevind me te midden van de Dingen, de onbenoembare. Overal om me heen zijn ze, onder me, achter me, boven me, en ik ben alleen, woordeloos, weerloos. Ze eisen niets, ze dringen zich niet op: ze zijn er…”. Plotseling, ineens, terwijl hij naar de wortel van een kastanjeboom staart, “… wijkt de sluier uiteen en heb ik begrepen, heb ik gezien…”. Hij spreekt niet in mystieke termen van ‘verlichting’, integendeel, hij heeft het over ‘huiveringwekkende extase’ en een ‘gruwelijke verrukking’. Het afschuwelijke dringt tot hem door dat wij zonder God niets anders doen dan ‘vegeteren’. Hij ‘walgt’ van het ‘niets’, waar hij zich voor gesteld ziet. Het bestaan is een aftakelingsproces. Zie de wet van entropie. Ik heb zijn ervaring gelezen als een groteske illustratie van Romeinen 8 vers 20: “… Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid…”. Als je het hebt over ‘bevinding’: “… Het was een doodse, armetierige overvloed die zich zelf tot last was…”. En even verder: “… ik stikte, zo woedend was ik op het logge, absurde zijnde…”. Toch blijft het daar niet bij. Als hij ontwaakt uit zijn droom, staat hij op en loopt weg. Dan is het moment van ‘bekering’, van ‘omkering’ daar: “… Toen ik me bij de uitgang nog eens omdraaide, glimlachte het park naar me. Ik leunde tegen het hek en bleef lange tijd staan kijken. De glimlach van de bomen en van het laurierbosje had een betekenis; in die glimlach lag het werkelijke geheim van het bestaan besloten…”. Het is alsof de dingen een soort ‘medeplichtigheid’ uitstralen (alle dingen werken mee ten goede): “… Was die voor mij bestemd? Geërgerd besefte ik dat ik absoluut niet in staat was te begrijpen. Niets begreep ik ervan. Toch was het er, afwachtend, als een blik. Het was er, op de stam van de kastanjeboom… het was de kastanjeboom. De dingen leken wel gedachten die halverwege waren blijven steken, die zichzelf vergaten en die vergaten wat ze hadden willen uitdrukken. Met moeite hielden ze zich in evenwicht, beladen met een vreemde betekenis die ze zelf ontging. Het ergerde me dat ik de onduidelijke boodschap die ze wilden overbrengen niet kon begrijpen, al was ik daar honderdzeventig jaar tegen het hek blijven staan; ik was over het bestaan alles te weten gekomen wat ik kon bevatten…”. Voor mij heeft Roquentin/Sartre hier iets van de Bijbelse wachter op de morgen, die in de verte eindelijk het eerste morgenlicht ontwaart (Psalm 130). Als de nacht op zijn donkers is, komt de omslag. Zijn schouwen gaat absoluut dieper dan bij “Eva” van Carry van Bruggen en bij Marie in “De wetten” van Connie Palmen. Wat mij betreft kan Sartre hier zo aan het rijtje geschriften van de Oudvaders in de gereformeerde traditie worden toegevoegd. Hun existentie-ideeën waren niet alleen maar flauwekul. Ergens, hadden ze natuurlijk wel degelijk een beetje gelijk…

 

Het volmaakte ogenblik

Vanaf dat moment weet Roquentin wat hem te doen staat: “… Mijn besluit staat vast: ik heb geen enkele reden nog langer in Bouville te blijven, omdat ik er vanaf heb gezien mijn boek te schrijven; ik ga in Parijs wonen…”. Eerst heeft hij een laatste ontmoeting met zijn ex die hij vier jaar niet heeft gezien. Ze probeert hem nogmaals aan het verstand te brengen wat ze bedoelde met de ‘volmaakte ogenblikken’ die ze met hem wilde creëren – en waar hij eindelijk het een en ander over lijkt te begrijpen. “… Eerst zijn er bepaalde tekens die je als voorboden kunt zien. Daarna doet de geprivilegieerde situatie langzaam en majestueus haar intrede in het leven van de mensen. Dan moet je uitmaken of je er een volmaakt ogenblik van wilt maken…”. Zie Johannes 3 vers 19 waarin staat dat de mensen de duisternis liever hadden dan het licht. Als het licht zich aandient, is de keuze aan jou. Even verder: “… ‘Eerst moet je in iets unieks verzeild zijn geraakt en voelen dat je daar een bepaalde ordening in hebt gebracht. Als aan al die voorwaarden is voldaan had je een volmaakt ogenblik gekregen.’ ‘Eigenlijk is het dus een soort kunstwerk.’…”.  Een van mijn leermeesters, de christelijke cultuurfilosoof F. de Graaff, stelt dat alle schoonheid in de kunst afglans is van het Paradijs, en je dus terug kan brengen bij God. In haar vorige leven was de ex een actrice: “… Het zwarte gat vlak voor onze neus, waarin mensen zaten die we niet zagen, was voor ons het allerbelangrijkste. Ja, voor die mensen brachten we een volmaakt ogenblik tot stand. Maar, weet je, ze zaten er niet middenin: ze zaten er naar te kijken. En dacht je dat wij, de acteurs, er middenin zaten? Uiteindelijk was er geen volmaakt ogenblik, niet vóór en niet achter het voetlicht, het bestond helemaal niet. En toch dacht iedereen er aan. Dus, schatje’, zegt ze op slepende, bijna vulgaire toon, ‘heb ik overal de brui aan gegeven.’…”. Ze laat zich tegenwoordig onderhouden door een ouwe vent, van wie ze ‘geen last heeft’, waarmee ze de wereld rondreist. Alsof ze haar ziel aan de duivel heeft verkocht.

 

Verrast door vreugde

Als Roquentin voor hij naar Parijs vertrekt als laatste daad in Bouville zijn bibliotheekboeken gaat inleveren, ontmoet hij nog eenmaal de Autodidact, die met al zijn humanisme slachtoffer wordt van een pedojacht. Terwijl hij wacht op de trein verdoet hij zijn laatste uren in een cafè waar hij voor de zoveelste keer luistert naar ‘Some of these days’: “… Ik heb het gevoel of iets me heel voorzichtig aanraakt en ik durf me niet te verroeren uit angst dat het weer weggaat. Iets waarvan ik het bestaan vergeten was: een gevoel dat op vreugde lijkt…”. Alsof hij voorzichtig een stap op het pad van licht zet (het lijkt me niet voor niets dat de straat naar het café nadrukkelijk als ‘wit’ wordt omschreven. Hij voelt zich alleen en vrij, en een ‘beetje dood’). “… In het Rendez-vous des Cheminots. Over vijf minuten vertrekt mijn trein. De grammofoon. Overweldigend gevoel van avontuur…”. Nieuwe vergezichten dienen zich aan. Hij zou in Parijs een boek kunnen gaan schrijven: dat is het enige wat hij kan. Een verhaal. Een roman vol avontuur: “… Mooi en hard als staal zou het moeten zijn, zodat de mensen die het lazen, zich zouden schamen voor hun bestaan…”.

 

Uitgave: Athenaeum – 2020, vertaling Marianne Kaas, 288 blz., ISBN 978 902 531 275 6, 20,-

Rechtstreeks bestellen: klik hier

vrijdag 29 januari 2021

De wetten – Connie Palmen

 


Onlangs heeft uitgeverij Prometheus de veertigste (!) druk van het debuut van Connie Palmen op de markt gebracht: “De wetten” (1991). De titel herinnert aan de “Wetten” van Plato. De ik-figuur, Marie Deniet, is dan ook een filosofiestudente. Soms wordt er gezegd dat alle filosofieën enkel voetnoten bij Plato zijn. Dat is mooi: dat betekent dat je als leek dus enkel Plato hoeft te bestuderen als je wat van filosofie wilt weten. Evenals het boek van Nadia Bolz-Weber, zie mijn vorige blog, bestaat deze roman uit, in dit geval zeven, hoofdstukken die evenzoveel lessen bevatten. Marie beschrijft erin wat ze van zeven relaties met verschillende mannen heeft geleerd. Het haalt het niveau van Nadia Bolz-Weber op geen stukken na. Het is hier en daar zelfs een beetje clichématig, maar dat weet Marie zelf ook wel: “… Heb ik daar nu zo lang voor doorgeleerd, om de waarheid van de clichés te ontdekken?…”. Connie Palmen was natuurlijk veel jonger dan Nadia Bolz toen ze het schreef. Eerder besprak ik “Jij zegt het”. Dat toont hoe ongelooflijk Palmen in de jaren is gegroeid. Desondanks blijft “De wetten” een heel mooi boek dat ik met veel plezier terug heb gelezen.

 

De waarheid zeggen door erover te liegen

Zoals alle jonge meiden zoekt Marie zichzelf. En de waarheid over het leven. Als ze een paar rotcenten staat te verdienen in een antiquariaatje in de Pijp, komt er een treuzelig, miezerig, nogal weerzinwekkend mannetje binnen, die opeens de opmerking ‘Boogschutter-Schorpioen’ laat vallen. Haar sterrenbeeld. Haar belangstelling is direct gewekt, zoals bij iedereen: “… Zodra hij tegen hen zei wat ze waren veranderde hun hele houding. Het moest al gek lopen wilde er niet iets oplichten in de ogen en een gloeiend waas van nieuwsgierigheid de strijd aanbinden met de heldere hardheid van de eerste blik…”. Hij trekt haar horoscoop en vertelt haar dingen die ze eigenlijk altijd al wel geweten heeft. Ze is een schrijfster: “… Jij moet alleen zijn om over de wereld na te kunnen denken…”. Zijn advies: “… Je moet wel een oplossing zoeken voor de manier waarop je met anderen kunt communiceren en je boodschappen over kunt brengen, zonder echt met de anderen om te hoeven gaan, fysiek, bedoel ik…”. In die dagen bestond er nog geen World Wide Web waarop je blogs kunt schrijven. Marie gaat uitgebreid in op het fenomeen dat ik in het vorige blog heb aangekaart, dat je zo gauw je je voor a uitspreekt binnen no time wordt geconfronteerd met b: “… Het meest vervelende van nadenken vind ik nog dat je zo vaak bij paradoxen uitkomt...”. Schrijven is een omslachtige poging iemand anders aan het verstand te brengen waarvan jij denkt dat het de waarheid is, maar: “… tussen de waarheid en het schrijven botert het niet…”. Door nog verder te denken, verandert je waarheid tot je afgrijzen in een leugen: “… Daarom schrijven heel veel mensen, maar worden weinig mensen schrijver. De meesten haken op dit punt af…”. Dus: “… Het verlangen naar de waarheid blijft hetzelfde, maar het is de grote kunst de waarheid te zeggen door erover te liegen…”. Zoals Carry van Bruggen zei: “… ik ben in-één-gehechte twee, ik ben tegen-elkaar-gerichte twee, ik ben tegen-zich-zelf-gekeerde één…”.

 

Bubbel

Marie denkt dat ze de wetmatigheden van het leven kan achterhalen door alert te zijn op wat er om haar heen gebeurt: “… Goed luisteren vereist inleving en het achterwege laten van vooroordelen…”. Over het houvast dat wetmatigheden bieden: “… Toen ik nog maar weinig boeken gelezen had onthield ik met het grootste gemak de wetten voor iedere vorm van goed gedrag, het correcte optreden, de juiste handelswijze. Zonder wetten wist ik me geen raad. De anderen ook niet, dacht ik…”. Tot ze er achter komt dat er over hetzelfde onderwerp heel verschillend wordt gedacht, sterker: “… Ronduit tragisch werd het toen ik in de gaten kreeg dat anderen weliswaar wetten in hun hoofd hadden, maar zelden of nooit boeken lazen. Ze haalden ze ergens vandaan. Sommige mensen lijken de wetten van nature in zich te hebben. Ze hebben geen boeken gelezen en toch een mening, een overtuiging, een idee hoe de wereld in elkaar hoort te zitten. Ze zijn overtuigd van hun gelijk en hoeven nergens op te zoeken hoe ze over iets moeten denken…”. Nu kun je natuurlijk zeggen: christenen hebben het makkelijk want die hebben de Bijbel. Maar ik kan je zeggen, zoek een regel gebaseerd op de Bijbel en ik weerleg die regel, óók gebaseerd op de Bijbel. Dat betekent niet dat de Bijbel tegenstrijdig is, maar dat ík tegenstrijdig ben. Het is maar net hoe je hem leest (zie de nieuwe natuurkunde, waarin de vorm die een kwantumdeeltje aanneemt afhankelijk is van de aandacht van een toeschouwer). Volgens Marie heeft de astroloog “… een weefsel over de wereld gelegd…”. Is hij niet meer echt. De astroloog: “… het is toch alsof het leven buiten mij om gaat, alsof ik er niets mee te maken heb, begrijp je dat? Het is mijn eigen leven, maar ik consumeer het niet…”. Doen christenen dat ook? Dat gevoel heb ik soms als ik me in de christelijke bubbel begeef. Dan wordt er voor mij gedacht, en wordt er vanzelfsprekend vanuit gegaan dat ik in de mal van andermans visie pas. Daarom voel ik mij beter búiten die bubbel. “… Jij bent ook alleen, maar jij geniet ervan…”, zegt de astroloog. Maar dat geldt niet voor iedereen: “… Ik niet. (…) ik draag een zelfvernietiger met me mee…”. 

 

Talent

Over aanleg: “… Aan een talent moet je gaan staan zoals je aan het leven gaat staan, want op een dag vallen ze samen en betekent het leven jouw talent en is het jouw talent om te leven. Een talent dat een bedrieglijke belofte blijft wordt je dood, daar ben ik van overtuigd. Het gaat binnen in je zitten kankeren over hoe het leven had kunnen zijn en op een gegeven moment over hoe het had moeten zijn. Datgene wat je omhoog had moeten trekken, naar de schoonheid van een eigen leven, naar de uitzonderlijkheid ervan, trekt jou op den duur omlaag, naar de dood, de grote gelijkmaker…”. De astroloog denkt dat de buitenwereld hem op een gegeven moment zal overtuigen dat zijn leven zin en betekenis heeft, dat hij een schouderklopje van de wereld zal krijgen, dat er ooit waardering zal komen voor wie en wat hij is: “… De astroloog verdroeg de onverschilligheid van het lot niet en daardoor verdroeg hij het leven niet. Hij viel er niet mee samen. Het leven moest hem bevrijden uit zijn gruwelijke afzondering door hem op te nemen in een groot verhaal om hem zo het bewijs te leveren van de noodzaak van zijn bestaan…”. Bij Marie gaat het precies andersom: “… De afzondering was de enige positie van waaruit ik het leven meende te kunnen bevrijden van haar betekenisloosheid en van waaruit ik van de eenzame, zielloze dingen tekens kon maken, zodat ze nog ergens, in een zelfverzonnen verband, betekenis konden hebben. Het leven had mij nodig. Zonder mij bleef het nergens…”. Marie maakt haar eigen verhaal. Het lijkt me hetzelfde als de uitverkiezingsproblematiek in de refotraditie: wacht je tot in het oneindige tot God jou bekeert of neem je zélf het initiatief door God in je leven te trekken.

 

Demonen

De tweede man is een epilepticus die naast haar komt zitten tijdens een college. In “Vrijspraak voor losers” schrijft Nadia Bolz-Weber dat ze niet weet wat ze van ‘demonen’ moet denken, maar dat haar depressiviteit als een ‘aanwezigheid’ voelde die ze een naam geeft: Francis (zie mijn vorige blog). Gek genoeg, omschrijft de epilepticus zijn ziekte ook als een aanwezigheid. Een venijnige elf: “… een eigenzinnig wezen dat zich op een goede dag ongevraagd bij hem had gevoegd om nooit meer weg te gaan. Op zijn manier was hij ervan gaan houden…”. Tussen haakjes: veel theologen hebben de verhalen over ‘bezetenheid’ in de Bijbel geïnterpreteerd als epileptische aanvallen.  “… soms stel ik me voor hoe ze op de rand van mijn hypofyse zit en zich schaterend op de dijen slaat…”. Echter, de medicijnen hebben haar op de vlucht doen slaan, wat hem spijt, want ze hadden juist zoveel lol met elkaar. Ze heeft hem héél gemaakt, toen hij aan keuzestress leed. Door haar draait zijn hele leven alleen nog maar rond filosofen, kunstenaars en artsen die wat te melden hebben over epilepsie. Of Marie misschien ook behept is met een aandoening? Ze heeft enkel last van een vervelende huidkwaal: “… De ziekte van de huid zijn bij uitstek het kenmerk van tweeslachtige individualisten, wat zeg ik, hyperindividualisten…”, juicht de epilepticus. Ter verduidelijking: “… Alleen door metaforen valt er aan de ziekte van alles te beleven en kom je terecht bij figuren die je anders misgelopen zou zijn, bij de engelen of de duivels, al naar gelang…”.

 

Doctora mystica

Hun ziekten staan diametraal tegenover elkaar: “… Het verborgen, duistere mechaniek van de hersens, tegenover de brutale, exhibitionistische zichtbaarheid van de huid…”. En het paradoxale is dat de ziekten je binnenstebuiten keren. “… De vallende ziekte geeft je diepste wezen, ondanks jezelf, schaamteloos bloot aan het oog van de buitenwereld…”. Je dwingt de mensen in de wereld zich over jou te ontfermen: heerlijk! De epilepticus maakt er ongegeneerd gebruik van: “… Soms vond ik hem onthecht, een spotziek, in zichzelf gekeerd kind, dat zich verliest in het spel en met argeloze vanzelfsprekendheid de zorg en bescherming van de mensen om hem heen verwacht. Andere keren zag ik hem als een desolate demon die de wereld scherp ziet, met een bijna dierlijke intuïtie begrijpt hoe ze werkelijk in elkaar zit en daarom de mensen in zijn omgeving zonder scrupules voor hem aan het werk zet. Natuurlijk moest hij daarna degenen die hem helpen heimelijk verachten, omdat hij iedereen dom vond die zijn listen niet doorzag…”. Als je het hebt over ‘ziektewinst’! En zijzelf? “… Huidkwalen ontstaan vooral bij mensen die zich juist pantseren tegen de wereld en zoveel eelt op de ziel willen kweken, dat er nooit iemand werkelijk tot ze door kan dringen…”. Zoals bij haar, aldus de epilepticus: de verberger, de versluierde vrouw, de Doctora mystica. Wat verbergt zij? “… Ik wou Daniël van mijn leuning af hebben, legde het artikel terug in zijn stoel en zei dat ik het wel erg ver vond gaan om de ziel helemaal overhoop te halen voor een puistje…”.

 

De stem

De derde man is een oude filosoof waar Marie een rare relatie mee heeft. Wat Palmen schrijft over ‘zoeken’ vind ik heel mooi. Soms word je verliefd op een man omdat je denkt dat hij ‘hét’ weet: “… In de zaal werd gelachen. Niet door mij. Het gevoel eindelijk iets gevonden te hebben, waar ik al jaren vruchteloos naar op zoek was geweest, maakte me eerder jankerig en sentimenteel. Kun je iets zoeken, waarvan je niet weet wat het is? Ik zocht, zonder te weten wat. Als ik het vind, herken ik het zonder te weten wat het is. Ik herken het, omdat het altijd in dezelfde vorm komt, in hetzelfde omhulsel, in de gedaante van woorden, van de sprekende man met het gezicht, of van de woorden op papier, waarachter ook dit gezicht schuilgaat. De man en de woorden roepen een verlangen op dat ik wil stillen en behouden tegelijkertijd, waaraan ik lijd en waarvan ik geniet, dat ik wil doorgronden en als mysterie wil bewaren en waarvan ik soms denk dat het samenvalt met het leven, en soms dat het samenvalt met de woorden en niet meer is dan dat, dat het zonder woorden niet bestaat, niets meer is…”. Over een stel bejaarden die de colleges van de oude filosoof bezoeken: “… Zouden zij op hun zeventigste nog met dezelfde vragen rondlopen als ik, nog honger hebben naar kennis, nog op zoek zijn naar een stem, die helderder klinkt dan die van de zeurende tegenstander in je hoofd? Hield het dan nooit op?....”. In de Bijbel is satan ‘de tegenstander’ en is ‘de stem’ God: zie God die zich aan Elia laat horen als ‘de stem uit de stilte’.

 

Sartre versus Foucault

Over haar filosofische ontwikkeling aan de hand van de sartriaanse ziel: “… ik was met trots vrij en verantwoordelijk en verbaasde me er zeer over wanneer ik iemand het determinisme en de erfenis van de geslachten hoorde verdedigen, want het geloof in een vorm van doem strookte niet met het geloof van de twintigste eeuw…”. Maar de sartriaanse ziel is zwaar om te torsen. Gelukkig dient Mijnheer Foucault zich aan: “… De persoonlijkheid was net zo’n grote mythe als de vrijheid van Mijnheer Sartre en omdat er niets was dat ik meer begeerde dan het hebben van een persoonlijkheid, luchtte het me erg op eens te denken dat zoiets misschien wel helemaal niet bestond en ik mij met andere zaken bezig kon houden. Ik was blij dat ik van Mijnheer Foucault niet zo vrij hoefde te zijn als van Mijnheer Sartre en ik ruilde met een gevoel van verlichting mijn oude ziel in voor een nieuwe. Het determinisme was zo gek nog niet…”.  Over de ‘innerlijke verdeeldheid’ à la Carry van Bruggen: “… Het is ongetwijfeld de gemoedstoestand van een neurotische mens, die geen verzoening tot stand kan brengen tussen de tegensprakelijkheden van het leven en onder voortdurende schuldgevoelens gebukt gaat…”. Volgens het Jodendom is er vanwege de val van Adam een scheur ontstaan tussen de zichtbare en onzichtbare wereld. Tussen uiterlijk en innerlijk. Door deze twee zaken te lijmen kan de goddelijke energie weer vloeien.

 

Het brandmerken van een kuddedier

De vierde man is niet alleen oud maar ook nog eens mismaakt en aartslelijk: “… Het was of zijn nek helemaal ontbrak en het hoofd als een dikke prop klei direct op een amorf bovenlichaam neergezet was…”. Een gebochelde schrijver. Wereldberoemd. Ze komt bij hem vanwege haar doctoraalscriptie: “… Hij had mij precies gegeven wat ik me voorgesteld had, een bezielde kennis van de meest uiteenlopende auteurs, andere omschrijvingen van wat een literaire tekst nu eigenlijk was, een blik op bezetenheid en lust, waarmee het lezen gepaard kan gaan en hoe de eenzaamheid van deze lust nog te delen was met iemand anders. Ik was die ander, nu. Er zat een kwijlende, opgewekte, schaamteloze gnoom tegenover mij, maar ik bekeek hem met de blik van iemand die zonet getroost is…”. Een afvallige priester die zegt dat ze een ouderwetse platonist is, omdat ze naar de ziel haakt. Ook al noemt ze God niet meer God. “… Omdat ik er naar vraag vertelt hij hoe het gaat, intreden in een klooster, het aantrekken van een pij, het kaalscheren van de kruin. ‘Op de keper beschouwd is het een vorm van verminking,’ zegt hij, ‘het brandmerken van een kuddedier, zodat een onuitwisbaar spoor achterblijft, waaraan iedereen kan aflezen aan wie of wat je toebehoort. In dienst van het heilige staan betekent apart gezet worden, van de gemeenschap van de mensen afgescheiden worden…”. Ik dacht aan de refotraditie waarin meisjes geen lange broek aan mogen en een hoedje op moeten naar de kerk: het brandmerken van een kuddedier. Wat Maria met hem uitvoert is te bizar om te beschrijven. Uiteindelijk zegt ze: “… Ik ben volkomen onbereikbaar, behalve voor walging…”. Ik ook.

 

Tussengebied

De vijfde is een fysicus. Ha, denkt Marie, een bèta-man. Iemand van de exacte wetenschap, van vaste, onwankelbare wetten en structuren. Geen zweverij meer. Dan begint hij over de quantummechanica… De zesde man is een kunstenaar die ze aanhaalt in de eindscriptie waar ze mee bezig is. Hij helpt haar eindelijk over de drempel van haar schrijfangst heen. Het is klaar met het voortdurende uitstel. Terwijl hij zelf juist vast lijkt te zitten. De kunstenaar heeft moeite met het maken van dingen die hij moet “… overlaten aan de mensen die er, los van jou, een betekenis aan zullen geven…”. Maar ja; “… Kunst is toch ook een keuze voor een manier om met anderen om te gaan, met de hele wereld, als het even meezit?...”.  Want, “… Je wordt kunstenaar als je de grens overschrijdt, de drempel naar het publiek. Dan pas stel je de wereld in staat betekenis te geven aan iets…”. Een prachtige uitdrukking van het paradoxale op een tentoonstelling: “… Het glasraam stond in een van de hallen van het museum. Het was een groot, rechtopstaand raamkozijn. De twee ruiten waren zo bewerkt dat het leek alsof ze permanent beslagen waren en iemand zonet, met de top van zijn vinger, in de condens geschreven had. Door de rechterruit achter de linker te schuiven, gingen de twee teksten op de ramen in elkaar over en vormden samen de ontkenning van wat ze afzonderlijk beweerden…”. Alles is dubbel: “… De werkelijkheid komt altijd hand in hand te voorschijn met iets wat haar ook ontkracht, onecht maakt, met iets leugenachtigs en vals…”. Zie Nadia Bolz-Weber die schrijft over heiligen die tegelijkertijd de grootste zondaars waren. Het werk van Marie gaat over het universele conflict tussen het individu en de boze buitenwereld (zie wat ik daar verder over schreef naar aanleiding van “Eva” van Carry van Bruggen): “… over de angst om te publiceren, tentoon te stellen of op een andere manier, via een ding, de grens tussen het persoonlijke en publieke te overschrijden…”. In die overgangsfase gebeurt hét: “… Ik bevond me in niemandsland, een tussengebied waar geen wetten gelden en iedereen onschendbaar is…”. Het gebied tussen kruisiging en opstanding. Net als Jezus, trekt Marie zich voor haar examen een tijdje terug: “… Na eerst wat doelloos door de stad gezworven te hebben, sloot ik op een dag de deur van mijn kamer af, schoof de gordijnen dicht, trok de stekker van de telefoon en bel uit het stopcontact en liet de post in het gangpad liggen. Ik kroop in bed en had net zo goed dood kunnen zijn…”. Na haar afstuderen is ze iemand anders: “… Het drong tot me door dat ik van school afging, klaar was, ook voor hem, voor het andere leven, het echte leven, met hem…”.

 

Eenheid in verscheidenheid

De zevende en laatste man is de psychiater. Daar kom je uiteindelijk terecht als je een ‘zelf’ wilt zijn; zie Carry van Bruggen. “… Het is niet zozeer dat ik niet verdeeld ben, ik weiger domweg om verdeeld te zijn…”. De kunstenaar heeft haar verlaten: “… Uiteindelijk verdroeg hij mijn liefde niet. Wie wel?...”.  Hij hield niet genoeg van zichzelf om van haar te houden: “… Sinds wanneer heeft deze krankzinnige dooddoener ons in de ban? Welke achterlijke idioot heeft het in de hersens van de mensen zitten stampen dat ze eerst van zichzelf moeten houden voordat ze iemand anders lief kunnen hebben? Het is de meest belachelijke, de meest domme, de meest wrede wet ‘ever’ en ze regeert de twintigste eeuw. Het is rabiate nonsens. Je moet van iemand anders houden en iemand anders moet van jou houden, dat moet je niet ook nog eens zelf hoeven doen, dat is onmogelijk. Wie houdt er nu van zichzelf zonder door een ander bemind te worden? Niemand toch? Ja, een handvol monomane gekken met negen assertiviteitstrainingen achter de rug…”. De mannen maken de wetten: “… Met de wetten verbinden ze wat ver uit elkaar ligt, hemel en aarde, ziel en lichaam, je kent ze wel, de tegenstellingen. En dan lezen ze met hun wetten in de hand de wereld. Met jou erbij. Als dit dan dat. Als jij zus dan zo…”. Marie: “… Ik was niet op zoek naar liefde. Ik zocht de wetten…”. Als je niet gelooft in God, dan moet je je eigen ‘knooppunt’ zijn. Anders “… heb je dus niets, want dan is iedere gebeurtenis nietszeggend, zonder waarde, een waardeloos voorbijgaand voorval dat net zo goed niet had kunnen plaatsvinden, een loshangende draad, betekenisloos. Alleen de mensen met een eigen leven zijn in staat om een verhaal te zien in wat het leven feitelijk is, die onder de gruwelijke verschillen van iedere minuut de eenheid beluisteren, de eenheid van hun verhaal, alleen die mensen kunnen gelukkig zijn…”. Het probleem is  “… dat ik mijzelf niet kan redden. Ik ben de enige die afzonderlijk is, ik kan mezelf geen betekenis geven. Ik vind het onprettig zelf zo leeg en zonder betekenis te zijn…”. Als je jezelf niet kunt helpen, ga je een ander helpen. Maar die ander is er misschien nog wel erger aan toe: “… Hij is zo ongeordend en verdeeld van binnen, twee in een, en dan hou ik het nog aan de lage kant…”.

 

De paradox

Over haar mannen: “… De mannen weten veel van de wereld en weinig van zichzelf…”. Ze hebben niet in de gaten dat “… hun kennis ook maar een manier is om de kop boven water te houden…”. Marie: “… Ik hou van mannen. Ze zijn eenzaam. Eigenlijk willen ze allemaal hetzelfde: heilig worden, goddelijk. Maar het is niet aan de mens om goddelijk te zijn. Een mens is menselijk en dat is al moeilijk zat. Sinds ze God naar beneden hebben gehaald en hem ergens een plaats toedichten in het hart van de mens, is het gruwelijk misgelopen. God hoort boven, onder, overal, in ieder geval buiten de mens. Goddelijk willen zijn is een duivelse onderneming. Je kunt het goddelijke begeren, nastreven en als je het goed doet word je op zijn hoogst een beetje heilig. De mannen wilden dat ik naar ze luisterde en hen vergaf. Ze waren met weinig tevreden en dat weinige kon ik ze nog net geven…”. Ik denk dat Marie Deniet en Carry van Bruggen dieper in zichzelf zijn afgedaald dan de meesten ooit doen. Maar niet diep genoeg. Want diep in jezelf, ver voorbij je 'ik', ben je niet jezelf (zie: “Het evangelie van Pilatus” van Eric-Emmanuel Schmitt). Ze waren er voor mijn gevoel bijna. “.. De paradox  zit in de wet zelf…”. Marie: “… Het moet toch mogelijk zijn die stem in mij het zwijgen op te leggen…”. Ik denk het niet. Ik denk dat zo lang je leeft God de dialoog met je blijft zoeken. Marie: “… Het leven was een stuk simpeler toen ik nog in God geloofde…”. Absoluut.

 

Uitgave: Prometheus - 2020, 240 blz., ISBN 978 904 464 577 4, € 22,50

Rechtstreeks bestellen: klik hier